De Franse historicus Guillaume Cuchet (°1973) is bij het (relatief) grote publiek vooral bekend door twee veelbesproken essays over de spectaculaire terugval van de Franse geloofspraktijk (doopsel, zondagsmis, kerkelijke huwelijken en begrafenissen) sinds Vaticanum II en de diverse pogingen die te counteren en/of het zo ontstane vacuüm op een vernieuw(en)de manier in te vullen. Het is, denk ik, minder bekend dat hij voordien al tekende voor een reeks werken van meer academische snit, die veeleer inzoomen op de Franse negentiende eeuw en ook daar vooral ingaan op diverse religieuze geplogenheden.
Zijn recente La religion des morts is, gezien de leeftijd van de auteur, allicht en hopelijk nog geen bekroning van zijn levenswerk. Cuchet spreekt in zijn inleiding liever van het derde deel van een trilogie, waarbij zijn nieuwe boek met name zou voortbouwen op twee meer monografische studies over negentiende-eeuwse devoties rond het vagevuur en over het succesverhaal van het spiritisme rond het midden van diezelfde eeuw. Dat derde deel verschijnt dan wel ruim veertien jaar na het tweede en behandelt ook een veel breder onderwerp; Cuchet wilde deze keer vertellen comment le XIXe siècle a inventé le deuil moderne.
In de negentiende eeuw voelen veel Fransen zich geroepen hun doden te eren. De nieuwe trend ontstaat in de steden, met Parijs zoals gepast voorop, maar verspreidt zich snel naar het platteland. Tegen het eind van de eeuw gaan rond Allerheiligen, en soms ook op Palmzondag, overal in Frankrijk families hun gestorvenen op het kerkhof bezoeken en er bloemen of een krans achterlaten. Dat gebeurt trouwens ook elders in Europa of in de States: Cuchet spitst zijn verhaal toe op Frankrijk om zijn onderzoek enigszins beheersbaar te houden.
Veel kerkhofgangers dachten toen – en, vermoed ik, ook nu nog – dat ze daarmee een eeuwenoud gebruik voortzetten, maar dat was dus niet zo. Een en ander zou voor 1800 zelfs zelden mogelijk zijn geweest omdat er toen, behalve voor de groten der aarde, weinig individuele graven waren. De meeste mensen werden ter aarde besteld op kerkhoven waar de graven niet geïndividualiseerd waren en men ze regelmatig ruimde omdat de plaats beperkt was: de resterende gebeenten werden verzameld in ossuaria of knekelhuizen of soms in kelders of zolders van de kerk. Niemand onthield lang waar een overledene precies lag en daaraan was kennelijk geen behoefte: ook veel grafmonumenten en vooral gedenkplaten tegen de kerkmuren werden vaak geplaatst zoals best schikte en lang niet altijd op de precieze plek waar de betrokkene was begraven.
In de achttiende eeuw ontstaan er steeds meer bezwaren tegen die traditionele praktijk. Het gaat dan vooral om hygiënische zorgen: men pleit allereerst voor begraafplaatsen op veilige afstand van de bebouwde kom, waar de stank en de uitwasemingen van rottende lichamen niemand kunnen hinderen of besmetten. Ook veel clerici sluiten zich aan bij die nieuwe voorkeur: begraafplaatsen extra muros lenen zich tot een vrome stilte die dikwijls ver te zoeken was op de kerkhoven rondom de kerken, dus meestal in het hart van dorpen en steden. De vraag om individuele en duurzaam herkenbare graven is er nog niet echt bij bij: de nieuwe begraafplaatsen, in de regel minder bekneld in een drukke omgeving, creëren er wel letterlijk de ruimte voor.
Tijdens de Franse Revolutie worden veel kerkhoven compleet verwaarloosd en dus wanordelijker dan ooit. Ook de slachtoffers van de guillotine worden vaak overhaast en pêle-mêle begraven. De afschuw daarvan zorgt, als de horror voorbij is en men er definitief mee wil breken, al vlug tot meer gedetailleerde en dus vanzelf zorgvuldiger administratieve regelgeving. Napoleon probeert in 1804 orde op zaken te stellen met een decreet dat hij dan nog, conform de revolutionaire kalender, dateert op 23 prairial an XII. Het stipuleert onder andere dat kerkhoven geen lijken meer mogen opstapelen (drie of vier lagen was courant gebruik), maar ze netjes naast elkaar en met vaste tussenruimtes dienen te begraven: wie de begrafenis meegemaakt had kon de plek voortaan onthouden. Het decreet voorziet verder dat voortaan de gemeentes, in de plaats van de kerken, eigenaars van de begraafplaatsen, hun graven maar om de vijf jaar mogen ruimen zodat er zeker geen halfvergane resten kunnen gaan rondslingeren. Ze mogen desgewenst ook ‘concessies’ verkopen aan families die hun graven voor langere tijd wilden behouden.
Het zou, zoals voor dit soort nova gebruikelijk, enkele decennia duren voor een en ander overal courante praktijk werd. Het beroemde kerkhof Père-Lachaise, dat enkele weken voor ‘Prairial’ openging en toen exemplarisch buiten de muren van Parijs lag, zou de hele eeuw lang een soort gids- of modelbegraafplats voor heel Europa blijven; er was daar nog tot 1874 een fosse commune waar veel minder begoede overledenen een haastig en collectief graf kregen. Het duurde er wellicht iets langer dan elders omdat Parijs nu eenmaal een disproportioneel grote stad was en dus uitzonderlijk veel doden te begraven had…
Het verhaal over de modernisering van de kerkhoven herneemt goeddeels bekende stof, die Cuchet overigens bijzonder overzichtelijk en genuanceerd samenvat. Het is in zijn boek vooral een opstap: de aparte graven die sinds 1804 minstens de norm waren maakten grafbezoeken mogelijk, maar verklaren nog niet waarom die zo populair werden.
