In Der Kontinent ohne Eigenschaften. Lesezeichen im Buch Europa vraagt Peter Sloterdijk (°1947) zich eens te meer af wat onze moderniteit zo bijzonder maakt. Voorjaar 2024 mocht hij daarover een reeks lezingen geven op het Parijse Collège de France, waar hij toen een tijdelijke leerstoel L’invention de l’Europe par les langues et les cultures bekleedde. Sloterdijk gaf zijn colleges in het Frans, maar redigeerde ze in het Duits, waarna zijn vertaler ze stevig bekortte omdat de negen lessen telkens maar een uur mochten duren. De boekversie, die onlangs ook in Nederlandse vertaling verscheen, bundelt de Duitse originelen.

Het nieuwe boek is weer eens Sloterdijk op zijn best – en dus ook het werk van een volleerde retor, die hier nog maar eens de volle maat van zijn kunnen geeft. Het is misschien zelfs veelzeggend dat zijn nieuwe titel meer verwijst naar de retorische setting waar hij deze keer voor kiest dan naar de inhoud van zijn boek. De eerste woorden knipogen naar de bekende roman van Robert Musil, waarmee Sloterdijk verder verrassend weinig doet, maar waarmee hij zich wel vanop zijn titelblad indekt tegen de verdenking dat hij een identitaire definitie van Europa zou ambiëren. We vernemen verder in het boek dat hij niet op zoek is naar een of andere essentie van ‘Europa’, maar vooral typerende scenario’s wil traceren die de Europese geschiedenis haar eigen cachet geven en die men elders in de wereld zelden of alleen onder Europese invloed aantreft.

De tweede helft van de titel verwijst dan naar de metaforiek die Sloterdijk in zijn hele lessenreeks volhoudt: men kan de Europese geschiedenis lezen als een immens en door die omvang alleen al verward en onoverzichtelijk boek. Sloterdijk typeert het in zijn eerste hoofdstuk wat modieus via een bekend kort verhaal van Borges, waar een verkoper van zeldzame Bijbels een bibliofiele klant een Boek van zand aanbiedt met paginanummers die willekeurig op elkaar volgen en waar je nooit iets in terugvindt omdat de zandkorrels waar het uit bestaat voortdurend in beweging zijn. De vergelijking gaat gelukkig niet helemaal op: ‘Boek Europa’ is al even chaotisch-overvloedig, maar wie er noodgedwongen en dus wijselijk aan verzaakt het in zijn geheel te willen lezen kan minstens een paar bladwijzers plaatsen bij cruciale passages.

Sloterdijk had rechttoe rechtaan kunnen zeggen dat hij in negen conferenties bezwaarlijk ‘volledig’ kon zijn en dat hij alleen enkele krachtlijnen van de Europese geschiedenis met een paar voorbeelden zou illustreren. Dat deed hij al in veel vorige publicaties en nu dus opnieuw in een andere en, zoals we van hem gewend zijn, even zorgvuldig als ingenieus in elkaar geknutselde verpakking.

 

Scenario’s

Het resultaat is, als men die opsmuk er met de glimlach bijneemt, alleszins meer dan lezenswaard. Nieuwe gedachten zal men er weinig vinden en dat zullen de toehoorders in het Collège de France nauwelijks hebben verwacht: hun invité bereikte intussen een leeftijd waarop men zich al eens kan en mag herhalen.

Zijn belangrijkste scenario’s ogen in elk geval bepaald herkenbaar. We lezen eerst, in een hoofdstuk met de zoals altijd snedige titel ‘Latijns-Europa’, dat Europa altijd graag terugkeek naar het lange succesverhaal van het imperium romanum en dat geregeld in allerlei formats probeerde over te doen. Dat was in essentie de les van Rémy Brague, die trouwens bij het betrokken college als respondent kwam optreden.

We vernemen ook ‘dat in Europa en alleen in Europa (…) een proces op gang is gekomen dat, of men wil of niet, als een inmiddels meer dan zevenhonderd jaar omvattend leerverband met sterk selectieve en intensief cumulatieve effecten gekarakteriseerd moet worden’ (blz. 60). Sloterdijk spreekt van ‘zevenhonderd jaar’ omdat zijn moderniteit in dit hoofdstuk, zoals die van Hans Blumenberg, begint in de late middeleeuwen; zijn wat sibillijnse formule betekent vooral dat leerlingen vanaf dat moment steeds vaker uitgenodigd worden de wijsheid van hun meesters niet alleen respectvol te continueren, maar ook voorbij te steken. Er komt zo ruimte voor een accumulatie aan nieuwe inzichten en uitvindingen, die het verleden generatie na generatie telkens weer achter zich laat en een alsmaar performanter greep op de wereld mogelijk maakt. We wisten al langer dat het gezag van de traditie in de moderne wereld moest wijken voor een antropologisch ongeziene ‘neofilie’ (blz. 82) en een explosieve vooruitgang van wetenschap en technologisch kunnen…

