Naar een Palestina zonder de Palestijnen?

Een realistische want haalbare dystopie

 

In 1897 werd in het Zwitserse Basel het oprichtingscongres van de Zionistische beweging gehouden. Net als zoveel andere bezette, onderdrukte of niet soevereine volkeren besloten de over de hele wereld verspreide Joden een eigen politieke en culturele entiteit of staat te stichten waar alle Joden ter wereld hun eigen wetten konden formuleren en afdwingen (‘autonomie’), hun eigen politieke, sociaaleconomische en culturele instellingen konden oprichten (‘zelfbestuur’) en als gelijken hun rechtmatige plaats onder de volkeren konden innemen (‘soevereiniteit’).

Een eerste, niet zo gemakkelijk te overkomen probleem was dat tot nog toe het bindteken tussen die duizenden op zowat alle continenten levende Joodse gemeenschappen de traditionele, mogen we zeggen orthodoxe godsdienst was die via de Bijbelse overlevering tegelijk als een, weliswaar deels mythisch, substituut voor de nationale geschiedenis kon dienen. Hierin werd immers de nadruk gelegd werd op de vaak moeilijke relatie met de reusachtige niet-joodse wereld, haar leiders en haar bevolkingen. Als gevolg van de verspreiding van de Joden over het gebied van de Middellandse Zee tot Noord-Europa waren er tijdens de middeleeuwen verschillen ontstaan tussen de zogenaamde Joden ‘uit Spanje’, in het Hebreeuws Sefarad, en de Joden uit Duitsland, in het Hebreeuws Asjkenaz, die niet zozeer theologisch van elkaar verschilden, maar vooral cultureel, liturgisch en economisch. Hoewel ze elkaar erkenden als legitieme Joden, waren er weinig gemengde huwelijken. Dit had ook te maken met hun sociaaleconomische status: de Sefardim waren vooral kooplieden en hadden vaak goede relaties met de islamitische en christelijke heersers, terwijl de Ashkenazim vooral ambachtslui waren die zowel in Oost- als Noord-Europa dichter bij de arbeidersklasse stonden dan bij de burgerij. Een voorbeeld: meisjes en vrouwen uit de Ashkenazische migratie naar Nederland werden door hun (rijkere) Sefardische geloofsgenoten vaak ‘Duitsers’ genoemd, wat een synoniem was geworden voor ‘dienstmeid’. Het waren Joden die een duidelijk Duits dialect spraken (het Jiddisch), in tegenstelling tot het met het middeleeuwse Spaans verwante ‘Latino’ van de Sefardim. En omdat de eerste Zionistische pioniers voornamelijk uit Oost- en West-Europa kwamen, leidde dit tot spanningen met de Sefardim uit de overwegend Arabische landen.

Een ander verschil was dat tussen een groot percentage van de eerste Zionisten die het orthodoxe jodendom hadden verlaten en de vrome Joden voor wie een atheïstische of zelfs agnostische Jood bijna een contradictio in terminis was. Ten slotte had de staat Israël eerst vorm gekregen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw en vormden de vrome (‘fromme’), dat wil zeggen traditionele Joden, een minderheid in een moderne maatschappij die veel meer was geïnspireerd door het moderne negentiende-eeuwse seculiere nationalisme dan door het samenleven met hun orthodoxe, soms heel streng gelovige stambroeders uit wijken als Mea Shearim in Jeruzalem of Bnei Brak bij Tel-Aviv. Let wel: de bewoners van deze ultraorthodoxe wijken en plaatsen beschouwen zichzelf niet als ‘ultra’s’, maar bewust en fier als de ware erfgenamen van die Joden die ondanks de aantrekkingskracht van het modernisme en de moderne technologie bijna onvoorwaardelijk trouw waren gebleven aan hun religieuze overtuiging en praktijken.

