Reflecties bij M. Boudry, Het verraad aan de verlichting. Pleidooi voor een nieuwe vooruitgangsbeweging, Prometheus, Amsterdam, 2025
Nog voor Boudry, in de Proloog, een overzicht van zijn boek geeft, stoten we op een vreemde kronkel in zijn gedachtegang. Hij zegt daar in een ondertitel (blz. 14): ‘de verlichting is niet westers’. Hoe kan men ook maar zo iets beweren! Het tegendeel is waar, de Verlichting (ik schrijf hoofdletter) is uniek Westers. Boudry wil ook geen apologie van de westerse beschaving schrijven. Laat dat zijn! Waarom ook. Hij wijst op de historische contingentie van wetenschap, liberale democratie en industrialisering in West-Europa. Dat is zeker – de hele mensengeschiedenis is trouwens een reusachtige contingentie. Misschien wordt het iets duidelijker als Boudry toevoegt dat de geschiedenis meerdere miniverlichtingen buiten Europa heeft gekend. Waaruit blijkt dat hij modernisering met Verlichting verwart! Want de genoemde miniverlichtingen die hij vermeldt (Gouden Eeuw in Bagdad, de Song-dynastie in China) kenden noch democratie noch liberalisme (en dus geen Verlichting) maar evenmin industrialisering. En de modernisering buiten Europa is ook niet altijd mislukt (uitgedoofd, zegt Boudry). Er is het voorbeeld van de dubbele modernisering van Japan. Eerst nam het van China het schrift, de rijstcultuur, de zijdecultuur, een nieuw staatsmodel over en deels ook het boeddhisme. Vervolgens moderniseerde het op zijn westers, weliswaar onder druk van het imperialistische westen. En Japan slaagde daarin, vanaf 1868, wonderwel. Modernisering betekent volgens Maurice Godelier in zijn recente werk[1] voor een staat ‘het uitvoeren en opleggen van diepgaande hervormingen met het oog op de groei van de welvaart en van de macht van de samenleving’.[2] Modernisering brengt vooruitgang, waar het Boudry ook om te doen is. Het ziet er naar uit dat Boudry onder verlichting hoofdzakelijk het rationele denken verstaat dat zich uitwerkt in wetenschap, technologie en (kapitalistische) economie. Boudry beseft nochtans zijn eenzijdige kijk op de Verlichting, hij heeft het vaak genoeg over afwezigheid van democratie in sommige landen, enzovoort. De vraag is of zijn kijk implicaties heeft. Er is op zijn minst grote dubbelzinnigheid. Boudry ziet rationaliteit als het gebruik van de (deductief-nomologische) wetenschappelijke methode (blz. 27). Alsof die methode de enige rationele is! Denk aan hoe bijvoorbeeld de antropologie, de geschiedenis, de sociologie te werk gaan.
Er moet niet worden ontkend dat zijn verlichting/modernisering voor welvaart heeft gezorgd. Maar dat is slechts de helft van het verhaal – over die andere helft straks. Voor Boudry staat verlichting gelijk met het realiseren van groei van het BNP, waarbij BNP gelijkstaat met welvaart – vrijheid, geluk en vrede, zegt hij (blz. 187). Hij lijkt de kritiek op de gelijkschakeling van BNP en Welzijn die meer en meer door invloedrijke economen zoals onder anderen Joseph Stiglitz, aan de kaak wordt gesteld, niet te kennen. Boudry zou kunnen weten dat de hele wereld is gemoderniseerd en die modernisering ook nog wil bevorderen. In vele landen heeft de kolonisatie de modernisering ingeluid. De onafhankelijk geworden landen – tegenwoordig zijn dat alle landen – tussen haakjes de laatste dekolonisatie hebben we al meer dan zestig jaar achter de rug – willen niet terug, veeleer integendeel, ze willen de modernisering verderzetten. Alle landen kunnen een eigen beleid voeren. Modernisering – ook al is ze westers van oorsprong – sluit evenwel geen democratie, geen rechten van de mens, geen ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid in, getuige China dat men een staatskapitalisme kan noemen, getuige ook de schijndemocratie in de meeste moslimlanden.
