Schuld zonder boete. Zijn regels slechts vrijblijvende suggesties?

Schuld, schade en boete

Eén van de belangrijkste romans uit de wereldliteratuur is Schuld en boete van Fjodor Dostojevski. In dat boek stelt de Russische schrijver dat wie zich schuldig maakt, diep vanbinnen ook verlangt naar boete, als erkenning van die schuld of als zuivering van het geweten. In menig werk van Franz Kafka – denk bijvoorbeeld aan Het proces en De gedaanteverwisseling – is het hoofdpersonage schuldig vooraleer hij weet waarom. Hij accepteert de boete, niet omdat het rechtvaardig is, maar omdat het als iets onvermijdelijks wordt aangevoeld en omdat hij diep vanbinnen gelooft dat hij inderdaad aan iets schuldig is en de boete dus verdient. Met Freud klinkt het alsof er een soort oerzonde bestaat waarvoor de mens zich vrijwillig laat kastijden. Ik weet niet of die analyse vandaag nog opgaat. Waarom zou je je schuldig voelen als religieuze en seculiere autoriteiten met hun arsenaal aan regels en wetten steeds meer naar de achtergrond verdwijnen? Waarom zou je je schuldig voelen als de gezagsdragers niet altijd bij machte zijn de regels te laten naleven? Het komt me voor dat we vandaag zijn beland in het tijdperk van schuld zonder boete omdat sommige wetten tot vrijblijvende suggesties zijn verworden. Er is natuurlijk nog steeds sprake van objectieve schuld omdat de wet werd overtreden, maar doordat die wet vaak niet wordt afgedwongen, leidt de inbreuk niet tot een ‘schuldgevoel’ en een bijhorend verlangen naar boete. Die subjectieve schuld en die boete komen er pas wanneer de overtreding samenhangt met schade, die liefst zo visueel mogelijk moet zijn. Schade is daarmee het centrale begrip geworden waarrond schuld en boete draaien. Het lijkt me dat dat eertijds niet of toch minder het geval was. De regels dwongen respect af; en de schuld sluimerde altijd – alleen al de gedachte om de wet te overtreden was genoeg om zich ‘zondig’ te voelen. Of er daadwerkelijk schade was, was minder van belang.

Ik wil geen ‘vroeger was het beter’ essay schrijven; maar wie zal ontkennen dat het respect voor extern gezag – leerkrachten, hulpverleners, politieagenten, journalisten, ouders, politici, priesters en wetenschappers – vandaag minder aanwezig is? Wie (bijvoorbeeld beroepshalve) ‘hoger’ staat en daarom over de macht beschikt om beperkingen op te leggen, heeft het steeds moeilijker om de uitgesproken verboden en geboden te laten navolgen. Eigen meester, niemands knecht. Wanneer de externe stem die aangeeft wat moet gebeuren wordt geminacht, raken geboden en verboden niet langer verinnerlijkt. Tegelijk ontstaat de overtuiging dat ieder voor zich kan bepalen wat wel of niet kan, en dat vrijwel alles onderwerp van onderhandeling is. Wat in discussies over het verdwijnen van externe autoriteit vaak onderbelicht blijft, is dat daarmee ook het innerlijke plichtsgevoel geleidelijk naar de achtergrond is verdwenen. Waar voorheen de autoriteit van buitenaf een innerlijk besef van verantwoordelijkheid voedde, is dat morele kompas steeds meer vervangen door het nastreven van eigenbelang en het koesteren van een goed gevoel. In plaats van te handelen uit plichtsbesef of morele overtuiging, richten mensen zich nu vaker op wat hen persoonlijk voldoening geeft. De vraag ‘Wat te doen?’, wordt zo steeds vaker afgemeten aan individueel belang in plaats van aan gedeelde normativiteit.

 

‘Ik heb je toch niet aangereden?!’

