Vertaald door Mohammed Abem Ameir en Patricia de Laet
Ik stootte op een video op sociale media en werd overvallen door een wervelwind van emoties, die ik niet kon uitleggen of begrijpen. Een overweldigend verdriet ging door me heen, ik voelde koude rillingen en mijn knieën trilden alsof ze met ijskoud water overspoeld werden.
Ik begon in mijn herinneringen te dwalen. Taferelen uit mijn jeugd kwamen opnieuw naar boven. Ik probeerde me voor te stellen hoe de huizen eruitzagen voordat ze werden verwoest – nu zijn het alleen nog ruïnes. Ik herinnerde me de mensen – grapjes makend in verschillende talen, zacht bewegend op het geluid van gelach en spel. Ze kwamen uit alle lagen van de bevolking, hadden verschillende overtuigingen, leeftijden en sociale achtergronden. Kinderen en volwassenen, mannen en vrouwen, jong en oud – ze waren er allemaal. Gemeenschappen van alle kleuren leefden naast elkaar. Ondanks hun verschillen ontstonden er nooit problemen. Er heerste harmonie en de eenvoud van het leven werd benijd door iedereen die toekeek.
Van de voet van de berg Itabr tot aan het einde van de straten was het onmogelijk om mensen niet naar elkaar te zien zwaaien – tenzij iemand aan het dansen of spelen was, of deelnam aan een helend ritueel. Hun liefde was zo sterk dat het niet alleen de bewoners raakte, maar ook vreemdelingen die voorbijkwamen, en die alleen maar jaloers konden zijn op zo’n eenheid.
Nu is die levendige wereld een treurige realiteit geworden. Het leven is een verhaal geworden dat ooit leefde, maar dat nu niet meer is. De buurt is een kerkhof geworden waar al het goede begraven ligt: gemeenschapsgevoel, vriendelijkheid, broederschap, wederzijdse liefde, respect, tolerantie en steun.
Denk aan al die onvertelde verhalen die in die verwoeste huizen begraven liggen. Hoeveel kopjes heerlijke aromatische koffie werden er gedronken bij fijne gesprekken? Hoeveel levens – verweven met vreugde of verdriet – speelden zich af binnen die muren? Hoeveel liefde en broederschap bloeiden daar ooit op? Glorieuze dagen waren dat – en ‘glorieus’ is nog maar het begin! Maar nu, te midden van de ruïnes, lijkt alles verloren. Stilte heerst oorverdovend. We zijn in een tijdperk beland waarin zelfs één passant een zeldzaamheid is geworden.
Ik denk weer aan die video. De echo van de reactie, diep in mijn hart begraven, rees in me op en overspoelde me opnieuw met angst en pijn. Het was een stille decembernacht in 1994. De lucht was in duisternis gehuld. Een dromerige stilte hing in de lucht, waar je nauwelijks een andere ziel kon zien, zelfs als ze die dichtbij was dat hij je blik kon doorboren.
Op die nacht werd het huis van Bekit Abubakar door onbekende mannen aangevallen. In die dagen kon niemand zich veilig voelen. Toen werd er op de deur geklopt, ze zochten een familielid: de jonge Ibrahim Bekit.
Waarom kozen ze ervoor om ’s nachts te komen, het meest ongepaste moment? In onze cultuur arriveert een vreedzame gast vóór zonsondergang. Wie in het donker komt, werpt onmiddellijk argwaan en twijfel op bij zijn intenties. Wie midden in de nacht op de deur van Abubakars huis bonkte, kwam niet met goede bedoelingen. Ze waren gekomen om niet alleen het licht van dat huis te doven, maar van de hele buurt – door Ibrahim te ontvoeren. Maar waarom?
Geboren en getogen in diezelfde straten, was Ibrahim Bekit – liefkozend Ibrahim Blin genoemd – zeer geliefd bij zijn vrienden en buren. Hij bezat natuurlijke gaves waardoor hij opviel: zijn nobele karakter, zijn respect voor anderen en zijn empathie.
Ibrahim was een van de voetbalsterren van de buurt. Tijdens zijn jeugd studeerde hij zowel op de Mahd Din-al-Islam School als op de openbare school. Na zijn middelbare school schreef hij zich in voor een lerarenopleiding in Addis Abeba. Maar voordat hij kon afstuderen, kreeg hij nieuws over de ernstige ziekte van zijn vader.