Waarover heeft Boudry het in feite? Merken we vooreerst op dat hij voor de huidige lezer in de huidige wereld schrijft. Dat maakt een deel van zijn boek, de historische beschrijvingen, hoe informatief, hoe lezenswaard ze ook zijn, overbodig. We kunnen wel iets opsteken uit het betoog van Boudry tegen Frantz Fanon met zijn De verworpenen der aarde, maar dat is voor het heden irrelevant. Zo ook zijn verwijzing naar de Frankfurter Schule (Adorno, Marcuse), enzovoort. Woke is wel actueel en Boudry verbindt het (terecht) met het postmodernisme.[3] Informatief interessant – maar onbruikbaar geworden – is ook zijn verhaal – met pro’s en contra’s – over ‘De Grote Groene Omwenteling’ (hfdst 3, II) periode in De bevolkingsexplosie van Paul Ehrlich en over De grenzen aan de groei van de Club van Rome (blz. 161 e.v.). Heden is de grote uitdaging immers de wereldwijde milieucrisis.
Wat brengt Boudry dus onder kritiek? Het irrationele van bepaalde tegenwoordig florerende filosofische stromingen. Een aantal postmoderne denkers wordt scherp onder de loep genomen, Foucault, Derrida, Lyotard, Rorty. Maar ook de Man, Latour, Saïd, Zizek en ‘mindere goden’ (blz. 45) zoals Baudrillard, en Deleuze, krijgen hun deel kritiek (in hoge mate terecht). Boudry wijst op hun sollen met de waarheid (die, zoals gezegd, bij Boudry evenwel beperkt lijkt te zijn tot de wetenschappelijke waarheid). Zijn bespreking van het machtsdenken van Foucault kan ik alleen maar aanraden. Die van de moeilijk te begrijpen Derrida lijdt onder diens onverstaanbaarheid – wat ook geldt voor Lacan. Zijn reactie op een stuk wetenschapsfilosofie, in casu Thomas Kuhn en Bruno Latour is leerrijk en pregnant. Hij heeft kritiek op Richard Rorty, ondanks diens ‘robuuste geloof in vooruitgang’ (blz. 59). Zijn kritiek op de Islam is overtuigend. Maar hier – en dat gebeurt ook op andere plaatsen – verwart Boudry modernisering met Verlichting door de typische (ethische en politieke) kenmerken van de Verlichting tegenover de Islam (bijvoorbeeld) te plaatsen. Boudry is natuurlijk democraat, voorstander van de Verklaring van de Rechten van de Mens, voor de gelijkheid van man en vrouw, voor dierenbescherming, enzovoort. Maar men kan er niet naast kijken dat hij vooral op (eindeloze) vooruitgang uit is en de Verlichting feitelijk hiertoe reduceert. Boudry keert zich ook tegen de hedendaagse denkers die vragen stellen bij de idee van de vooruitgang (en meestal zijn het dezelfde als de hierboven genoemden).
Ik ga niet verder in op zijn kritiek op irrationaliteit (waarmee ik meestal graag instem) en op zijn kritiek op de critici van de vooruitgang. Ik wens ook niet in te gaan op wat Boudry zegt over Gaza/Islam/Israël (ik laat dat graag aan anderen over).
Maar lezen we nog even verder in de Proloog van het boek. ‘De koppeling tussen verlicht en westers is ook schadelijk omdat ze de progressieven nog verder van de verlichting wegjaagt’ (blz. 14). Onbegrijpelijk! ‘Progressieven zijn terecht huiverig voor westers triomfalisme, voor pogingen om één cultuur aan de rest van de wereld op te dringen’ (blz. 14). Het opdringen van modernisering, zegden we, is effectief gebeurd, maar, paradoxaal misschien, ook aanvaard. De meeste ‘wilde’ culturen hebben ook deels (en ook onder druk) een aantal praktijken opgegeven, zoals kannibalisme, bloedige initiatierituelen, de ingebakken oorlog tussen de stammen. Dat wijst er al voldoende op dat men ‘onze’ cultuur niet als een cultuur onder vele kan beschouwen. De revolutionaire slogan liberté, égalité, fraternité drukt mooi uit dat de Verlichting vooral ethisch en politiek is. En zoals Boudry aansluitend bij vorig citaat zegt, de verlichting heeft één uniek kenmerk, en dat is haar universalisme (blz. 14). Een hele boel landen hebben ideeën als parlementaire democratie, kapitalisme en liberale vrijheden overgenomen. ‘Wie de verlichting herleidt tot iets westers, bevordert een schadelijke kampvorming tussen links en rechts’ (blz. 14). Boudry maakt er een potje van. Vooreerst, de Verlichting stelt een aantal dingen als ideaal. Dat hebben de arbeiders ten tijde van de Franse revolutie en daarna direct begrepen. Als men van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid spreekt, moeten die worden gerealiseerd – tegen de bourgeoisie in die voor zichzelf alleen het bekende trio opeiste –, tegen de adel en tegen de Kerk in. En de Verlichting heeft zich inderdaad doorgezet, en blijft zich doorzetten. Denk aan recente evoluties, de gelijkheid van man en vrouw, de strijd tegen racisme dat – anders dan in het verleden – illegaal is als het in de openbare ruimte is gebeurd; en als het privé is, verwacht men afkeuring. Vervolgens – hoort het kapitalisme tot de Verlichting? Hoort de idee van eindeloze vooruitgang hiertoe? Het volstaat er aan te herinneren dat het kapitalisme een grote ongelijkmaker is. Boudry interesseert zich al te weinig voor de kwalijke kanten van de kapitalistische economie. En daarbij komt nog dat hij haast uitsluitend economisch denkt. Hij heeft een eng begrip van wat welzijn is of zou kunnen zijn. En het is niet omdat niet-westerse landen westerse Verlichtingsidealen overnemen dat daarmee het westen ophoudt de oorsprong van het Verlichtingsideaal te zijn.