Over het algemeen leiden deze spanningen niet tot ruzies of rellen, maar leven beide groepen duidelijk naast elkaar, tot er plotseling conflicten ontstaan rond het al dan niet openhouden van een winkel op sabbat of wanneer een niets vermoedende, iets te luchtig geklede toeriste, Joods of niet, ondanks de waarschuwende borden in die vrome wijken verdwaald raakt. De echte conflicten draaien natuurlijk veeleer om de al dan niet verplichte legerdienst voor alle Israëli’s, en om officiële buslijnen die op de sabbat in vrome wijken aanleiding geven tot scheldpartijen en afkeurende gebaren.

De wens om uit de niet-Joodse diaspora te vertrekken had dus te maken met het verschil in ‘integratie’ of acceptatie, tussen de Sefardim in het Zuidoosten en de Asjkenazim in het Noordwesten, maar ook met de graad van vroomheid en de economische status. Het is daarom begrijpelijk dat het Zionisme als uittocht- (of terugkeer-)strategie vooral succes had in Oost-Europa. Daar immers waren de verlichting en emancipatie nog lang niet doorgedrongen, die in het Westen aan de gang waren en daar door de niet-Joodse machthebbers en de bevolking in grote mate werden aanvaard. Dat het Zionisme als bevrijdingsideologie eerder door Joden in West-Europa en Noord-Amerika werd geformuleerd, had alles te maken met hun toegang tot de nieuwe tolerantie-ideologie die op zijn minst in principe tot het moderne gedachtegoed van de intellectuele en commerciële klassen begon te behoren. Dat, omgekeerd, de eerste substantiële Zionistische massale migratiestromen uit Oost-Europa kwamen bevestigt dit. Er was in beide regio’s sprake van antisemitisme op religieuze of racistische grondslag, zoals we in de jaren 1930 en 1940 maar al te zeer hebben ervaren, maar in het Westen veroverden de Joden langzamerhand, althans zo leek het, een gelijkwaardige status met hun christelijke of vrijzinnige landgenoten. Veel auteurs maken hier een onderscheid tussen het religieus geïnspireerde anti-judaïsme en het latere, eerder politiek of racistisch gedreven antisemitisme.

Het land waar de Zionisten uiteindelijk besloten hun nieuwe Joodse staat te stichten kon onmogelijk met de moderne West-Europese democratische staten worden vergeleken, maar was evenmin een kopie van de autoritaire Oost-Europese rijken en staten, waar de slavernij nog maar onlangs was opgeheven en er nog geen sprake was van een democratisch beleid. Het was uiteraard niet leeg (‘een land zonder volk’), maar wel een semikoloniaal gebied waar West-Europese machten zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk de scepter zwaaiden. Daardoor kon het Zionistisch project zichzelf niet onbeargumenteerd als deel van de strijd tegen het kolonialisme beschouwen en propageren. Dit kon moeilijk gebeuren in naam van de lokale Arabische bevolking die uiteraard niet werd geconsulteerd. Met het tegensprekelijke gevolg dat, terwijl de Zionisten zichzelf als ‘antikolonialisten’ (tegen Engeland en Frankrijk) opstelden, ze zich tegenover de Arabische meerderheid perfect koloniaal konden gedragen. Het zijn deze en andere contradicties die een objectief wetenschappelijk debat over de exacte status van dit Zionistisch project blijven vertroebelen. Geen leeg ‘land zonder volk’ dus, maar evenmin een ‘volk zonder land’, zoals de tweede helft van deze slogan luidt. Want men kan beargumenteren dat de grootste Joodse diaspora, indien we hem zo nog mogen noemen, zich nog steeds in de Verenigde Staten bevindt. Historici kunnen gemakkelijk aantonen dat zich ook daar lelijke vormen van antisemitisme hebben ontwikkeld die echter niet hebben kunnen beletten dat de Joodse immigratie in de Verenigde Staten uiteindelijk een onmiskenbaar succesverhaal is geworden. Het klopt dat er periodes zijn geweest, zelfs tijdens de Sjoa in de jaren 1940, waarin discriminatie van Joden ook in het democratische Amerika plaatsvond, maar men kan evenmin ontkennen dat de Joden er op alle terreinen hun plaats hebben veroverd en, dankzij een netwerk van juridische en politieke pressiegroepen, niet van plan zijn deze geprivilegieerde plaats op te geven.

