Afgelopen maandag 17 september 2018 werd naar aanleiding van de post-growth-conferentie in het Europees Parlement in de media een open brief gepubliceerd van meer dan 200 academici die pleiten voor een post-groei-beleid. Onderstaand artikel werd reeds in mei-juni 2018 in Streven gepubliceerd. Vanwege de actualiteit nu ook nog eens gratis online. 

Jef Peeters *

Nu de economische groei weer op gang is gekomen, horen we hoera-berichten van zowel politici als economen. En journalisten gaan daar veelal in mee. Het lijkt alsof er voor groei geen alternatieven mogelijk zijn. Daar tegenover staat een groeiende degrowth-beweging van sociale activisten en academici, die in 2016 haar vijfde internationale conferentie hield met meer dan 600 deelnemers en zich opmaakt voor drie opeenvolgende conferenties – in Zweden, Mexico en het Europees Parlement – aan het einde van de zomer dit jaar.[1] Academisch voortrekker van deze beweging is een groep ecologisch economen van de Autonome Universiteit van Barcelona. Zij publiceerden in 2015 het boek Degrowth (D’Alisa e.a.), een verzameling korte essays door academici van over de hele wereld, die de gelijknamige beweging ondersteunt met een vocabulaire dat de contouren van een (mogelijk) nieuw tijdperk probeert te schetsen. Het verscheen in vertaling als Ontgroei (2016), een neologisme dat niet alleen een fundamentele verandering in het economisch denken aangeeft, weg van het groei-denken, maar evenzeer een cultuurverandering.

In wat volgt plaatsen we de degrowth-benadering binnen de bredere discussies over economische groei en bespreken haar kritiek op het gangbare ontwikkelingsdenken. Vervolgens schetsen we de kern van de culturele verandering die zij voorstaat. Ten slotte geven we aan hoe die verandering al gestalte krijgt in allerlei nieuwe initiatieven die vanuit de civiele samenleving als paddenstoelen uit de grond schieten. De nieuwe commons dienen zich daarbij aan als een focus van verandering, gebaseerd op vormen van collectief ondernemerschap gericht op de zorg voor een gedeelde wereld.

Ontgroeien als kritiek op de groei-ideologie

Het jaar 1972 is ongetwijfeld het jaar waarin het debat over economische groei publiek werd om nooit meer van de agenda te verdwijnen – ook al is het met ups en downs. Toen verscheen immers het bekende rapport aan de Club van Rome Limits to Growth (Meadows, 1972) met een pleidooi voor ‘nulgroei’. In datzelfde jaar lanceerde de ecologisch econoom Herman Daly het concept van een ‘steady-state economie’ en werd het begrip ‘décroissance’ al naar voren geschoven door de Franse eco-filosoof André Gorz (later overgenomen door onder meer Serge Latouche). We zien dus vanaf het begin verschillende termen verschijnen om een alternatief voor ‘groei’ aan te duiden. Later komen daar termen bij als ‘post-growth’, ‘a-growth’ en ‘anti-growth’. De kritiek op economische groei heeft immers meerdere uitzichten, zo ook de antwoorden daarop. Lag in de jaren 1970 de klemtoon vooral op de grenzen aan de aardse hulpbronnen, dan komen later ook de relatie tussen groei en ongelijkheid, de problematische relatie met het ontwikkelingsdenken, of de moeilijke verhouding tussen aanhoudende groei en geluk aan de orde. Het is dan niet verwonderlijk dat ook het gebruik van de term ‘degrowth’ meerduidig is en de bijhorende beweging divers, zoals onder meer blijkt uit onderzoek van de opvattingen van deelnemers aan de conferenties (Eversberg en Schmelzer, 2016).