Hij moest zijn studies opgeven in Addis Abeba, Ethiopië, en terugkeren naar Keren, Eritrea. Zijn vader overleed eind jaren tachtig, waardoor de jonge Ibrahim de volledige last van zijn gezin moest dragen. Het was een zware last, maar Ibrahim nam de verantwoordelijkheid voor zijn broers en zussen en zijn moeder op zich met moed en veerkracht.
Zijn talent en vaardigheden werden zijn kracht. Al snel werd hij aangenomen als leraar Amhaars, Engels en wiskunde aan de Mahd-Din al-Islam School in Keren. Zijn leerlingen, aan wie hij met liefde en zorg lesgaf, beantwoordden die liefde in overvloed. Ze bewonderden zijn geduld, intelligentie en diepgaande kennis, evenals zijn talent om les te geven. Hoewel hij nog maar in de twintig was, kon hij nooit echt van zijn jeugd genieten, omdat hij de rol van ouder op zich had genomen.
Binnen de gemeenschap was Ibrahim verbonden met elke goede daad van liefde en broederschap die ik heb beschreven. Hij nam deel aan elke bijeenkomst, of die nu verdrietig of vreugdevol was, zowel vieringen als rouw. Als hij behoeftigen tegenkwam, was hij de eerste die een helpende hand uitstak. Hoewel hij aan stilte de voorkeur gaf, sprak hij altijd met warmte. Niemand kon ooit zeggen: ‘Ik hoorde Ibrahim een hard woord zeggen’, of ‘Ik zag hem iets verkeerds doen’. Hij was de meest gekoesterde ziel in de hele buurt – geliefd bij jong en oud, mannen en vrouwen. Bovenal was hij een vrome gelovige, stipt in zijn vijf dagelijkse gebeden, een kerntaak in de islam.
Begin jaren negentig werd Ibrahim opgeroepen om te werken op het kantoor van de Moefti van Eritrea, zowel in Asmara als in Keren. Hij werd ook benoemd tot adjunct-directeur van de Selamschool in Keren, een erkenning voor zijn nauwgezette aanpak en toewijding. Bovendien meldde hij zich in april 1993 als vrijwilliger bij de Eritrese Referendumcommissie, waar hij assisteerde bij de historische verkiezingen in en rond Keren.
Het was duidelijk dat Ibrahim geloofde: ‘Eritrea heeft nu al zijn problemen opgelost – het kolonialisme is voorgoed verdwenen’. Destijds dachten we allemaal dat Eritrea voor een tijdperk van vrede en welvaart stond. Niemand van ons kon zich inbeelden dat we zouden terugkeren naar dezelfde wreedheid die ooit werd begaan door degenen die we vroeger ‘heersers’ noemden. Maar helaas, onze hoop bleek ijdel.
Met vertrouwen in een nieuw tijdperk droomde Ibrahim ervan een beschaafd land te bouwen waar hij en zijn volk in vrede konden leven. Hij verlangde naar een tijd waar angst en terreur slechts een vage herinnering zouden zijn. Met zweet, gezwoeg en toewijding hoopte hij een land te helpen vormen waar vrijheid en rechtvaardigheid doorheen stroomden als een ononderbroken rivier, een land waar gelijkheid en de rechtsstaat heersten.
Toch werd hij midden in dit zogenaamd vrije land in het holst van de nacht door onbekende mannen ontvoerd. Niemand wist waar hij naartoe was gebracht of waarom. Dagen werden weken, weken werden maanden, maanden werden jaren. Maar er werd nooit meer een spoor van Ibrahim Bekit gevonden – hij verdween als een parel in een hooiberg.
Geen enkel woord ontsnapte aan de handlangers van het satanische systeem dat hem had meegenomen. Niemand verwachtte antwoorden. Duizenden vóór en na Ibrahim ondergingen hetzelfde lot – tot zwijgen gebracht, opgepakt in de nacht. Hun missie was onschuldigen onderdrukken en pijnigen.
