De ‘transnationale wending’ in de geschiedschrijving

Herman Simissen*

 

Onlangs verscheen, onder auspiciën van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis – een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en literatuur, deel van de Koninklijke Academie van Wetenschappen –, het boek Wereldgeschiedenis van Nederland. Deze vuistdikke, geïllustreerde uitgave van liefst 751 bladzijden werd samengesteld onder verantwoordelijkheid van een zeshoofdige redactie. Zij tekende voor een bundel waarin niet minder dan 117 verschillende onderwerpen worden besproken door een keur aan deskundigen – gevestigde namen zo goed als aanstormend talent. Hun uiteenlopende onderwerpen ontlenen zij aan de politieke, sociale, economische en cultuurgeschiedenis, tussen de jaren 70 000 v Chr. en 2017. Elk onderwerp is gekoppeld aan een jaartal, aan een gebeurtenis die in het betreffende jaar plaatsvond; soms wordt een dergelijke gebeurtenis in een breder chronologisch kader geplaatst, soms ook niet. Een doorlopend historisch overzicht levert deze ordening niet op, maar dat was uitdrukkelijk ook niet de opzet van de redactie. Wat beoogde zij dan wel? Haar bedoeling was aan de hand van de gekozen gebeurtenissen te laten zien, hoezeer de Nederlandse geschiedenis vanaf de vroegste tijden is verweven met de wereldgeschiedenis: hoe ontwikkelingen in Nederland werden beïnvloed, soms zelfs bepaald, door ontwikkelingen in het buitenland en hoe, omgekeerd, ontwikkelingen in Nederland soms van betekenis waren in de wijde wereld. Deze invalshoek verklaart de op het eerste gezicht paradoxale titel van het boek.

Als zodanig past deze uitgave binnen een internationale trend: in 2017 verscheen een Storia mondiale dell’Italia met een vergelijkbare invalshoek, en ook in dat jaar een Histoire mondiale de la France, die zelfs heeft gediend als voorbeeld voor de opzet van het Nederlandse boek. Maar ook in bredere zin is er sprake van een trend in de geschiedschrijving, waarin een groeiende aandacht bestaat voor de verwevenheid van de nationale geschiedenis met ontwikkelingen buiten het eigen land. Deze trend, vaak in het Engels aangeduid als global history of transnational history, maakte opgang vanaf het einde van de jaren ’80, begin jaren ’90 van de vorige eeuw, en heeft inmiddels vaste voet aan de grond gekregen, met eigen tijdschriften, jaarboeken, leerstoelen en dergelijke meer. Sterker nog: het woord ‘transnationaal’ lijkt welhaast een parool te zijn geworden dat in iedere academische subsidieaanvraag moet voorkomen, wil zij althans enige kans op succes maken.

 

De beperkingen van de vaderlandse geschiedenis

Wat behelst deze ‘transnationale wending’ in de geschiedschrijving nu precies? Haar uitgangspunt is een fundamentele kritiek op de professionele en wetenschappelijke geschiedschrijving zoals zij vanaf het midden van de negentiende eeuw – eerst in het Duitse taalgebied, later ook daarbuiten – tot ontwikkeling is gekomen. – Voordien bestond er uiteraard al een lange traditie van geschiedschrijving, maar toen was de geschiedbeoefening geen beroepsmatige activiteit; geschiedschrijving was eerst en vooral een literair genre dat als nevenactiviteit werd gepraktiseerd. – Kenmerkend voor de beginjaren van de professionele en wetenschappelijke geschiedschrijving was, dat zij binnen nationale kaders tot ontwikkeling kwam. Geschiedschrijving betrof, zeker niet uitsluitend maar wel overwegend, het verleden van een natie. Daardoor droeg geschiedschrijving bij aan de vestiging dan wel bevestiging van de nationale identiteit: geschiedschrijving was een belangrijk instrument in het proces van natievorming. Dit gold overigens in niet mindere mate voor het geschiedenisonderwijs. Het besef een gezamenlijk verleden te delen dat werd gevoed door geschiedschrijving en geschiedenisonderwijs, droeg in belangrijke mate bij aan het ontstaan en de ontwikkeling van een nationaal gevoel. En juist om deze reden werden geschiedschrijving en geschiedenisonderwijs door nationale overheden op uiteenlopende manieren bevorderd.

