Syrische geostrategie voor en na het Assad-tijdperk: winnaars, verliezers, gevaren en kansen

Na veertien jaar lijkt de Syrische burgeroorlog ten einde. Of toch niet? Wat lag er in 2011 aan de basis van dit conflict en welke geopolitieke dynamieken speelden er? Waarom kwam de Syrische president Bashar al-Assad plots eind 2024 ten val? Wie zijn vandaag de geostrategische winnaars en verliezers in en rond Syrië? En wat betekent dit nu?

 

Van burgerprotesten tot mini-wereldoorlog

Het jaar 2011 kondigde zich aan als één van hoop. De ‘Arabische Lente’ die op gang was gebracht door volksprotesten in landen als Tunesië, Libië, Egypte en Syrië, vormde de kans op een nieuw begin. Eén waarin autoritaire leiders misschien wel de baan moesten ruimen voor meer democratische, breed gedragen volksbewegingen. Het begon allemaal in Tunesië, waar een eenvoudige straatverkoper zichzelf in brand stak uit protest tegen het dictatoriale regime. Hij bleek de vlinder die een storm van protesten veroorzaakte in Libië, maar ook in Egypte. Van daaruit waaiden deze protesten uit naar andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Maar de droom van de Arabische Lente werd een nachtmerrie in landen als Libië en Syrië. In de Syrische casus raakten de regionale machten en uiteindelijk ook de grootmachten al snel verwikkeld in een ingewikkelde kluwen. Dit conflict, dat meerdere oorlogen in één vervat, symboliseert hun complexe onderlinge verwevenheid en strijd. In dit tijdperk van geopolitieke onzekerheid ‘testen’ elk van deze actoren hun macht ten aanzien van elkaar. Ieder trachten ze hun belangen op het vlak van veiligheid en economie veilig te stellen. De synthese daarvan leidde evenwel tot een armworsteling met zeer zware gevolgen; meer dan een half miljoen doden, 11 miljoen vluchtelingen en 6,6 miljoen intern ontheemden binnen Syrië. De Syrische mini-wereldoorlog kende uiteindelijk een onverwachte wending in december 2024 met de val van het regime van president Bashar al-Assad. Dit heeft ook regionale en mondiale gevolgen. Een overzicht.

 

De strijd tussen soennieten en sjiieten: Saoedi-Arabië vs. Iran (en Qatar)

 

Vanaf maart 2011 ontstonden vreedzame protesten in Syrische steden als Daraa, voornamelijk door soennieten. De jaren voordien kenmerkten zich door mislukte oogsten als gevolg van klimaatverandering. De bevolking kwam op straat om veranderingen te eisen. De nieuwe president Bashar al-Assad was aan de macht sinds 2000. Hij was eigenlijk een oogchirurg die lang in Londen had gewoond. Eigenlijk werd zijn broer klaargestoomd om vader Assad op te volgen, maar snelle auto’s werden hem fataal. De bevolking dacht dat Bashar al-Assad door zijn buitenlandse ervaring eigenlijk wel voeling had met democratie. Had hij bij zijn aantreden immers geen hervormingen beloofd? Het tegendeel bleek uiteindelijk waar. Vanaf april 2011 onderdrukte het Syrische leger maar ook en vooral de veiligheidsdiensten met extreem bruut geweld de prodemocratische bewegingen. Velen lieten hierdoor het leven. Alarmbellen gingen af bij soennitische regionale actoren zoals Saoedi-Arabië. De Saoedi zagen de Syrische crisis tevens als een mogelijkheid om de soennitische oppositie te ondersteunen tegen de alawitische president Bashar al-Assad. Ze wilden vermijden dat de alawitisch-sjiitische as tussen Assad en Iran sterker zou worden. Teheran was immers de lachende derde van de val van Saddam Hoessein in 2003. De facto namen de sjiieten in Irak het als meerderheid over van de soennieten. Sjiitische geestelijke leiders in het zuiden van Irak lieten zich inspireren door Iran. De culturele en economische, maar ook militaire tentakels van Teheran werden zo uitgespreid. Een herhaling van een dergelijk scenario wilden de Saoedi uitdrukkelijk vermijden in Syrië. De oorlog daar was immers een mogelijkheid voor Teheran om haar invloed in het land uit te breiden en de as richting Hezbollah in Libanon te versterken, potentieel ten nadele van de staat Israël. Dat verdiepte dan weer een reeds bestaand de facto verbond tussen Saoedi-Arabië en Israël, hoewel deze dimensie pas tussen 2016 en 2018 in Syrië echt aan de oppervlakte begon te komen.