Het is inmiddels bijna dertig jaar geleden dat Ibrahim werd ontvoerd. Toch heeft zijn moeder, Saedia, hem nooit opgegeven.
Een moeder is altijd de laatste die zich overgeeft. Zelfs als ze met haar ogen wijd open bij het graf staat, weigert ze te accepteren dat haar kind er niet meer is. Moeders geven nooit op! Saedia gelooft dat Ibrahim elk moment kan terugkeren – zonder waarschuwing – en haar verrast met een fluistering in haar oor: ‘Moeder!’ Aan deze droom klampt ze zich vast. Ze draait zich altijd om, in de hoop dat hij verschijnt. Want ze is een moeder die haar kind na uren van pijn en strijd op de wereld heeft gebracht.
Van haar schamele spaargeld legt Saedia zorgvuldig een kleine schat opzij: ‘Dit is de bruidsschat voor mijn zoon Ibrahim! Dit zijn geschenken voor zijn bruid, en dit zijn geschenken voor hem!’ Ze belichaamt de onvermoeibare hoop van een moeder.
In dit geteisterde Eritrea hebben duizenden hetzelfde lot ondergaan als Ibrahim en zijn moeder. Hun pijn kan met geen woorden beschreven worden. Overal in het land dragen mensen de bittere wonden van tragedies. Toch zijn er nog steeds mensen die loyaal blijven aan het regime dat verantwoordelijk is voor al deze vernedering en ellende – bewust of onbewust.
Dit is onze geschiedenis. Onze realiteit is zoals het spreekwoord: ‘Uit dezelfde schoot komen vele verschillende kinderen’.
Omer Abib, de auteur van dit verhaal, is een schrijver, journalist en vertaler uit Eritrea. Vanaf de middelbare school schreef hij voor jongerenmedia en werkte later (2001–2013) als journalist voor de nationale radio en kranten. Hij vertaalde samen met collega’s twee belangrijke werken van Alem-Seged Tesfay van het Tigrinya naar het Tigre. Sinds zijn ballingschap zet hij zich in voor vrije media en projecten cultuurbehoud, waaronder satellietuitzendingen voor de Eritrese diaspora en een reeks boeken in het Tigre. Zo is hij een belangrijke pleitbezorger geworden voor Eritrese literatuur, meertalige publicaties en schrijvers in ballingschap. Hij woonde 2023-2025 in Zweden en verbleef van augustus tot november 2025 in de PEN-flat te Antwerpen (PEN Vlaanderen).
Annemarie Estor
Een dosis bewustzijn
Een interview met de Eritrese schrijver Omer Abib
Ergens op een geheime plek in de metropool Antwerpen bevindt zich de schrijversflat van PEN Vlaanderen. In deze schrijversflat in Antwerpen geeft PEN Vlaanderen gevluchte, onderdrukte en gecensureerde auteurs en auteurs die met politiek roerige tijden geconfronteerd zijn, een plek om in alle rust te schrijven. Van augustus tot en met november 2025 verbleef in deze flat de Eritrese radiojournalist, schrijver en vertaler Omer Abib.
Omer was van 2001 tot 2013 radiojournalist voor de nationale radio van Eritrea. In diezelfde periode schreef hij ook artikelen voor de overheidskrant en voor het tijdschrift van de Eritrese Studentenvereniging. In deze artikelen vermengt Omer het reportage-genre met literaire reflectie en cultuurkritiek. Naast zijn journalistieke werk heeft Omer belangrijke bijdragen geleverd als vertaler. Samen met collega’s Mohammed Idris en Adam Abu Harish vertaalde hij twee belangrijke werken van de Eritrese schrijver en onderzoeker Alem-Seged Tesfay uit het Tigrinya naar het Tigre: We Will Not Part ‘Intfenatie’ en Federation with Ethiopia. Deze vertalingen brachten belangrijke historische en culturele verhalen over aan Tigre-sprekende lezers.