Precies deze van oudsher bestaande en alleen daarom al bijna vanzelfsprekende koppeling tussen de professionele geschiedschrijving en nationale kaders wordt in de ‘transnationale wending’ in de geschiedschrijving bekritiseerd en aangevochten. Dit wil overigens geenszins zeggen dat afschaffing van de vaderlandse geschiedenis zou worden bepleit, maar wel dat de keuze voor een nationaal kader niet vanzelfsprekend en onwillekeurig zou moeten worden gemaakt. De historicus zou zich bij ieder te onderzoeken onderwerp rekenschap moeten geven van de vraag of een nationaal kader inderdaad het meest geëigende is. Is dat niet het geval, dan is ‘internationale geschiedschrijving’ niet het juiste alternatief: internationale geschiedschrijving veronderstelt nog altijd het kader van de natie(staat), zij het met bijzondere aandacht voor de interactie tussen naties. Juist daarom wordt ‘transnationale geschiedschrijving’ gepropageerd als alternatief: geschiedschrijving ‘voorbij’ het denken in nationale kaders.

 

Alternatieven

Al is deze aanbeveling alleszins redelijk en valt er veel te zeggen ten faveure van deze benadering, de kritiek op de vanzelfsprekende koppeling tussen geschiedschrijving en nationale kaders is minder nieuw dan men wel doet voorkomen. Zo benadrukte de Engelse historicus Arnold Toynbee (1889-1975) al in zijn vermaarde A Study of History (12 delen, 1934-1961) dat de natiestaat niet de vanzelfsprekende, en zelfs niet de meest geschikte ‘eenheid’ is die kan dienen als uitgangspunt van de geschiedschrijving. Als alternatief noemde Toynbee ‘de beschaving’: zijn geschiedenis was een geschiedenis van de verschillende beschavingen. Het verleden van, bijvoorbeeld, de landen die worden gerekend tot de westerse beschaving kenmerkt zich door een dermate sterke en fundamentele verwevenheid, aldus Toynbee, dat een geschiedenis van de overkoepelende eenheid die de westerse beschaving is, leidt tot veel meer inzicht en begrip dan afzonderlijke geschiedenissen van de verschillende natiestaten binnen die beschaving. Een van de felste critici van de opvattingen van Toynbee was de Nederlandse historicus Pieter Geyl (1887-1966); toch deelde Geyl de kritiek van Toynbee op de idee als zou de natiestaat de meest geschikte en zelfs meest vanzelfsprekende eenheid voor het schrijven van geschiedenis zijn. Maar het alternatief dat Toynbee voorstond wees Geyl dan weer af: hij beschouwde niet de beschaving, maar de taalgemeenschap als de ‘natuurlijke’ eenheid bij het schrijven van geschiedenis. Deze gedachte werkte hij uit in zijn Geschiedenis van de Nederlandse Stam (4 delen, 1930-1959), die hem in Vlaanderen – waar de Groot-Nederlandse gedachte bepaald sterker leefde dan in Nederland – een zekere populariteit bracht. Weer een heel ander alternatief, ontwikkeld vanuit soortgelijke kritiek op de vanzelfsprekende koppeling tussen geschiedschrijving en natiestaat, werd uitgewerkt door de Franse historicus Fernand Braudel (1902-1985), die in La Méditerranée (1949), zijn magnum opus, koos voor de geografische eenheid van het Middellandse Zeegebied als uitgangspunt voor zijn geschiedschrijving.

