‘Sommige vragen kun je alleen beantwoorden met een roman’

Interview met de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez

 

In De namen van Feliza reconstrueert Juan Gabriel Vásquez het tragische leven van de Colombiaans-Joodse kunstenares Feliza Bursztyn. ‘Om de ander te begrijpen, heb je verbeelding nodig’.

Parijs, najaar 1996. Juan Gabriel Vásquez woont sinds enkele maanden in de stad. Hij is drieëntwintig en heeft Colombia verlaten om zich op een Parijse zolderkamer te wijden aan het schrijven. Al snel wordt zijn romantische droom doorgeprikt. Getroffen door een raadselachtige ziekte doorkruist hij de stad, van de ene medische consultatie naar de andere. De uiteenlopende diagnoses doen de bezorgdheid enkel toenemen. Om zijn zinnen te verzetten, bladert hij in een bundeling columns van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez.

Op een dag, in de wachtkamer van een dokterspraktijk of tijdens een lange metrorit, stuit hij in die bundel op een column uit januari 1982 over de dood van beeldhouwster Feliza Bursztyn (1933-1982). In een restaurant in Montparnasse, in het gezelschap van haar tweede man en vier vrienden, bezweek de achtenveertigjarige kunstenares aan een hartaanval. Maar volgens García Márquez, zelf een van de tafelgenoten, was dat niet de echte doodsoorzaak: ‘Ze stierf van verdriet’. Precies die geheimzinnige woorden raken de jonge Vásquez diep en zullen vele jaren later het uitgangspunt vormen van zijn roman De namen van Feliza.  

            ‘Ik wist toen nog niet wie Feliza Bursztyn was, maar het zinnetje van García Márquez is door mijn hoofd blijven spoken. Waarom was ze van verdriet gestorven? Door de jaren kwam ik meer over haar te weten, maar ik voelde aan dat ik nog niet klaar was om over haar te schrijven. Het ontbrak me niet alleen aan technische skills, maar ook aan levenslessen. Marguerite Yourcenar vertelde ooit dat ze op haar twintigste tevergeefs had geprobeerd om Herinneringen van Hadrianus te schrijven, en dan nog eens op haar dertigste, weer vergeefs. Enkel na haar veertigste lukte het, omdat ze dan voldoende levenservaring had om Hadrianus te doorgronden’.

‘Ik denk dat het bij mij net zo is gegaan: om dit boek te kunnen schrijven, moest ik eerst de leeftijd bereiken van Feliza toen ze stierf. De nodige ervaringen en teleurstellingen doormaken, het nodige verdriet. Er is een samenloop tussen onze levens die onbeduidend lijkt, maar die voor een romancier vol betekenis zit. We kwamen beiden voor het eerst aan in Parijs op dezelfde leeftijd, drieëntwintig, zij met de droom om beeldhouwster te worden, ik schrijver. Ook tijdens ons tweede verblijf in de stad zaten we in dezelfde levensfase, allebei rond de vijftig’.

Spelfout op de grafsteen

Vásquez keerde terug naar Parijs om te schrijven over Bursztyn, die er in ballingschap stierf. Ze groeide op in Bogotá als dochter van Pools-Joodse migranten, volgde een kunstopleiding in New York en trok later naar Parijs om in de leer te gaan bij beeldhouwer Ossip Zadkine – van ‘De verwoeste stad’ in Rotterdam.

Terug in Bogotá ontpopte Bursztyn zich tot het enfant terrible van de Latijns-Amerikaanse moderne kunst. Als ze al niet choqueerde met haar curieuze sculpturen uit schroot, dan wel met haar non-conformistische levenswandel en haar bijna surrealistische interviews met vooral mannelijke journalisten. Als vrijgevochten vrouw in een machowereld schopte ze graag tegen de schenen van de bekrompen Colombiaanse bourgeoisie. Voeg daarbij haar sympathie voor de Cubaanse Revolutie en haar vermeende banden met de guerrilla M-19, en je begrijpt dat het conservatieve establishment haar maar wat graag het land uitbonjourde.

De titel van je roman zinspeelt op de verschillende voor-, achter- en bijnamen die Bursztyn aannam in de loop van haar leven. Wat vertellen die naamsveranderingen over haar?

‘Een van mijn ontdekkingen over het leven van Feliza was dat ze een erg fragiele identiteit had. Voor de meesten onder ons is onze naam een van de weinige zekerheden. Voor Feliza daarentegen was het een constante zoektocht. Haar voornaam was een eigen verzinsel, haar minnaars gaven haar bijnamen, haar ouders noemden haar weer anders, en in de pers werd haar achternaam steevast fout gespeld. Het was alsof haar identiteit altijd risico liep, en dat tot op haar grafsteen, waar haar voornaam met een s in plaats van een z geschreven staat’.