Hiermee heb ik ook deels de inhoud van het boek meegedeeld. Het eerste hoofdstuk bespreekt het postmodernisme. Bij het tweede hoofdstuk, de kritiek op het denken in tegenstellingen, witte onderdrukkers tegenover zwarte slachtoffers, kwaad tegenover goed, sluit ik me graag aan. ‘De wortel van het kwaad, volgens deze ideologie, is de westerse beschaving zelf’ (blz. 17). Boudry wijst dit absolutisme terecht af. Hoofdstuk drie brengt ons wat Boudry waarschijnlijk de kern van zijn betoog noemt. Het hoofdstuk, zegt hij, kleurt diepgroen. We gaan straks in op het (voor hem) linkse betoog van groen. Ik vind het overbodig op de hoofdstukken die nog volgen in te gaan Vier: ‘op zoek naar de onderliggende oorzaken van onze westerse auto-immuunziekte’. Vijf: het antwoord op de vraag waarom het (linkse) westen zijn eigen graf wil graven. Het boek eindigt met een korte uiteenzetting hoe we ons vooruitgangsgeloof kunnen hervinden.
Inkrimpen als antwoord op de milieucrisis
‘Anyone who thinks that you can have infinite growth on a finite planet is either a madman or an economist’.[4]
Zoals in zijn Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat (als we het hoofd koel houden) uit 2021, begint Boudry zijn boek met de opsomming van hoe veel beter dan ooit tevoren de wereld eraan toe is (qua gezondheid, levensverwachting, voedselbevoorrading, bijna totaal uitgeschakelde extreme armoede, enzovoort). Hij heeft (zeker grotendeels) gelijk. Ik geef hem ook gelijk in zijn kritiek op de groenen die genetisch gemodificeerde organismen (ggo-technologie) afwijzen. Terecht wijst hij op de Grote Groene Omwenteling die de landbouwproductiviteit zo enorm heeft opgedreven dat men kan zeggen dat het voedselprobleem opgelost (of beter oplosbaar) is. Misschien stelt zich hierbij toch een ernstig sociaal probleem. Ik wijs ook kernenergie als een noodzakelijk kwaad niet af. Kernenergie zal in zekere mate nodig zijn. De groenen kunnen wel iets leren uit sommige kritische opmerkingen aan hun adres. Ze steunen hun kritiek beter niet op een twijfelachtig geloof in een voor ons zorgende Gaia, of in een geloof in ‘intrinsieke’ waarden. In plaats van een irrationeel quasireligieus ecocentrisme zouden ze beter een verstandig antropocentrisme als uitgangspunt nemen.
Groei is voor Boudry de toename van welzijn – onproblematisch. Maar die met vooruitgang gelijkgestelde groei ziet Boudry bedreigd. ‘Het vooruitgangsdenken krijgt klappen uit alle ideologische hoeken, maar opvallend genoeg meppen vooral progressieven het hardst’ (blz. 8). Zeg maar de linksen. Hij neemt direct (blz. 8-9) ‘de beroemde linkse [inderdaad] denker Jason Hickel (en even ook Tim Jackson)’[5] … ‘die het eenvoudige leven van de late middeleeuwers romantiseert’ op de korrel. En verder in het boek stelt hij: ‘De rijzende ster aan dit linkse firmament is de antropoloog Jason Hickel … die in 2019 een boek uitbracht met [de] titel Less is more. How Degrowth Will Save the World.[6] De hoorn des overvloeds is verwisseld voor de aangespannen broeksriem’ (blz. 158). Boudry trekt ten strijde tegen al wie het kapitalisme – begrip dat voor groei staat – in vraag zou durven stellen (laat staan, zou willen afschaffen). Ze zijn verraders van de verlichting. Men zou haast denken dat Boudry hoofdstuk 3 over de milieuproblematiek als reactie op Less is more van Jason Hickel heeft geschreven.
