‘Een van de twee Spanjes zal je hart doen verstarren…’

Over Vincent Scheltiens Ortigosa, Onvoltooid verleden[1]

 

‘When it is possible, by all means let societies remember, provided
of course (…) remembering does not engender further horrors’.

David Rieff, In Praise of Forgetting

 

 

26 april 1937. De Spaanse burgeroorlog woedt in alle hevigheid. Vliegtuigen van het Duitse Condorlegioen, dat de opstand steunt, gooien gedurende drie uur hun bommen op de Baskische stad Guernica of Gernika-Lumo. Over het precieze aantal slachtoffers redetwisten historici nog altijd, maar de ravage is enorm en de stad wordt symbool van het uitzinnige geweld dat de opstandelingen, met de hulp van nazi-Duitsland en fascistisch Italië, over het land brengen. De bommen die de burgerbevolking terroriseren kondigen de massale bombardementen aan die een paar jaar later Coventry, Rotterdam, Hamburg en vele andere steden zullen treffen. De picturale uitdrukking die Picasso aan de vernietiging zal geven en die nu te zien is in het Reina Sofia museum in Madrid is een cultureel icoon geworden.

26 april 2025. In Gernika-Lumo brengen koning Felipe VI en de Duitse president Walter Steinmeier een hulde aan de slachtoffers. Het is de eerste keer dat een Duits staatshoofd deelneemt aan de plechtigheid. Maar die verloopt niet rimpelloos. Op de muren van de stad is te lezen: ‘We willen vrijheid’ en “Weg met de koning’. Bildu, een federatie van linkse partijen die naar een onafhankelijk Baskenland streven, weigert deel te nemen aan de hulde omdat, zo luidt het, de monarch ‘de erfgenaam is van de verantwoordelijken van het bombardement.’ De voorzitter van de onafhankelijkheidspartij PNV (Partido Nacionalista Vasco), die ideologisch in het centrum staat, herinnert eraan dat Felipe VI zijn troon te danken heeft aan dictator Franco en eist dat ook hij, net als de Duitse president zijn excuses zal aanbieden.[2]

De rel zegt veel over Spanje vandaag en is een illustratie van de titel die Vincent Scheltiens koos voor zijn recente boek: Onvoltooid verleden. Want als er een land is waar het verleden zo hevig kan oplaaien en zo sterk de hedendaagse politiek blijft bepalen, dan is het wel Spanje. De burgeroorlog van 1936 tot 1939, die ongeveer een half miljoen slachtoffers maakte, en de daaropvolgende bijna veertig jaar durende dictatuur leidden tot diepe kloven tussen Spanjaarden in functie van ideologische en nationale breuklijnen. Ook vandaag nog bepalen die jaren de ideologische overtuiging en het stemgedrag van de erfgenamen van de protagonisten van toen: wie voorouders heeft die partij kozen voor de rebellen en later voor de dictatuur stemt vaak voor de conservatieve Partido Popular of het extreemrechtse Vox; wie republikeinse grootouders heeft stemt links, in het bijzonder voor de socialistische partij PSOE.

 

De aard van het regime

Historicus Vincent Scheltiens Ortigosa schreef een vlot leesbaar, goed geïnformeerd overzicht van de Spaanse geschiedenis van de laatste eeuw, vanaf de uitroeping van de Tweede Republiek in april 1931, de burgeroorlog en de veertig jaar durende dictatuur, de transición naar de democratie in de late jaren zeventig, tot de hedendaagse situatie. Als nakomeling van republikeinen is hij persoonlijk betrokken bij het onderwerp, wat hem er niet van weerhoudt de nodige historische afstand te bewaren. Hij veroordeelt de Franco-dictatuur – wat iedereen die de democratie genegen is zal doen – maar benoemt ook de republikeinse terreur: zo heeft hij het over de naar schatting 7000 vermoorde geestelijken en stelt hij vast dat in het kamp van de wettelijke regering 45.000 franquisten of personen met een rechts etiket slachtoffer waren van politieke terreur, terwijl de franquisten naar schatting 155.000 opposanten liquideerden (blz. 38) – waarbij moet vermeld worden dat de ‘nacionales’, zoals ze zichzelf noemden, meer tijd hebben gehad.