Sloterdijk schrijft ook een mooi hoofdstuk over een Europese aandacht voor introspectie en subjectiviteit, die al start bij de Confessiones van kerkvader Augustinus, maar deze keer pas goed van de grond komt in ‘de late achttiende eeuw’ (blz. 173) en sindsdien voor een wildgroei aan egodocumenten zorgt ‘op een wijze die in andere civilisaties haar weerga niet kent’ (ib.). In een toch vooral essayerend betoog mag ook de chronologie van hoofdstuk tot hoofdstuk al eens vlotten. We vernemen overigens wel dat de veertiende eeuw minstens voor een merkwaardige stapsteen zorgde tussen Augustinus en de Romantiek: Petrarca schreef toen rond zijn vijftigste met zijn Secretum meum een ‘biechtroman waarvan de betekenis voor de vroegmoderne cultuur van het zelfonderzoek en de zelfbeschuldiging nauwelijks hoog genoeg kan worden aangeslagen’ (blz. 168) en waar hij niemand minder dan Augustinus als biechtvader opvoerde.

 

Out of Revolution

Sloterdijk recapituleert zowat alle topics die sinds enkele decennia opduiken in diverse intussen al klassiek te noemen studies over de Werdegang van onze moderniteit. Hij wijdt ook twee lessen, c.q. hoofdstukken aan twee oudere werken die nu tot de voorgeschiedenis van dat vakgebied behoren: Out of Revolution (Eugen Rosenstock-Huessy, 1938) en, minder vergeten maar voor velen niet meer dan een titel, Der Untergang des Abendlandes (Oswald Spengler, 1918). Vooral het eerste was voor mij (en vermoed ik, voor veel lezers) een complete openbaring. Rosenstock-Huessy tekende kennelijk voor een compact en bijzonder strak gestructureerd werk, voor Sloterdijk ‘het perfecte antizandboek’ (blz.90), dat de geschiedenis van Europa articuleert rond vijf revoluties die op elkaar zouden doorbouwen en telkens zouden doorstoten naar radicalere vormen van vrijheid.

Dat een sacrosancte Vrijheid hoog op het antropologisch unieke agenda van de moderniteit staat lezen we zoals bekend ongeveer overal. Het spreekt ook voor zich dat de vijf revoluties uiteraard op hun manier een soort bladwijzers zijn: niemand zal in ernst geloven dat het grote verhaal van de Vrijheid na elk kantelmoment een paar eeuwen stilviel. Het neemt niet weg dat Rosenstock-Huessy zo te zien in zijn ‘volumineuze boek’ (blz. 90) veel behartigenswaardigs weet te vertellen over de complementariteit en de verschillen tussen zijn vijf hoe dan ook cruciale episodes. Ik noteer hier alleen dat het startschot deze keer al uit de elfde eeuw zou dateren; het gaat dan om de Investituurstrijd, die uiteindelijk tot een taakverdeling, maar daarmee ook tot een definitieve scheiding tussen keizerlijke en pauselijke autoriteit zorgt. In het oude Rome was de keizer ook pontifex maximus; de elfde-eeuwse ‘opsplitsing van de hoogste autoriteiten (blz. 35) initieert een ‘Europees voorrecht van duale gehoorzaamheid’ (blz. 36), dat vanzelf – of eerder bijzonder moeizaam, met veel vallen en opstaan – ruimte en marge creëert voor een in meer ‘eenhoofdige’ culturen ondenkbare vrijheid.

 

Finale in de koloniën

In zijn laatste drie lessen maakt Sloterdijk uitvoerig werk van de koloniale dimensie van zijn Europese avontuur. De moderniteit begint daar bij de oversteek van Columbus naar de Nieuwe Wereld en bij de verrassende evidentie waarmee ontdekkingsreizigers en hun koninklijke opdrachtgevers zich gerechtigd voelden de territoria die ze voorbij alle Oceanen ontdekten in bezit te nemen. Ze deden dat des te gemakkelijker omdat ze zich vaak belast voelden met een hoge en veeleisende opdracht: de ijver van de missionarissen (de term zou niet toevallig uit de zestiende eeuw dateren) werd later het meer geseculariseerde plichtsbesef waarmee de tijdgenoten van Kipling overal in hun British Empire the white man’s burden op hun schouders namen. Dat verantwoordelijkheidsgevoel verdween zelfs niet na de dekolonisatie: de ex-kolonisatoren bleken dikwijls bijzonder bereid de kritieken van hun ex-onderdanen te slikken, waar gepast of zelfs als de aanklachten overtrokken waren schuld te bekennen en (soms) hun verantwoordelijkheden te nemen via diverse herstelbetalingen.