‘En dan ontdekte ik dat het woord ostracisme afstamt van de gewoonte van de oude Grieken om de naam van de persoon die ze wilden verbannen in een potscherf te kerven. Dat leek me een sprekende metafoor voor de ballingschap waartoe haar eigen land Feliza veroordeelde, omdat ze zogezegd een bedreiging vormde voor de heersende fatsoennormen’.

Bovendien verwijst de naam Feliza naar het geluk en contrasteert hij zo met dat zinnetje van García Márquez: ‘Ze stierf van verdriet’.

‘Die tegenstelling was een trigger voor mij. Ze deed me denken aan een passage uit de dagboeken van Anton Tsjechov, waar hij schrijft: ‘Idee voor een verhaal: een man gaat naar het casino, wint een fortuin, keert terug naar huis en pleegt zelfmoord.’ In zekere zin was dat Feliza: een vrouw wier naam het woord ‘geluk’ bevatte, die overal bekendstond om haar vreugde en schaterlach, en die vervolgens stierf van verdriet. In die contradictie schuilt een vraag die je enkel kunt beantwoorden met een roman’.

 

Anoniem standbeeld

Je schrijft vol bewondering over de sculpturen en installaties van Bursztyn. Is er een werk dat je bijzonder na aan het hart ligt?

‘Het beeld Homenaje a Gandhi. Allereerst om persoonlijke redenen. Ik herinner me dat ik als jongen van zeven of acht met de schoolbus passeerde langs die rare sculptuur aan de Carrera Séptima in Bogotá. Los daarvan heb ik het altijd boeiend gevonden dat het een reflectie is over de vrede in een verrot land. Toen Feliza het maakte, was het pacifisme niet bepaald in de mode, niet eens in haar eigen kringen: daar waren er meer voorstanders van de gewapende revolutie. Die kant van haar heeft me altijd geïntrigeerd, haar steun aan de Cubaanse Revolutie, haar linkse gedachtegoed, en tegelijkertijd die verwerping van het geweld dat haar geestgenoten omarmden’.

‘Daarbovenop hou ik van de ambiguïteit van Homenaje a Gandhi als object. Het was voor veel mensen onherkenbaar als kunstwerk, zozeer zelfs dat een bende schrootdieven het ooit wilde stelen’.

Maar het toeval – of de literaire vrijheid − wilde dat Bursztyn en haar tweede man Pablo Leyva net op dat moment langs het standbeeld reden…

‘Ja, ze joegen de dieven weg en uit schrik voor een nieuwe poging tot diefstal namen ze het naambord, dat duidelijk maakte dat het een kunstwerk was, mee naar huis’.

En niemand heeft ooit een nieuw bord geplaatst?

‘Nee, en zo weten de mensen niet wat het object is, laat staan wie of wat het verbeeldt. Dat maakt het voor mij des te aantrekkelijker, zo’n figuur die oprijst midden in de drukte van Bogotá, in alle anonimiteit’.

Daar heb je die reflectie over de namen weer.

‘Precies. Het is een naamloze figuur die beroofd is van haar identiteit. Het beeld staat daar gewoon naar ons te kijken, zonder dat iemand weet wat het is’.

 

Culturele toe-eigening

Ook in de voorgaande romans van Vásquez vonden we diepzinnige vrouwelijke personages terug. Zo was De informanten (2004), over de weerslag van de Tweede Wereldoorlog in Colombia, gebaseerd op de getuigenis van een andere Joodse vrouw. Toch krijgt in De namen van Feliza voor de eerste keer een vrouw echt de hoofdrol.

Had je tijdens het schrijven soms schroom om te diep te graven in het persoonlijke leven van Bursztyn?

‘Ik was me er vooral van bewust dat er ook andere mensen betrokken waren bij haar privéleven, personen die vaak wel nog in leven zijn. Ik wilde met het boek de waarheid vertellen over een mensenleven, maar zonder daarbij andere levens overhoop te gooien. Dat was een lastige spagaat, want romanciers wroeten natuurlijk graag in andermans geheimen, met de bedoeling om die te onthullen. Precies dat soort tegenstrijdigheden maken het zo boeiend om fictie te schrijven over reële personen’.

