In 2022 riep Collins Dictionary het woord permacrisis uit tot woord van het jaar. Met die term wilde de redactie een gevoel benoemen dat voor velen herkenbaar is geworden: het idee dat we leven in een langdurige periode van instabiliteit en onzekerheid, waarin de ene crisis na de andere zich aandient. En inderdaad, de voorbije jaren lijken een opeenstapeling van crises te hebben gebracht. Van de klimaatcrisis tot de stijgende kosten van levensonderhoud, van de oorlog in Oekraïne en het geweld in Gaza en Iran tot de groeiende politieke polarisatie in vele democratieën. Met daar nog bovenop de nasleep van de COVID-19-pandemie en aanhoudende culturele conflicten die de publieke ruimte voortdurend verhitten. Wat deze uiteenlopende gebeurtenissen gemeen hebben, is niet dat ze één en dezelfde oorzaak delen, maar dat we ze desondanks steeds vaker samen denken. Het lijken niet langer afzonderlijke problemen te zijn, maar ze vloeien samen tot één alomvattend gevoel van crisis dat alle domeinen van het leven lijkt te doordringen. Het is haast onmogelijk geworden om onze tijd te beschrijven zonder het woord ‘crisis’.
De Duitse historicus Reinhart Koselleck heeft er echter op gewezen dat dit alomtegenwoordige spreken over crisis een historisch fenomeen is dat eigen is aan de moderne tijd. Van de oudheid tot aan de vroegmoderne tijd werd het woord ‘crisis’ slechts in scherp omlijnde contexten gebruikt. In de geneeskunde verwees het naar de beslissende fase van een ziekte; in het recht en de politieke sfeer naar een moment waarop een beslissing moest worden genomen; en in de theologie naar het goddelijke oordeel. Pas vanaf de achttiende eeuw begint het begrip zich los te maken van deze concrete domeinen. Het migreert en wordt een vrijstaand historisch concept dat steeds ruimer wordt ingezet. Crisis duikt nu op in vrijwel alle aspecten van het menselijk leven: politiek, economie, cultuur, religie, wetenschap, technologie en zelfs de menselijke psyche. Zo groeit het uit tot een kernbegrip van de moderniteit. Sinds de achttiende eeuw vormt het dus een terugkerend motief in het politieke en historische discours, waarmee men de eigen tijd beschrijft als een periode van alomvattende onzekerheid en ontwrichting.
Volgens Koselleck heeft deze uitbreiding echter een paradoxaal effect: hoe meer we over crisis spreken, hoe moeilijker het wordt om nog precies te zeggen wat een crisis eigenlijk is. Juist door zijn alomtegenwoordigheid, wordt het crisisconcept steeds meer ongrijpbaar. Het heeft geen stabiele betekenis meer, maar verschuift afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt. Het inflatoire gebruik van het woord wijst dan ook niet noodzakelijk op één allesomvattende crisis, maar op een diffuse manier van spreken die het begrip zelf dreigt te leeg te maken van betekenis. Wanneer crisis overal tegelijk is, wordt ze vormloos; wanneer ze vormloos is, wordt ze ook moeilijk herkenbaar in haar concrete gedaanten. En dat heeft politieke gevolgen: een taal die alles als crisis benoemt, verplaatst onze aandacht van concrete problemen die om een onmiddellijk antwoord vragen naar een algemene atmosfeer van onrust. Het algemene crisisdiscours cultiveert instabiliteit en onzekerheid, maar verduistert tegelijkertijd waar precies geoordeeld en gehandeld moet worden. Het resultaat is niet alleen verwarring over wat een crisis eigenlijk betekent, maar ook een groeiende politieke verlamming.
Vanuit deze diagnose dringen zich twee vragen op. Hoe is dit hedendaagse crisisbegrip ontstaan, en waarom gaat het zo vaak gepaard met een gevoel van politieke machteloosheid? En wat betekent het om crisis anders te begrijpen, op een manier dat zij niet verlamt maar ons net op het politieke heroriënteert? Hier kan Hannah Arendt ons te hulp komen. Waar crisis in het hedendaagse discours vaak verschijnt als een allesomvattende toestand die ons overkomt, begrijpt Arendt crisis als het moment waarop geërfde antwoorden hun greep op de werkelijkheid verliezen en wij daardoor opnieuw worden teruggeworpen op denken, oordelen en handelen.