Daarbij duikt in het debat voortdurend de vraag op wat er met ‘groei’ precies wordt bedoeld. Gaat het over de groei van het bruto binnenlands product, een concept in puur monetaire termen? Of gaat het over de materiële impact van de economie? In dat laatste zijn de ecologisch economen geïnteresseerd, omdat zij economie in termen van stromen van materie en energie bekijken. Zij bouwen voort op het werk van de Roemeense econoom Georgescu-Roegen, die aantoonde hoe het economisch systeem is ingebed in de aardse biosfeer. Economie kan daarom niet ontsnappen aan de wetmatigheden van thermodynamica en ecologie, wat inhoudt dat oneindig aangehouden materiële groei onmogelijk en dus niet duurzaam is. Hoe evident deze gedachte voor velen thans ook lijkt, de consequentie daarvan dat de economie materieel moet krimpen omdat de grenzen van wat biofysisch toelaatbaar is al overschreden zijn[2], blijft zeer moeilijk liggen.

Er is een duidelijk verband tussen de stijging van het bruto binnenlands product (bbp) en een toenemende ecologische impact via het gebruik van energie en grondstoffen en bijhorende milieubelasting. De voorstanders van economische groei formuleerden als uitweg de ‘ontkoppeling’ tussen bbp-groei en milieu-impact. Toename van efficiëntie via technologische vernieuwing speelt daarin een sleutelrol. Dat is de agenda van de ‘groene economie’ die ‘duurzame groei’ mogelijk zou maken. Nu is efficiëntieverbetering zeker mogelijk en ook nodig. Maar in de praktijk leidt besparing via toenemende efficiëntie vaak tot een groei van het consumptievolume, bekend als het rebound-effect. Denk bijvoorbeeld aan de blijvende groei van het wagenpark. Om de beoogde ecologische doelstellingen te halen moet de ontkoppeling dus niet enkel ‘relatief’ zijn (kleinere impact per eenheid product) maar ‘absoluut’, wat een daling van het totale volume aan gebruikte hulpbronnen inhoudt. Zo vraagt het verhinderen van catastrofale klimaatverandering om een absolute ontkoppeling van economische productie en de uitstoot van broeikasgassen tot op een niveau dat het aardse ecosysteem duurzaam kan verwerken. De huidige praktijk is daar nog ver van verwijderd. Een ontkoppeling moet immers snel genoeg gaan om catastrofale gevolgen op korte termijn te vermijden en ook groot genoeg zijn om een herstel van het aardse ecosysteem mogelijk te maken. Verbeteringen in de praktijk zijn ongetwijfeld mogelijk, maar wetenschappelijke simulaties geven aan dat bbp-groei uiteindelijk niet kan worden losgekoppeld van groei in materiaal- en energiegebruik (Ward e.a., 2016). Of, ‘duurzame groei’ is een illusie.

Dat brengt ons terug bij denkpistes die biofysische grenzen serieus nemen. Omdat efficiëntie alleen ons niet zal redden, heeft Wolfgang Sachs het principe van ‘sufficiëntie’, of ‘genoegzaamheid’, in het debat gebracht. In die lijn spreekt men vandaag ook van een ‘economie van het genoeg’ (Dietz en O’Neill, 2013), of van ‘welvaart zonder groei’ (Jackson, 2010). Al dergelijke voorstellen komen erop neer de focus op bbp-groei te verleggen naar het realiseren van maatschappelijke doelstellingen: het tegemoetkomen aan de behoeften van allen binnen de mogelijkheden die de planeet ons geeft. Dat is precies wat Kate Raworth (2017) met het concept van ‘donut-economie’ voor ogen heeft. Dat impliceert sowieso een vermindering van het gebruik van materiële hulpbronnen, maar niet noodzakelijk van de creatie van waarde – althans wanneer de gangbare monetaire termen daarvoor worden losgelaten.