 

Van Palestina naar Israël

 

We kunnen een vergelijkbaar integratiesucces vaststellen in West-Europa, al heeft het nog steeds actuele conflict in Israël en Palestina de relaties met veel uit Arabische of islamitische landen afkomstige inwijkelingen gevaarlijk vergiftigd. En omdat er aan beide kanten bitter weinig groepen zijn die dit conflict objectief kunnen of willen beoordelen, wordt de dialoog tussen Joden, moslims en christenen die na de Tweede Wereldoorlog met succes was opgestart, ofwel opgeschort of bijzonder discreet voortgezet. Een dergelijk indringende dialoog tussen Joden en moslims die niet direct bij de aan de gang zijnde oorlog betrokken zijn, blijkt echter meer dan ooit nodig. Niet om op basis van objectieve criteria vast te stellen wie er gelijk heeft (en nog minder, wie zonder meer ongelijk heeft), maar om naar nieuwe wegen te zoeken om dit conflict in de toekomst te vermijden.

Tegenover de christenen en later de moslims hielden de Joden vol dat er wat hen betrof geen behoefte was aan een nieuwe geopenbaarde Wet of door God uitverkoren nieuwe profeten naast Mozes en de andere profeten uit de Tora, en tegenover de moslims beweerden ze dat hun Profeet onmogelijk de Joodse oer-profeet kon vervangen. En omdat in die tijd en die regio de religie inderdaad ‘gansch het volk’ was, was een of andere vorm van religieus pluralisme er vrijwel ondenkbaar of kon er uitgerekend daar en dan onmogelijk worden geïntroduceerd. Voor het opduiken van moderne vormen van racisme, in het geval van de Joden antisemitisme, moeten we wachten tot een aantal ideologische stromingen van de moderniteit, inclusief het pseudowetenschappelijk misbruikte onderscheid tussen van elkaar verschillende bloedgroepen, via de populaire massamedia intussen gemeengoed waren geworden.

 

Het succes van het Ivrit

De eerste Zionisten waren zich bewust van die mogelijke obstakels en zijn er in korte tijd in geslaagd de meeste ervan op te vangen. Door bijvoorbeeld de nadruk te leggen op het scheppen en aanpassen van een gemeenschappelijke taal, wat in het begin niet vanzelfsprekend was: men had voor het Duits kunnen kiezen, dat door een groot percentage van de Asjkenazim werd gesproken of op zijn minst begrepen, een taal en cultuur waartoe al een hele reeks bekende Joden hadden bijgedragen. Maar, in de geest van de terugkeer naar het Beloofde Land en omdat toch een aan aanzienlijk percentage van de gelovige Joden het Bijbelse Hebreeuws kon lezen, verkoos men die taal aan de behoeften van een moderne samenleving aan te passen en de kennis ervan gewoon aan alle Joodse migranten naar Israël als conditio sine qua non op te leggen. – Natuurlijk hebben ook andere immigratielanden dit van nieuwkomers geëist, maar we weten dat het succes van deze maatregelen niet overal even groot was en vaak op actieve of passieve tegenstand is gestoten. Als ook de nieuwe Israëli’s zich hadden beroepen op het recht in het openbaar hun moedertaal te blijven gebruiken of op het invoeren van linguïstische ‘faciliteiten’ als overgangsmaatregel was de introductie waarschijnlijk niet zo vlot verlopen als verwacht. De Zionisten die zich, om de titel van een boek van Theodor Herzl te gebruiken, sowieso in een ‘AltNeuland’ (1902) bevonden, met zowel banden met het verleden als de toekomst, hadden daar blijkbaar niet veel moeite mee. Bovendien kan het Ivrit niet worden beschouwd als een kunstmatige taal zoals bijvoorbeeld het Volapük of het Esperanto, maar als een levende taal die aan veranderde omstandigheden kan worden aangepast en zonder moeite nieuwe woorden en uitdrukkingen kan opnemen. Deze nieuwe of grondig aangepaste taal werd, naast een aantal culinaire tradities en klassieke spreuken en uitdrukkingen en naast de nooit aflatende zorg voor de veiligheid, wellicht het belangrijkste bindmiddel van de voluntaristische nieuwe samenleving. En het feit dat de ‘makers’ van de nieuwe Israëlische omgangs- en onderwijstaal erin zijn geslaagd deze nieuwe taal op de wereldkaart te zetten, om niet te vergeten dat het ook de taal is geworden van een aantal terecht wereldwijd bekende auteurs en een tiental Nobelprijswinnaars, is een bewijs van het succes van hun onderneming.