Heeft Boudry het boek van Hickel echt gelezen? Hij vermeldt het al in zijn Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat. Maar hoe ernstig heeft hij het bestudeerd? Gaat hij in op de argumenten van Hickel? Geenszins. Zijn commentaar beperkt zich tot enkele smalende uithalen.[7] Waar leest Boudry dat Hickel terug wil naar de middeleeuwen? Zijn kritiek op Hickel is oppervlakkig om niet te zeggen lichtzinnig. Boudry ziet ook niet dat Hickel zich niet verzet tegen technologische innovatie – integendeel, ze zal hard nodig zijn, Hickel stelt uitdrukkelijk dat de technologie een grote rol moet worden toebedeeld. ‘We hebben alle efficiëntieverbeteringen nodig die we kunnen krijgen’.[8] Boudry ziet wel dat Hickel met de inkrimping niet de arme landen viseert.
En zijn argumentatie ten gunste van quasi oneindige groei van de wereldeconomie is zo goed als onbestaand. Ik wil dat hier, vooraleer terug te keren naar Hickel (en, zoals we zullen zien, er Ulrike Hermann bij te betrekken[9]) aantonen. Maar ik wil er eerst nog op wijzen dat Boudry effectief een ‘westers’ welzijn voor de hele wereld beoogt – en ook voor het westen zelf mag er nog groei zijn. ‘Eerst vooruitgang voor wie er nog heel weinig heeft, dan pas extra vooruitgang voor wie er al heel ver staat… We willen dat de hele wereld opklimt naar ons Europese welvaartspeil en dat iedereen toegang krijgt tot internet, wasmachines en vliegtuigen’ (blz. 270). ‘Wie streeft nog’, zegt Boudry (blz. 278), ‘naar een toekomst van overvloed voor iedereen, met zelfrijdende auto’s en ruimtereizen, met kweekvlees en radicale levensverlenging’. Streven naar kweekvlees, dat is nog redelijk, maar is Boudry hier aan het gekscheren? Wil hij een ‘hemelbestormer’ (blz. 278) zijn?
Nu to the point. Boudry spreekt van ‘de illusie van de herverdeling’ (blz. 188). ‘Er is gewoon veel te weinig rijkdom in de wereld om iedereen uit de armoede te tillen’. ‘Hoeveel rijkdom zouden we dan wel nodig hebben?’ Boudry verwijst naar een waarschijnlijk zeer betrouwbare berekening van Hannah Ritchie in Our World in Data (blz. 188-189).[10] ‘Als je dat doel wil bereiken’ – niemand arm, lage ongelijkheid, ‘aldus Ritchie, dan moet de mondiale taart maar liefst vijf keer groter zijn dan vandaag.’ ‘Als je iedereen op deze wereld gelukkig wil maken, moet de mondiale economie groeien als kool’ (Boudry, blz. 189, H. Ritchie, blz. 42). ‘Stel dat je alle inwoners van de wereld wil verheffen naar het welvaartspeil van Denemarken, een relatief egalitair land waar bijna niemand onder de armoededrempel leeft. Dat lijkt een aanvaardbaar streefdoel voor mensen met een linkse inborst: niemand arm, lage ongelijkheid. Als je dat doel wil bereiken, aldus Ritchie, dan moet de mondiale taart maar liefst vijf keer groter zijn dan vandaag [mijn cursivering]’.[11] Noch Boudry noch Hannah Ritchie geven commentaar bij die uitspraak. Ze gaan gewoon verder, zonder de implicaties van de uitspraak te overzien. Een vijf keer grotere economie is voor hen blijkbaar mogelijk dankzij de groei van de energie en van grondstoffenontginning. Hun zorgeloos optimisme is verbijsterend.