Riyad gebruikte vanaf 2012 haar geheime diensten om allerlei uiteenlopende soennitische radicale groepen te steunen in Syrië. Ook zakenlieden en religieuze netwerken werden ingezet voor deze onderneming (wisten zij veel wie daar allemaal achter zat). Ook de VS werd op dat spoor gezet. Uit deze radicaal soennitische kweekvijver ontstonden meerdere georganiseerde terroristische bewegingen zoals Al Nusra (ontstaan vanuit een breuk met Al Qaeda in Irak) én Islamitische Staat (IS). Al Nusra zou in een latere periode nog vervellen (zie infra). De Saoedi trachtten vanaf het eerste presidentschap van Trump in 2017 hun blazoen op te poetsen en het recente verleden te doen vergeten. In hun optiek was Iran de bron van het terrorisme in de regio, niet Saoedi-Arabië. De werkelijkheid was evenwel vele malen complexer. Ook Qatar trachtte in Syrië boven haar eigen gewicht te spelen, maar kwam vanaf juni 2017 in zwaar weer terecht door een boycot van Saoedi-Arabië en haar bondgenoten (Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein en Egypte). Deze zou vier jaar duren, tot in 2021. Die ontspanning met Qatar ging gepaard met een aantal andere stappen van Saoedi-Arabië zoals het verkennen van een de-escalatie met Turkije alsook Rusland, en andere olieproducenten tegemoet komen met een eenzijdige verlaging van de olieproductie. De boycot was ook instrumenteel geweest voor de jonge Saoedische minister van Oorlog en Economie Mohammed bin Salman (MBS) om in eigen rangen de gelederen te sluiten. Hij had ermee zijn macht kunnen consolideren.

Sinds de Iraanse Revolutie van 1979 wordt religie in de regio door zowel sjiitische als soennitische leiders geïnstrumentaliseerd als een politiek wapen om de massa’s op te hitsen. Dat fenomeen verergerde alsmaar, waardoor de geopolitieke fragmentatie in de regio steeds nadrukkelijker moet gezien worden door de ogen van de regionale machtsstrijd tussen Teheran en Riyad.

 