De diagnose van het moderne crisisbegrip
Om te begrijpen waarom ons hedendaagse spreken over crisis zo vaak gepaard gaat met een gevoel van politieke machteloosheid, moeten we dieper graven dan de actuele gebeurtenissen. Koselleck situeert de oorsprong van dit crisisbegrip in een verschuiving in het westerse historisch bewustzijn die zich rond het einde van de achttiende eeuw doorzet. Om dit uit te werken vertrekt hij van de eenvoudige antropologische observatie dat mensen altijd tussen verleden en toekomst leven. Het verleden toont zich als een ervaringsruimte: deze bestaat niet enkel uit persoonlijke herinneringen, maar ook uit het geheel van overleveringen, van tradities, instituties, voorbeelden en verhalen van waaruit een gemeenschap haar wereld begrijpt. De toekomst verschijnt als een verwachtingshorizon, die verwijst naar alles wat men van de toekomst verwacht, hoopt of vreest.
In premoderne constellaties liggen ervaringsruimte en verwachtingshorizon relatief dicht bij elkaar. De toekomst wordt in hoge mate gedacht vanuit het verleden: zij herhaalt, bevestigt of vervolmaakt wat reeds bekend is. Rond de achttiende eeuw begint dit te kantelen. Revoluties, wetenschappelijke doorbraken, economische en technologische veranderingen maken de toekomst onherkenbaar. Verwachting kan zich niet langer voeden aan ervaring. Er opent zich een kloof: wat ons te wachten staat laat zich niet meer afleiden uit wat ons is overkomen. De toekomst verschijnt als open, onbepaald, en vooral: als fundamenteel anders. Dit betekent niet alleen dat de toekomst onzeker wordt, maar ook dat zij de plaats wordt van historische verandering.
Deze nieuwe tijdservaring heeft een ingrijpend gevolg. Geschiedenis wordt niet langer opgevat als een relatief stabiele ruimte van ervaringen, maar als een open en versnellend proces. Tijd wordt zelf een dynamische kracht die de menselijke wereld voortdurend transformeert en naar een open toekomst voortstuwt. Koselleck noemt dit de temporalisering van de geschiedenis: steeds meer verschijnselen worden begrepen als historisch, als dragers van ontwikkeling. Instellingen, ideeën en politieke ordeningen verliezen hun aura van stabiliteit en verschijnen als episodes in een groter onderliggend proces.
Binnen dit kader wordt ook mogelijk wat Johannes Fabian het ‘temporaliseren van cultureel verschil’ heeft genoemd. Verschillende samenlevingen worden niet langer enkel gedacht als anders, maar als ‘vroeger’ of ‘later’. Zij worden geplaatst op een tijdsas van menselijke vooruitgang, waarbij gemeenschappen kunnen worden gecategoriseerd als ‘primitief’ of ‘beschaafd’. Het Westen presenteert zich hierbij als de norm van moderniteit waartegen anderen worden afgemeten. Het is dan ook weinig verrassend dat de opkomst van dit historisch denken nauw verweven is met het Europese imperialistische project van de negentiende eeuw.
Deze temporaliserende logica nestelt zich vervolgens in de politieke taal zelf. Concepten als geschiedenis, mensheid, en revolutie worden dynamische begrippen. Zij verwijzen niet langer naar concrete gebeurtenissen of personen, maar naar processen in beweging. Koselleck noemt ze collective singulars: abstracte concepten die enkel nog in het enkelvoud verschijnen, maar betrekking hebben op een collectief of universeel subject. Waar men vroeger sprak over concrete revoluties, spreekt men nu over De Revolutie. Waar men vroeger mensen zag, verschijnt nu enkel De Mensheid. Waar men vele afzonderlijke geschiedenissen vertelde, spreekt men nu over De Geschiedenis. Dit zijn, in de ogen van Koselleck, concepten die samen de structurele signatuur van de moderniteit vormen: ze onthechten zich van concrete actoren en gaan functioneren als dragers van de moderne bewegingslogica. Ook politieke kernwoorden, zoals democratie, liberalisme en socialisme, incorporeren deze logica en vervellen hiermee tot historische concepten.
Binnen deze nieuwe tijdservaring verandert ook de betekenis van crisis. Crisis wordt zelf een collective singular die tot de basisgrammatica van de moderne tijd behoort. Het begrip verwijst niet langer naar een beslissend moment, maar naar een historische categorie aan de hand waarvan men de eigen tijd interpreteert. Koselleck onderscheidt drie semantische modellen waarin dit moderne crisisbegrip verschijnt.