Laat me één en ander duidelijk maken met een voorbeeld. Onlangs zag ik een groepje studenten voor het rode licht wachten. Toen het groen werd en ze overstaken, kwam er van rechts nog snel een fietser aangereden die het rode licht duidelijk had genegeerd. De studenten deinsden achteruit, zichtbaar geschrokken. De fietser – een jonge vrouw – keek even om en riep geërgerd: Wat is het probleem?! Ik heb je toch niet aangereden?!’ Dit voorval en vooral die reactie bleef bij me nazinderen en hebben me tot het schrijven van dit essay aangezet. Wat die vrouw zei, lijkt me symbool te staan voor een houding die nogal vaak opduikt in het verkeer, en bij uitbreiding in de samenleving: ‘Zolang er niets misgaat, is er geen reden om mij schuldig te voelen, want er is ook simpelweg niets mis. Pas als er schade is, heb ik reden om mijn gedrag in vraag te stellen, mij schuldig te voelen en de boete te ondergaan’.

Waarover het gaat, is dat de afwezigheid van schade wordt verward met de afwezigheid van een fout. Of nog, de overtreding van de regel, is pas werkelijk een overtreding als er schade is, en de boete kan en mag alleen maar het resultaat zijn van die zichtbare schade en niet van de overtreding op zich. Als er dus schuld is, dan alleen omwille van de schade, en niet omwille van de inbreuk op de regel zelf. Dit verklaart meteen ook waarom politieagenten of stadstoezichters vandaag zoveel tegenwerking ervaren bij het handhaven van regels als er geen directe schade is. Mensen reageren dan met uitspraken als ‘Ach, zo erg is dat toch niet?’ of ‘Zeg, moet je mij daarvoor aanhouden?!’ of ‘Pff, er zijn zoveel regels!’ Voor omstanders is het al helemaal uit den boze om overtreders op hun inbreuk te wijzen. Eerder dan dat de fout wordt erkend, wordt er gesnauwd: ‘Bemoei u er niet mee! Wie ben jij eigenlijk om te zeggen dat ik niet door het rood mag fietsen?!’

De voorbeelden zijn legio. Mensen die afval laten rondslingeren – ‘Denken ze nu echt dat ik mijn rommel ga bijhouden? Het is aan de gemeente om vuilbakken te voorzien. Ik betaal belastingen zodat de mannen van de vuilkar werk hebben.’ Hondenpoep op de stoep – ‘Het is organisch afval, en de regen spoelt het wel weg.’ Luide muziek of hoorbare gesprekken op de trein – ‘Doe niet zo flauw; en waarom steek jij eigenlijk geen oordoppen in als wij lawaai maken?’ Nog even het gras afrijden op zondagnamiddag – ‘Zondagsrust? Ach kom, het duurt niet lang, en het komt mij nu gewoon even goed uit om snel het gras af te rijden.’ Wat vuurwerk afsteken op oudejaarsavond, ondanks een verbod – ‘Ik heb speciaal vuurwerk gekocht en doe het op een veilige manier; en zeg… op den duur mogen we niks meer!’ Niet betalen op de bus – ‘Zwartrijden is zo erg niet, en bovendien: zou dat openbare vervoer niet gewoon gratis moeten zijn?!’ Kinderen die de longen uit hun lijf krijsen tijdens het spelen en daarmee de buren tot wanhoop drijven – ‘Ach, dat hoort erbij, het zijn tenslotte kinderen.’ In elk van die gevallen hebben mensen het gevoel dat ze er gewoon mee weg kunnen komen. De cognitieve dissonantie – in dit geval: het onaangename gevoel dat men iets deed wat tegen de regels indruist – wordt bezworen door te denken dat wat men deed eigenlijk geen overtreding is, omdat wat er gebeurde geen schade opleverde en bovendien ook zelden beboet wordt. ‘Als er geen schade is, en als de boete uitblijft, dan is er toch niets mis?!’