Bekijken we bijvoorbeeld de kernenergie. België telt ca 12 miljoen inwoners en heeft voor zijn welvaart vier kerncentrales in gebruik (naast windenergie en gascentrales, olie). Denemarken heeft drie centrales plus veel windenergie, en nog andere bronnen, voor een bevolking van ca 5,5 miljoen inwoners. De wereldbevolking bedraagt heden 8 miljard mensen, en evolueert naar 11 miljard tegen het einde van de eeuw (en dat is gelukkig het voorspelde eindpunt van de toename). Om op het niveau van Denemarken te komen, zou de wereld een onvoorstelbaar aantal kerncentrales ter beschikking moeten hebben. België getransponeerd naar de wereld zou uitkomen, bij een wereldbevolking van 8 miljard mensen, op 24.000 centrales. Het is al te gek om te geloven dat dit kan (qua materialen, qua uranium of een andere brandstof, thorium bijvoorbeeld).
Met behulp van deze energie moeten dan ook nog de materialen uit de grond worden gehaald om koelkasten, diepvriezers, keukenapparaten, auto’s, enzovoort te produceren. Ook hiervoor zijn de grondstoffen waarschijnlijk al lang uitgeput voor het beoogde doel wordt bereikt.
Er is zeker veel meer dat in het scenario van Boudry (of van Hannah Ritchie) niet haalbaar is. Maar het bovenstaande is meer dan voldoende om overtuigd te worden dat groei best plaatsmaakt voor inkrimping.
Maar voor Boudry luidt het: ‘Groei is goed voor de natuur’. ‘Dan komt de vraag: kan de planeet die groei wel aan’ (blz. 190)? Ja, denkt Boudry, want de ontkoppeling van groei en uitstoot en andere vervuiling daalt (blz. 190). Dat kan zijn. Ontkoppeling is het toverwoord. Maar kan men het materiaal nodig voor wat hierboven gezegd is, per eenheid product zo verminderen dat de onmetelijke groei die wordt voorzien, geen probleem meer is? Dat is onvoorstelbaar. De groei zal elke reductie per eenheid product verre te boven gaan. Men denkt natuurlijk aan de ontkoppeling van energie en product – minder energie per product. Dat is zeker mogelijk en het gebeurt ook. Maar opnieuw, het gaat om een relatieve ontkoppeling, en wat nodig is, is dat de ontkoppeling absoluut is. Als de ontkoppeling niet absoluut is, neemt de groei steeds maar toe, zij het ook minder snel. Ik ga hier niet dieper op in. Hickel heeft volgens mij het probleem van de ontkoppeling deskundig zijn beperkte plaats toegewezen.
Boudry weet trouwens dat op wereldschaal de uitstoot nog niet is gedaald, maar, zegt hij, de uitstoot in rijke landen daalt gestaag (De Morgen, 10 mei 2025). Er is de laatste jaren nog een energieverslinder bijgekomen, AI.[12] Boudry is ook daarvan op de hoogte (blz. 197), maar voor hem is dat geen probleem, hij neemt zijn dromen van een oneindige energieproductie voor werkelijkheid.
Het einde van het kapitalisme
Hickel staat niet alleen in zijn problematisering van de idee dat we de milieucrisis met nog meer groei gesteund op technologische innovatie, zullen oplossen. Ulrike Herrmann verdedigt in haar belangrijke boek, Das Ende des Kapitalismus. Warum Wachstum und Klimaschutz nicht vereinbar sind – und wie wir in Zukunft leben werden, dezelfde stelling als Jason Hickel.[13] Zoals Jason Hickel stelt ze het kapitalisme verantwoordelijk voor de milieucrisis. Als ik dit artikel afsluit met haar interventie in het debat is dit omdat ze misschien beslister dan Hickel het kapitalisme afwijst (inkrimping is logischerwijs de weg naar het einde). Maar naast het feit dat ze duidelijk maakt dat ook een groene groei geen antwoord is, toont ze (zij het ook indirect) de mogelijkheid aan van een samenleving zonder groei maar met behoud van welzijn voor allen.
Zoals Hickel zegt ze dat het kapitalisme best in staat is voor welvaart te zorgen en dat ook in grote mate heeft gepresteerd. Maar het kan niet ophouden met groeien en dat loopt uit op een ware ontaarding (die zeker niet alleen de milieucrisis betreft). Ulrike Herrmann steunt voor haar ‘inkrimpingstheorie’ op het boek van de Zwitserse econoom Matthias Binswanger Der Wachstumszwang. Warum die Volkswirtschaft immer weiterwachsen muss, selbst wenn wir genug haben.[14] Binswanger spreekt van een groeidwang (Wachstumszwang) – vooral voortgestuwd door de concurrentiestrijd[15] – maar ook van een Wachstumssog, waarmee de wil om winst te maken bedoeld is.[16] Als de groeidwang zou ophouden, zou het kapitalisme ten onder gaan – wat Matthias Binswanger niet wil en ook niet ziet gebeuren, gezien de dwang – hij wil de catastrofe niet die volgens hem zou volgen, hij ziet de nefaste kanten van het huidige kapitalisme, maar wil om chaos te vermijden een groei aanhouden, maar liefst zo klein mogelijk. Die groei, zouden we kunnen zeggen, is op zich een goede zaak, want – wat Binswanger overtuigend aantoont – de groei doet gelijktijdig en noodzakelijkerwijs met de productie de consumptie toenemen. Maar helaas we moeten groeien, zelfs als we (al lang) genoeg hebben. Matthias Binswanger zegt dat het kapitalisme zowel wachstumsfreundlich als wachstumskritisch, zowel een zegen als een vloek, is.