Rusland

Waar Moskou voordien de Syrische president Bashar al-Assad en zijn vader onrechtstreeks militair had gesteund, intervenieerde Moskou vanaf september 2015 rechtstreeks in het Syrische conflict. Een aantal calculaties dwong de Russische president Poetin in te grijpen; het Assad-regime stond op het punt te imploderen. Rusland dreigde zo een strategisch bruggenhoofd in de regio te verliezen. Tegelijkertijd moest worden gevochten tegen strijders uit de Kaukasus, die zich met IS hadden vermengd. Anders zou de strijd later in Rusland zelf moeten worden gevoerd. De gok van Poetin slaagde niet alleen, Rusland ontwikkelde zich zelfs tot een alternatieve veiligheidsmacht in de regio – althans tot vrij recent in 2024 (zie infra). De VS hadden onder Obama immers een zeer ambigu beleid gevoerd: leading from behind. Washington leek niet bereid tot nog een oorlog, na het debacle in Irak en Afghanistan. Moskou kon ook haar nieuw wapentuig aan de rest van de wereld demonstreren. De wapenorders uit de regio volgden, vanuit onder andere Irak, Turkije en zelfs India. Rusland kon zich opnieuw manifesteren als grootmacht. Sommige analisten verwijzen vaak ook naar de nochtans betrekkelijk kleine maritieme basis van Rusland in Syrië, in Tartus. Er zijn evenwel nog meer hypotheses die zouden kunnen verklaren waarom Moskou reageerde. Na de Frans-Britse militaire operatie in Libië in 2011 bestond de eerste beleidsdaad van de toenmalige voorlopige regering erin, oliecontracten af te sluiten met Franse en Britse bedrijven. Sindsdien voelden de Russen zich zwaar vernederd, want ze hadden zich in de VN Veiligheidsraad onthouden in de stemming op resolutie 1973 (2011). Vanaf dat jaar begonnen de Russen zich steeds dreigender op te stellen in de casus Syrië, en blokkeerden alle mogelijke resoluties in de VN Veiligheidsraad met hun veto. Dat ze tot september 2015 wachtten om echt drastisch militair in te grijpen had dan weer te maken met het feit dat de hoofdstad Damascus op dat moment dreigde te worden afgesloten van het alewitische kernland aan de kust. En langs de kusten van de oostelijke Mediterranée werd sindsdien steeds meer aardgas ontdekt (bijvoorbeeld ten noorden van Egypte, ten zuiden van Cyprus, nabij Kreta, enzovoort). Een ware gasbonanza ontwikkelde zich rond die tijd in de regio. Een alternatieve lezing van de Russische belangen zou dus kunnen zijn dat Moskou een vinger in de energiepap van de Oostelijke Mediterranée wilde houden. Ook vleide Moskou Cyprus door te stellen dat het land ‘slecht was behandeld tijdens de Eurocrisis’. Op die manier slaagde men er in die jaren in de Russische vloot in Cypriotische havens te laten aanmeren. Men kan dus een breder Russisch geostrategisch denken vermoeden waarin meerdere overwegingen tezamen op elkaar inwerkten.

 

De VS, Frankrijk en de internationale coalitie(s) tegen ISEr kwam als gevolg van de snelle opmars van Islamitische Staat (IS) in Irak en Syrië in de eerste helft van 2014 reactie van zowel Amerikaanse als Russische zijde. Beiden creëerden hun eigen internationale coalities. In februari 2015 vroeg president Obama een nieuw mandaat aan het Amerikaanse Congres om IS te bestrijden. De kern van de strategie bestond uit een luchtoffensief. In Syrië steunde de Amerikaanse coalitie een groep van zogenaamd ‘gematigde’ soennitische rebellen, die verder werden getraind door de Golfstaten en Saoedi-Arabië. Een deel van deze missie werd een fiasco, nadat enige van deze getrainde groepen zelf overliepen naar IS. Naast militaire macht werden tevens diplomatieke, economische en andere middelen ingezet om ‘IS te verzwakken, en uiteindelijk te vernietigen’. In Syrië kwam er een de facto samenwerking met de inlichtingendiensten van de sjiitisch-alawitische president Assad. Washington wijzigde haar beleid door te stellen dat Assad ‘betrokken moest worden in toekomstige gesprekken over een machtstransitie’. De terroristische aanslagen in Parijs van november 2015 vormden de aanleiding voor Franse bombardementen op Syrië, waaraan ook België en Nederland deelnamen. IS / Daesh verloor rond december 2017bijna al haar territorium in Irak. In Syrië bleven begin september 2018 enkel nog beperkte haarden over. De implosie van IS in Syrië zorgde voor een vals veiligheidsgevoel; overgebleven strijders konden zich immers elders hergroeperen en herorganiseren. Maar, het belangrijkste ‘schild’ van het Westen tegen IS waren de Koerden geweest. Deze troepen kwamen uit de meer ‘activistische’ Koerdisch-Syrische YPG-milities (waarvan Turkije tot vandaag nog steeds stelt dat ze ‘terroristen’ zijn). De Amerikanen hadden hen evenwel kunnen ‘opwaarderen’ door hen te suggereren om vanaf oktober 2015 samen te gaan met een aantal kleinere verzetsgroepen tegen Assad, onder de nieuwe naam van de ‘Syrian Democratic Forces’ (SDF). Deze hadden ver voorbij traditioneel Koerdisch gebied in het noorden van Syrië hard gevochten tegen IS, tot aan de natuurlijke grenzen van de rivier de Eufraat. SDF diende als de officiële militaire vleugel van het Autonoom Bestuur van Noord- en Oost-Syrië (ook onofficieel bekend als ‘Rojava’). Ze hebben mee de IS hoofdstad al-Raqqa bevrijd, alsook vormden ze (tot vandaag) de belangrijkste bewakers van meerdere gevangenkampen zoals dat van al-Hol waar vanaf 2018 duizenden IS-strijders, hun vrouwen en kinderen zaten opgesloten. Tot de tegenstanders van de SDF behoren verschillende islamistische, Syrisch nationalistische en pro-Turkse krachten die betrokken zijn bij de burgeroorlog. Hun belangrijkste vijanden zijn aan Al Qaeda gelieerde organisaties, de Islamitische Staat, het Syrische Nationale Leger (zie infra), de Turkse strijdkrachten en hun bondgenoten. Tot 2019 richtte de SDF zich voornamelijk op de strijd tegen Islamitische Staat. In maart 2019 kondigde de SDF de totale territoriale nederlaag van IS in Syrië aan. Sindsdien trachtten ze vooral Rojava te consolideren en uit te bouwen.