De auteur gaat ook in op de vraag die historici vandaag nog bezighoudt over de aard van het regime. Was de Franco-dictatuur fascistisch? Totalitaristisch, zoals nazi-Duitsland en de Sovjetunie? Neigde ze naar ‘cesarisme’ of ‘bonapartisme’? Of ging het om een ‘modern despotisme’?[3] Historici en politicologen breken zich al lang het hoofd over de precieze omschrijving van het regime. Om te beginnen moeten we rekening houden met zijn lange duur, een veertig jaar. Het kan dus niet anders dat het een evolutie kende: zelfs autoritaire politieke stelsels veranderen in de tijd. Scheltiens onderscheidt drie stadia, van het ‘eerste franquisme’ naar een fase van liberalisering en uiteindelijk van een ontbinding – het ‘tardofranquismo’ – die samenging met de verslechterde gezondheidstoestand van de dictator in het begin van de jaren zeventig.

De auteur stelt dat het eerste franquisme, dat zich ontwikkelde tussen 1939 en 1959, een ‘zware falangistische stempel’ had – de ‘Falange’ was de fascistische partij van José Antonio Primo de Rivera, die in het begin van de oorlog werd geëxecuteerd door de republikeinen. Het klopt dat de opstandelingen tijdens de burgeroorlog en het begin van de jaren veertig aanschurkten tegen het fascisme. Doel was de oprichting van een ‘nationaalsyndicalistische’ staat, waarbij Franco zelf een fascistische retoriek hanteerde en niet aarzelde het adjectief ‘totalitario’ te gebruiken.[4] Toch bestonden er ook toen al spanningen tussen falangisten en het leger en op het einde van 1939 planden radicale elementen in de Falange een moordpoging op Franco.[5]

Dat de partij van Primo de Rivera ‘een zware stempel’ had op het regime tot 1959 lijkt me echter betwistbaar. Zeker vanaf 1943, het ogenblik waarop de krijgskansen in de Tweede Wereldoorlog keren, neemt Franco afstand van de fascistische, pro-nazi vleugel in zijn regime,[6] die uit veel families bestond: falangisten, zeker, maar ook monarchisten, katholieken, carlisten en natuurlijk het leger. De geschiedenis van het franquisme is er dan ook een van een voortdurende evenwichtsoefening tussen die verschillende tendensen. Overigens liet Franco geen traan over de dood van Primo de Rivera: de republikeinen hadden de latere dictator een dienst bewezen door een ambitieuze concurrent uit de weg te ruimen.[7]

Kortom, het klopt dat het regime in de eerste jaren aanleunde bij de Falange, maar als eenmaal duidelijk is dat Duitsland en Italië de oorlog zullen verliezen krijgt Franco’s opportunisme – een van zijn belangrijke karaktertrekken – de bovenhand. Het franquisme wordt dan een reactionaire, klerikale dictatuur die door socioloog Juan Linz in 1964[8] als een ‘autoritair regime’ werd omschreven, met een beperkt intern pluralisme, dat geen sterke ideologische eisen stelde maar een archaïsche, conservatief katholieke mentaliteit bevorderde en waar de Falange de concurrentie moest aanvaarden van leger en kerk. Maar ook deze omschrijving is niet het laatste woord: Scheltiens kritiseert ze omdat ze de dictatuur zou minimaliseren en geen rekening houdt met het verzet ‘van onderuit en buitenaf’ (blz. 43) dat een belangrijke rol speelde in de zwanezang van het franquisme.

 

Transición of ruptura?