Matthias Binswanger beschrijft – consequent als hij is – uitvoerig de groeiende absurditeit van de noodzaak om te consumeren.[17] De consument wordt op alle mogelijke manieren aangezet te verbruiken. Er worden allerlei nieuwe of licht gewijzigde artikelen op de markt gebracht, met twijfelachtige verbeteringen (denk aan i-phones), naast artikelen die men statusgoederen kan noemen (denk aan auto’s, denk aan de mode, aan de steeds nieuwe modellen die worden aangeboden). De levensduur van artikelen wordt ingekort, verouderingstechnieken moeten de klanten ertoe aanzetten het laatste nieuwe te kopen, enzovoort. Binswanger spreekt van Bedürfnisweckung en Zwangskonsum. Belangrijkste instrument dat aanzet tot ‘wild’ consumentisme is de reclame. De reclame is een reusachtige industrie, mondiaal bedraagt ze 1 biljoen (1000 miljard dollar) (volgens het World Advertising Research Center, zie online). De media zijn de grootste begunstigden. Ze zetten de klant aan tot kopen, dit consumeren, ze verleiden hem of haar ertoe. De macht van de reclame is zo groot en invloedrijk geworden dat we het consumentisme als normaalste zaak zijn gaan beschouwen. Een Duitse studie wijst uit dat één kledingstuk op de vijf niet wordt gedragen en vele kledingstukken slechts zelden (blz. 198-190). Onderzoek toont aan dat het aantal producten gedurende de laatste dertig jaar ongeveer verdrievoudigd is. Dat is maar een kleine greep uit de dubieuze ‘neveneffecten’ van de kapitalistische economie. Op die manier groeit de kapitalistische economie ‘eeuwig’ door.
Anders dan Binswanger besluit Ulrike Herrmann daaruit dat het kapitalisme moet worden afgeschaft. En, verrassend maar tegelijk de evidentie zelf, op basis van zijn boek. En, zoals Binswanger zelf aantoont en Ulrike Herrmann van hem overneemt, ook groene groei is een doodlopende straat. Groei is groei – die naar beneden moet worden gehaald – vooreerst en zeker in de rijke (westerse) landen. Dat is de les die Binswanger ons – als het ware tegen zijn zin in – leert. Men moet Ulrike Herrmann er op nalezen om in te zien hoe we ons daaruit kunnen redden, inkrimpen zonder dat er welzijn bij inschiet.
En dat is interessant. Ze schetst de mogelijkheid van een alternatief aan de hand van een historisch voorbeeld. Ze beschrijft hoe gedurende de Tweede Wereldoorlog de Britse oorlogseconomie, ondanks de zware inspanningen voor de oorlog, er in slaagde iedereen een behoorlijk leven te verzekeren (voeding, gezondheidszorg, enz.), democratisch, met behoud van de hoogst mogelijke vrijheid. Inkrimpen zonder verlies aan welzijn kan dus!