Het groeidebat leidt er uiteindelijk toe als samenleving te herzien wat we van waarde vinden – een culturele eerder dan een economische opgave. Ivan Illich verwoordde het als ‘doorbreken van de verslaving aan groei’. En precies daarop slaat de term ‘degrowth’, het ontwikkelen van een nieuwe politieke en sociale visie tegenover de dominante ideologie van groei en ontwikkeling. Hoewel het begrip uit economische studies is voortgekomen, is het dus geen economisch begrip voor het tegenovergestelde van groei, ‘negatieve groei’ of ‘krimp’. Omdat die associatie wel snel gemaakt wordt, staat de term ook bij sommige medestanders van het degrowth-programma ter discussie als misleidend. Daarnaast vinden sommigen dat de term omwille van zijn negatieve formulering niet wervend is voor een positieve agenda van verandering. Zo is het volgens Kate Raworth beter dat de naam van die agenda representatief is voor de nagestreefde sociale en ecologische doelstellingen. Die agenda probeert zij zelf met het beeld van de donut weer te geven. Over groei kunnen we volgens haar beter ‘agnostisch’ zijn, want ook wanneer het bbp geen maatstaf meer is voor succes, zullen sommige initiatieven toch gepaard gaan met een bbp-toename, terwijl andere er een negatieve invloed op hebben.

Een vooraanstaand degrowth-onderzoeker als Giorgis Kallis verwerpt echter dergelijke kritieken.[3] De term weerspiegelt duidelijk de noodzaak om de mondiale voetafdruk te verminderen, daarbij beginnend bij de rijken. Bovendien lijkt de groei-ideologie sterker dan ooit, waardoor spreken over ontgroeien een duidelijke daad van subversie is. In tegenstelling tot positief geformuleerde doelstellingen zal het dan ook nooit door het kapitalisme gecoöpteerd worden: ‘minder’ kan het niet verkopen. Kallis wijst verder op het feit dat de naam ‘degrowth’ mensen, ondanks hun meningsverschillen daarover, samenbrengt in een beweging. Die naam staat voor ‘een pluralistische en diverse sociale beweging waarin verscheidene denkstromingen, ervaringen en strategieën om autonome en matige samenlevingen op te bouwen, samenkomen. Degrowth is geen alternatief, maar een matrix voor alternatieven’ (Azam, 2017). Daarmee voegt de beweging zich in het rijke scala van sociale bewegingen die vandaag ijveren voor een andere economie, een die sociaal en ecologisch is ingebed. Gezien de complexiteit van de wereld en van de transitie die nodig is, is die pluraliteit een positief gegeven. Immers, niet elke benadering met bijhorende terminologie zal in elke context even goed aanslaan, zoals ook Kallis moet toegeven.

Ontwikkeling via groei?

Een belangrijk degrowth-thema is de kritiek op ontwikkeling als zodanig, zelfs wanneer ze ‘duurzaam’ wordt genoemd (Latouche, 2014). Duurzame ontwikkeling werd eind vorige eeuw door de wereldgemeenschap gelanceerd als een project om armoede en milieuvraagstukken tegelijkertijd aan te pakken (WCED, 1987). Wat dat betekende, en hoe dat moest gaan, was vanaf het begin een voorwerp van ideologisch-politieke strijd en heel diverse interpretaties die van links tot rechts de ronde deden. We moeten daarbij voor ogen houden dat de agenda voor duurzame ontwikkeling eind jaren 1980 werd gelanceerd, toen het neoliberalisme al volop in opmars was. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat ontwikkeling in de dominante interpretatie binnen een kapitalistisch kader wordt geplaatst, waarbij de hoop gevestigd blijft op economische groei. Dat komt onder meer tot uiting in de zogenaamde triple bottom line die de dimensies van duurzame ontwikkeling samenvat als people, planet, profit. De poging om de economische dimensie te benoemen als prosperity (voorspoed) in plaats van profit heeft het nooit tot standaardformulering geschopt.

Ook bij de recente duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties wordt de bevordering van ‘aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei’ nog als een doelstelling geformuleerd.[4] Als het erom gaat om op een duurzame manier welzijn te creëren, dan is deze formulering al minstens een verwarring van middelen met doelstellingen. En ook al is er op sommige plaatsen in de wereld nog tijdelijk groei nodig, het blijven nastreven als een mondiale doelstelling is, zoals boven aangegeven, een onwenselijk en ook onmogelijk pad. Het Global Footprint Network stelt overigens vast dat de focus op ontwikkeling nog te weinig aandacht heeft voor ecologische duurzaamheid.[5] De grote vooruitgang die er met het akkoord over de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen werd gemaakt, alsook het enthousiasme daarover, mag niet doen vergeten dat het om een politiek compromis gaat dat ‘aanhoudende groei’ alsnog niet uit zijn vocabularium wil schrappen.