Kort verhaal
In Deel 1 van dit tweeluik kon u van de hand van Omer Abib een kort verhaal lezen. Na lezing hiervan ben ik hem gaan interviewen. Als ik hem complimenteer met het mooie stuk, vertelt hij: ‘Dit verhaal is één van duizenden vergelijkbare verhalen die zich in Eritrea de laatste jaren telkens opnieuw afspelen. Na een lange onafhankelijkheidsoorlog tegen Ethiopië is mijn land in 1993 bevrijd. Het duurde echter niet lang voordat het land ten prooi viel aan een criminele dictator en de arrestaties – in feite spoorloze ontvoeringen – begonnen. De hele Eritrese maatschappij werd hier slachtoffer van: zowel religieuze figuren, journalisten, politici en docenten als boeren en handelaars; zowel mannen en vrouwen als kinderen. In Eritrea zitten meer dan tienduizend mensen opgesloten in de meer dan driehonderd geheime gevangenissen. Het land is in feite één grote gevangenis geworden. Dit verhaal is exemplarisch voor wat er binnen talloze families gebeurt: plots verdwijnt er een familielid; nooit zul je nog iets van je geliefde broer, zus, kind, nicht, neef, moeder, vader meer horen. Verder moesten sommige jonge mannen verplicht in militaire dienst, zonder dat daar een einddatum op staat. De meeste jongeren leven nu in de diaspora en als vluchtelingen. En sommige gezinnen zochten hun toevlucht in buurlanden zoals Soedan, Ethiopië, Egypte en westerse landen’.
Sociale structuur
Omer vertelt verder. ‘Mijn land had een harmonieuze sociale structuur, zowel vóór als na de bevrijding. Dat proef je ook in mijn verhaal. In de beginjaren genoten de mensen van vrijheid en keerden zelfs degenen die in ballingschap waren geweest terug naar hun thuisland. Van oudsher heeft het Eritrese volk nooit haat jegens elkaar gekoesterd. Het volk bestaat uit stammen en clans en twee religies: moslims en christenen. Die zijn met elkaar verweven. Na de bevrijding heeft het heersende regime echter deze hele sociale structuur – waarden, gewoonten, tradities, cultuur, enzovoort – verscheurd’.
Internet
Over structuren gesproken; er bestaat ook zoiets als infrastructuur. Ik heb daar iets over gelezen. Dus ik vraag Omer of het klopt dat mensen in Eritrea geen internettoegang hebben? Alleen soldaten zouden op heb web kunnen, is dat zo? ‘Ja, in Eritrea is er geen internet, behalve in overheidsinstellingen zoals het ministerie van Informatie, Buitenlandse Zaken, de kantoren van de regeringspartij en een paar winkels, en dit wordt gemonitord. Zelfs telefoongesprekken worden gemonitord. Soldaten mogen geen telefoon gebruiken. Hoge militairen mogen wel bellen’.
Oppositie
Ik vraag Omer of er nog hoop is voor Eritrea. Omers antwoord betreft de oppositie. Die is zwak, volgens hem. Ik vraag hem wat dat betekent: is die zwakte technologisch van aard, of anderszins? Organisatorisch, wellicht? ‘Het probleem is de leiders’, zegt hij. Even interpreteer ik dit te veel naar de Europese context, als ik hem vraag of zij verdeeldheid zaaien, of opruiende, polariserende taal rondstrooien. ‘Nee’, zegt hij, ‘ikzelf ben bijvoorbeeld moslim, maar ik heb meer christelijke vrienden dan islamitische. Geloof speelt in Eritrea nu niet zo’n rol’. Omer vertelt dat er wel dertig verschillende groepen zijn in de oppositie, en dat die elk hun eigen leider hebben. Samenwerking is ver te zoeken, ieder heeft zijn eigen agenda. ‘Ik heb mijn hoop gevestigd op de jeugd’, zegt Omer.