Alleen wanneer er (zichtbare) schade is, komt de regel weer naar boven, alsook de gevoelens van schuld. Deze ontwikkeling past in een bredere maatschappelijke trend waarin morele verantwoordelijkheid niet langer als leidraad dient voor het individuele handelen, maar pas later – meestal door anderen en vaak in de context van publieke verontwaardiging – wordt aangeboord nadat er schade is ontstaan. Zo fietsen heel wat mensen tegen de rijrichting in op een fietspad. Zolang er niets gebeurt, lijkt dit spookfietsen onschuldig. Pas wanneer er een aanrijding is (bijvoorbeeld met een voetganger of andere fietser), wordt het plots wél een overtreding die iedereen altijd al gevaarlijk vond. Of denk aan het onterecht parkeren op invalideplaatsen of laad- en loszones. Zolang niemand hinder ondervindt, zien sommigen het als iets onschuldigs – ‘Ik haal even snel iets; dat kan toch?!’ Als er daardoor een rolstoelgebruiker nergens kan parkeren, is de overtreding ineens weer sociaal onaanvaardbaar. Heel wat mensen sms’en tijdens het rijden, met het idee: ‘Ik doe het veilig, ik let op’. Maar als er een ongeluk gebeurt, is er meteen verontwaardiging, ook bij mensen die het zelf doen. Dan keert het schuldgevoel terug, vaak versterkt door mediaberichtgeving. Dat is precies ook waarom Tom Waes zo door het stof moest, en zich meermaals publiekelijk moest verontschuldigen voor de schade en het leed dat zijn verkeersaccident had veroorzaakt. Sommige bedrijven of mensen maken gebruik van de legale mazen in de wet om belastingen te ontwijken. Zolang het niet illegaal is, lijkt er geen schuldgevoel te zijn. Maar wanneer het publiek erachter komt (bijvoorbeeld via leaks als de Pandora Papers), is er plots collectieve verontwaardiging – de morele norm van solidariteit komt weer naar boven. Veel mensen stappen op de tram of de bus zonder geldig vervoersbewijs ‘omdat het toch zelden gecontroleerd wordt’. Het schuldgevoel is afwezig. Worden ze betrapt, dan komt de schaamte terug. Er ontstaat bovendien collectieve wrevel wanneer de media de norm opnieuw in beeld brengen en bijvoorbeeld berichten over de enorme bron van inkomsten die de samenleving door zwartrijders verliest (de schade).

 

Ordehandhaving in functie van schadebeperking

Dat de schuld wegdeemstert en alleen, of toch vooral, door schade wordt opgewekt is geen toeval. In de praktijk ligt de focus bij regels en handhaving immers steeds meer op het voorkomen/beperken van schade en het beheersen van risico’s, in plaats van louter op het bestraffen van het overtreden van regels. Niet het overtreden van de regel op zich staat dus centraal, noch het streven om mensen strikt aan regels te houden, maar vooral de gevolgen van een overtreding. Daardoor verandert ook ons denken over verantwoordelijkheid: van ‘Je moet je aan de regels houden, punt’ naar ‘We willen vooral schade voorkomen, en daarop richten we onze regelgeving en handhaving’. Met andere woorden: het gaat minder om het bestraffen van overtredingen als zodanig, en meer om het beperken van risico’s en schade. Dat wordt vaak verklaard door te wijzen op de praktische grenzen van handhaving. De ordediensten kunnen nu eenmaal niet elke overtreding opmerken of bestraffen. Dat klopt, maar het neemt niet weg dat het accent wat verschoven is. We zijn geëvolueerd van een moreel systeem dat juist gedrag en sanctionering centraal stelde, naar een benadering die vooral inzet op schadepreventie en risicobeheer (en daarbij op het ‘gezonde verstand’ van de burger hoopt).