De negende en laatste les is zelfs helemaal gewijd aan die kritiek uit de Derde Wereld, waarbij het Boek Europa voortaan elders en dus – eens te meer een typisch woordspel – in de accusatief geschreven wordt. Sloterdijk steekt zijn laatste bladwijzers bij Les damnés de la terre (Frans Fanon, 1961) en bij het wat oudere Manifesto Antropófago (1928) van de Braziliaanse avant-gardist Oswald de Andrade. Hij ontdekt vooral dat ze hun argumenten en eisen goeddeels ontlenen aan wat ze in Europa opstaken: het gaat opnieuw over Vrijheid en revoluties naar Frans en/of bolsjewistisch model, maar die deze keer tegen hun voormalige moederlanden be- en uitgevochten worden. Sloterdijk tekent daarbij aan dat ze maar al te vaak ook de meest gruwelijke ontsporingen van die grote voorbeelden overdoen; veel postkoloniale regimes leidden en leiden op hun beurt, zoals in 1793 of onder Stalin, vooral tot chaos en terreur.

Sloterdijk had zijn nieuwe boek ook kunnen afsluiten met de vraag waar het met Europa naar toe moet.  Hij trekt daar deze keer geen aparte les voor uit en herneemt, als die toekomst her en der – en al bij al nogal geregeld – ter sprake komt, ook daar vooral gedachten die we uit zijn vroegere werk kennen. We lezen dus opnieuw dat Europa ten laatste sinds 1945 geen grootmacht meer is en dat de Europese Gemeenschap de eerste grote politieke formatie in het Oude Continent is die ‘noch de gezindheid noch de gebaren van een imperium aan de dag legt’ (blz. 25) en er zich ook intern graag mee tevreden stelt eerder pretentieloos op de winkel te passen. Sloterdijk lijkt hier eens te meer geneigd die ‘cultuur van bedaarde eindigheid’ (blz. 151) toe te juichen, al voegt hij er nu wel aan toe dat Europa misschien ‘te lang heeft vastgehouden aan een pseudokantiaans denkbeeld van eeuwige vrede en zijn zelfhandhaving in een allesbehalve vreedzame wereld heeft verwaarloosd’ (blz. 148) …

Het blijft een wat punctuele aanvulling in een betoog dat zowat overal elders vooral vertrouwde stof herneemt.  Dat gebeurt hier dan wel met zoveel trefzekere formuleringen en zo’n sprekende voorbeelden dat wie Sloterdijk nog niet kent zonder bezwaar met dit late werk kan beginnen. Wie zijn oeuvre al langer volgt zal het in Het continent zonder eigenschappen met genoegen – herlezen. Een aanrader voor iedereen dus!

 

 

Peter Sloterdijk, Het continent zonder eigenschappen. Bladwijzers in het boek Europa, Boom Uitgevers, Amsterdam, 2025, paperback, 284 blz., € 29,90, ISBN 9789024471317. Ook beschikbaar als e-boek.

 

 

 

Beschermen zonder af-schermen
Albert Camus over revolte en gematigde burgerlijke ongehoorzaamheid
Crisis Zonder Oordeel
Vrijheid tegen wil en dank
Een einde aan de eindtijd
Een pleidooi voor historisch begrijpen
Zelfzorg en opofferingsmoraal
Verdien je vanuit moreel oogpunt wat je financieel...
Waarom net deze tijd Habermas nodig had
Religie en de moderne tijd
Waar komt moraliteit vandaan? Een dialoog in mij
De vele levens van Ludo Abicht
Onvrije wil
Bladwijzers in Boek Europa
De maakbare mens
De les van Gyges
Het gebrul van de onheuglijke waterval (II)
Het gebrul van de onheuglijke waterval (I)
Een vergeten stem in de receptie van Heinrich...
Ethiek in praktijk en theorie van de gezondheidszorg
Verstond Tocqueville de democratie?
Waarom we bang zijn
De Trumpfluisteraar (III)
De Trumpfluisteraar (II)
De Trumpfluisteraar (I)
Waarheid en leugen: hedendaagse uitdagingen
Verlichting versus modernisering
Vrede als plicht
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Waarover we het hebben, als we het hebben...