 

Turkije versus Assad / Koerden, en China als lachende derde

De intrede van regionale machtsrivaal Saoedi-Arabië in Syrië, de vluchtelingenstroom naar het zuiden van Turkije (ongeveer vier miljoen Syrische soennieten) én de opmars van de Syrische Koerden waren alle factoren die Ankara ertoe aanzetten zich in Syrië te mengen. Voormalig premier en huidig president Recep Tayyip Erdogan koestert tevens enige neo-Ottomaanse ambities, al kan zijn fel verzwakte economie die wellicht (voorlopig) nog niet schragen. In augustus 2016 startte Erdogan een militaire campagne in Noord-Syrië, officieel in de strijd tegen IS / Daesh, maar in de praktijk vooral om te verhinderen dat de Koerden het noordelijke deel van Syrië militair zouden kunnen consolideren. Erdogan wil een ‘groot-Koerdistan’ vermijden, waarin het noorden van Syrië en Irak alsook zuidoost-Anatolië in Turkije zouden worden verenigd. Erdogan ging de corridor van de stad Manbij in Noord-Syrië bezetten. Meer ten oosten van de regio Manbij zaten de Koerden ingebed in de eerder vermelde Syrian Democratic Forces (SDF), ondersteund door de Amerikanen. In de stad Afrin pakte Erdogan de YPG aan, de militaire arm van de Koerdische democratische uniepartij. De Koerden gooiden het daarom op een akkoord met Assad. Die stuurde bewapende milities om weerstand te bieden aan de Turken.

Op de Teheran-top tussen Turkije, Iran en Rusland begin september 2018 waarschuwde de Turkse president voor een bloedbad in de soennitische provincie Idlib. Als de Syrische president Assad en zijn partners te ver zouden gaan, zou Turkije als verdediger van de soennieten ingrijpen. Als gevolg van dit overmatig assertief gedrag in de Syrische crisis ontstonden er ook openlijke scheuren tussen de NAVO en Turkije.