 

Tussen Britten en ‘Arabieren’

Naast die behoefte aan het gemeenschapsgevoel dat tot uiting komt in de zorg om de nieuw geschapen (of heruitgevonden) taal blijft de zorg om de eigen veiligheid centraal staan. Israël is tot nog toe één van de weinige landen waarin vrouwen én mannen twee, respectievelijk drie jaar legerdienst moeten doen en waarin burgers juridisch in feite hun actieve leven lang op militair verlof zijn, niet afgezwaaid (– en ook niet kunnen afzwaaien). Dat heeft onvermijdelijke gevolgen voor de verschillende carrières, want het is uiterst zeldzaam dat iemand zonder ervaring in de IDF (Israeli Defense Force) een hoge betrekking in de burgerlijke politieke maatschappij heeft bekleed. Dat heeft uiteraard zijn invloed op de relatie tussen de zakenwereld, de politiek en het leger, onder meer zichtbaar in de verminderde kansen op een belangrijke betrekking in de zakenwereld, als men niet vooraf zijn strepen had verdiend in het leger.

Onder ‘strepen verdienen’ wordt hier veel meer bedoeld dan de kans op het afsluiten van goede contracten, maar het verwijst vooral naar het onderlinge vertrouwen dat deze gemeenschappelijke jarenlange ervaring bijna vanzelfsprekend met zich meebrengt. Ik denk dat men kan hard maken dat Israël een uit noodzaak gemilitariseerde samenleving is, wat uiteraard zijn sporen nalaat op de verhouding tussen ex-militaire Joden en de Palestijnen die op enkele uitzonderingen na (denk onder meer aan de positie van de Druzen en die Palestijnen die steeds meer niet-strategische posten in het leger kunnen bekleden) niet worden gerekruteerd. Dat belast ook de verhouding tussen de Joden, die bijna allen hun militaire dienst gedaan hebben, en de meerderheid van de ongeveer 25 % niet-Joodse staatsburgers die geen ex-militairen (konden) zijn. Let wel: ‘gemilitariseerd’ is niet hetzelfde als ‘militaristisch’, al zal dit onderscheid onvermijdelijk zijn sporen nalaten in de hele samenleving. (Onder ‘militaristisch’ versta ik een niet-democratisch geregeerde staat, wat niet het geval is voor de Joodse meerderheid in Israël.).