Wat is het Spaanse probleem? Volgens Vincent Scheltiens zit er een systeemfout in de Spaanse democratie, die verantwoordelijk is voor alle dysfuncties van vandaag: de afwezigheid van een duidelijke breuk, een ruptura, in de overgang van dictatuur naar democratie, zoals die heeft plaatsgevonden in de late jaren zeventig. Welke zijn die dysfuncties? Een endemische corruptie, de convergentie tussen rechts en extreemrechts, het feit dat de media overwegend in handen van de rechterzijde zijn, de beperking van het recht op vrije meningsuiting. Ook de Spaanse socialisten ontsnappen niet aan de kritiek: tegenover de toegenomen assertiviteit van het Catalaanse en Baskische nationalisme bijvoorbeeld heeft ook de PSOE het dominante Spaans nationalisme overgenomen dat, volgens de auteur, teruggaat tot ‘Franco’s hypernationalisme’ (blz. 201).

Al deze problemen zouden het gevolg zijn van de manier waarop de overgang naar de democratie vanaf 1975 werd georganiseerd – of mismeesterd? –  door politici die uit het franquisme, socialisme en communisme kwamen. Daarbij moeten we de amnestiewet van oktober 1977 vermelden, die de spons haalde over alle politieke misdrijven begaan tot die datum. Eerlijkheidshalve vermeldt Scheltiens dat vooral links vragende partij was voor een amnestie: de Alianza Popular, een partij van nostalgici van de dictatuur, onthield zich omdat ze vreesde dat de wet terroristen zou aanmoedigen (blz. 126). Maar vandaag betreuren progressieven de stellingname van hun voorgangers: de wet leidde tot wat Spanjaarden de ‘pacto del olvido’ noemen, het ‘vergeetpact’, in de hoop zo een vreedzame overgang naar democratie te bewerkstelligen.[9]

Vincent Scheltiens schetst een donker beeld van het hedendaagse Spanje en dat heeft alles te maken met de volgens hem slecht geconcipieerde politieke overgang van de tweede helft van de jaren zeventig. Hij verwerpt dan ook de amnestie en het vergeetpact en stelt dat de republiek meteen had moeten worden uitgeroepen (blz. 190). Hadden de Bourbons zich niet voor goed gediskwalificeerd toen koning Alfonso XIII in 1931 op eigen initiatief het land verliet? Was Juan Carlos niet als opvolger aangeduid door Franco zelf? Het herstel van de monarchie is dan ook, schrijft de auteur, een ‘postuum succes’ van de dictator.

De republiek uitroepen op het einde van de jaren zeventig? Zou het door het regime geknede leger dat geslikt hebben? Als ik me een kleine persoonlijke uitweiding mag veroorloven, mijn eerste kennismaking met Spanje gaat terug tot de zomer van 1976, in die wazige periode tussen de dood van de caudillo, op 20 november van het jaar daarvoor, en de eerste democratische verkiezingen in juni 1977. Ik was net twintig, studeerde Romaanse talen en om mijn Spaans te oefenen verbleef ik een maand in León, in een gastgezin waarvan de vader een gepensioneerde guardia civil was. Mijn kennis over het land, de burgeroorlog, de dictatuur was toen uiterst beperkt, maar ik herinner me nog levendig de bijzondere, drukkende sfeer in de straten van de provinciestad met haar prachtige kathedraal. Je voelde dat er iets in de lucht hing dat zich niet volledig kon uiten. De dochters van mijn gastgezin, die rond de 17 waren, hadden een plaat op de kop getikt met de Internationale die ze lieten weerklinken, enkel om hun vader te jennen en het werkte: de man ging door het lint. Met een loodjesgeweer schoten de oudste zoon en ik op muntjes van vijf pesetas met de beeltenis van de dictator en het opschrift ‘Francisco Franco Caudillo de España por la Gracia de Dios’. Maar ik herinner me vooral de onzekerheid over wat op til was en een diffuse angst. Op straat zag ik groepjes jongeren vlugschriften uitdelen van linkse organisaties. Maar dat gebeurde niet zoals bij ons, rustig en beheerst: ze liepen schichtig over straat, duwden snel het pamflet in de handen van voorbijgangers en haastten zich weg. Tenslotte waren de wetten van Franco nog in voegen. Ik voelde voor het eerst aan den lijve het verschil tussen leven in democratie en in dictatuur.

