Juist nu het wereldnieuws wordt beheerst door twee grootschalige oorlogen – tussen Rusland en Oekraïne, respectievelijk tussen Israël en de Verenigde Staten enerzijds en Iran anderzijds – is het leerzaam de autobiografie van de Engelse filosoof, historicus en archeoloog R.G. Collingwood (1889-1943) te herlezen. In dit boek, eenvoudig getiteld An Autobiography (1939), gaat hij onder veel meer in op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hij beschrijft deze oorlog sarcastisch als
een ongekende triomf voor de natuurwetenschappen. Bacon had beloofd dat kennis macht zou zijn, en macht was zij: de macht de lichamen en geesten van mensen sneller te vernietigen dan ooit eerder door menselijk toedoen was bewerkstelligd. Deze triomf baande de weg voor nieuwe triomfen: verbeteringen in het vervoer, in sanitaire voorzieningen, in chirurgie, geneeskunde en psychiatrie, in handel en industrie, en, bovenal, in voorbereidingen op de volgende oorlog.[1]
Maar de oorlog was naar zijn mening eerst en vooral een ongekende blamage voor de menselijke geest: hij was ontstaan, niet omdat iemand daadwerkelijk oorlog wilde, maar omdat de situatie volledig uit de hand was gelopen.
Dit was volgens Collingwood uiteindelijk het gevolg van een opmerkelijke tegenstelling die hij zag binnen de Westerse beschaving: het succes in het vermogen bijna elke situatie te beheersen waarin de componenten natuurlichamen zijn en de krachten natuurkrachten, en het onvermogen die situaties te beheersen waarin de componenten mensen zijn en de krachten geesteskrachten (ofwel het menselijk denken). Dit verschil nu verklaart Collingwood daaruit, dat de natuurwetenschappen vanaf het begin van de moderne tijd een enorme vlucht hadden genomen, terwijl de aandacht voor de ontwikkeling van een tegenhanger op het gebied van het begrijpen en beheersen van menselijk gedrag juist door het overschaduwende succes van de natuurwetenschappen was achtergebleven. Toch bestond die tegenhanger zijns inziens wel degelijk: de geschiedwetenschap. Collingwood benadrukt dat geschiedenis een wetenschap is, maar een wetenschap met een eigen karakter, wezenlijk verschillend van de natuurwetenschappen. En volgens deze Engelse filosoof is de geschiedwetenschap het paradigma voor alle humaniora. (Vakken als sociologie, antropologie, politicologie, psychologie of criminologie zijn volgens deze opvatting dus in wezen historische vakken – en volgens Collingwood was niets zo funest voor deze disciplines als pogingen ze ‘wetenschappelijker’ te maken door daarin methoden uit de natuurwetenschappen toe te passen. Om deze reden fulmineerde hij bijvoorbeeld tegen de psychologie van zijn eigen tijd, die voor een belangrijk deel precies die benadering volgde.) En waar de natuurwetenschappen zijn gericht op het verklaren van verschijnselen, is de geschiedwetenschap gericht op het begrijpen van menselijk gedrag. Want menselijk gedrag kan immers niet worden verklaard in de natuurwetenschappelijke zin van het woord, het kan alleen worden begrepen. Wat noodzakelijk was geweest aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – en wat tegenwoordig onverminderd noodzakelijk is – is daarom ‘niet meer goede wil en liefde tussen mensen, maar meer begrip van menselijke aangelegenheden en meer kennis van hoe ermee om te gaan’,[2] aldus Collingwood. Dit houdt overigens niet in dat hij teruggrijpt op de klassieke idee van historia magistra vita (geschiedenis als leermeesteres van het leven): het verleden is geen vat vol voorbeelden waaruit naar believen kan worden geput om aan de hand daarvan problemen in het heden te benaderen en op te lossen. Evenmin biedt de geschiedschrijving regels voor het handelen in allerlei uiteenlopende situaties. Maar geschiedschrijving biedt wel inzicht: inzicht dat helpt bij het handelen in situaties waarin juist niet kan worden teruggegrepen op regels en richtlijnen van welke aard ook.