Voor sommige Israëlische Joden zal dit de relatie tussen beide groepen in Israël en de Palestijnse gebieden definitief bepalen, denk maar aan de vrees van de grote schrijver en vredeactivist Amos Oz, die in zijn laatste essay (The last Lecture, 2019) nog eens hartstochtelijk de twee-statenoplossing verdedigt, in de allereerste plaats omdat het land volgens hem niet rijp is voor een samenleving waarin bijvoorbeeld de Palestijnen een meerderheid zouden kunnen vormen. Dat was een sterke getuigenis van iemand die, als stichter van onder meer de ooit invloedrijke drukkingsgroep Vrede Nu!, altijd al de volledige gelijkberechtiging van de Palestijnen had verdedigd. Omdat dit hartstochtelijk pleidooi niet kwam van een moslimhater of super-zionistische patriot, maar van iemand die altijd gepleit heeft voor een dialoog, kwam dit verrassend hard over. Het was echter geen bruuske ommekeer, maar eerder de nuchtere vaststelling dat beide groepen nog (lang) niet klaar waren voor een vreedzaam samenleven met elkaar. De gebeurtenissen sinds 7 oktober 2023 die nog steeds de agenda bepalen lijken dit te bevestigen, al kan men de Israëlische vergeldingsacties, etnische zuiveringen en het hoog aantal gedode niet-strijdende Palestijnse burgers onmogelijk als een juridisch legitieme en ethisch gerechtvaardigde respons op die vreselijke aanval beschouwen. Maar we mogen daarbij niet vergeten dat een overweldigende meerderheid van Israëlische Joodse staatsburgers dit wél zo inschat en ook vandaag nog bijna unaniem verdedigt.

 

De strijd om de historische erfenis

Naast het leger en de taal als belangrijke factoren voor de vorming van het nieuwe Israëlische nationale bewustzijn mogen we ook de opbouw van een nieuw historisch bewustzijn niet vergeten, dat waarschijnlijk zwaarder weegt dan dat van de historische en mythische verwijzingen in de Tora die we overal aantreffen: onder meer in de eigen Israëlische kalender, de manier waarop de herinnering aan het vroegere antisemitisme aanwezig is tot en met de jaarlijkse herdenking van de Sjoa, en de toenemende antisemitische botsingen in de moderne media.

Zo werd de bloedige razzia van 7 oktober 2023 in de Israëlische media een ‘Tweede Holocaust’ genoemd, met alle referenties die een dergelijke naam onmiddellijk oproept, of werd er over de voetbalrellen in Amsterdam in november 2024 gesproken als over de nieuwe Kristallnacht (de door de naziregering in Duitsland geregisseerde pogrom in de nacht van 9 op 10 november 1938 tegen ongeveer 150 synagogen en duizenden Joodse burgers). Dergelijke vergelijkingen zijn onjuist en gevaarlijk, omdat ze een nuchter onderzoek naar wat er toen werkelijk is gebeurd hypothekeren, maar ze spreken tot de verbeelding en bereiken waarschijnlijk het ‘paniek effect’ dat ze beogen, namelijk dat ‘de Joden vandaag alleen veilig zijn in het land van Israël of, als alternatief, dat er voor de Joden geen veilige plek ter wereld is behalve Israël’. Deze herinnering wordt in Israël levend gehouden door herdenkingsmomenten als ‘De dag van de Sjoa – Jom Hashoa’ of andere feestdagen. We weten dat de stichting van de staat Israël het resultaat is van een volgehouden zionistische campagne, die weliswaar oorspronkelijk niets met de Sjoa te maken had, maar die steeds meer symbolisch vervlochten geraakt is met die tragedie.

 