Het schrijven van De namen van Feliza betekende een dubbele toe-eigening: Vásquez kroop niet alleen in het hoofd en hart van iemand met een ander gender, maar ook met andere culturele wortels. Bursztyn rebelleerde tegen zowat alles, dus ook tegen de traditionele Joodse gemeenschap waarin ze opgroeide. Toch zocht ze nu en dan toenadering tot haar roots. Zo maakte ze in 1967, te midden van de Zesdaagse Oorlog, een reis naar Israël.

Waarom ben je niet dieper ingegaan op die episode?

‘Hoewel het Joods-zijn van Feliza mij zelf wel interesseerde, wilde ik het belang ervan niet uitvergroten. Uit mijn gesprekken met de mensen die haar gekend hebben, maakte ik op dat het geen centraal aspect in haar leven was. Ergens, in een van haar interviews, verdedigt ze het bestaansrecht van de Israëlische staat, maar veroordeelt ze tegelijkertijd het buitensporige geweld’.

 

Bovendien zat je volop in het schrijfproces toen de oorlog tussen Israël en Palestina weer uitbrak…

‘Het was een enorme uitdaging om die actuele oorlog niet te laten doorschemeren in de roman. Terwijl ik aan het boek werkte, ondertekende ik manifesten tegen het excessieve geweld tegen de Palestijnen, maar veroordeelde ik in een column evengoed de aanval van Hamas. Het was een gespannen periode, vol onenigheid, vol frustratie over de onmacht van het Westen om het bloedvergieten te voorkomen’.

Toch ben je erin geslaagd om de twee facetten van je schrijverschap uit elkaar te houden: enerzijds je romans en anderzijds je opiniestukken in de Spaanse krant El País.

‘Dat onderscheid is essentieel voor mij. Aan de ene kant heb je de romanschrijver, aan de andere kant de publieke intellectueel. Als je die twee rollen begint te verwarren, loopt alles in het honderd. Fictie gebruiken voor zaken die er niet in thuishoren, getuigt van een gebrek aan respect voor de romankunst’.

 

Kroniek van een aangekondigde dood

Aan respect voor de klassiekers van de romankunst heeft het Vásquez nooit ontbroken, en dat geldt zeker ook voor de ‘eigen’ Gabriel García Márquez. Hoe moeilijk is het om te ontkomen aan de schaduw van de Nobelprijswinnaar? Net als elke Colombiaanse schrijver kreeg Vásquez die vraag aan het begin van zijn carrière tot vervelens toe voorgeschoteld. En in zijn geval hielp de naamsgelijkenis natuurlijk niet: meer dan één journalist introduceerde de aanstormende auteur toen met een lapsus à la Juan Gabriel Márquez.

Nu, vele jaren en boeken later, is Vásquez de meest gelauwerde Spaans-Amerikaanse schrijver van zijn generatie. Zijn palmares staat vol internationale prijzen en zijn werk verschijnt in dertig talen − hij is een van de weinige hedendaagse Spaans-Amerikaanse schrijvers wiens romans stelselmatig in het Nederlands uitkomen, trouw vertaald door Brigitte Coopmans. Dus nee, van schrik voor de schaduw van García Márquez is er geen sprake. In De namen van Feliza voert Vásquez zijn illustere voorganger zelfs op als personage.

‘Dat was best spannend, want het betekende dat ik hem van zijn voetstuk moest halen. In Colombia is hij een literaire legende, en ik wilde hem voorstellen als een man van vlees en bloed, als een goede vriend van Feliza, die haar hielp omdat hij haar graag zag. Het heeft me zo ver gedreven dat ik alle foto’s van hem uit die tijd heb opgezocht. Om een alledaagsere figuur van hem te maken, wilde ik me focussen op de details, zoals zijn leren bottines of de kleur van zijn kousen’.

 

Tegelijkertijd deed De namen van Feliza me denken aan Kroniek van een aangekondigde dood. Ook in jouw roman vormt de laatste levensdag van het hoofdpersonage het zwaartepunt. Was die invloed van García Márquez bewust?

‘Nee, maar tijdens het schrijven merkte ik die wonderbaarlijke echo opeens op. Het zijn twee boeken die vanaf de eerste pagina prijsgeven dat hun protagonisten zullen sterven, en die zich de missie op de hals halen om de aandacht van de lezer vast te houden, ook al hebben ze al verklapt hoe het afloopt’.

Zoals in een Griekse tragedie.

‘Precies. Zo zie ik het leven van Feliza, als een samenzwering van oorzaken en toevalligheden die haar beetje bij beetje in het nauw hebben gedreven. Maar het was niet zo dat ze dat lot in zich droeg, het waren de externe krachten van de geschiedenis die haar hebben veroordeeld tot haar vroegtijdige dood’.