In haar onlangs verschenen boek Why Collingwood Matters wijst de Engelse filosofe Giussepina d’Oro op het grote belang en vooral ook de onverminderde actualiteit van deze opvattingen van Collingwood. Menselijk gedrag kan – zo benadrukt zij met Collingwood – niet natuurwetenschappelijk worden verklaard, het kan alleen worden begrepen; en het kan alleen worden begrepen vanuit zijn specifieke historische context, en daarin moet het perspectief van de betrokken tijdgenoten worden meegenomen. Zij gebruikt in haar boek een even eenvoudig als verhelderend voorbeeld. Als we willen begrijpen waarom een grote groep mensen, bijeen op het St. Pietersplein in Rome, begint te juichen als er witte rook uit een bepaalde schoorsteen komt, kunnen we dit gedrag enkel begrijpen als we weten dat de witte rook voor de aanwezigen de aankondiging inhoudt dat er een nieuwe paus is gekozen. Deze gebeurtenis kunnen we alleen begrijpen in termen van menselijk gedrag, niet door middel van de (natuur-)wetenschappelijke methode. Hetzelfde geldt voor het in de filosofie van de geschiedenis klassieke voorbeeld van Julius Caesar die de Rubicon overstak: die handeling begrijpen we alleen als we weten dat dit voor zijn tijdgenoten niet zozeer het oversteken was van een smal en geografisch nogal onbeduidend riviertje, als wel het passeren van een grens die Romeinse generaals niet mochten passeren, en daarmee een ernstige inbreuk op de wet, zelfs niets minder dan een staatsgreep.
Anders dan Collingwood spreekt D’Oro niet van ‘historisch begrijpen’ (historical inderstanding), maar van ‘humanistisch begrijpen’ (humanistic understanding). Daarmee benadrukt zij enerzijds dat dit ‘humanistisch begrijpen’ niet beperkt blijft tot het begrijpen waarnaar de geschiedwetenschap als discipline streeft, maar dat het in beginsel identiek is aan de wijze waarop we het gedrag van anderen in het dagelijks leven (proberen te) begrijpen. En anderzijds beklemtoont zij daarmee, dat evenmin als natuurverschijnselen kunnen worden begrepen volgens de benadering van de historische wetenschappen, menselijk gedrag kan worden begrepen volgens de benadering van de natuurwetenschappen. Wordt het eerste algemeen aanvaard – niemand probeert het vallen van een appel uit een boom te verklaren door te vragen naar de precieze beweegredenen van deze appel; de wet van de zwaartekracht volstaat –, het tweede moet, merkwaardig genoeg, steeds opnieuw worden beargumenteerd en verdedigd. (Zo tegenwoordig bijvoorbeeld tegen de opvattingen van hersenonderzoekers die aan het gegeven dat hersenactiviteit temporeel voorafgaat aan het in gedrag of woord uitdrukken van een besluit, de conclusie verbinden dat die hersenactiviteit dit besluit veroorzaakt en zelfs inhoudelijk bepaalt, ofwel dat menselijk gedrag wordt gedetermineerd door het brein. Deze redenering doet verdacht veel denken aan de klassieke drogreden post hoc, ergo propter hoc. Dat op grond hiervan vervolgens het bestaan van de vrije wil wordt ontkend, lijkt dan ook geenszins gerechtvaardigd. Van inhoudelijk begrip van gedrag op grond van hersenactiviteit is ook geen enkele sprake. Onderzoek naar hersenactiviteit toont, bijvoorbeeld, dat een proefpersoon reageert op het zien van een schilderij, maar de hersenonderzoeker kan op grond van het louter waarnemen van die hersenactiviteit niet aangeven of die proefpersoon het schilderij mooi of lelijk vindt, laat staan waarom. Hoe nuttig hersenonderzoek vanuit geneeskundig oogpunt ook is, aan het begrijpen van menselijk gedrag draagt het weinig tot niets bij.)