In een land of regio waarop twee of meer partijen menen recht te hebben, krijgen meerdere van deze argumenten een wat we kunnen noemen ‘existentiële’ dimensie. Zodra die keuze om wat voor redenen ook is gemaakt, valt het immers niet moeilijk om een groep van zijn eigen grote gelijk te overtuigen. De leiders en het volk zijn des te makkelijker van hun recht te overtuigen, omdat ze daarvan reeds lang overtuigd zijn. Al deze hoger aangehaalde argumenten zullen deze uitgangspositie alleen maar versterken. En het duurt nooit heel lang vóór, omgekeerd, de argumenten van de tegenpartij ofwel worden genegeerd of ontmaskerd, want het is nu eenmaal veel makkelijker de verkeerde of misleidende argumenten van de tegenstanders te ontmaskeren of als propaganda, fake news of bedrog te negeren dan de eigen argumentatie met dezelfde kritische bril te bekijken. Omdat we nu ongeveer een leven lang bezig zijn met het nog maar eens overtuigen van onze medestanders kan het nuttig zijn, te trachten te begrijpen op basis van welke historische feiten en logische argumenten onze tegenstanders blijkbaar zoveel intelligente en achtenswaardige mensen weten te overtuigen. Dit is overigens een hachelijke onderneming, omdat we ons onverwacht op twee fronten kwetsbaar opstellen: om te beginnen moeten we er niet op rekenen dat die tegenstander ons als een berouwvolle bekeerling zal begroeten; hij zal wellicht eerder denken aan een nieuwe strategie dan aan een eerlijke tegemoetkoming. Nog minder begripvol zullen de reacties uit het eigen kamp zijn die vinden dat we onze oppositie verzwakken, en alleen god weet hoe ver dat kan gaan. Kortom: je moet al sterk zijn om je eigen gelijk op een intelligente manier te kunnen verdedigen, en twee keer zo sterk om dit te doen, terwijl je toch wil toegeven dat je opponent op bepaalde punten ‘niet helemaal ongelijk heeft’. U ziet dat ik me bijzonder voorzichtig uitdruk. Mag ik deze nogal abstracte oefening illustreren met mijn reactie op ‘De laatste lezing’ van Amos Oz?

 

Geen democratische eenheidsstaat, maar ook geen zogeheten binationale staat

In zijn laatste lezing trekt Amos Oz de handschoenen uit: een éenheidsstaat waarin in voorspelbaar korte tijd de niet-Joden, lees Palestijnen, volledig legaal en zonder geweld de democratische meerderheid zouden halen, is voor Oz een nachtmerrie. Hij verwijst daarbij naar de manier waarop de Arabische meerderheid is omgegaan met de Jezidische vrouwen en meisjes en wil dit volgens hem reële gevaar tot elke prijs vermijden. ‘nog maar een halfjaar geleden hebben we gezien wat er gebeurd is met de Jezidi’s in Irak. Ze zijn allemaal afgeslacht. Nee, niet allemaal, neem me niet kwalijk, alleen de mannen. Vrouwen vanaf vijftien jaar kon je kopen voor een pakje sigaretten. Dat is wat ar gebeurd zou zijn met de joden van Irak als ze daar gebleven waren.’ Amos Oz is op 28 december 2018 gestorven, dus ongeveer vijf jaar vóór de razzia van Hamasleden op Israëlische burgers op 7 oktober 2023, maar de manier waarop Hamas daar te werk is gegaan lijkt zijn vrees voor de wraak van een Arabische meerderheid te bevestigen.

Er was dus volgens deze vredesactivist geen mogelijkheid voor een binationale democratische eenheidsstaat. Het is hier niet de vraag of zijn vrees realistisch is, wél dat ze werd geuit door iemand die zijn leven lang de legitieme rechten van de Palestijnen heeft verdedigd. Zijn inschatting weegt zwaar door, juist omdat die door iemand met zijn bilan en reputatie uitgesproken werd: je kan, brutaal gezegd, de Palestijnen onmogelijk vertrouwen.

Geen unitaire staat dus, maar wat denkt hij over een binationale staat, nu iedereen de mond vol heeft over de multinationale of multiculturele maatschappij, waarin de verschillende culturen vreedzaam maar veilig van elkaar gescheiden naast elkaar leven?