Turkije creëerde daartoe het Syrische Nationale Leger, ook voorheen bekend als het Vrije Syrische Leger. Het ontstond vanuit een losse coalitie van gewapende Syrische oppositiegroepen. Op 29 juli 2011 was deze opgericht door overgelopen Syrische militaire officieren, veelal soennieten. Turkije gaf hen wapens, training en toevluchtsoorden. Vanaf augustus 2016 begon Turkije met het samenstellen van een nieuwe coalitie van Syrische rebellengroepen, in een poging om een meer samenhangende en effectieve oppositiemacht te creëren. Vooral in de ‘Operatie Eufraatschild’ werden ze van belang. Ankara creëerde een zogenaamde bufferzone tussen Turkije en Syrië in het noorden. Dat was wel in deels Koerdische gebieden, wat doet vermoeden dat Erdogan wilde verhinderen dat iemand ooit in de toekomst het idee zou krijgen om de Koerdische gebieden in Turkije, Syrië en Irak met elkaar te verbinden. In het strafverdrag van Sèvres (1920) tegen de Ottomanen hadden de geallieerden immers een opening gemaakt voor Koerdische autonomie. Tot de Jonge Turken van Mustapha Kemal Atatürk tegen het verdrag van Sèvres doorvochten, om uiteindelijk het moderne Turkije te kunnen stichten na het verdrag van Lausanne (1923). Erdogan begon openlijk te spreken over het ‘hervestigen’ van de soennitisch-Syrische vluchtelingen vanuit zuid-Turkije naar deze bufferzone.

In die jaren was het onduidelijk of Ankara zou afdrijven in de richting van Rusland en vooral China, dat met geld vanuit haar ‘Belt and Road’-projectfondsen over de brug zou kunnen komen voor Turkije. Terwijl de regionale en grootmachten zichzelf verzwakten door de Syrische crisis versterkte Beijing geruisloos haar geostrategische en geo-economische langetermijnpositie. Althans, dat leek zo, maar was misschien nog niet meteen het geval. De Chinezen praatten dan misschien wel met verschillende partijen, eigenlijk hielden ze zich diplomatiek op afstand. Pas veel later, in maart 2023, begonnen sommigen te vermoeden dat China geruisloos toch vooruitgang boekte. In die maand bemiddelde Beijing tussen Iran en Saoedi-Arabië. Dit leidde tot een overeenkomst om diplomatieke en economische banden tussen beide landen te herstellen. Toch zou de Chinese diplomatie zich nooit echt expliciet in het Syrische conflict mengen. China heeft wel diplomatieke steun geboden aan Syrië en zich uitgesproken tegen buitenlandse ingrijpen, maar geen directe militaire betrokkenheid gehad. Beijing heeft ook economische en humanitaire steun geboden, zoals bijdragen aan de uiteindelijke wederopbouw van Syrië (maar dan onder Assad in hun scenario) en deelname aan het Chinese Belt and Road Initiative.

 

Israël, Saoedi-Arabië en de VS versus Iran

De Israëlische premier Netanyahu begon in 2018 te beweren dat vooral Iran van de implosie van IS in de regio had geprofiteerd.  Op 10 februari 2018 schoot Israël een Iraans dronevliegtuig neer. Een Israëlisch gevechtsvliegtuig dat het drone-commandocentrum in Syrië moest uitschakelen, werd zelf neergeschoten. Sindsdien waren er voortdurende incidenten waarbij Israël vermeende Iraanse posities in Syrië aanviel via luchtbombardementen. Meer recente geruchten dat de veiligheidsdiensten van Assad dan weer deels informatie over Iraanse activiteiten doorspeelden, om zo te vermijden zelf in het Israëlische vizier te komen, vallen zeer moeilijk te verifiëren. Althans toch niet vandaag.