De focus op groei via profit lijkt vaak zelfs op een gouden kalf waar men omheen danst, waarbij twee grote kampen tegenover elkaar staan. Om de economie op gang te trekken pleiten sommigen voor overheidsinvesteringen, terwijl anderen besparingen op overheidsuitgaven voorstaan om ruimte te maken voor meer privé-investeringen. We herkennen daarin het moderne dispuut over de beste plaats om maatschappelijke waarde te scheppen, de staat of de markt. Beide posities houden elkaar gevangen in een conflict zonder uitweg. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, want over de grond van de zaak, de noodzaak om telkens opnieuw economische groei te realiseren, wordt niet getwijfeld.

Daar tegenover wijst de degrowth-beweging erop dat groei, ook wanneer zij is bedoeld om problemen op te lossen, een heel paradoxaal gegeven is. Niet alleen blijft ondanks investeringen in milieutechnologie de globale ecologische voetafdruk toenemen zonder dat een absolute ontkoppeling tussen economische groei en grondstoffenverbruik in zicht is. Groei wordt ook gerealiseerd ten koste van meer gelijkheid – denk aan de studies van de Franse econoom Thomas Piketty – onder meer via allerlei vormen van ongelijke ruil. En groei gaat ook ten koste van al wat met zorg en met gemeenschapszin te maken heeft. Die beantwoorden immers niet aan de logica van het nastreven van (persoonlijk) profijt. Omdat de groei bovendien aangehouden moet worden, palmt de markt voortdurend nieuwe domeinen van het menselijk leven in en creëert daarbij een onverzadigbare levenswijze. Zo blijft uiteindelijk ook de belofte op geluk ijdel. Samengevat, het realiseren van een menselijker wereld via groei lijkt eerder een tantaluskwelling.

Er lijkt dus iets fundamenteel mis in de manier waarop economie vandaag gedefinieerd wordt. En het argument dat er toch groei nodig is voor mensen die nog niet aan de bevrediging van hun basisbehoeften toekomen is daarom vooral een valkuil. De idee dat er eerst groei moet zijn, schuift die bevrediging immers voortdurend vooruit naar de toekomst, terwijl er vandaag nieuwe ongelijkheden worden gecreëerd. Dit inzicht is voor degrowth een aangrijpingspunt om na te denken over een echt alternatief dat direct (her)verdelend werkt, daarbij het leefmilieu spaart en ruimte laat voor zingevende activiteiten, onttrokken aan de gangbare economische logica.

Ontgroeien om te bloeien

Het kapitalisme met zijn groeidynamiek is geen natuurwet, maar een historisch gegeven, een maatschappelijke constructie die ontstaan is als reactie op specifieke omstandigheden. We kunnen niet ingaan op die historische oorsprong, maar houden het bij de volgende aanduiding. Verschillende analyses wijzen op een existentiële nood die de Europese samenleving kenmerkte in de overgang van de late Middeleeuwen naar de moderniteit, onder meer door de pestepidemieën gevolgd door een demografische explosie. Het leven werd ervaren als bedreigd door een permanente schaarste waar de economie van de traditionele gemeenschappen geen antwoord op leek te bieden. ‘Om aan hun onvervulde behoeften te voldoen, probeerden individuen banden te verbreken met hun gemeenschappen en autonome, nieuwe en meer effectieve, op groei georiënteerde handelswijzen op te nemen’ (Romano, 2016, blz. 137). De angst om tekort te komen en de drijfveer om schaarste te overwinnen werden een cultureel leidmotief dat de accumulatie van kapitaal legitimeerde en zo vorm gaf aan een nieuwe economische orde, door Hans Achterhuis het ‘rijk van de schaarste’ genoemd. Het is een orde die vraagt dat we spaarzaam zijn om te kunnen investeren in de toekomst, dat we daartoe immer ijverig zijn en bijvoorbeeld later op pensioen gaan. Maar anderzijds vraagt die ook om te consumeren wanneer we vrij zijn, te spenderen om de groeimachine aan de praat te houden. En daaruit zouden we dan de zin van ons leven moeten putten. Geen wonder dat mensen ziek worden van stress.

