Weleens gehoord van een Nederlandse wet waarmee Joodse ouders die hun kind(eren) hadden laten onderduiken automatisch uit de ouderlijke macht werden gezet, als ze zich niet binnen een maand na de bevrijding hadden gemeld? Nee? U bent niet de enige. Voor een aanzienlijk deel van de Nederlandse burgers is deze wet, die onderdeel uitmaakte van een naoorlogse strijd om de Joodse onderduikkinderen, een onbekend stukje geschiedenis. Dat is opmerkelijk, omdat het een uitzonderlijke wet was, de strijd hoog opliep en de effecten nog altijd doorwerken. Zelf kwam ik pas in 2023 voor het eerst in aanraking met deze geschiedenis tijdens de research voor Oorlog in je DNA[1], een boek over de invloed van oorlog op familierelaties. De kwestie trok meteen mijn aandacht omdat ze leidde tot psychische klachten en meervoudige contactbreuken tussen de kinderen en hun nog levende ouders en/of familieleden, en tussen de kinderen en hun pleegouders en families. De geschiedenis belastte ook volgende generaties.
Naast emoties als verbazing en ontzetting riep de kinderkwestie, zoals de strijd om de Joodse onderduikkinderen is gaan heten, bij mij ook de vraag op: hoe kan het dat dit verhaal relatief onbekend is gebleven. In dit essay wil ik laten zien dat de constatering ‘Het was nu eenmaal een andere tijd’ niet afdoende is als antwoord op deze vraag, en tot een beter begrip komen van hoe verhalen als deze in de vergetelheid kunnen raken. Dat doe ik aan de hand van theorie over de ontwikkeling van het geschiedbeeld en over culturele herinnering. Maar ik begin met een korte schets van de strijd om de Joodse onderduikkinderen.
De kinderkwestie
In Nederland overleefden ongeveer vierduizend Joodse kinderen de Tweede Wereldoorlog. Zij waren of door hun ouders of door de inzet van een aantal verzetsgroepen gered van deportatie. De verzetsgroepen die de kinderen redden, brachten hen onder bij onderduikadressen, zodat ze meer kans hadden om te overleven. Bijna de helft van de Joodse onderduikkinderen werd na de oorlog herenigd met een of beide overlevende ouders. Om de andere kinderen, al dan niet wees, ontstonden na de oorlog conflicten over de vraag aan wie ze moesten worden toegewezen. Een deel van deze conflicten speelde zich af tussen de onderduikouders en familieleden van de overleden ouders. Ook tussen onderduikouders van verschillende adressen onderling ontstonden conflicten (onderduikkinderen konden tijdens de oorlog lang niet altijd permanent op hetzelfde adres blijven, sommige zijn wel dertig keer verplaatst). Maar de meeste conflicten over de onderduikkinderen ontstonden tussen vertegenwoordigers van het voormalig verzet en woordvoerders van de Joodse gemeenschap. De strijd om de kinderen, die de boeken is ingegaan als ‘de kinderkwestie’, werkte door tot in het vermogensbeheer.[2]
Al sinds 1943 dachten leden van de verzetsgroepen uit Amsterdam, die voor de onderduik van honderden Joodse onderduikkinderen hadden gezorgd, erover na wat er na de oorlog zou moeten gebeuren met deze kinderen. Gingen ze terug naar hun ouders (als die de oorlog hadden overleefd), kregen de pleegouders de voogdij over hen of kreeg de Joodse gemeenschap deze verantwoordelijkheid? Eind 1943 of begin 1944 kwamen zo’n tien tot dertien leden van de Samenwerkende Ondergrondse groepen voor het Kinderwerk bijeen.