De voorbeelden hiervan legio. Snelheidsovertredingen werden eertijds primair gezien als morele misstappen die moesten worden bestraft (boete, rijbewijs intrekking), met het idee dat je je aan de regels moet houden omdat ze juist zijn. Nu richt veel verkeersbeleid zich op het minimaliseren van schade via infrastructuur en nudging (bijvoorbeeld rotondes in plaats van kruispunten, drempels, sensoren, wegversmallingen, of bloembakken om snelheid af te remmen – men hoopt daarbij dat de sanctie niet meer zal nodig zijn en dat mensen vooral hun gezond verstand zullen gebruiken en dus vanzelf gaan trager rijden). Natuurlijk zijn er nog steeds flitspalen en beboet de politie snelheidsovertreders, maar men kan niet ontkennen dat de infrastructuur niet enkel meer op de bekeuring is afgestemd. Of neem dit voorbeeld: openbare overlast (rondhangen, wildplassen, sluikstorten) werd eertijds moreel afgekeurd en bestraft: ‘Je hoort je te gedragen in het openbaar’. Vandaag investeren steden in omgevingsdesign om ongewenst gedrag vooral te ontmoedigen. Schuine oppervlakken of metalen noppen op richels zodat mensen er niet gaan op zitten, liggen of hangen; bankjes met tussenleuningen tegen slapen; blauwe verlichting in toiletten of tunnels om drugsgebruik tegen te gaan (het blauwe licht maakt dat de blauwe aders minder zichtbaar zijn) zijn allemaal ontwerpmaatregelen om bepaald gedrag te ontraden. Het zijn voorbeelden van zogeheten hostile architecture. Het foutieve gedrag wordt niet veroordeeld of bestraft, maar veeleer voorkomen via ‘defensieve ontwerpen’. De burger wordt niet direct aangesproken op plichtsbesef, maar alleen op gemak of ongemak. Dit gaat samen met een bredere verschuiving: gezondheid- en onderwijsinstellingen gebruikten eertijds vaak morele kaders rond gehoorzaamheid, discipline, plichtsbesef en gaven heel direct aan wat ‘goed’ en ‘slecht’ is, nu is er een focus op positieve bekrachtiging en psychologisch welzijn. Gedragsproblemen worden ‘gediagnosticeerd’ in plaats van veroordeeld. ‘Straf’ en ‘schuld’ worden steeds vaker ingeruild voor ‘begeleiding’ en ‘herstel’. ‘Straf’ wordt zelfs als schadelijk voor het zelfbeeld en de motivatie gezien. Ik beweer niet dat normen, discipline en straf helemaal verdwenen zijn, maar het welzijnsdiscours zorgt voor een andere opvoedkundige insteek.

Ik stel dus niet dat het morele kader volledig verdwenen is – er wordt nog steeds geïnvesteerd in educatie, voorlichting en sensibilisering – maar de algemene teneur lijkt toch: alleen schade brengt mensen ertoe hun gedrag te herzien, en ook voor het beleid is het voorkomen van schade vaak het vertrekpunt voor nieuwe wetten en ingrepen. Er wordt minder direct aangestuurd op morele verantwoordelijkheid. Dit komt bijvoorbeeld ook tot uiting in het feit dat er vaak strengere voorschriften gelden in situaties waarin de mogelijke gevolgen ernstiger zijn. Neem de elektrische steps: ook wanneer iemand zich aan alle regels houdt, kan een val over een klein steentje leiden tot ernstigere verwondingen dan bij een val van een gewone fiets. Om het risico op zulke ernstige ongelukken te verkleinen, klinken er steeds vaker oproepen om strenger te controleren en aanvullende regels in te voeren, zoals het verplicht stellen van een helm voor elektrische steps, terwijl dit voor gewone fietsen niet verplicht is. Sommigen willen de e-steps zelfs uit het straatbeeld bannen.  Een ander voorbeeld hiervan is dat de pakkans voor een overtreding meestal evenredig is aan de potentiële schade die iemand kan veroorzaken. Dat verklaart waarom automobilisten vaker beboet worden: zij kunnen bij overtredingen grotere schade aanrichten én hun gedrag is gemakkelijker te traceren, bijvoorbeeld via camera’s en nummerplaatherkenning. Fietsers die door het rood rijden, of voetgangers die regels negeren, ontsnappen bijna altijd aan de aandacht van de handhavers. Maar zou het niet juist moeten gaan om gelijke naleving van de regels, ongeacht het vervoermiddel, de snelheid en de kans op schade? Het antwoord op die vraag hangt af van de ethische logica die men wil volgen.