Persoonlijk
Omer is zelf van Eritrea via Soedan en Egypte naar de EU gekomen. Ook in Egypte maakte hij radio voor zijn Eritrese publiek, en dat was niet zonder gevaar. Het was veiliger om te vertrekken naar de EU, maar bang is hij niet. Hij woont momenteel in een zeer noordelijk gelegen stadje in Zweden. Ik druk mijn verbazing uit. Van een zulk warm land naar een zo koude regio! ‘Ja, we hebben de lichte zomers waarin de nacht niet meer bestaat, en de winters die één lange nacht worden…’ Omer vertelt me dat hij het liefst de winters heeft. ‘Dan kan ik tenminste slapen’. In de zomers heeft hij behoorlijk moeite met het licht. Ik vraag hem wat hij vindt van Antwerpen. Hij vindt de stad toeristisch gezien aantrekkelijk. Maar ik wil weten of hij mensen gesproken heeft in zijn tijd hier. O ja, velen! Hij heeft in zijn periode hier veel Eritreeërs ontmoet, en hij wordt elke dag wel gebeld door vijf nieuwe mensen in zijn netwerk. ‘Binnen de EU zijn er wel dertig commissies’. Commissies? ‘Ja, die houden zich bezig met de Eritrese zaak. Ze organiseren onder andere demonstraties waarin gevraagd wordt om politieke druk voor het vrijlaten van Eritrese gevangenen’. Als Omer over enkele dagen teruggaat naar Zweden, moet hij zijn tweejaarlijkse verblijfsvergunning laten verlengen. Als dat lukt tenminste. ‘De immigratieregels zijn erg streng’, zegt hij, ‘en duidelijk intimiderend’. Omers verblijfsrecht is hem toegestaan totdat president-dictator Afwerki weg is. Daar is nog geen enkel zicht op.
Leadership
Omer is druk bezig met zijn maatschappelijke taak. Hij heeft twee wekelijkse bijdragen op de social media. Eén is getiteld ‘Een dosis bewustzijn [A Dose of Awareness]’, en de andere ‘Op een dag in Eritrea [One Day in Eritrea]’. Hij toont me een van de video’s die hij maakte. Ze zijn eenvoudig gemaakt: Omer staat in beeld, en spreekt, redeneert, geeft zijn visie, inspireert. Het aantal views van deze video is 17.800. Wat een bereik! Hij vertelt me het een en ander over het onderwerp van zijn video’s. Kort bespreken we de laatste inzichten over leadership models – transformational, transactional en dergelijke. Ja, ik voel dat Omers hoop is als de bruidsschat in zijn korte verhaal: teken van een onvermoeibare kracht. Als ik Omer vraag of niet alle mensen slecht zijn en we de mensheid maar gewoon moeten opgeven, zegt hij resoluut nee. ‘Sommige mensen zijn slecht. Maar lang, lang niet alle.’ Respect. Straks is deze schrijver in ballingschap weer weg uit België. Wanneer ik na het interview weer naar huis vertrek wens ik hem succes met zijn strijd voor de Eritrese literatuur, voor de literatuur, zijn taal, en het vrije woord.
Nawoord:
Wilt u Omer financieel steunen bij het laten drukken van zijn boeken? Neemt u dan contact met hem op via omermahamedali@gmail.com (in het Engels).
Over de PEN-flat
De PEN-schrijversflat werd geopend op 6 november 2002 en is een initiatief van PEN Vlaanderen, gesteund door de Stad Antwerpen en de Universiteit Antwerpen. Sindsdien verbleven er tal van auteurs van over de hele wereld om hun literaire of journalistieke werk verder te kunnen zetten. Voor schrijvers uit landen waar de politieke of sociale onrust groot is, betekent dit een welkome adempauze.
Omgekeerd geven gastauteurs ook impulsen aan het Vlaamse culturele leven en treden ze op of nemen ze deel aan literaire festivals, ontmoeten hun lezers of werken samen met Vlaamse auteurs of andere culturele actoren. In 2018 trad Antwerpen toe tot het ICORN-vluchtstedennetwerk (International Cities Of Refuge Network). Sindsdien vangen we in onze PEN-flat alleen nog auteurs op die in dit netwerk zijn opgenomen.
Onlangs ontving PEN Vlaanderen een legaat. De schenkster is Myriam Michiels, jarenlang de drijvende kracht achter Het Andere Boek. PEN is haar zeer dankbaar en wil dit legaat aanwenden voor de aankoop van een PEN-flat. Op deze manier verankert de organisatie de residentiewerking en wordt het legaat op een duurzame wijze geïnvesteerd.
Mocht u in de stad Antwerpen een flat weten van rond de 220.000 euro óf zou u uw nalatenschap net als Myriam Michiels aan dit doel willen schenken, neemt u dan contact op met info@penvlaanderen.be of gaat u naar deze pagina: https://penvlaanderen.be/steun-pen/