Johan de Witt en Baruch de Spinoza

Jean-Marc Van Tol is in Nederland vooral bekend als illustrator en striptekenaar. Zijn belangrijkste werk is de vaak bekroonde cartoonreeks Fokke en Sukke, waarvan hij coauteur is en de tekeningen maakt. Al meer dan twintig jaar verschijnen deze cartoons dagelijks in NRC. Maar er schuilt ook een onderzoeker in Van Tol. Geïnspireerd door Herman Pleij ging hij historische letterkunde studeren aan de UvA in Amsterdam, met grote aandacht voor de Middeleeuwse literatuur. Het laatste decennium is die aandacht verschoven naar de zeventiende eeuw. Intussen is hij ook als gastonderzoeker betrokken bij een project van het Huygens ING dat de volledige briefwisseling van raadspensionaris Johan de Witt (1625-1672) voor het grote publiek wil ontsluiten. Daaruit werd bij hem de idee geboren voor een heuse trilogie over de wederwaardigheden van Johan de Witt, één van de belangrijkste politici uit de Nederlandse geschiedenis. Twee vuistdikke delen zijn reeds uit, verschenen bij een door hem opgerichte uitgeverij Catullus, en geroemd om de grote historische kennis die erin geëtaleerd wordt.

Het eerste deel, getiteld Musch,[1] speelt zich af in het jaar 1650 en focust op allerhande intriges in de entourage rond stadhouder Willem II. De machtigste man achter de schermen is op dat ogenblik Cornelis Musch, griffier der Staten-Generaal en schoonzoon van raadspensionaris Jacob Cats. Na de mislukte aanval van Willem II op Amsterdam en de arrestatie van zes Hollandse Statenleden, onder wie Jacob, de vader van Johan de Witt, raakt de perfide en op wraak beluste Musch meer en meer in moeilijkheden en wordt Johan, dan een jonge advocaat die vooral interesse heeft voor wiskunde, meegezogen in de mallemolen van de politiek.

Het tweede deel, getiteld Buat,[2] speelt zich zestien jaar later af, in 1666. Raadpensionaris De Witt is dan al meer dan twaalf jaar aan de macht, maar staat onder grote druk. De Republiek is in oorlog met Engeland en met de bisschop van Münster. Er is onrust en een deel van het volk wil de jonge prins van Oranje als opperbevelhebber. Henri de Fleury de Culan, beter bekend als ritmeester Buat, speelt een dubbele rol als onderhandelaar tussen de Republiek en Engeland en brengt raadspensionaris Johan de Witt aardig in moeilijkheden. Gebaseerd op authentieke bronnen en met oog voor het historische detail vertelt Jean-Marc van Tol het tragische levensverhaal van Buat. Het is nu wachten op een derde deel, getiteld Willem, dat gesitueerd wordt in het rampjaar 1672 en wellicht in het najaar van 2026 zal verschijnen.

Tussendoor publiceerde van Tol een dun boekje, De Witt en Spinoza, Spinoza en De Witt, over de mogelijke relatie tussen Johan de Witt en Baruch de Spinoza. Sinds 1672 gaan er immers al geruchten over een bijzondere band tussen de staatsman Johan de Witt en de filosoof Baruch de Spinoza. In  het eerste deel van dit boek, een op historische gegevens gestoeld wetenschappelijk essay, geeft van Tol antwoord op vaak gestelde en steeds terugkerende vragen aangaande het waarheidsgehalte van de talloze verhalen over hun mogelijke relatie: Gaf Spinoza wiskundig advies aan De Witt, of De Witt aan Spinoza? Had De Witt de publicatie van Spinoza’s Theologisch-politiek traktaat gesteund en er zijn goedkeuring aan gegeven? Had De Witt Spinoza een jaarlijkse toelage gegeven? Was Spinoza omwille van De Witt naar Den Haag verhuisd?

Al deze anekdotische verhalen over mogelijke contacten tussen beide heren verwijst van Tol vakkundig naar de prullenmand: ‘Er bestaat geen enkel bewijs dat De Witt en Spinoza ooit met elkaar in contact hebben gestaan – niet per brief, niet via een tussenpersoon, en ook niet in de vorm van een persoonlijke ontmoeting. Er zijn geen aanwijzingen voor enige nabijheid of wederzijdse afhankelijkheid, laat staan voor een vriendschappelijke band. […] De verhalen over een relatie tussen hen zijn allemaal van later datum en dragen sporen van romantisering’.