 

De waarheid van fictie

De namen van Feliza is de tweede roman op rij waarin Vásquez aan de slag gaat met het leven van een reële persoon. In De terugblik (2020) schetste hij een beklijvend portret van de Colombiaanse regisseur Sergio Cabrera, die in zijn jonge jaren diende in de Rode Garde van Mao Zedong. Toch hamert de schrijver erop dat we zijn twee laatste boeken niet moeten beschouwen als biografieën, maar als romans.

‘Mijn taak als schrijver bestond er niet in om de levens van Sergio en Feliza van a tot z te vertellen, maar om ze te interpreteren. Weet je, het woord fictie komt van het Latijnse fingere, dat onder meer vorm geven betekent. Ik heb fictie altijd beschouwd als het middel bij uitstek om vorm te geven aan het verleden’.

Het grote verschil is dat Cabrera nog leeft en dat je hem uitgebreid kon interviewen. Bood het feit dat Bursztyn al veertig jaar dood was, buiten nadelen, ook voordelen?

‘Ergens in Op zoek naar de verloren tijd schrijft Marcel Proust dat we reële personen leren kennen via onze zintuigen, waardoor we hun binnenste nooit te zien krijgen. Fictieve personages daarentegen benaderen we met onze ziel, en daarom leren we ze beter kennen, zelfs hun onzichtbare, verborgen kanten. Het feit dat Feliza, in tegenstelling tot Sergio, niet meer onder ons is, gaf me de vrijheid om haar tot leven te wekken op basis van de herinneringen van anderen en mijn eigen verbeelding. Zo kon ik haar behandelen alsof ze een fictief personage was, op een manier die weinig verschilt met hoe Virginia Woolf Mevrouw Dalloway neerzet’.

Hoe komt het dat je je alsmaar meer interesseert in waargebeurde verhalen?

‘Misschien heeft het te maken met een steeds sterker bewustzijn van de rol van de roman in een wereld die een heel vreemde relatie heeft met het verschil tussen waarheid en leugen. Bepaalde politieke partijen, geholpen door de nieuwe technologieën, hebben de oorlog verklaard aan het idee van een objectieve, gedeelde waarheid. Met mijn romans wil ik daartegenin gaan. Ik zie literatuur als een plaats waar we in aanraking komen met een zekere waarheid, die niet feitelijk is, maar moreel en menselijk’.

‘Het is een overtuiging die haar oorsprong vindt in het humanisme. Sinds de schelmenroman Lazarillo van Tormes (1554) gebruiken we fictie om in andermans bewustzijn te kruipen en de wereld van daaruit te bekijken. Ook dat ligt tegenwoordig onder vuur, wordt bestempeld als culturele toe-eigening. Mijn portret van Feliza is een hommage aan de mogelijkheid om de ander te begrijpen’.

 

De namen van Feliza verschijnt op 11 februari 2026 bij Meulenhoff.

Reageren? Mail naar: jasper.vervaeke@ugent.be

 

Jasper Vervaeke is lector Spaans-Amerikaanse literatuur en cultuur aan de Universiteit Gent. Hij is auteur van een boek met gesprekken met Vásquez, Modelar la memoria. Conversaciones con Juan Gabriel Vásquez (2025). Dit interview is een bewerking van het laatste hoofdstuk van dat boek.

 

Juan Gabriel Vásquez komt op 26 februari naar Den Haag (Borderkitchen), op 27 februari naar Antwerpen (De Groene Waterman) en op 28 februari naar Gent (UGent/Walry).

 

Johan de Witt en Baruch de Spinoza
Een glasscherf in het oog
De schrijver is een moordenaar. Over Georges Arnaud
De mol en de mus over diepte versus...
‘Sommige vragen kun je alleen beantwoorden met een...
Georg Trakl vertaald en toegelicht
Bruidsschat voor mijn zoon Ibrahim
En altijd is het de vrouw
De les van Gyges
Het gebrul van de onheuglijke waterval (II)
Het gebrul van de onheuglijke waterval (I)
‘J’avais toujours raison’
Brood en wijn
Vier weggedeemsterde gedichten van Jorge Luis Borges in...
Wie knoeit is dapper
De metafysica van Moby-Dick
Het spoor dat achterblijft
Ziekte en Engagement
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Psychiatrische experimenten
Éric Michaud
‘Het is mijn innerlijk kind’
Brideshead Revisited en het katholicisme
Vagina monetaria dentata. Over onwelvaart van Steve Marryt
Mijn Queer Kruisweg
Cirkels in steen
Betje Wolff springlevend
Maart 1678: De eerste moderne roman?
Rory Stewart, Politics on the Edge: boekbespreking
Kafka und kein Ende möglich