Ten eerste is er het model van geschiedenis als wereldlijk tribunaal. Hier wordt crisis het permanente medium waarin geschiedenis zichzelf voltrekt. Het verdict over gebeurtenissen ligt niet bij individuele mensen die oordelen, maar bij De Geschiedenis die later zal uitwijzen wie gelijk had, wie fout zat, wie aan de juiste kant stond, en wie naar de vuilnisbelt van de geschiedenis zal worden verwezen. De kern hierbij is niet dat betekenis pas achteraf verschijnt maar dat het oordeel wordt uitbesteed aan een autonoom proces. Het spreken in termen van ‘de geschiedenis zal het uitwijzen’ werkt als morele outsourcing: verantwoordelijkheid verschuift van concrete actoren in het heden naar een abstracte instantie.
Ten tweede is er het model van crisis als systeemstoring. Hier verschijnt crisis als de tijdelijke ontregeling van de normale procesgang. De crisis is slechts een hapering van het systeem. Menselijk handelen en oordelen is hier niet geheel uitgesloten, maar het wordt gereduceerd tot één soort handelen: technocratische herstelling. Experts moeten de storing diagnosticeren, het systeem stabiliseren en het proces opnieuw op gang brengen. Er is geen politieke deliberatie nodig en geen democratische beslissing. Alleen herstel zodat alles weer zijn normale gangetje kan gaan.
Ten derde is er het model van crisis als apocalyptische breuk. Hier wordt crisis gezien als een laatste, allesbeslissende omwenteling die een tijdperk afsluit: het einde van de geschiedenis. Ze verschijnt als onafwendbaar: we kunnen hoogstens schade beperken, maar de breuk zelf lijkt reeds beslist. Ook hier verdwijnt het oordeel: wie zich in een catastrofe-logica bevindt, kan enkel nog reageren. De toekomst verschijnt niet als open veld van handelen, maar als voorbestemde consequentie.
Ondanks hun onderlinge verschillen delen deze modellen één structuur. Telkens verschuift het beslissende moment weg van handelende mensen. In het eerste model oordeelt de geschiedenis; in het tweede herstelt het systeem zichzelf onder toezicht van experts; in het derde voltrekt de breuk zich met een noodlotslogica. Een crisis wordt zo geen gebeurtenis die burgers oproept tot oordelen en handelen, maar een symptoom van krachten die zich boven het politieke handelen lijken te voltrekken. We blijven gevangen in een modern denkkader dat crisis historiseert, homogeniseert en depolitiseert. Crisis wordt iets dat we ondergaan, beheren of afwachten en niet iets waarin wij zelf de verantwoordelijkheid moeten opnemen. Precies daarin schuilt het verlammende effect van het moderne crisisbegrip.
Krisis, kritiek en kairos
Maar oorspronkelijk betekende crisis precies het tegenovergestelde. Het woord gaat terug op het Griekse krisis, afgeleid van krinein: scheiden, onderscheiden, beslissen, oordelen. In de antiek Griekse context verwijst krisis naar een beslissend moment dat onherroepelijk om een oordeel vraagt. Oorspronkelijk werd het begrip gebruikt in medische en juridische contexten. In de Hippocratische traditie duidt crisis het kritieke stadium aan waarin nog onbeslist is of de zieke zal herstellen of sterven. Het is het moment waarop de arts moet oordelen over de situatie en beslissen hoe te handelen. In het antieke recht betekent krisis het oordeel dat in een rechtszaak wordt geveld. In beide gevallen staat de noodzaak van een oordeel en een beslissing centraal.
Belangrijk is bovendien dat crisis en kritiek in deze wereld nog niet uit elkaar vallen. Het objectieve moment van crisis en de subjectieve kritiek worden door dezelfde etymologische kern van krinein gedragen. Crisis is al oordeel. Vanuit deze betekenis krijgt het begrip ook politieke strekking. In de Atheense polis betekent krisis het oordeel dat burgers vellen wanneer zij samen beslissen over gemeenschappelijke zaken. Alleen wie deelneemt aan het oordelen en beslissen kan werkelijk burger zijn. Crisis verwijst hier dus naar een moment waarin burgers gedwongen worden verantwoordelijkheid te nemen en hun oordeelsvermogen te gebruiken.
De antieke Grieken begrepen crisis bovendien temporeel. Naast krisis, het oordeel dat een situatie beslist, kennen zij kairos, het juiste, beslissende moment om te handelen. In de geneeskunde komt dat scherp naar voren. Ziekte doorbreekt chronos, de gewone tijd. Er tekent zich een kritieke fase af waarin het juiste ingrijpen het verschil maakt. Krisis is het oordeel dat snijdt; kairos het opportune moment om dat oordeel in handelen om te zetten. De kern is: crisis is niet een toestand, maar een beslissend ogenblik waarin oordeel en handelen samenkomen.