Los van dit alles zij opgemerkt, dat tal van onderwerpen in de geschiedschrijving zich door hun specifieke aard nooit goed hebben geleend voor een bespreking binnen nationale kaders, en daarom altijd al transnationaal werden benaderd – al werd dat niet zo genoemd. Voorbeelden te over: de verspreiding van het christendom kan bezwaarlijk aan nationale kaders worden gekoppeld, en hetzelfde geldt voor zo uiteenlopende onderwerpen als de Reformatie, de Verlichting, de Industriële Revolutie, de arbeidersbeweging, enzovoort. Uiteraard kan het een en ander over deze verschijnselen worden gezegd in een nationale context, maar dat zij grensoverschrijdend en grensoverstijgend zijn en voorbij nationale kaders gaan staat buiten kijf. De geschiedenis van deze onderwerpen werd, met andere woorden, van oudsher al in transnationaal perspectief geschreven, eenvoudig omdat het verleden van deze verschijnselen zich niet laat persen in het Procrustesbed van nationale kaders.

 

Het onderwerp van de historicus

Meer fundamenteel kan de vraag worden gesteld naar de aard van het onderwerp waarover de historicus schrijft: is een dergelijk onderwerp gegeven? Geenszins: het onderwerp van de historicus is een constructie van de historicus zelf. Een historicus zal een studie altijd – hetzij expliciet, hetzij impliciet – beginnen met een omschrijving van het onderwerp van onderzoek. Een dergelijke omschrijving is niet willekeurig, maar wordt juist zo goed mogelijk beargumenteerd – als verantwoording van de constructie van het onderwerp. Wie bijvoorbeeld een geschiedenis van Duitsland wil schrijven staat onvermijdelijk voor de vraag waar te beginnen: bij de Duitse eenwording in de negentiende eeuw? Eerder? Wanneer dan, en waarom? En tot welk gebied wordt deze geschiedenis beperkt? Tot het huidige grondgebied van Duitsland? Zo ja, was Immanuel Kant (1724-1804) dan geen Duitse filosoof? Zo nee, waar liggen de grenzen dan wel? Door zich rekenschap te geven van deze vragen en er een beargumenteerd antwoord op te geven, construeert de historicus het Duitsland waarvan het verleden vervolgens wordt beschreven. En dit geldt onverkort voor om het even welk onderwerp waarvan de geschiedenis wordt geschreven, ook voor historische biografieën. Ook een levensbeschrijving immers veronderstelt een soortgelijke constructie: waar te beginnen? Bij de geboorte van de gebiografeerde, bij diens ouders, grootouders of verdere voorouders? Welke aspecten van diens leven worden beschreven, en welke weggelaten? Waar te eindigen, bij diens dood of later? In het laatste geval, wanneer dan wel, en waarom? De conclusie moet luiden dat het onderwerp van geschiedschrijving nooit gegeven is, maar altijd een constructie van de historicus zelf. En een dergelijke constructie is onlosmakelijk verbonden met de specifieke invalshoek en vraagstelling van de historicus. Een cultuurhistoricus zal Duitsland anders omschrijven dan een politiek historicus, een economisch historicus of een militair historicus.

Wat betekent dit alles voor de ‘transnationale wending’ in de geschiedschrijving? In de kern van de zaak behelst de ‘transnationale wending’ uiteindelijk niet meer dan een oproep aan historici, zich bij de constructie van het onderwerp van studie niet langer onnadenkend en als vanzelfsprekend te laten leiden door nationale kaders; alsook goed voor ogen te houden dat sommige verschijnselen en ontwikkelingen zich hoe dan ook niet binnen nationale kaders laten vatten. Deze oproep verdient waardering en is zeker behartigenswaardig, maar bepaald niet de revolutionaire vernieuwing waarvoor zij door sommigen wordt gehouden.