Daartegenover schuift degrowth een radicale paradigmaverandering naar voren, met overvloed in plaats van schaarste als uitgangspunt. Voor de traditionele milieubeweger komt dat misschien over als vloeken in de kerk, omdat het denken in termen van een mogelijke ecologische catastrofe wanneer de ecologische voetafdruk niet kleiner wordt, eerder om matiging vraagt. Dit denken blijft echter binnen het schaarstekader wanneer overvloed onmiddellijk wordt begrepen als consumptie van marktgoederen. Een sleutel om uit deze verwarring te geraken, is te zien dat de moderniteit haar schaarsteprobleem probeerde op te lossen via een proces van individualisering. Elk individu moet voor zichzelf proberen in zijn behoeften te voldoen. En omwille van de vooropgezette schaarste gaat het dan om een competitie met winnaars en verliezers. Net in die competitie toont schaarste zich als een sociaal geconstrueerd fenomeen. En economische groei zou dan een remedie zijn om reële schaarste te voorkomen, en daarmee uit de hand lopende maatschappelijke conflicten. Maar, zoals gezegd, het paradoxale effect is het produceren van problemen die we als reële schaarste kunnen begrijpen.

Ontgroeien is een manier om het over een wezenlijk andere boeg te gooien. ‘Het rijk van betekenis begint, waar het rijk van de noodzaak eindigt’, zo stellen de redacteurs van Ontgroei (D’Alisa e.a., 2016, blz. 336). Het komt erop aan om grenzen te stellen aan het opslokken van steeds meer levensdomeinen door het rijk van de schaarste, en de zoektocht naar zin uit de paradox van de groei te halen. ‘In je eentje betekenis vinden is een illusie die leidt tot ecologisch schadelijke en sociaal onrechtvaardige uitkomsten, omdat ze niet voor iedereen kunnen worden volgehouden’ (D’Alisa e.a., 2016, blz. 335). Vanuit dat inzicht volgt een dubbele perspectiefverschuiving. Die is allereerst cultureel, maar legt wel de basis voor een andere economische oriëntatie.

In de plaats van een heilloze consumptiemaatschappij, die eigenlijk neerkomt op een veralgemening en privatisering van de luxe, komt de erkenning dat het leven van het individu noodzakelijk door soberheid gekenmerkt zal worden. Maar wanneer mensen met elkaar delen en samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren, dan kan aan ieders behoeften worden voldaan. Bovendien zal daarmee onze energie, onze werkkracht als samenleving, niet zijn opgebruikt. Iedere samenleving moet daarom beslissen wat ze met haar overschot doet. Zo bouwden de middeleeuwers hun kathedralen. En heel wat culturen kennen vormen van collectieve verspilling onder de vorm van grote feestelijkheden. Het gaat om vormen van collectieve zingeving binnen de publieke sfeer. Vandaag gaat het maatschappelijk overschot echter op in geprivatiseerde verspilling en een daaraan gekoppelde accumulatie van kapitaal.

Het dubbele voorstel van Ontgroei is dan soberheid in de private sfeer en zingevende verspilling – ‘dépense’ genoemd – in de publieke sfeer (denk aan cultuur, kunst, feesten…). Die verspilling van het maatschappelijk overschot mag worden begrepen als een bewuste rem op voortdurende investeringen in functie van een steeds verdergaande accumulatie van kapitaal. Wat zo gewonnen wordt is een publieke ruimte die individuen en hun gemeenschappen in staat stelt om een bloeiend leven te leiden.