Mijn ervaring is anekdotisch, maar zegt iets over het klimaat van de tijd: Spanjaarden waren als de dood dat het verdwijnen van de dictator zou leiden tot een nieuwe coup of burgeroorlog en wilden alles doen om het donkere scenario te vermijden, dat bijna werkelijkheid werd op 23 februari 1981 toen kolonel Tejero met zijn soldaten het parlement binnenstormde en gegijzeld hield. Het is belangrijk een poging te doen je in te leven in de tijd om te begrijpen hoe vers de burgeroorlog nog in het geheugen lag. Tenslotte hadden op het ogenblik van mijn eerste bezoek aan het land alle Spanjaarden ouder dan 45 haar bewust meegemaakt. Het was dan ook onvoorstelbaar dat voormalig gezworen aartsvijanden, franquisten, communisten en socialisten, samen konden zitten om vreedzaam tot een compromis te komen waarbij iedereen onvermijdelijk water in de wijn moest doen. Vandaar de amnestie, vandaar het bewuste vergeten.[10]

De overgang naar de democratie is relatief vlot verlopen, hoewel Vincent Scheltiens eraan herinnert dat het land een ‘ware stakingsgolf’ (blz. 131) kende tussen 1976 en 1980 en geweld niet van de lucht was: tussen Franco’s dood en 1982 verloren 498 personen het leven bij terroristische aanslagen, vooral gepleegd door de Baskische afscheidingsbeweging ETA, maar ook door extreemrechtse en extreemlinkse organisaties.[11] Maar de rekeningen uit het verleden werden niet vereffend en dat speelt vandaag op, bijvoorbeeld in de kwestie van de massagraven. Er liggen vandaag nog altijd meer dan 100.000 slachtoffers van de franquistische repressie tijdens en net na de burgeroorlog in massagraven verspreid over het hele land. Noch de socialistische noch de conservatieve regeringen zijn er in geslaagd opgravingen te organiseren om eindelijk, na zoveel jaren, te pogen een naam te geven aan de slachtoffers en hen in hun waardigheid te herstellen. Wie een voorouder heeft in een fosa común zal, begrijpelijk, weinig ontvankelijk zijn voor een discours van verzoening en vergeten.

Om tegemoet te komen aan die en andere verzuchtingen stemde de regering van socialist Zapatero in 2007 de Ley de la Memoria histórica, de wet over de historische herinnering. Die veroordeelde het Franco-regime, erkende de slachtoffers van burgeroorlog en dictatuur en eiste de toen nog zeer aanwezige franquistische symboliek in de openbare ruimte te verwijderen.[12] Wat de massagraven betreft erkende ze het recht om opgravingen uit te voeren, maar met beperkte ondersteuning door de staat. De wet van 2007 werd vijftien jaar later geamendeerd onder het premierschap van Pedro Sánchez met de Ley de la Memoria democrática, waar de staat verantwoordelijkheid opneemt voor de exhumaties. Maar door lokaal verzet, technische problemen en onderfinanciering verloopt het werk tergend langzaam en zal het wellicht nog decennia in beslag nemen.

 

Herinnering of vrede?