Inkrimpen, zeker.[18] Ulrike Herrmann nuanceert. Een groot deel van de tegenwoordige economische prestaties zou behouden kunnen blijven – zoals op verlof gaan, de smartphone benutten, boeken lezen en naar het restaurant gaan. Maar uit te sluiten zijn vliegtuigreizen. ‘Wie namelijk zelf wil vliegen, zou om fair te zijn moeten erkennen dat de hele wereldbevolking “lange wereldreizen” mag maken – en niet enkel rijke [westerlingen]’. ‘Wie het klimaat wil beschermen moet de vliegtuigreis laten schieten. Dat is bitter. Want het is juist dat het een stuk vrijheid was om de hele wereld te mogen leren kennen.’ Ze schaft het autorijden niet af, maar het moet inkrimpen. Huizen moeten worden aangepakt, nieuwe zijn overbodig, er zijn genoeg gebouwen voor iedereen. Vlees moet beperkt worden – in het bijzonder rood vlees – ook al ter wille van de gezondheid. Rantsoeneren, zegt Ulrike Herrmann, naar het voorbeeld van de Britse regering tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar niet afschaffen. Niemand moet zuiver vegetariër worden. Af en toe zijn gevogelte, varken of steak toegelaten. Het vee moet niet verdwijnen, want, zegt ze, twee derden van de wereldwijde bodems zijn niet voor akkers geschikt. Dat alles kan – ondanks inkrimping. Het is rantsoeneren en dat klinkt lelijk. Maar wellicht, zegt ze, zou het leven zelfs aangenamer zijn dan heden, want rechtvaardigheid maakt gelukkig. Samenlevingen zijn meer ontspannen, gezonder en toleranter als de afstand tussen arm en rijk klein is. Van deze goede stemming profiteren niet alleen de onderste lagen, …ook de elites leven langer als ze bij een faire samenleving horen’[19]
Haalbaar versus haalbaar
Wat Boudry voorstelt is volstrekt onhaalbaar en onwenselijk. Maar is de door Hickel en Herrmann voorgestelde inkrimping haalbaar? Het productivisme en het consumentisme zijn zo in onze samenleving ingebakken dat men – alleszins voor de korte termijn – nauwelijks instemming en actie kan verwachten. Hickel, Herrmann en gelijkgezinden kunnen voor het ogenblik weinig meer dan de juiste oplossing voorstellen en beargumenteren. Hier en daar ziet men wel mensen die hun kleren niet meer vroegtijdig weggooien (of er geen voor de lol kopen), of die de TGV in plaats van het vliegtuig nemen (waar dat kan). Het inzicht is wellicht aan het groeien. Maar zolang de overheid de inkrimpingsmachinerie niet in de hand zal nemen, kan maar op weinig succes worden gerekend. (Dat de overheid een grote rol moet worden toebedeeld is evident, dat betekent toch niet dat het marktmechanisme moet verdwijnen, het moet enkel aan de overheid ondergeschikt geschikt worden gemaakt).
Coda
Zoals Boudry eindig ik met een coda. Voor mij is Kant de man van de Verlichting (met hoofdletter). Sapere aude (Horatius), durf te denken, zegt hij in zijn beroemde Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung (1784). Anders dan mensen zoals Boudry denkt Kant bij Verlichting niet aan vooruitgang, groei, en ook niet aan de wetenschap (en alleszins niet aan onophoudelijke vooruitgang, een veeleer recente gedachte, die nog vreemd was aan Marx, aan John Stuart Mill, en ondanks wat Boudry schrijft ook aan John Maynard Keynes). ‘Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit’, ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft’. Kant richt zich hoofdzakelijk tegen die instanties – de religie, de tradities – die de mens het rationeel overwegen van normen en waarden, ethisch en politiek, onmogelijk maken. ‘God zegt het, de traditie is heilig’. Het is Kant zelf die zegt dat hij voornamelijk over godsdienstzaken heeft gesproken. Het is Kant om ethische en politieke kwesties te doen. Zoals ook mijn tekst die geschreven is vanuit de rationaliteit van de Verlichting (met hoofdletter) – tegen de verlichting à la Boudry met kleine letter – en die nauwelijks die benaming verdient.
Reageren? Mail naar: willy.coolsaet@ugent.be
Prof. dr. Willy Coolsaet, ere-prof Universiteit Gent, Vakgroep Filosofie en Moraalwetenschap. Zijn laatste boek Naar een andere moderniteit. Bevrijding van de waan van oneindigheid en bovenmenselijkheid verscheen in 2024 bij Gompel&Svacina.
[1] M. Godelier, Quand l’Occident s’empare du monde (XVe-XXIe siècle). Peut-on alors se moderniser sans s’occidentaliser? CNRS Editions, Parijs, 2023.
[2] Godelier, o.c., blz. 12.
[3] Dat heb ik ook gedaan in mijn artikel “Woke als toegepast postmodernisme”, Het vrije Woord, online, 2024.
[4] Attenborough, geciteerd in Jason Hickel, The Divide. A brief Guide to Global Inequality and its Solutions, Penguin, Londen, 2017, blz. 218.
[5] Elders verwijst Boudry ook nog naar Naomi Klein en Greta Thunberg (blz. 159). Ik ga op beiden niet in. Ik vermoed dat hun analyse ver onder doet voor die van Jason Hickel.