Volgens Netanyahu was vooral Iran de nieuwe grote destabiliserende kracht in de regio, die overal haar tentakels uitspreidde; vanuit Iran via sjiitisch Irak naar de alewieten van Syrië tot Hezbollah in Libanon en Hamas in Gaza. Netanyahu gaf in februari 2018 een donkere speech op de jaarlijkse internationale veiligheidsconferentie in München. Hij stelde dat Israël zou verhinderen dat Iran van Syrië een machtsbasis zal maken: ‘We zullen reageren tegen Iran zelf.’ De Israëlische geostrategische agenda leek te convergeren met die van Saoedi-Arabië, en mogelijk zelfs met die van Donald Trump.

De schoonzoon van Trump, Jared Kushner, had ondertussen een geopolitiek idee. Was de tijd niet rijp voor Israël om tot een normalisering van de diplomatieke betrekkingen met de Arabische landen te komen? Daarmee zou ook Iran van de ayatollahs geïsoleerd kunnen worden. Dit viel ook mooi in lijn met de politiek die Netanyahu had gevoerd. Israël had de afgelopen decennia intern hard gewerkt aan haar eigen capaciteiten op het vlak van technologie, energie en bijvoorbeeld waterzuivering. Bovendien beschikte zij ook over kapitaal. Daarmee was zij eigenlijk een bijzonder interessante partner geworden om mee samen te werken. Het Palestijnse vraagstuk was geleidelijk naar de achtergrond verschoven, en eigenlijk politiek ook niet meer zo interessant voor Arabische landen. De ‘Abraham Akkoorden’ ontstonden als bilaterale overeenkomsten om de diplomatieke betrekkingen van Israël te normaliseren. De eerste akkoorden waren met de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein op 15 september 2020. De Verenigde Staten had hierin bemiddeld. Op 23 oktober 2020 gingen Israël en Soedan akkoord om hun betrekkingen te normaliseren. Op 22 december 2020 volgde Marokko. Een soortgelijk akkoord met Saoedi-Arabië bleef voorlopig uit. Israël kon zich hierdoor steeds meer focussen op de Iraanse bedreiging. Deels nu de vrije hand hebbend, werden Israëlische bombardementen op Iraanse stellingen in Syrië ‘schering en inslag’.

 

Rode lijnen, een verloren Westerse oorlog

De Syrische oorlog vormt in de naoorlogse geschiedenis één van de grootste tragedies op het vlak van vrede en veiligheid. Obama steunde de oppositie tegen Assad, maar zijn houding bleef dubbelzinnig. De facto ondersteunde het Westen lang de geostrategische agenda van soennitische landen als Saoedi-Arabië en Qatar, tot IS / Daesh opkwam en het verhaal aanzienlijk complexer werd. Het Westen was nadien enkel nog geïnteresseerd in het vernietigen van deze terroristische organisatie. Obama’s politiek beperkte zich verder tot de ‘rode lijn’ van het inzetten van chemische wapens. Wie welk soort wapens wanneer heeft ingezet, blijft vooral onderwerp van controverse. Het enige echte internationale referentiepunt in deze blijft het werk van de OPCW in Den Haag, een multilaterale organisatie die chemische wapens tracht in te perken. President Trump nam Obama’s ‘rode lijn’ de facto over. Hij intervenieerde in april 2018 symbolisch en met speldenprikken. De westerse leiders dachten nadien dat de oorlog in Syrië verloren was, zeker ten westen van de Eufraat. Het leek er op dat moment op dat ‘Assad had gewonnen’. Toch bleek dit idee achteraf een misrekening van formaat, omdat ook de middelen van Assad uitgeput raakten en ook hij steeds dieper moest gaan om de zaken bij elkaar te houden. In de westelijke provincie Idlib zou vanaf 2017 onder de waterlijn iets gaan broeien.