‘Er zijn in onze tijd zes voorbeelden van een florerende multinationale staat. Ik noem ze u allemaal uit het hoofd: Zwitserland, Zwitserland, Zwitserland, Zwitserland, Zwitserland en niet te vergeten Zwitserland. Alle andere zijn ofwel uiteengevallen, ofwel verdronken in rivieren van bloed. Cyprus was een binationale staat, Libanon was een binationale staat, Syrië, Irak, multinationaal. De voormalige Sovjet-Unie, Oekraïne, het Oekraïense deel en het Russische. Zoiets bestaat niet. Zelfs Spanje met zijn Basken en Catalanen wankelt. Zelfs Groot-Brittannië wankelt. Zelfs België kraakt. Zelfs uit Canada hoor ik geluiden. Het werkt niet. Ofwel eindigt het in rivieren van bloed, ofwel – een uniek voorbeeld uit de moderne geschiedenis – eindigt het mooi. Het eindigt ermee dat het Tsjechische en het Slowaakse volk besluiten vreedzaam uiteen te gaan in twee staten. Als dat bij ons eens zou kunnen. (…) Er bestaat niet zoiets als een multinationale staat als staat voor al zijn bewoners. Koester geen illusies en laat u door niemand een rad voor de ogen draaien. Of twee staten, en snel, of stapsgewijs een Arabische staat van de zee tot de woestijn, waarin joden een minderheid zullen zijn.’ ‘Van de zee tot de woestijn’. Het klinkt als een variante op de bekende zionistische én Palestijns-nationalistische slogan ‘van de rivier tot de zee’ die in alle polemieken terugkomt.

Het is hier niet op de eerste plaats de vraag of hij gelijk heeft, maar wel is er de vaststelling dàt hij het zo scherp kan formuleren en zijn medestanders daar niet erg over verbaasd lijken te zijn. Laten we uitgaan van drie van zijn stellingen:

 

  1. Er bestaan bijna geen geslaagde en democratische multinationale staten. Zwitserland is een geval apart dat uit het heel specifieke verleden van die regio ontstaan is. Het is onvoorstelbaar dat deze gelegenheid zich nog eens zal voordoen. Met andere woorden: we kunnen dat niet kunstmatig creëren. In uitzonderlijke gevallen kan dat leiden tot een vreedzame scheiding met wederzijds respect (zoals Tsjechoslowakije), maar het leidt meestal naar bloedige conflicten die door een echte, wederzijds aanvaardbare boedelscheiding opgelost of vermeden kunnen worden.
  2. De Joden moeten ervoor zorgen nooit meer een minderheid in een land te vormen, waar die macht van de niet-joden hen in principe altijd bedreigt: kijk maar naar de geschiedenis van het antisemitisme. Een vreedzame, geïnformeerde en respectvolle boedelscheiding blijkt een hersenschim te zijn die in de meeste gevallen slecht afloopt. Oz schrijft niets voor, maar constateert dat dit de/zijn nuchtere waarheid is.
  3. Geen unitaire staat, geen bi- of multinationale staat, maar wat dan wel? Bepleit hij de status quo of stelt hij een andere formule voor? Blijven er nog andere formules over? (‘Als ik word verplicht te kiezen voor de democratie of mijn moeder, kies ik voor mijn moeder.’)

 

Het is onthullend dat we zo’n tweeduizend jaar na het ontstaan van het christendom, 600 jaar na het humanisme en bijna een eeuw na de universele verklaring van de rechten van de mens en diverse aanvullingen en preciseringen ervan moeten vaststellen dat we in feite nog maar aan het begin staan van concrete pogingen om deze prachtige principes in onze persoonlijke en politieke praktijk toe te passen. De erkenning van onze medemensen als kwetsbare, door allerlei ontwikkelingen bedreigde maar gelijkwaardige soort zou toch al lang een haalbare en algemene vaststelling moeten zijn. Zolang we medemensen ongestraft kunnen uitschelden voor ‘menselijke dieren’ of ‘primitiever dan mensapen’, gewoon omdat we op een aantal punten van mening (en inschatting) verschillen, zijn we er nog lang niet. Dààr liggen de echte breuklijnen, niet tussen geslachten of ‘rassen’, hetero’s en homo’s, witten en ‘mensen van kleur, idioten en ons, duivenmelkers en cellisten. We weten uit ervaring dat elk van deze verschillen (en nog duizenden andere) tot een conflict kan leiden dat generaties lang kan aanhouden, maar we zouden na al die dodelijke conflicten intussen wel moeten hebben geleerd op een volwassen manier met al deze verschillen om te gaan.