[6]Vertaald als Minder is meer. Hoe degrowth de wereld zal redden, EPO, Antwerpen, 2021.
[7] Ik voel me mij de zaak betrokken. Ik heb in ‘Groei of geen groei – of, wat met de groei? Jason Hickel contra Maarten Boudry (en anderen)’, De uil van Minerva 35, (2022), blz. 21-32 Boudry’s vorige boek (Waarom ons klimaat niet naar de knoppen gaat) bekritiseerd, op basis van Hickels Less is more. Ik heb het artikel ook opgenomen in mijn laatste boek Naar een andere moderniteit. Bevrijding van de waan van oneindigheid en bovenmenselijkheid, Gompel&Svacina, Antwerpen, 2024.
[8] Hickel, Nederlandse vertaling, blz. 33.
[9] Ulrike Herrmann, Das Ende des Kapitalismus. Warum Wachstum und Klimaschutz nicht vereinbar sind – und wie wir in Zukunft leben werden, Kiepenheuer & Wisch, Keulen, 2022. Haar boek is in Duitsland een ware bestseller (mijn uitgave is de negende druk). Ulrike Herrmann (geb. 1964) is econome, historica en filosofe en is ook journalistiek werkzaam.
[10] Van Hannah Ritchie is in het Nederlands verschenen: Niet het einde van de wereld. Waarom wij de eerste generatie zijn met perspectief op een duurzame planeet, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2024 (oorspronkelijk Engels eveneens, 2024). Hannah Ritchie denkt zoals Boudry, Ze gelooft in groei op basis van nieuwe technologieën (blz. 41). De economie moet niet krimpen (blz. 39). Toch is ze minder fel dan Boudry. Ze spreekt van elektrische auto’s maar ook van ‘een leven zonder auto’ (blz. 67), van minder vliegen, besprekingen online houden (blz. 110), van minder vlees eten, vooral rund en zuivel (blz. 124). Ze verzet zich tegen SUVs (blz. 125). Eet plantaardig, doe de was met koud water, droog ze op een rek. Reduceer overconsumptie (blz. 115). Zijn dat geen vormen van inkrimpen?
[11] Ulrike Herrmann – we gaan straks op haar denken in – verwijst eveneens naar ‘onze’ voetafdruk (o.c.,blz. 85). ‘[Reeds nu] consumeren Duitsers, Oostenrijkers en Zwitsers alsof ze drie planeten zouden kunnen verbruiken.’ ‘De US-Amerikanen, de Canadezen en Australiërs verbrassen reeds vijf planeten’ (Global Footprint Network). De rijke landen moeten dus hun levensstijl veranderen.
[12] Ik heb daar op gewezen in mijn “De onttovering van AI”, Streven, online, 2025.
[13] Ze kent hem waarschijnlijk niet, in ieder geval vermeldt ze hem nooit.
[14] Matthias Binswanger Der Wachstumszwang. Warum die Volkswirtschaft immer weiterwachsen muss, selbst wenn wir genug haben, Wiley-VCH, Weinheim, 2019.
[15] Deze concurrentiestrijd is op zich misschien al voldoende om de lezer ter laten inzien dat het kapitalisme niet zo maar ten onder gaat. Binswanger echter legt haarfijn uit hoe de vork in de steel zit. We kunnen dat hier niet overdoen. In mijn artikel over Binswanger (zie volgende nota) heb ik dat laten zien. (Eenvoudig gezegd, alles wat de ondernemers produceren, moet verkocht worden, grotendeels via de lonen, het moet geconsumeerd worden. De ondernemers moeten en willen verder door netto te investeren – en moeten daarvoor naar de bank. Sparen vooraleer geïnvesteerd wordt, speelt daarbij geen principiële rol.
[16] Ik heb Ulrike Herrmanns boek besproken in ‘Waarom groei en klimaatbescherming niet samengaan – en hoe we in de toekomst zullen leven’, De uil van Minerva, 2024. In hetzelfde nummer van de Uil van Minerva heb ik ook Mathias Binswanger onder de loep gelegd in mijn ‘Groei ter wille van de groei is de ideologie van de kankercel’.
[17] Ik neem hier bijna letterlijk een passage over uit mijn bespreking van zijn boek.
[18] Ik beperk me hier tot enkele wenken van Ulrike Herrmann zelf. Jason Hickel somt in zijn boek een eindeloze reeks maatregelen op. Ik ga hier niet meer op in.
[19] Ulrike Herrmann verwijst naar het gekende werk van Wilkinson en Picket.