Uit hun midden werd een kleinere groep gekozen die in het diepste geheim een wetsontwerp voorbereidde: het ‘Schéma van een besluit houdende voorziening betreffende joodse minderjarige kinderen, van wie de ouders zijn overleden of van wie de ouders niet in staat zijn het ouderlijk gezag uit te oefenen.’ Dit wetsvoorstel hield in dat Joodse ouders die hun kind(eren) hadden laten onderduiken, in eerste aanleg bij wet uit de ouderlijke macht moesten worden ontzet, als ze zich niet hadden gemeld binnen één maand nadat de wet in werking was getreden. In dit plan werd de kantonrechter uitgeschakeld en werden ouders niet na onderzoek, maar bij wet ‘geschorst’ in het uitoefenen van de ouderlijke macht. De voogdij zou volgens dit wetsontwerp automatisch vallen onder een voogdijcommissie. Ouders die gedeporteerd waren geweest, zo werd gedacht, waren niet in staat de ouderlijke macht zodanig uit te oefenen als voor de kinderen wenselijk is. Het wetsontwerp hield geen rekening met ouders die niet getraumatiseerd waren. Daarnaast ging het voorbij aan de fysieke en psychische moeilijkheden van ouders om vanuit concentratiekampen in het buitenland terug te keren naar Nederland en op zoek te gaan naar hun kinderen; er waren mensen die nog betrekkelijk laat terugkwamen, tot oktober en november. Bij vele Joodse ouders zal de wettelijke regeling bovendien niet bekend zijn geweest.
Ondanks verzet van de Joodse organisaties tegen de plannen en weerstand uit andere hoeken – waaronder van Hilda Verwey-Jonker, voorzitter van het Kindercomité in Eindhoven – werd het wetsontwerp, nadat het noorden van Nederland was bevrijd, in iets gewijzigde vorm aangenomen onder de naam Besluit Oorlogspleegkinderen.
Op 14 mei 1945 werd de Voogdijcommissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK) opgericht. Deze commissie had als taak te beslissen of Joodse kinderen bij hun (vaak christelijke) oorlogspleeggezin bleven of werden ondergebracht bij Joodse familieleden. De Joden waren in de commissie met een minderheid vertegenwoordigd: in het begin bestond de commissie uit 24 personen, waarvan er tien Joods waren. In de loop van de tijd nam het aantal leden van de Commissie OPK toe tot 33 leden, waarvan er vijftien een Joodse achtergrond hadden.
Uit onvrede over de oprichting van de Commissie OPK richtte een aantal Joden in augustus 1945 een eigen voogdijvereniging op: Le-Ezrath Ha Jeled (‘Het kind ter hulpe’). Zowel binnen de Commissie OPK als tussen de beide voogdijinstellingen ontstonden spanningen, die hoog opliepen. In juli 1946 stapten elf van de vijftien Joodse leden uit de Commissie OPK. Pas na bemiddeling van een commissie onder voorzitterschap van rechtsgeleerde Eduard Meijers keerden zij terug. Hun invloed op de besluiten van de Commissie OPK bleef echter beperkt. Door de wet werd de terugkeer van de kinderen naar hun biologische familie bemoeilijkt en kregen velen een niet-Joodse opvoeding. Van de 1363 Joodse weeskinderen waarover de voogdijcommissie advies had uitgebracht, kwam ruim 34 procent onder niet-Joodse voogdij. In maart 1949 ontstond er tijdens de afhandeling van de laatste voogdijzaken een definitieve breuk tussen de Joodse en niet-Joodse commissieleden. Dit keer werd er niet meer bemiddeld en in augustus 1949 volgde ontbinding van de Commissie OPK.
Andere tijden
Ondanks de hoogopgelopen conflicten rondom de Joodse onderduikkinderen werd in de politiek, pers en samenleving lange tijd nauwelijks gepraat over het lot van de onderduikkinderen en hun familie. Dit kwam onder andere doordat er in de eerste periode na de oorlog relatief weinig aandacht was voor persoonlijk leed en verwerken van oorlogservaringen; het denken in termen van nationale volksgemeenschap en wederopbouw overheerste. Ook de Joodse overlevenden zelf zwegen veelal over hun ervaringen. Deels omdat ze zelf in eerste instantie liever geen herinneringen wilden ophalen. Daarnaast maakten het taboe op kritiek op redders van kinderlevens, de angst voor antisemitisme en de aanvankelijk beperkte aandacht van de samenleving voor het leed van slachtoffers de drempel om te praten hoog.
Pas 45 jaar na de oorlog, in oktober 1990 ontstond er hernieuwde aandacht voor de kinderkwestie, dankzij een artikel van journalist en publicist Elma Verhey in Vrij Nederland. De stroom brieven en telefoontjes die zij kreeg naar aanleiding van dat artikel, deed haar besluiten tot verder onderzoek. In 1991 verscheen haar boek Om het joodse kind.[3] Hierin deed zij verslag van de kinderkwestie en de krachten die hadden geleid tot het ontwerp-besluit inzake Oorlogspleegkinderen. In 2003 verscheen vervolgens de publicatie In het belang van ’s Rijks Schatkist, die kan worden beschouwd als een verlaat hoofdstuk van Om het joodse kind.