Commons: samenwerken en delen

Dat voorstel lijkt wellicht abstract, maar allerlei burgerinitiatieven beginnen dat alternatief te belichamen, zoals geefwinkels, repair-cafés, gemeenschapstuinen, CSA-boerderijen, nieuwe coöperaties… Het gaat om een wereldwijd fenomeen, dat nog recent gedocumenteerd werd voor Vlaanderen (Noy en Holemans, 2016; Hautekeur, 2017) en voor Europa (Hens, 2015). Dergelijke initiatieven behelzen een transformatie van sociale relaties. Daarom worden ze vaak ‘sociale innovaties’ genoemd, ‘gelokaliseerde acties en initiatieven die mensen in staat stellen te voldoen aan sociale en ecologische noden en uitdagingen waarvoor ze geen adequaat antwoord vinden in de private markt of in het beleid van de centrale overheid’ (Oosterlynck, 2015, blz. 23). Cruciaal is dat burgers aan de slag gaan vanuit het perspectief van de civiele samenleving en zo een register opentrekken dat weg leidt uit de uitzichtloze oppositie van markt en staat. Economisch gaat het erom dat een heel domein van waardecreatie opnieuw wordt ontdekt en tot ontwikkeling gebracht.

Niet toevallig duiken economische burgerinitiatieven op in tijden van economische crisis, maar die verklaring is niet afdoende vermits die zich al ontwikkelden voor er van de huidige crisis sprake was. Het blijkt een terugkerende beweging in de Europese geschiedenis te zijn, telkens wanneer private marktkrachten de overhand nemen. Zo ontstonden in de late Middeleeuwen zowel de gilden als de meenten (gemeenschappelijke gronden), en in de negentiende eeuw de coöperaties (De Moor, 2013). Het gaat er telkens om dat mensen op zoek gaan naar alternatieve economische instituties die minder dominant zijn en dus meer eigen inbreng en zeggenschap mogelijk maken. Daarbij schept een crisis van de oude instituties mogelijkheden om nieuwe vormen ruimere ingang te doen vinden. Uiteindelijk gaat het om een structurele maatschappelijke verandering.

Zoals gezegd bestaan er wereldwijd meerdere bewegingen voor een andere economie, elk met eigen accenten, geschiedenis en inbedding. Zo zijn er naast de degrowth-beweging onder meer de coöperatieve beweging, de commons-beweging, p2p-productie, de sociale en solidariteitseconomie, de beweging voor een zorg-gecentreerde economie, de deel- en collaboratieve economie en het Transition Network (Transition Towns), naast specifieke bewegingen rond deelsteden (shareable cities), open uitwisseling van zaden, lokaal voedsel, en noem maar op. De kern van de transitie die zij beogen slaat meestal op de motivering van economische activiteit, namelijk een verschuiving van winst omwille van de winst naar bijdragen aan het creëren van ‘gemeenschappelijk welzijn’ (Peeters, 2015).

Als alternatief voor de economie van de schaarste geven commons-praktijken de beoogde paradigmaverandering wellicht het beste aan. Commons zijn dan niet louter collectieve hulpbronnen (al dan niet materieel), zoals vaak wordt gedacht, maar praktijken van gemeenschappelijk beheer en gebruik door gemeenschappen die er zelf de regels voor bepalen. ‘Een hulpbron wordt een commons wanneer er voor wordt gezorgd door een gemeenschap of een netwerk. De gemeenschap, hulpbron en regels vormen een geïntegreerd geheel’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 113).

Commons staan tegenover de handelswaren (commodities) van de markteconomie en hanteren een ‘logica van overvloed’: ‘de stelling dat er voldoende geproduceerd wordt voor allen als we een overvloed aan sociale relaties, netwerken en vormen van coöperatief bestuur kunnen ontwikkelen. Dit soort van overvloed kan ons helpen praktijken te ontwikkelen die de grenzen van de groei respecteren en de vrijheid van iedereen vergroten om op te treden op een zelf bepaalde wijze’ (Helfrich en Bollier, 2016, blz. 116). We merken hoe hier een ‘economie van het genoeg’ wordt verbonden met een overvloed aan relaties die uitzicht geven op een zinvol bestaan. Tegenover de concurrentie op de markt staan dan praktijken van coöperatie en delen centraal.