 

De strijd om de provincie Idlib

 

De Turkse president Erdogan zou in de westelijk-Syrische provincie Idlib herhalen wat hij in het noorden van Syrië had gedaan. Assad had in de voorgaande jaren in Idlib alle resterende oppositiegroepen, vaak opnieuw soennieten, geconcentreerd als ‘vluchtelingen’. Soennitische strijders die de val van steden als Aleppo, Oost-Ghouta en andere overleefden, kregen voorheen vrije doorgang naar Idlib. Er ontstond een felle strijd in de provincie tussen deze overgebleven oppositiegroepen en de troepen van Assad. Deze dreigde tot een nieuwe vluchtelingenstroom naar Turkije te leiden. Dat wilde Erdogan koste wat het kost verhinderen. In oktober 2017 intervenieerde Turkije daarom voor een derde maal rechtstreeks op Syrisch grondgebied. De operatie werd gelanceerd na de Astana-overeenkomst van 2017 en de daaropvolgende Sochi-overeenkomst tussen Turkije, Rusland en Iran. De twee overeenkomsten bevatten onder andere bepalingen voor de Turkse strijdkrachten om 12 observatieposten op te zetten en te onderhouden binnen door het verzet bezette gebieden in Idlib. In augustus 2019 bouwden de Turkse strijdkrachten een onofficiële 13e observatiepost bij Maar Hattat. Eind augustus 2019 werd de Turkse observatiepost bij Morek volledig omsingeld door het Syrische leger. De Turkse regering kondigde aan dat zij de post niet zou verplaatsen of ontmantelen. Turkije bleef in de jaren nadien maar observatieposten bij creëren. Tegen februari 2020 waren het er al 35.

Ondertussen was de islamistische groep al-Nusra, die in 2016 was afgesplitst van al-Qaeda, aan een nieuw transformatieproces bezig. Eerst wijzigden ze hun naam in ‘Jabhat Fateh al-Sham’ vanuit de ambitie om alle islamistische krachten in Syrië te verenigden. In 2017 smolten ze samen met vier andere groepen tot ‘Hayat Tahrir al-Sham’ (HTS). In de provincie Idlib kon HTS los van Assad een alternatieve regeringsstructuur opzetten. De facto kregen ze daarbij steun van Turkije. De nieuwe leider werd de in 1982 geboren Ahmed Hussein al-Sharaa, die tot aan de val van Assad nog door het leven ging als Abu Mohammad al-Jolani. Jaar voor jaar bouwden ze hun lokale macht verder uit. Het leek daarbij dat al-Assad stand kon houden. Doch externe geostrategische ontwikkelingen zouden de dynamieken veranderen. Zij vormen de centrale verklarende variabelen voor de omwenteling die niemand in 2024 echt had zien aankomen.

 

Externe geostrategische ontwikkelingen veranderen de machtsstrijd

Twee grote geostrategische ontwikkelingen hebben een belangrijke wijziging veroorzaakt in het Syrische theater. Ten eerste was er de alliantiepartner van Assad, de Russische president Vladimir Poetin, die op 24 februari 2022 Oekraïne binnenviel om het land terug in te lijven in de Russische invloedssfeer. Een klus die naar verwachting drie dagen zou duren, naderde eind 2024 stilaan zijn derde jaar. Ondertussen had Moskou al verregaande hulp moeten inroepen van Iran op het vlak van drones en ballistische raketten alsook van Noord-Korea inzake enorme hoeveelheden munitie en nu ook manschappen. Dat deed het vermoeden rijzen dat Moskou door de oorlog aanzienlijk was verzwakt. Haar militaire acties en bombardementen in Syrië om het regime van Assad te steunen werden schaarser. Moskou leek steeds meer geïrriteerd door Assad, die zich altijd maar weer op Russische steun leek te verlaten. Ten tweede was er de actie van Hamas op 7 oktober 2023 om in een ongezien gecoördineerde actie door de barrières tussen Gaza en Israël te breken, drieste aanvallen te plegen en Israëlische gijzelaars te nemen. Die dag kwamen zeker 1.200 mensen om het leven, en startte Hamas vanuit Gaza maar ook Hezbollah vanuit Libanon met ongeziene raketbeschietingen. Hierop startte Israël een ongekende en zeer zware militaire operatie, die in feite nog altijd gaande is. Israël heeft hierbij via ongezien drastische maar ook humanitair controversiële militaire acties zowel Hamas in Gaza als Hezbollah in Libanon dodelijk verwond. Ook in Syrië viel Israël kampen van de Iraanse Revolutionaire Garde, de elitetroepen van de Iraanse ayatollahs, aan. De combinatie van deze twee externe geostrategische ontwikkelingen zorgde voor een cascade-effect in Syrië tegen het einde van 2024. Assad begon materiële steun van zijn twee belangrijkste alliantiepartners Iran en Rusland te ontberen. De eigen veiligheidsdiensten waren uitgeput, en bleken ondanks beloften om hun loon te vermenigvuldigen niet meer bereid om hun eigen leven voor de familie Assad in de waagschaal te leggen.