De stilte over de kwestie kort na de oorlog is nog te verklaren vanuit de tijdgeest. Maar waarom raakte de kinderkwestie zelfs na de publicaties van Verhey al snel weer op de achtergrond en is er nog altijd weinig bekendheid over de naoorlogse strijd om de Joodse onderduikkinderen? De Tweede Wereldoorlog houdt Nederland tachtig jaar na dato nog volop bezig. Dat is onder andere te merken aan het grote aantal publicaties en films over de bezettingstijd en aan de bezoekersaantallen bij herdenkingscentra en -monumenten. Waarom is er dan zo weinig bekendheid over de kinderkwestie, terwijl die toch op zijn minst zeer opmerkelijk is te noemen?
Verzwegen, vergeten, vervalst
Tijdens het werken aan Oorlog in je DNA bracht mijn uitgever mij in aanraking met het theoretisch model voor de integrale geschiedschrijving[4] van de historicus dr. Jan Marius Romein (1839-1962). Vervolgens attendeerde drs. Puck Huitsing mij op het werk van de Duitse literatuurwetenschapper Aleida Assmann over herinneringscultuur[5]. Deze twee bronnen waren voor mij een eyeopener en bieden samen mijns inziens een verklarend kader voor de relatieve onbekendheid over de kinderkwestie.
Romein onderzocht hoe het geschiedbeeld zich ontwikkelt en ontdekte dat deze ontwikkeling in fasen verloopt. Deze ontdekking vormde de basis voor zijn theoretisch model voor de integrale geschiedschrijving. Romein ontwikkelde dit model als antwoord op historici, die het kernprobleem van het denken over geschiedenis meenden op te lossen door terug te gaan naar de bronnen. Volgens Romein geeft het gebruik van bronnen, hoe waardevol ook, een valse opvatting van objectiviteit, omdat alleen al de selectie uit de bronnen subjectiviteit van de onderzoeker vooronderstelt en de bronnen zelf ook een opvatting en interpretatie bevatten. Op basis van deze gedachte beschreef Romein een zestal fasen in de ontwikkeling van een geschiedbeeld. In de eerste fase bestaat de geschiedschrijving uit het beeld van een tijdgenoot. De werkelijkheid wordt lyrisch en als ongescheiden en ononderscheiden veeleenheid weergegeven. In de tweede fase ligt het gebeurde ook voor de tijdgenoot al zover terug, dat het zich gedeeltelijk laat isoleren en beschrijven. In de fasen daarna ontstaat de behoefte aan samenhang en betekenis en ontwikkelt de geschiedschrijving zich volgens Romein geleidelijk van een volledig maar op zichzelf zinloos verhaal naar een zinrijke voorstelling van het gebeurde. Vervolgens probeert de na-tijdgenoot de bonte hoeveelheid van vorige fasen terug te brengen tot enkele markante lijnen, met als doel het gebeurde te begrijpen in geproportioneerde en welgeordende samenhang. Ten slotte keert de geschiedschrijver terug naar detailniveau, maar nu om van synthetisch begrip naar analytisch inzicht te komen.
Tegenwoordig wordt het integrale model van Romein als verouderd beschouwd. Het geloof in één grote samenhang, een alles omvattend verhaal, heeft plaatsgemaakt voor de gedachte dat geschiedenis meer een mozaïek van verhalen is. Maar de kern van Romeins model – de stelling dat geschiedschrijving niet alleen iets over het verleden zegt, maar vooral het heden weerspiegelt – wordt ook nu nog breed ondersteund door historici en cultuurwetenschappers.