En dan blijft nog het meest hardnekkige verhaal over, met name dat Spinoza zijn leven riskeerde door op 20 augustus 1672 het Ultimi Barbarorum-pamflet te schrijven tegen de moordenaars van de gebroeders De Witt. Die anekdote is afkomstig van niemand minder dan Gottfried Wilhelm von Leibniz, de briljante diplomaat, wiskundige en filosoof die beweerde het zelf van Spinoza te hebben gehoord. Vast staat dat Leibniz Spinoza in De Haag is komen opzoeken, meer bepaald op 18 november 1676.

Maar ook dit verhaal doorstaat de historische toetsing van Van Tol niet: ‘Het Ultimi Barbarorum-verhaal ontbeert niet alleen een tweede bron of zelfs maar een plausibele indirecte bevestiging, maar steunt op een wankele keten van overlevering: een verloren gegaan velletje papier, een oncontroleerbare publicatie en een context vol interpretatieproblemen die iedere vorm van bewijs ondermijnt’. Opvallend is hoe streng – te streng – Van Tol is voor de figuur van Leibniz die hij ietwat eenzijdig als een hoogst onbetrouwbaar sujet afschildert.

Na dit essayistisch deel, waarin hij dus met overtuigende argumenten aantoont dat De Witt en Spinoza elkaar wellicht nooit hebben ontmoet, fabriceert hij toch een verhaal over een ontmoeting tussen beiden met als contactfiguur de kleurrijke Coenraad Van Beuningen, van wie vast staat dat hij een belangrijke medewerker was van De Witt en in zijn jonge jaren deel uitmaakte van de vriendenkring rond Spinoza. Die ontmoeting situeert hij op 17 oktober 1669 ten huize van De Witt, waar hij de drie heren de mogelijke uitgave van het Theologisch-politiek traktaat laat bespreken.

Zo speelt van Tol een vernuftig spel met schijn en wezen, fictie en werkelijkheid. De allerlaatste zin van zijn onderhoudend verhaal illustreert die dubbelzinnigheid: ‘Toen de koets bij de Stille Veerkade halt hield, en Spinoza aanstalten maakte om uit te stappen, pakte Van Beuningen hem stevig bij de arm. Hij boog zich naar Spinoza toe. “Mijnheer, zei hij. “U begrijpt: dit gesprek heeft nooit plaatsgevonden”.’

 

Jean-Marc van Tol, De Witt en Spinoza, Spinoza en De Witt. Hebben ze elkaar ooit ontmoet? Uitgeverij Catullus, Soest, 2025, 86 blz., ISBN 9789492409768, € 12,50

 

[1] Jean-Marc van Tol, Musch. Johan De Witt trilogie I. Uitgeverij Catullus, Soest, 2018, 510 blz.

[2] Jean-Marc van Tol, Buat. Johan De Witt trilogie II. Uitgeverij Catullus, Soest, 2023, 539 blz.

Johan de Witt en Baruch de Spinoza
Een glasscherf in het oog
De schrijver is een moordenaar. Over Georges Arnaud
De mol en de mus over diepte versus...
‘Sommige vragen kun je alleen beantwoorden met een...
Georg Trakl vertaald en toegelicht
Bruidsschat voor mijn zoon Ibrahim
En altijd is het de vrouw
De les van Gyges
Het gebrul van de onheuglijke waterval (II)
Het gebrul van de onheuglijke waterval (I)
‘J’avais toujours raison’
Brood en wijn
Vier weggedeemsterde gedichten van Jorge Luis Borges in...
Wie knoeit is dapper
De metafysica van Moby-Dick
Het spoor dat achterblijft
Ziekte en Engagement
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Psychiatrische experimenten
Éric Michaud
‘Het is mijn innerlijk kind’
Brideshead Revisited en het katholicisme
Vagina monetaria dentata. Over onwelvaart van Steve Marryt
Mijn Queer Kruisweg
Cirkels in steen
Betje Wolff springlevend
Maart 1678: De eerste moderne roman?
Rory Stewart, Politics on the Edge: boekbespreking
Kafka und kein Ende möglich