 

Netanjahoe en de vlucht naar voren: Libanon en Syrië

Het succes van een grootscheepse, quasi op klaarlichte dag gevoerde militaire aanval op zowat alle potentiële vijanden is, met het historische morele krediet en de wapenleveringen waarop Israël nog steeds kan rekenen, bijzonder aanlokkelijk. Je slaat als het ware preventief toe, om te tonen dat je dat effectief kan en ja, tot nog toe ben je daar wonderwel in geslaagd, en je weet dat het voor je veiligheid altijd beter is to be safe than sorry. De positieve respons die de Israëlische premier na de operaties tegen Libanon oogstte, heeft dit keer op keer bevestigd. Zelfs die burgers die vanaf het begin hadden gevreesd dat de weigering van Netanjahoe om met zijn tegenstanders te onderhandelen, of hem vroegen op zijn minst rekening te houden met het lot van de meer dan 70% ongewapende Palestijnse slachtoffers, steunden hem. Zolang hij de Israëlische burgers ervan kan blijven overtuigen dat het hier gaat om een overlevingsstrijd tussen Israël en zijn vijanden, blijft hij populair, ook al zijn veel van zijn critici er niet van overtuigd dat zijn beleid de enig mogelijke reactie is. Voorlopig blijft de impact van de kritiek echter onbeduidend,  terwijl, omgekeerd, het uitblijven van duidelijke successen zowel tot een verharding van deze strategie kan leiden (‘nog een korte maar onweerstaanbaar krachtige inspanning en de oppositie is uitgeschakeld’) als tot het begin van echte of tactische onderhandelingen.

Dit verklaart waarschijnlijk ook de omvang en de verrassende snelheid waarmee Israël gereageerd heeft op de val van Assad en de overwinning van de rebellen, een reactie die illustreert hoe goed geïnformeerd en zorgvuldig de regering Netanjahoe alle mogelijke kansen benut om haar militair overwicht in de hele regio te versterken en uit te breiden. Maar je kan de aan Cruijff toegeschreven uitspraak ook omdraaien: ‘elk voordeel heb zijn nadeel’, want door deze geslaagde manoeuvres in het na de ineenstorting van de dictatuur korte tijd stuurloze Syrië heeft Israël moeiteloos een paar extra vijanden gemaakt en nieuwe fronten geopend, zoals in een volgend artikel in detail zal worden uiteengezet.

Ook deze strategie is begrijpelijk, als men ervan uitgaat dat de ware vijanden van Israël niet zozeer de hopeloos verdeelde en militair bijna uitgeschakelde Palestijnen zijn, maar het ‘nooit verwonnen Iran’, met een knipoog naar het gedicht ‘Hannibal’ van Prosper van Langendonck (1862 – 1920). Want we kunnen moeilijk ontkennen dat bijna alle wegen in dit conflict rechtstreeks of onrechtstreeks naar Teheran leiden, zeker in de visie van Benjamin Netanjahoe en zijn Groot-Israëlische bondgenoten. We staan nog niet, wat de ene gemeenzame God van de joden, christenen en moslims moge verhoeden, op de drempel van een derde wereldoorlog – sommige commentatoren schrijven nu al De Derde Wereldoorlog –, maar het gaat al lang niet meer om een hopeloos lokaal conflict dat alleen maar Israël en de Palestijnen zou aangaan. Zoveel is (on)zeker.

 

 

Antwerpen, 16 december 2024

 

Syrische geostrategie voor en na het Assad-tijdperk: ...
Naar een Palestina zonder de Palestijnen?
Palestina, sinds mensengeheugenis een probleem?