 

Rechtvaardigheid

Volgens de consequentialistische logica wordt de waarde van het navolgen van een regel beoordeeld aan de hand van de mogelijke gevolgen van het overtreden ervan — zowel voor het individu als voor de samenleving, die vaak een deel van de kosten draagt. Wie weinig of geen schade aanricht, hoeft zich minder zorgen te maken over controle of bestraffing. De regel wordt dan meer een suggestie: ‘Fietser, gelieve aan de juiste kant te rijden’. Een auto die spookrijdt, wordt daarentegen soms met man en macht uit het verkeer gehaald. Vanuit deze focus op de gevolgen is dat begrijpelijk.

            Voor wie de deontologische logica volgt, zijn regels geen vrijblijvende afspraken, maar fundamentele bouwstenen van een gedeelde samenleving. Immanuel Kant stelde dat we altijd zo moeten handelen dat de achterliggende regel van ons gedrag als algemene wet zou kunnen gelden. Als jij bijvoorbeeld vindt dat jouw spookrijden toelaatbaar is omdat je niemand hindert, dan zou je dat principe ook aan iedereen moeten toestaan. Kant stelt daarbij geen consequentialistische vraag als: ‘Wat als iedereen dat doet, zou dat dan slecht aflopen?’ In plaats daarvan benadrukt hij dat het logisch onmogelijk is om én ordelijk fietsverkeer te hebben én een universele regel die stelt dat je moet kunnen ‘spookrijden als je dat goed uitkomt’. Voor Kant draait moreel handelen dus niet om de gevolgen van een handeling, maar om het principe erachter: is het juist, en zou dit principe voor iedereen kunnen gelden? Het type voertuig doet daarbij niet ter zake – de morele regel blijft dezelfde.

 

Kosten-batenanalyses
Mij komt het dus voor dat zowel de burger, de ordediensten, maar ook de media vooral de consequentialistische logica volgen. Mensen maken voortdurend persoonlijke kosten-batenanalyses: ‘Wat is de kans dat ik gepakt word? Wat zijn de gevolgen als ik nu een rood licht negeer? Is het veilig genoeg? Niemand kijkt, dus het kan wel’. Het gedrag wordt niet afgestemd op de plicht – wat hoor ik te doen – maar op de inschatting van de gevolgen. Ook handhavers volgen die logica door vooral schade te willen beperken, en door in te zetten op overtredingen met hoge (potentiële) schade. En ook de media berichten vooral over spectaculaire overtredingen, met vermelding van het feit dat er grote schade werd voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan spoorwegovergangen waar mensen de gesloten slagbomen en de waarschuwingsbel negeren. Vanuit deontologisch oogpunt is er echter geen verschil tussen het negeren van een rood licht aan een spoorwegovergang en het negeren van een rood licht in het gewone verkeer – het gaat om dezelfde handeling, ongeacht de context of de persoon die ze uitvoert.

Door de enge focus op schade, veranderen veel regels in de praktijk van strikte verplichtingen naar vrijblijvende richtlijnen. Als we dit doordenken, ontstaat er een situatie waarin regels eigenlijk alleen nog post factum gelden: nadat er schade wordt veroorzaakt komt de regel terug in het spel. Wie geen schade veroorzaakt of wie regels overtreedt zonder gezien te worden, waant zich vrij. Dit leidt ertoe dat de publieke ruimte verwordt tot een domein waarin normvervaging en willekeur steeds vaker de bovenhand nemen. Sommigen vrezen dat een strikte toepassing van regels onvermijdelijk leidt tot een politiestaat. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Integendeel: regels zijn net geloofwaardig wanneer ze consequent worden toegepast, ongeacht iemands middelen, status of context. Zonder die gelijkheid dreigt de samenleving te vervallen in hyper-individualisme, waarin ieder voor zich bepaalt welke regels belangrijk zijn en voor wie ze gelden. Zolang dat denken dominant blijft – ‘ik beslis zelf wel of ik voor dit rood licht stop, want ik maak mijn eigen inschatting van het gevaar’ – zijn we geen burgers meer binnen een gedeeld normatief kader, maar spelers in een persoonlijke kosten-batenanalyse. De wet wordt dan geen moreel anker, maar een obstakel dat je ontwijkt zodra dat je beter uitkomt.