 

Wereldgeschiedenis van Nederland

Hoe wordt de nieuwe benadering nu uitgewerkt in de Wereldgeschiedenis van Nederland? In de ‘Opening’ die Lex Heerma van Voss namens de redactie heeft geschreven als verantwoording van de keuzes die ten grondslag liggen aan deze uitgave, blijkt dat deze bundel zich eerst en vooral kenmerkt door een pragmatische aanpak. De auteur vermijdt theoretische beschouwingen over de beperkingen van de traditionele vaderlandse geschiedenis of over de merites van de transnationale wending. In plaats daarvan wijst hij op de trend dat er in de geschiedschrijving wereldwijd meer aandacht is gegroeid voor ‘internationale ontwikkelingslijnen’, een trend waarbij deze uitgave uitdrukkelijk wil aansluiten. De term ‘transnationaal’ valt, overigens anders dan in meerdere bijdragen aan het boek, dan ook niet in deze ‘Opening’. Al even pragmatisch heeft de redactie gekozen voor het huidige Nederlandse territorium als uitgangspunt, zonder evenwel dogmatisch met deze keuze om te gaan: zij gaat niet voorbij aan het koloniale verleden, noch aan gevallen van opmerkelijke aanwezigheid van Nederlanders in den vreemde, zoals bijvoorbeeld de rol van stadhouder Willem III in de Engelse Glorious Revolution van 1688.

Dit leidt tot een zorgvuldig uitgegeven, mooi geïllustreerd boek, gericht op een breed publiek en daarom zo toegankelijk mogelijk geschreven. Als zodanig is deze uitgave zonder meer geslaagd. De selectie van onderwerpen is niet helemaal evenwichtig, in die zin dat de nadruk wel erg sterk op de laatste anderhalve eeuw is komen te liggen. Sommige onderwerpen zijn opvallend afwezig – had Johan Huizinga als Nederlandse historicus met een grote internationale reputatie geen aandacht verdiend? En was, gezien het grote maatschappelijke belang, een onderwerp uit de sportgeschiedenis – de betekenis van het Nederlandse ‘totaalvoetbal’ voor de tactische ontwikkeling van deze sport, of de rol van Marianne Vos in de internationale doorbraak van het vrouwenwielrennen – niet op zijn plaats geweest? Ook de uitwerking van sommige van de gekozen onderwerpen is niet helemaal overtuigend. Zo voert Lotte Jensen in haar bijdrage over de Kerstvloed van 1717 aan dat een dergelijke watersnoodramp niet ‘typisch Nederlands’ is onder meer omdat ook elders in de wereld grote overstromingen plaatsvonden en –vinden. Dit is niet alleen een dooddoener, maar lijkt zelfs te getuigen van een fundamentele misvatting over wat geschiedschrijving behelst. Geschiedschrijving gaat immers niet over de natuur, al kan zij wel gaan over de menselijke interactie met de natuur. Een ander voorbeeld is de bijdrage van Erik Nijhof over de sluiting van de mijnen in Nederland in de jaren zestig van de vorige eeuw. Door middel van een vergelijking met een soortgelijk probleem in het Kempische mijngebied laat de auteur zien dat het Nederlandse beleid een bij uitstek nationaal karakter had (i.e., niet was beïnvloed door, noch invloed had op buitenlandse ontwikkelingen). Dit zal ongetwijfeld zo zijn, maar het roept dan wel de vraag op waarom deze bijdrage in dit boek is opgenomen.

Ondanks deze punten van kritiek – een wel erg nadrukkelijke terughoudendheid in het formuleren van uitgangspunten, een niet heel evenwichtige selectie, en een soms niet erg overtuigende uitwerking van onderwerpen – is dit boek een waardevolle en lezenswaardige uitgave. Het biedt een staalkaart van toegankelijk gepresenteerd hedendaags historisch onderzoek op uiteenlopende deelgebieden, door auteurs uit verschillende generaties. Alleen daarom al verdient deze publicatie een groot lezerspubliek.

 

Lex Heerma van Voss e.a., (red.), Wereldgeschiedenis van Nederland, Ambo/Anthos, Amsterdam 2018, gebonden, 751 blz., geïllustreerd, ISBN 9789026343995, € 39,99