Dat zien we gebeuren in lokale initiatieven als repair-cafés en gemeenschapstuinen, maar evenzeer in mondiale netwerken op het internet als Wikipedia en vrije software (Bauwens en Lievens, 2013). Daarbij zijn de ervaringen van mensen met de kwaliteit van een ander soort economische relaties dan op de markt gebruikelijk cruciaal. Niet individueel profijt, maar zorg om wat we delen komt centraal te staan als betekenisvolle drijfveer. Vanuit dit perspectief merken we vervolgens heel wat nieuwe vormen van ondernemerschap op, die een heel andere invulling hebben dan de vormen die we gewend zijn – die ons zijn aangepraat. Op dezelfde manier moeten we ons vragen stellen bij wat vandaag allemaal ‘deeleconomie’ wordt genoemd. Gaat het om nieuwe businessmodellen binnen een kapitalistische markteconomie (denk aan AirBnB of Uber), of gaat het om het creëren van commons-gerichte initiatieven, om écht delen? (Lievens en Kenis, 2016).

Economische initiatieven vanuit de civiele samenleving, en commons in het bijzonder, worden vaak geduid als een perspectief voorbij markt en staat. Daarbij wordt ook van ‘drie economische sectoren’ gesproken. Een perspectief dat echter meestal over het hoofd gezien wordt is dat van de huishoudelijke economie, door sommigen de ‘vierde sector’ genoemd. De hier geleverde arbeid is niet gemonetariseerd, wordt daardoor economisch niet gezien en de waarde die ze schept niet meegeteld in het bbp, hoewel ze van levensbelang is. Ivan Illich noemde het ‘schaduwarbeid’. Het is dan ook niet onbelangrijk dat het nieuwe denken over economie deze arbeid uit de schaduw haalt. Dat gebeurt onder meer bij het beschouwen van zorg als een centrale economische opdracht. En onder meer Kate Raworth brengt het huishouden in beeld als sector van een sociaal ingebedde economie. Zelf wil ik graag inbrengen dat vormen van nabije gemeenschapseconomie, waaronder commons-initiatieven, kansen inhouden om mee de zorg van huishoudens te delen en zo de last ervan te verlichten (Peeters, 2015). Naast de klassieke eisen voor herverdeling, lijkt dit wezenlijk: iedereen deel te laten uitmaken van de nieuwe bloei die een beweging van ontgroeien nastreeft.

Lijken vandaag dergelijke nieuwe economische praktijken nog marginaal, voor een culturele transformatie zijn ze echter van wezenlijk belang. Telkens opnieuw stellen we immers vast dat mensen niet zomaar veranderen vanuit het bewustzijn dat er van alles mis is. Zij moeten eerder worden meegenomen in betekenisvolle ervaringen (Welzer, 2014). Aan de slag gaan, nieuwe dingen uitproberen en anderen daarbij uitnodigen is de aanbevolen weg. En vooral niet vergeten om samen te feesten!

 

Literatuur

Hans Achterhuis, Het rijk van de schaarste, Ambo, Baarn, 1988.

Geneviève Azam, ‘From Growth to Degrowth. A Brief History’, in Local Futures, 11 mei 2017, http://www.localfutures.org/growth-degrowth-brief-history/

Michel Bauwens en Jean Lievens, De wereld redden. Met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving, Houtekiet i.s.m. denktank Oikos, Antwerpen, 2013.

Herman Daly, Toward a Steady-State Economy, Freeman, San Francisco, 1972.

Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgis Kallis (red.), Degrowth. A Vocabulary for a New Era, Routledge, Abingdon/New York, 2015. Vertaling: Ontgroei. Een vocabulaire voor ‘degrowth’ in een nieuw tijdperk, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2016.

Tine De Moor, Homo Coöperans . Instituties voor collectieve actie en de solidaire samenleving, Oratie, 30 augustus 2013, Universiteit Utrecht.