Juist vanwege de schaarse middelen zou het beleid moeten investeren in handhavingsstrategieën die voorkomen dat regels vervagen tot vrijblijvende suggesties en daardoor hun gezag verliezen. Dat begint vaak net bij consequente handhaving: naleving wordt immers in eerste instantie meestal afgedwongen door de vrees voor sancties, wat op zijn beurt kan leiden tot gewenst gedrag. Wie zich aanvankelijk conformeert uit angst voor straf, kan gaandeweg het nut en de betekenis van de regel beter gaan inzien en zich er vervolgens ook uit overtuiging aan houden. Dit proces van internalisering verloopt echter niet vanzelf. Het werkt het best wanneer regels niet alleen helder en zichtbaar zijn, maar ook als legitiem en zinvol worden ervaren. Mensen volgen regels soms ook uit gewoonte, sociale druk of simpelweg omdat het als ‘normaal’ gedrag wordt gezien. Maar het begrip van het doel en de waarde van regels vergroot de kans op blijvende naleving. Precies daarom is het essentieel dat regelgeving gepaard gaat met duidelijke uitleg, open dialoog, educatie en opvoeding. Alleen zo kunnen regels uitgroeien tot gedeelde sociale normen, in plaats van louter opgelegde verplichtingen die enkel standhouden bij externe controle. Zeker in een tijd waar gezagdragers het steeds moeilijker hebben, lijkt mij dat toch iets waar de samenleving zich opnieuw moet gaan over bezinnen. Ik denk dat we vanuit die logica ook beter kunnen begrijpen waarom er destijds weerstand was tegen de ‘coronaregels’. Enerzijds waren mensen die het vooral gewoon zijn om van hun eigen ‘gezonde verstand’ uit te gaan simpelweg niet meer van plan om zich zo maar neer te leggen bij de gedetailleerde regels die bovendien ook werden gecontroleerd. ‘We leven in een totalitair regime!’, zo luidde het plots. Anderzijds konden sommige regels niet altijd even goed geduid worden. De regelaversie was dan het gevolg van het feit dat sommige regels een disproportioneel karakter hadden.

Filosofisch ligt repressie sterk in lijn met wat Immanuel Kant daar in zijn Naar de eeuwige vrede over schreef. De samenleving, zo stelt hij, wordt vooral bevolkt door ‘opportunisten’ (hij gebruikt het woord ‘duivels’). Net daarom moet het beleid samenhangen met duidelijke regels en straffen, want er is een prikkel om ze stiekem te overtreden (om daarmee een voordeel te bekomen). Kant gaat er dus vanuit dat de staat maar best niet al teveel verwacht van de morele attitude, de persoonlijkheid en de goede wil van het volk. Het is eerder omgekeerd: vanuit een goede staatsinrichting gaat een impuls uit naar het volk dat zich aangesproken voelt om zich moreel te gedragen. Als de staat een streng en performant beleid voert, zullen mensen zich langzaam opwerken tot morele wezens, van wie het gedrag uiteindelijk het algemene goed dient. Burgers zullen zich aan de regels houden als het niet opvolgen ervan samengaat met straffen en wanneer ze merken dat de impact van de staat succesvol is in zoverre hij ook anderen aan het naleven van de maatregelen kan houden. Door vaak de regels na te leven, zo meent Kant, zullen mensen het naleven ervan op termijn als normaal beschouwen. Idealiter is het dus zo: men volgt de regels op, zonder dat men beseft dat men de regels opvolgt, zoals men automatisch met de auto rechts rijdt in het verkeer – niet uit vrees voor straf, maar uit gewoonte en overtuiging.

 

Reageren? Mail naar: francois.levrau@uantwerpen.be

 

François Levrau is gepromoveerd in de Sociale Wetenschappen, en verbonden aan de UAntwerpen, respectievelijk als onderwijsbegeleider bij het Centrum Pieter Gillis en als docent bij het Departement Sociologie.

Schuld zonder boete. Zijn regels slechts vrijblijvende suggesties?
Einstein ontmoet Kafka
Met de slurf van een orkaan