Vincent Scheltiens schaart zich dus achter de eis voor een volledige breuk met het franquistische verleden en voor de afschaffing van de amnestiewet. Maar de rechterzijde vindt dat een uiting van ‘guerracivilismo’, wat je zou kunnen vertalen als  ‘burgeroorlogzuchtigheid’: het luidt dat het opzeggen van de verzoening, die moeizaam was tot stand gekomen in de transición, oude wonden openrijt. En zo blijft het spookbeeld van de ‘dos Españas’, van de twee Spanjes, door het land waren: in een gedicht uit 1912 richt de in 1939 in ballingschap gestorven dichter Antonio Machado zich tot een pas geboren Spanjaard. De laatste twee verzen luiden : ‘Una de las dos Españas/ ha de helarte el corazón’ of ‘Een van de twee Spanjes zal je hart doen verstarren’ – letterlijk : ‘doen bevriezen’.[13]

Bij het lezen van de bladzijden van Scheltiens over de transición moest ik denken aan het boek dat David Rieff, de zoon van Susan Sontag, publiceerde in 2016, In Praise of Forgetting. Hij verdedigt er een standpunt dat ingaat tegen het heersende discours over deze kwesties, namelijk dat historische herinnering vaker tot oorlog dan tot vrede leidt, zoals bijvoorbeeld in de Balkan of in Noord-Ierland. In de Spaanse casus is hij dan ook voorstander van de Pacto del olvido, want, zo schrijft hij, ‘remembrance may be the ally of justice but (…) it is no reliable friend of peace, whereas forgetting can and at times has played such a role’.[14] Sommigen zullen steigeren bij deze uitspraak, maar er zit een grond van waarheid in. Historische herinnering kan ook de gemoederen opzwepen: denk maar aan de manier waarop Servische nationalisten de herinnering aan de slag bij het Merelveld mobiliseren in hun ideologie. Kan een teveel aan herinnering nefast zijn voor het samenleven?

De transitie ging niet samen met een ‘de-francoïsatie’: dat is volgens Vincent Scheltiens het probleem van Spanje vandaag. Toch lijkt hij soms te twijfelen. ‘De kwestie (van de transitie) is minder eenvoudig dan ze op het eerste zicht lijkt’, zo klinkt het en hij stelt een essentiële vraag: ‘hoeveel van je dictatoriale erfenis kan of moet je min of meer noodgedwongen meenemen in je nieuwe democratie?’ (blz. 148). Inderdaad, in Frankrijk werden net na de oorlog collaborateurs veroordeeld door rechters die in het Vichy-regime actief waren geweest; in Italië werd op het einde van 1946 meteen een neo-fascistische partij opgericht waar de oudgedienden van Mussolini’s regime de dienst uitmaakten en waarvan de huidige premier een erfgenaam is. En zelfs in Duitsland werd, ondanks de denazificatie, de breuk met het verleden niet volledig doorgevoerd in de openbare dienst, justitie, onderwijs, enzovoort. Dat neemt niet weg dat die drie landen vandaag goed functionerende parlementaire democratieën zijn.

Maar vanuit een radicale visie op rechtvaardigheid zijn zo’n rommelige politieke overgangen  onverdraaglijk. Het is nu eenmaal niet gemakkelijk, op ogenblikken van grote maatschappelijke omwentelingen, recht te doen aan iedereen die geleden heeft onder een dictatuur. Heeft David Rieff gelijk door te stellen dat het soms beter is er met de spons over te gaan en naar de toekomst te kijken zonder je te laten opzwepen door de spoken van het verleden? De tragiek van het leven bestaat erin dat je je soms moet neerleggen bij het minste kwaad. Voor de linkerzijde in de jaren zeventig was dat een aanvaardbare houding, maar voor de generatie van de kleinkinderen is het onverteerbaar geworden en Vincent Scheltiens zit wat dat betreft op dezelfde golflengte.