Rob Dietz en Dan O’Neill, Enough Is Enough. Building a Sustainable Economy in a World of Finite Resources, Routledge, Abingdon, 2013.

Dennis Eversberg en Matthias Schmelzer, ‘Critical Self-reflection as a Path to Anti-capitalism. The Degrowth Movement’, in Degrowth, 23 februari 2016, http://www.degrowth.de/en/2016/02/critical-self-reflection-as-a-path-to-anti-capitalism-the-degrowth-movement/#more-176036

Nicholas Georgescu-Roegen, The Entropy Law and the Economic Process, Harvard University Press, Cambridge, MA, 1971.

Gerard Hautekeur, Van cohousing tot volkstuin. De opmars van een andere economie, EPO i.s.m. Samenlevingsopbouw Vlaanderen, Berchem, 2017.

Silke Helfrich en David Bollier, ‘Commons’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 112-117.

Tine Hens, Het klein verzet, EPO i.s.m. denktank Oikos, Berchem, 2015.

Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2010.

Matthias Lievens en Anneleen Kenis, ‘Delen of huren? Het potentieel van de commons en de ambivalentie van de deeleconomie’, in Streven, oktober 2016, blz. 849-859.

Serge Latouche, ‘Overvloedige soberheid’, interview door B. Deniel-Laurent, in Marianne, 1 augustus 2014. Vertaling T. Holterman, https://libertaireorde.wordpress.com/2014/09/03/overvloedige-soberheid-door-ontgroeien-op-weg-naar-een-beter-leven/

Dennis Meadows, Limits to Growth, Universe Books, New York, 1972.

Fleur Noy en Dirk Holemans, ‘Burgercollectieven in kaart gebracht’, in Oikos, nr.78, 2016, blz. 69-81.

Stijn Oosterlynck, ‘Lokale sociale innovatie. Een kijk vanuit de marges van overheid en markt’, in Momenten, Cahier van Demos vzw, nr. 13, 2015, blz. 21-29.

Jef Peeters, Veerkracht en burgerschap. Sociaal werk in transitie, EPO, Berchem, 2015.

Kate Raworth, Donuteconomie. In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Nieuw Amsterdam, 2017.

Onofrio Romano, ‘Dépense’, in D’Alisa e.a., a.w., 2016, blz. 135-140.

Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, London/New York, 1999.

James Ward, e.a., ‘Is Decoupling GDP Growth from Environmental Impact Possible?’, in PLoS ONE, 14 oktober 2016, http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0164733

Harald Welzer, Zelf denken. Een leidraad voor verzet, Van Arkel i.s.m. denktank Oikos, Utrecht, 2014.

Noten

[1] Biannual International Conferences on Degrowth for Ecological Sustainability and Social Equity: https://degrowth.org/conferences/

[2] Er zijn meerdere benaderingen om dit uit te drukken. Bekend is de ‘ecologische voetafdruk’, zie https://www.footprintnetwork.org/our-work/ecological-footprint/ Daarnaast levert de recente wetenschappelijke bepaling van ‘planetaire grenzen’ cruciale inzichten: W. Steffen, e.a. ‘Planetary Boundaries. Guiding Human Development on a Changing Planet’, in Science, 347, 2015.

[3] Voor dit debat, zie Oxfamblogs, 1 december, 2015: K. Raworth, ‘Why Degrowth Has Out-grown its Own Name’, https://oxfamblogs.org/fp2p/why-degrowth-has-out-grown-its-own-name-guest-post-by-kate-raworth/; G. Kallis, ‘You’re Wrong Kate. Degrowth is a Compelling Word’, https://oxfamblogs.org/fp2p/youre-wrong-kate-degrowth-is-a-compelling-word/

[4] Doelstelling 8, zie: http://www.unric.org/nl/sdg-in-nederlands

[5] ‘Making the Sustainable Development Goals Consistent with Sustainability’, in Global Footprint Network, 1 september 2017, http://www.footprintnetwork.org/2017/09/01/making-sustainable-development-goals-consistent-sustainability/

[j1]De originele tekst schrijft dit zonder trema.