Hoe het heden de geschiedschrijving vormt, is onder andere te zien aan de Nederlandse geschiedenisschoolboeken over de Tweede Wereldoorlog. Deze geven nog steeds geen goed zicht op de omstandigheden die hebben bijgedragen aan de massale vervolgingen en moordacties tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit komt doordat ze zijn geschreven vanuit het in Nederland nog altijd overheersende nationaal perspectief van een natie als slachtoffer van onderdrukking.[6] Het daderperspectief (de acties van de Nazi’s en hun medeplichtigen) overheerst, terwijl de joden vooral worden neergezet als een groep slachtoffers, zonder aandacht voor hun culturele achtergronden en rol in de vooroorlogse samenlevingen. Hierdoor hebben daders in de schoolboeken een gezicht, maar de slachtoffers nauwelijks. Ook besteden de leermiddelen nauwelijks aandacht aan de gebeurtenissen in Oost-Europa vanaf 1941, en doen ze onvoldoende recht aan de complexiteit van de Holocaust. Deze wordt weergegeven als een vreselijk hoofdstuk uit de Duitse geschiedenis; de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog wordt verwaarloosd.
Het nationaal perspectief van Nederland als een land van onderdrukking en verzet beïnvloedt ook de publieke discussie in Nederland over de Tweede Wereldoorlog. Waar omringende landen vooral bezig zijn met de waaromvraag, blijft Nederland vaak hangen op wíe fout was en ligt kritiek op verzetsdeelnemers nog altijd gevoelig. Een actueel voorbeeld van het goed-fout-denken is de ophef over de openbaarmaking per 2025 van het grootste oorlogsarchief van Nederland, het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, waarin strafzaken tegen vermeende collaborateurs zijn vastgelegd. Een ander voorbeeld is het conflict dat in 2022 ontstond tussen omroep NTR en vier organisaties van verzetsleden uit de Tweede Wereldoorlog. Aanleiding voor het conflict was de tiende aflevering van de tv-serie Het verhaal van Nederland. Volgens de verzetsorganisaties geeft die aflevering een eenzijdig beeld van de bezetting en wekt het programma de indruk dat het verzet in Nederland niet of nauwelijks bestond. De NTR brengt daartegenin dat de serie de vaderlandse geschiedenis beschrijft vanuit de invalshoek ‘hoe de gewone mensen in het leven staan’, dus bewust niet vanuit de beleving van verzetsmensen of de landgenoten die ‘fout’ waren.
Bij de conclusie dat geschiedschrijving een reflectie is van hedendaagse vragen, wijzen diverse cultuurhistorici op het belang van de herinneringscultuur. In het werk van Assmann is dit een belangrijk thema. Zij verdiept het begrip van de mechanismen die bepalen welke verhalen we onszelf en elkaar vertellen. Onze herinneringen bepalen wat we vertellen en wat we verzwijgen. Deze herinneringen bestaan uit een dynamisch geheel van neuronaal/biologische, sociale, culturele en nationaal/politieke herinneringen. De neuronaal/biologische herinnering van het individu is gebaseerd op de subjectieve verwerking van ervaringen en berust voor een belangrijk deel op sociale interactie met anderen. De sociale herinnering betreft de heterogene herinneringen van lijden, schuld en verzet in sociale en historische generaties. Generatiewisselingen hebben een grote invloed op de dynamiek van de maatschappelijke herinnering. Een individuele herinnering – die onlosmakelijk deel uitmaakt van een persoon – kan alleen een culturele herinnering worden, als zij door foto’s, tekst, musea, archieven, monumenten en dergelijke communiceerbaar wordt gemaakt voor anderen. In het politiek of nationaal geheugen ten slotte worden verhalen over en beelden van gebeurtenissen, die de werkelijkheid vereenvoudigd en dikwijls historisch onjuist weergeven, ‘gebruikt’ vanwege hun effect op heden en toekomst.
Gebeurtenissen kunnen worden vergeten of vertekend worden opgeslagen wanneer slachtoffers erover zwijgen (vaak als overlevingsstrategie), wanneer daders zwijgen of de gebeurtenissen vervalsen om aan straf te ontkomen; maar ook wanneer gebeurtenissen niet communiceerbaar worden gemaakt in de vorm van boeken, documentaires enzovoort, of wanneer het geschiedbeeld op politiek of nationaal niveau wordt vertekend. De constructie van een nationaal geheugen conflicteert dikwijls met historisch onderzoek. Voorbeelden zijn het koloniaal verleden van Nederland en het gebruik van excessief geweld door de Nederlandse krijgsmacht tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Ook de kinderkwestie is hiervan een voorbeeld. Het perspectief op de oorlogsjaren dat Nederland een flink deel van zijn burgers niet heeft kunnen of willen beschermen, paste moeilijk in het beeld dat Nederland van zichzelf schetste na de oorlog. In plaats daarvan werd gekozen voor het perspectief van onderdrukking en verzet. De kinderkwestie conflicteerde met dit perspectief en kreeg daardoor geen plaats in de collectieve herinnering van de Nederlandse samenleving.