 

‘Voor de poorten van de hel’

In het laatste hoofdstuk verandert de toon. Want de actualiteit geeft ons nieuwe redenen tot ongerustheid. Ook al heeft Spanje een min of meer succesvolle overgang gemaakt van dictatuur naar democratie, er zijn vandaag tekenen van een omgekeerde evolutie, een transitie die een ensauvagement van Europa zou in de hand werken. Die term ontleent Vincent Scheltiens aan de Martinikaanse dichter Aimé Césaire die stelde dat het kolonialisme tot een ‘verwildering’ van de Europeaan leidt – een ironische omkering van de riedel dat kolonisatie een poging tot beschaven van wilde volkeren was.[15]

We staan, zo klinkt het, ‘voor de poorten van de hel’[16]: in meerdere landen  bestaan er tendenzen tot ‘autocratisering’, in Hongarije, Italië, morgen misschien in Frankrijk met een extreemrechtse president of in Duitsland met een overwinning van de AfD. En ja, ook Spanje is een ‘sterk voorbeeld’, precies omdat het land zijn franquistische erfenis niet goed heeft verteerd: als de Partido Popular de volgende verkiezingen wint, is de kans groot dat de partij met het extreemrechtse Vox in zee gaat. Ook de Verenigde Staten zouden een proces van ‘fascisering’ kennen en de auteur citeert historicus Timothy Snyder die Trump in 2024 een ‘fascist’ noemde (blz. 235).

Toch is Scheltiens een koele minnaar van de stelling, die vandaag vaak te horen is, dat de geschiedenis zich zou herhalen, in het bijzonder die van de jaren dertig. Ja, ze komen terug, maar, voegt de auteur er fijntjes aan toe, ‘het zijn die van de eenentwintigste eeuw’ (blz. 223). De historische context is helemaal anders, al was het maar omdat het autocratiseringsproces vandaag gedragen wordt door partijen die, tot nog toe althans, het democratisch spel spelen: we hebben dus te maken met een ‘perfide, haast geruisloze scenario’ (blz. 224) dat des te gevaarlijker is.

De problemen die de auteur aankaart in het laatste hoofdstuk zijn reeël, maar hoe zou de les van de in zijn ogen onvolledige Spaanse transitie van de jaren zeventig van dictatuur naar democratie ons kunnen helpen voor het omgekeerde scenario? De band tussen het historische deel en de hedendaagse poltieke analyse is niet helemaal duidelijk en bovendien zal niet elke lezer de auteur volgen in zijn finale oproep tot ‘een disruptieve kracht om de status quo in vraag te stellen’ (blz. 236).

Dat neemt niet weg dat Vincent Scheltiens met kennis van zaken, persoonlijke betrokkenheid en de nodige wetenschappelijke afstand, een evenwichtig beeld schetst van het Spanje van de laatste eeuw. Of het aanzet tot optimisme blijft een open vraag. Het land blijft fundamenteel gespleten en de Spanjaarden staan nog zeer ver van een gemeenschappelijk verhaal over hun twintigste eeuw, boven partijgrenzen, ideologieën en decennialange opgebouwde rancune en haat: meer dan een eeuw na Antonio Machado’s gedicht hangt de dreiging die uitgaat van het andere Spanje nog boven de pasgeborene.

 

Reageren? Mail naar: luc.rasson@uantwerpen.be

Luc Rasson (°1956) is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de UA en non-fictie auteur. Recent verscheen zijn boek Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Uitgeverij Ertsberg, Antwerpen, 2025.

[1] Vincent Scheltiens Ortigosa, Onvoltooid verleden . Spanje onder en na Franco, Uitgeverij Ertsberg, Antwerpen, 2025, 272 blz., ISBN 9789464984569, € 24,95.

[2] https://www.elmundo.es/pais-vasco/2025/11/28/6929866ce9cf4a947c8b45b7.html

[3] Over deze pogingen tot definitie, zie het uitstekende hoofdstuk ‘El régimen: una dictadura compleja’ in Enrique Moradiellos, Franco. Anatomía de un dictador, Turner, Madrid, 2018, blz. 229-288.

[4] Enzo Traverso, die een standaardwerk over totalitarisme schreef, weigert echter het regime totalitair te noemen. Het was te conservatief en katholiek en steunde teveel op clerus en grootgrondbezitters om een totalitair project uit te voeren. Zie Le totalitarisme. Le 20ème siècle en débat, Seuil, Paris, 2001, Points-Essais, blz. 19.