 

De onverwachte val van Assad. Winnaars en verliezers, doch de strijd gaat verder

Belangrijk om weten is dat de Turkse president Erdogan in het laatste half jaar van 2024 contact opnam met Assad om het te hebben over de hervestiging van de Syrische vluchtelingen uit Turkije. Assad hield die boot af. Hij leek een nieuw Syrië te willen zonder die lastige soennieten. Want zijn machtsbasis van alewieten was altijd al in de minderheid geweest in het land. Enkel met harde hand had de familie Assad haar macht weten te behouden. Dit moment van afwijzing van Erdogan door Assad leek de laatste ‘trigger’ te zijn geweest. Vanaf dat moment moedigde Ankara haar eigen proxies, met name HTS en het Syrische Nationale Leger in het noorden, actief aan de troepen van Assad aan te vallen. Eind november 2024 was HTS een groot succesvol offensief begonnen. Het ging snel, zeer snel. In slechts elf dagen implodeerde het Syrische leger volledig. Rusland trachtte nog via luchtbombardementen de zaak te vertragen, maar leek na een tijd zelf op te geven. Iran was verzwakt omdat de Iraanse Revolutionaire Garde ook erg geraakt was door de fameuze ‘beeperaanval’ met explosieven van Israël tegen Hezbollah-commandanten in Libanon. Op 8 december 2024 viel Damascus.

Plots was al-Jolani de facto de nieuwe machtshebber, met Turkije als grote winnaar. Rusland leek zich terug te trekken, en ontruimde zelfs zijn militaire bases. Mogelijk zal Moskou trachten in Libië een alternatieve maritieme basis op te zetten, want Tartus was ondertussen erg belangrijk geworden voor de Russische militaire campagnes in de Sahel, waarbij afgelopen jaren plots militaire staatsgrepen waren in Niger, Mali en Burkina Faso. Daardoor moesten de Fransen er vertrekken.

 

Wat nu? Kansen en gevaren

De vraag is: wat nu? Ondertussen lijken Turkse milities in het noorden volop slaags met Koerdische SDF troepen. SDF heeft wel aangeboden zich te integreren in een nieuw Syrisch leger. Europese en Amerikaanse machten zijn bereid al-Jolani een kans te geven en sancties af te bouwen. Zolang de Russen maar buiten blijven, en democratie en nationale verzoening een kans krijgen. Wie zal evenwel de heropbouw van Syrië betalen? En zullen de basisrechten voor vrouwen en minderheden wel worden gerespecteerd? We zullen het moeten afwachten. The geopolitical ball will keep on bouncing.

 

 

David Criekemans doceert internationale politiek, buitenlands beleid en geopolitiek aan de Universiteit Antwerpen, het University College Roosevelt in Middelburg en het Geneva Institute of Geopolitical Studies. Hij is tevens book series editor ‘Geopolitics and International Relations’ bij De Gruyter Brill, zie: https://www.brill.com/geop

Syrische geostrategie voor en na het Assad-tijdperk: ...
Naar een Palestina zonder de Palestijnen?
Palestina, sinds mensengeheugenis een probleem?