Deze oorspronkelijke structuur legt het contrast met de moderniteit des te scherper bloot. In de Griekse wereld verschijnt een crisis als een moment waarop iemand moet oordelen en handelen onder druk van de tijd en ligt het beslissende moment altijd bij concrete actoren: arts, rechter, burger. In de moderniteit wordt dat beslissende moment uit de handen van individuen genomen en het verschuift naar processen: geschiedenis, systeem, noodlot. Waar crisis oorspronkelijk oordeel vereiste, verschijnt zij in de moderniteit steeds vaker als een proces waarin oordeel wordt opgeschort. Crisis wordt zo, paradoxaal genoeg, een crisis zonder oordeel.
Arendt: crisis als denkruimte en politieke onontkoombaarheid
Het is precies tegen deze verbastering van het crisisbegrip dat Hannah Arendt haar eigen interpretatie van crisis ontwikkelt. Als het moderne crisisbegrip het oordeel, de verantwoordelijkheid en het initiatief uit handen van mensen neemt, dan biedt Arendt een radicaal andere manier om crisis te begrijpen; een begrip dat ons juist terugbrengt naar denken, oordelen en handelen.
Voor Arendt heeft een crisis altijd twee gezichten: ze is gevaar én mogelijkheid. Het gevaar is evident. Een crisis is het moment waarop zekerheden wegvallen. De concepten en categorieën die normaal onze ervaring ordenen beginnen te haperen. De vertrouwde kaders waarmee wij gebeurtenissen interpreteren verliezen hun overtuigingskracht. Hiermee stort een stuk van onze gemeenschappelijke wereld in. We raken gedesoriënteerd. De crisis maakt ons kwetsbaar, niet alleen omdat ze instabiliteit brengt, maar omdat ze het fundament aantast van waarop we de werkelijkheid als gemeenschappelijk kunnen ervaren.
Maar precies die ontwrichting opent ook een mogelijkheid. Wanneer de façades van routine en traditie wegvallen, worden de vragen weer zichtbaar die onder de traditionele antwoorden schuilgingen: de fundamentele vragen van het menselijk samenleven. Wat wij als tijdloze waarheden hadden beschouwd, blijken plots historische antwoorden te zijn. Antwoorden die ooit overtuigend waren, en die wij gaandeweg zijn gaan behandelen alsof ze onveranderlijke waarheden waren. Een crisis maakt zichtbaar dat deze versteende antwoorden niet langer voldoen. Zij dwingt ons opnieuw te oordelen, zonder steun van routine of autoriteit.
Arendt beschrijft de crisis als een vreemde tussenperiode waarin het verleden zijn autoriteit heeft verloren, terwijl de toekomst nog geen herkenbare vorm heeft aangenomen. Het voelt als een soort niemandsland tussen het niet-meer en het nog-niet. Wat gisteren nog richting gaf aan ons handelen heeft zijn kracht verloren, maar wat morgen richting zal geven is nog niet zichtbaar. In zo’n moment lijkt de tijd zelf opengebroken: continuïteit wordt interval. De vanzelfsprekendheid waarmee verleden en toekomst elkaar normaal opvolgen wordt onderbroken.
Deze tussenruimte heeft voor Arendt twee dimensies. Enerzijds is het een concrete historische ervaring. Soms opent zich in de geschiedenis een werkelijk breukmoment waarin de tijd zelf lijkt te haperen. Revoluties, regimewissels of grote politieke omwentelingen kunnen zo’n interval creëren. Anderzijds legt ze iets existentieels bloot: een denkruimte die altijd al bestond, maar doorgaans toegedekt wordt door traditie. Zolang traditie functioneert, overbrugt zij de kloof tussen verleden en toekomst met kant-en-klare antwoorden. Denken is dan optioneel en veel mensen zullen het vermijden. Maar wanneer de brug instort, wordt die kloof voor iedereen een politieke realiteit. We worden dan allemaal gedwongen in deze tussenruimte tussen verleden en toekomst te leven waarin we niet langer kunnen teren op geleende oordelen.