[5] Stanley Payne, Franco and Hitler. Spain, Germany and World War II, Yale UP, New Haven, 2008, blz. 53.

[6] In zijn recente boek over het beeld van Franco van de burgeroorlog tot nu stelt de Franse historicus Stéphane Michonneau dat de overgang van ‘une dictature philo-fasciste’ naar een ‘État catholique’ gebeurde vanaf 1942-1943. Zie Franco. Le temps et la légende, Flammarion, Paris, 2025, blz. 196.

[7] Franco ging zover pogingen te saboteren om Primo de Rivera te bevrijden. Zie Paul Preston, Franco. A Biography, HarperCollins Publishers, London, 1993, blz. 193-197.

[8] Juan Linz, ‘Totalitarian and Authoritarian Regimes’, in: Fred Greenstein, Nelson Polsby (reds.), Handbook of Political Science, Addison-Wesley, Reading, 1975, vol. 3, blz. 175-411.

[9] Het Edict van Nantes van 1598 biedt een interessant historisch precedent: om een streep te trekken onder de acht godsdienstoorlogen die Frankrijk teisterden tussen 1562 en 1598 beval koning Hendrik IV zijn onderdanen de gebeurtenissen te vergeten ‘comme de chose non advenue’ – als iets dat niet heeft plaatsgevonden.

[10] Volgens een opiniepeiling uit 1983 vond 73% van de bevraagden dat het beter was de burgeroorlog te vergeten. Zie Stéphane Michonneau, Franco, o.c., blz. 82.

[11] Zie: https://theconversation.com/una-transicion-espanola-pacifica-o-sangrienta-151513

[12] Over de schoorvoetende uitvoering van dat aspect van de wet, zie mijn Donker toerisme. Reizen door het Europa van de 20ste eeuw, Ertsberg, Antwerpen, 2022, in het bijzonder blz. 81-94.

[13] Antonio Machado, Poesías completas, Espasa-Calpe, Madrid, 1973, blz. 162-163.

[14] David Rieff, In Praise of Forgetting. Historical Memory and its Ironies, Yale UP, New Haven and London, 2017 (2016), blz. 122 sq.

[15] Zie zijn Discours sur le colonialisme, Éditions Présence Africaine, Paris, Dakar, 1955, blz. 11. Interessant is dat de term ensauvagement, zoals Scheltiens ook opmerkt, ondertussen door rechts is gerecupereerd: hij verwijst dan naar de vermeende morele, politieke, culturele ontbinding van de westerse maatschappijen.

[16] Scheltiens ontleent de uitdrukking aan de roman L’ordre du jour (2017), waar Éric Vuillard de ontmoeting in 1933 van Hitler met Duitse industriëlen en bedrijfsleiders beschrijft.

Een ideeëngeschiedenis van het Lichtend Pad
‘Een van de twee Spanjes zal je hart...
Surinamer in de Oost
Nachtmis
De maakbare mens
Hoe lang is de antifascistische oorsprongsmythe van de...
‘J’avais toujours raison’
Een ‘politieke kosmos’? Over de pedagogie van straatnamen
Duivelse armoe
Dr. Morell en Patiënt A
Christendom en burgerlijk gezag
‘Rwanda valt aan, Rwanda wordt niet aangevallen’ (Urwanda...
Dubbele politieke moord
Wat vertellen we onze kinderen (niet)?
Een jurk vertelt
Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist
Numineuze slachtoffers
Wetenschap, een sisyfusarbeid
Nog een herdenking in 2025
De onverwachte val van Assad
Woorden zijn wapens. Over Robert Brasillach
Een mooi kijkboek, meer niet
Deportatie naar het paradijs: joden in Mauritius 1940-1945
Het kleedje voor Hitler: een boekbespreking
Het einde en het begin van de geschiedenis
Begrensde Tolerantie, Botsende Meningen
Taiwan: de nalatenschap van Nederlandse handel
Gedeelde grond
Moeten arme landen arm blijven?
Oudheidkunde op maat