Conclusie
Hoe kan het dat een uitzonderlijke en opmerkelijke kwestie als de kinderkwestie zo weinig bekendheid heeft gekregen? Alleen al het feit dat er een strijd gaande was tussen voor- en tegenstanders van het Besluit Oorlogspleegkinderen geeft aan dat de tijdgeest alleen niet een afdoende verklaring biedt.
Ik denk dat we moeten constateren dat Nederland tachtig jaar na de Tweede Wereldoorlog nog steeds niet in staat is tot een gebalanceerde discussie over de kinderkwestie. Gevoed door de dynamiek tussen het nationaal en politiek perspectief van onderdrukking en verzet en het zwijgen van individuen en groepen mensen, wordt het schrijven over deze geschiedenis nog steeds benaderd vanuit de vraag ‘wie is goed, wie is fout’ en door het vasthouden aan denken in termen van verzetshelden, daders en slachtoffers. Dit maakt het moeilijk om toe te geven dat er in de naoorlogse jaren een pijnlijk machtsverschil bestond tussen de redders (de verzetsdeelnemers en de pleegouders die de Joodse onderduikkinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog redden) en de slachtoffers (de kinderen zelf, hun familieleden die de oorlog hadden overleefd en de leden van de Joodse gemeenschap). Ook zorgt dit ervoor dat we verzetsmensen als helden blijven zien, op wie je geen kritiek mag hebben, en dat er nog te weinig oog is voor de veelheid aan motieven en gebeurtenissen waardoor keuzes van individuen tot stand kwamen.
Het eendimensionale goed-fout-denken zorgt ervoor dat we de geschiedenis steeds blijven herschrijven in functie van het heden. Daarmee dreigen we gevangen te blijven in een vicieuze cirkel: doordat we de gebeurtenissen vanuit een eenzijdig perspectief blijven benaderen en verhalen vergeten, verzwijgen en vervalsen, beïnvloeden we de verhalen die we doorgeven aan volgende generaties. Die komen vervolgens moeilijk tot een pluriform verhaal dat het nationale perspectief overstijgt.
Om deze vicieuze cirkel van onvolledige verhalen en vertekende herinnering te doorbreken, moeten leren luisteren om te begrijpen in plaats van te oordelen, en vertellen in plaats van verzwijgen. Zowel in onze persoonlijke levens als in de samenleving en in de politiek. Dit vraagt om ontwikkeling van ons vermogen te kunnen reflecteren op onszelf, kwetsbaar te durven zijn en oog te hebben voor de perspectieven van anderen. Hoe vollediger de verhalen die we onszelf en elkaar vertellen, ook over geschiedenissen waarin schuld en schaamte een rol spelen, hoe meer begrip. En waar begrip ontstaat, verbleekt het oordeel.
Anita Drost is auteur van onder meer Oorlog in je DNA (2025) en Omgaan met verbroken contact (2025), de opvolger van Verbroken contact tussen ouder en kind (2016).
[1] Anita Drost, Oorlog in je DNA, Uitgeverij Stili Novi, Utrecht, 2025
[2] Pauline Micheels en Elma Verhey, In het belang van ’s Rijks Schatkist: onderzoek naar de materiële oorlogsschaden van joodse weeskinderen, Amsterdam, 2003
[3] Elma Verhey. Om het joodse kind, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1991
[4] Jan Marius Romein, Spieghel Historiael van de Tachtigjarige Oorlog, in Jacob (Jacques) Presser, De Tachtigjarige Oorlog, Elsevier, Amsterdam, 1941.
[5] Aleida Assmann, Der lange Schatten der Vergangenheit, C.H. Beck, München, 2021.
[6] Marc van Berkel, Plotlines of Victimhood. The Holocaust in German and Dutch history textbooks, 1960-2010, diss. Erasmus Universiteit Rotterdam, 2017