Hoe zorgvuldig D’Oro haar argumentatie ook opbouwt, hoe overtuigend haar pleidooi ook is, in één opzicht lijkt haar interpretatie van Collingwood bepaald discutabel. In hoofdstuk 6, ‘The past as it always was’, suggereert zij dat het volgens Collingwood mogelijk is het verleden te kennen zoals het was. Zo probeert zij aan te tonen dat Collingwood wezenlijk verschilt van hedendaagse zogeheten constructivisten, die stellen dat ons beeld van het verleden een constructie is op grond van sporen die het verleden heeft nagelaten; dat we die constructie niet kunnen vergelijken met het verleden, dat immers voorbij is; en dat hiervan uiteindelijk de consequentie is dat de idee van waarheid met betrekking tot de geschiedschrijving moet worden opgegeven. Maar Collingwood was, anders dan D’Oro stelt, zelf bij uitstek een constructivist, getuige bijvoorbeeld zijn uitspraak dat ‘history is what the evidence obliges us to believe’[3] (‘het verleden is wat het bewijsmateriaal ons dwingt aan te nemen’). Het verleden is zo iets dat wordt gedacht, dat in en door het denken wordt geconstrueerd, en dat alleen in ons denken bestaat. Maar Collingwood verschilt daarin van hedendaagse constructivisten, dat hij anders dan zij de idee van waarheid in de geschiedschrijving niet wil opgeven. Maar waarheid in de geschiedschrijving kan nooit een vorm van correspondentie zijn tussen het verleden zoals het was en het beeld dat we ervan opbouwen: omdat het verleden voorbij is, kunnen we de constructie nu eenmaal niet met het verleden vergelijken. Daarom ontwikkelt Collingwood een specifieke opvatting van waarheid met betrekking tot de geschiedschrijving: waarheid in de geschiedschrijving slaat op de verhouding tussen het beeld van het verleden en het gebruikte bewijsmateriaal. Het beeld van het verleden dat wordt opgebouwd op grond van het beschikbare bewijsmateriaal wordt voorlopig voor waar aangenomen tot het plaats moet maken voor een ander beeld, dat ofwel berust op een betere interpretatie van datzelfde bewijsmateriaal, ofwel op een interpretatie waarin aanvullend, nieuw ontdekt bewijsmateriaal wordt gebruikt. Discussies tussen historici betreffen in de praktijk niet toevallig dan ook veelal de vraag, of een bepaald beeld van het verleden al dan niet wordt gerechtvaardigd door de interpretatie van het gebruikte bewijsmateriaal. Het beeld van het verleden dat het meest dwingend is afgeleid uit het voorhanden bewijsmateriaal is wat we voor waar houden – ofwel wat we (ten minste voorlopig) voor het verleden houden. Kortom, Collingwood was ervan overtuigd dat het verleden zoals het zich daadwerkelijk heeft afgespeeld niet kenbaar is, maar daaraan verbindt hij niet de conclusie dat de idee van waarheid in de geschiedschrijving moet worden opgegeven – deze idee moet met betrekking tot de geschiedschrijving fundamenteel anders worden opgevat.
Dit punt van kritiek laat onverlet, dat Giussepina d’Oro met Why Collingwood Matters een belangrijk boek heeft geschreven. Het draagt bij aan het verhelderen van wat begrijpen in de geschiedwetenschap inhoudt, en bij uitbreiding wat het inhoudt in alle historische wetenschappen en in het dagelijks leven. En daarmee werpt zij ook een verhelderend licht op wat menselijk handelen is – en alleen menselijk handelen kan een uitweg brengen uit de problemen waarmee de hedendaagse wereld kampt: oorlogen, maar bijvoorbeeld ook de klimaatcrisis. Collingwood vergelijkt de historicus met een boswachter. De stedeling die met een boswachter een bos bezoekt, wordt gewezen op allerlei dingen – sporen van dieren, bijzondere planten, soms zelfs ook dieren – die de boswachter met zijn of haar geoefende oog wel ziet, maar de stedeling niet. Zo ook ziet de historicus met zijn of haar geoefende oog beter wat er in een historisch gegroeide situatie aan de hand is, wat er nog wel en wat er niet meer aan oplossingen mogelijk is. Precies daarin is volgens Collingwood de betekenis, zelfs het belang van historische kennis gelegen; en ‘historisch begrijpen’ maakt het wezen van historische kennis uit.
Het is bijzonder belangrijk, dat D’Oro door middel van dit heldere en toegankelijke boek de opvattingen van Collingwood opnieuw onder de aandacht brengt. In de huidige tijd hebben zij niet alleen actualiteitswaarde, kennis ervan is misschien wel noodzakelijker dan ooit.
Giussepina d’Oro, Why Collingwood Matters. A Defence of Humanistic Understanding, Bloomsbury, Londen, 2025, 234 blz, ISBN 1350428620, € 35,00
[1] R.G. Collingwood, An Autobiography, Oxford University Press, Oxford, 1939, blz. 90.
[2] A.w., blz. 92.
[3] R.G. Collingwood, The Idea of History, revised edition, edited with an introduction by Jan van der Dussen (Oxford etc. 1993), blz. 438.