Daarom legt crisis volgens Arendt drie dingen bloot. Ten eerste, onze vanzelfsprekendheden zijn geen natuurwetten. Wat wij als tijdloze waarheden beschouwden, waren altijd al antwoorden op concrete historische vragen. Een crisis doet die vragen terugkeren en confronteert ons met de werkelijkheid zonder beschermende interpretatiekaders. Ten tweede, denken en oordelen kunnen niet langer worden uitbesteed: niet aan traditie, niet aan experts, niet aan De Geschiedenis. Ten derde, crisis is altijd politiek, omdat ze raakt aan wat wij delen: aan de structuur van de gemeenschappelijke wereld. Zij gaat nooit alleen over technische problemen of administratieve oplossingen. Zij raakt aan de vraag hoe wij samen willen leven en welke wereld wij met elkaar willen delen.
Een crisis is daarom niet louter verstoring; ze is het moment waarop het vermogen om zelf te denken en te oordelen opnieuw zichtbaar wordt. Maar precies hier schuilt opnieuw gevaar. Arendt waarschuwt dat twee instinctieve reacties een crisis kunnen doen kantelen in catastrofe: nostalgie en inertie. De nostalgie vlucht terug naar een geïdealiseerd verleden. De inertie vlucht in het blind vooruitgaan. Het vertrouwt op processen of experts. Het houdt vast aan routines en doet alsof de crisis ons dagelijkse bestaan niet werkelijk zal raken. Beiden vermijden datgene wat crisis vraagt: aanwezig zijn in het heden, weerstand bieden aan de druk van verleden en toekomst, en de denkruimte betreden.
Denken vormt daarbij de eerste stap want het is een vorm van verzet tegen de vanzelfsprekendheid van overgeleverde antwoorden. Het is een weigering om de werkelijkheid te reduceren tot vertrouwde interpretaties. Maar denken alleen volstaat niet. Het politieke begint pas wanneer we oordelen én vervolgens handelen en spreken. Alleen door samen te spreken en te handelen kunnen we de gemeenschappelijke wereld die door de crisis is aangetast opnieuw opbouwen. Een crisis breekt de normale tijd open en maakt ons gevoelig voor de schok van de werkelijkheid, een werkelijkheid die zich niet langer wil voegen naar onze verwachtingen. Er ontstaat een beslissingsmoment waarin we opnieuw moeten beslissen hoe wij als politieke gemeenschap verder willen.
Het is daarom een kairotisch moment van waarheid. Durven wij de breuk te erkennen? Durven wij onze zekerheden los te laten en opnieuw te oordelen over wat er gebeurt? Pas wanneer wij de breuk erkennen, wordt ook de mogelijkheid van een nieuw begin zichtbaar. Aan de hand hiervan kunnen we twee conclusies trekken over de politieke betekenis van crisis. Ten eerste is een crisis altijd een oproep tot denken en oordelen. Wie weigert gehoor te geven aan dat appel, maakt van de crisis een catastrofe. Wie er wel op ingaat, opent de mogelijkheid van een nieuw begin. En ten tweede is crisis een moment van politieke onontkoombaarheid. Iedereen wordt erin betrokken. Het oordeel kan niet worden uitgesteld tot wat De Geschiedenis later zal beslissen. Het kan niet worden uitbesteed aan een delegatie van experts of aan historische noodzaak. Een crisis dwingt tot respons: eerst in denken en oordelen, en vervolgens in handelen en spreken.
Wat betekent dit nu voor vandaag? Ons hedendaagse crisis-denken blijft vaak gevangen in de logica van historische processen en systeemdynamieken. Crisis verschijnt als iets dat gemanaged moet worden, maar zelden als een moment dat burgers zelf tot oordeel oproept. Arendt doorbreekt dat. Voor haar is een crisis een reality shock die de façades afbreekt en ons terugbrengt naar de fundamentele vragen van het samenleven. Het is een breuk met traditie, begrippen en vooroordelen en precies daarom ook een kans. Want in dat moment keren denken en oordelen terug naar waar ze altijd thuishoren: bij onszelf. Crisis is voor Arendt dan ook niet het einde van politiek. Integendeel, een crisis is het moment waarop politiek voor iedereen onontkoombaar wordt.
Deze tekst is de uitgebreide versie van een presentatie die gegeven werd op het UCSIA-Colloquium: Denken als revolte in tijden van crisis – Hannah Arendt en Albert Camus op 11.12.2025.
Literatuur
Hannah Arendt, Between Past and Future. Eight Exercises in Political Thought, Penguin, New York, 2006.
Helge Jordheim and Einar Wigen, ‘Conceptual Synchronisation: From Progress to Crisis’ in Millenium: Journal of International Studies, 46(3) 2018, blz. 421-439.
Reinhart Koselleck, The Practice of Conceptual History. Timing History, Spacing Concepts, Stanford University Press, Stanford, 2002.