Cuchet herkent daar dus een nieuwe religion des morts. Hij noteert dat de nabestaanden bij hun graven even stil werden en allicht dikwijls een gebed prevelden, maar dat het er toch niet zozeer om ging het zielenheil van de overledenen te verzekeren. De kerkhofgangers waren er meer mee begaan hun doden gepast te eren: hun bloemen en kransen en de meer discrete zorg voor de graven tijdens het jaar werden letterlijk een ere-dienst. Wie een concessie kon betalen deed dat ook graag met een zerk en een passende sculptuur of met een kleine (en dikwijls minder kleine) grafkapel. De anderen hielden het minimaal bij een eenvoudig kruisje, al dan niet met de naam en de geboorte- en sterfdata van de overledene. Er waren op de kerkhoven nog nooit zoveel kruisen te zien geweest als in de negentiende eeuw!
Ze stoffeerden wel iets nieuws. Franse en andere katholieken hadden tot dan alleen erkende heiligen vereerd, wat meteen betekende dat hun lichamen, anders dan die van ongeveer alle andere gewone stervelingen, wel zorgvuldig werden gelokaliseerd en bewaard zodat men ernaar kon pelgrimeren. Veel negentiende-eeuwers gingen nu eerder op pelgrimstocht naar hun eigen doden, die zo, ook al kon men enigszins contradictorisch voor hen blijven bidden, impliciet gecanoniseerd werden. Cuchet herinnert eraan dat hij bij zijn onderzoek over het negentiende-eeuwse vagevuur al gemerkt had dat men toen niet alleen, zoals altijd al, voor, maar ook en steeds meer tot de zielen in het vagevuur ging bidden, die dan, zoals de gevestigde heiligen en bovenal Maria Middelares, geacht werden die gebeden bij God met bijzondere overtuigingskracht te ondersteunen.
De devotie voor de overleden intimi werd zo een breed gedeelde praktijk met eigen rituelen en hoogdagen. Dat de bijbehorende dogma’s nogal vaag en vlottend bleven was geen bezwaar, eerder integendeel: ook veel vrijzinnige of religieus onverschillige Fransen hielden eraan hun doden in november te gaan groeten en je krijgt dikwijls de indruk dat nogal wat tijdgenoten die consensus over alle religieuze en politieke clivages heen bijzonder apprecieerden. De pers besteedde er dan ook uitvoerig aandacht aan: ze noteerde begin november elk jaar opnieuw dat de kerkhoven weer drukker bezocht waren dan het jaar tevoren.
Omgekeerd lag het voor de hand dat de nieuwe devotie veel oudere vormen overnam: de monumenten waren doorgaans kleine kapellen, veel sculpturen toonden engelen die de ziel van een overledene naar de hemel leken te voeren, enzovoort. Het waren vanouds prestigieuze motieven die de nieuwe culte des morts (de uitdrukking was toen al courant) op zijn beurt de nodige sacrale luister bijzetten. De kerken reageerden soms gereserveerd: de formule ‘noch bloemen noch kransen’ zou, als we Cuchet mogen geloven, voor het eerst gebruikt zijn door pastores die hun gelovigen op het hart wilden drukken dat overledenen meer gebaat waren bij zielmissen dan bij uitbundige bloemenpraal op hun graf.
Ze preciseerden dat al bij al eerder zelden – en hadden daar goede redenen voor. Predikanten hebben, mogen we aannemen, altijd graag geklaagd over een gebrek aan vroomheid bij hun toehoorders. Ze hadden in negentiende-eeuws Frankrijk meer gelijk dan tevoren omdat ze inderdaad te maken kregen met een sluipende ontkerstening. Meer en meer stedelingen en later ook hele regio’s op het platteland groeiden langzaam weg van hun traditionele geloof of beperkten zich steeds vaker tot alsmaar hollere routinepraktijk.
De nieuwe behoefte de eigen doden te eren wortelt in die ontkerstening. Cuchet spreekt van een religion de la sortie de la religion (blz. 261), een formule die Marcel Gauchet in zijn meest bekende werk voor het christendom gebruikte, maar die hier dus, zoals Cuchet uiteraard expliciet aangeeft, in een heel andere betekenis gebruikt wordt: de culte des morts is, kort door de bocht, een soort restreligie die het ook in de negentiende eeuw al tanende katholicisme op zijn beurt kwam aflossen. Minder kort door de bocht is er dan vanzelfsprekend plaats voor allerlei varianten. De nieuwe ‘cultus’ was soms de enige religieuze reflex die overbleef bij wie resoluut als vrijzinnige door het leven ging. Anderen schrokken terug voor zo’n radicale breuk of bleven de vanouds gevestigde religie zonder veel nadenken en soms eerder routineus voortzetten: de zorg voor de doden werd dan, ook daar van geval tot geval met eindeloos veel nuances, het enige of minstens het meest doorleefde deel van hun verder nogal afgevlakte geloof. En er waren natuurlijk ook overtuigde katholieken, voor wie een en ander gewoon een devotie meer was binnen hun over de hele lijn intact gebleven geloofsleven.
Gevolg was hoe dan ook dat de kerken begin november even vol of voller zaten dan met Kerstmis of Pasen en dat er op de kerkhoven dikwijls een vrome sfeer hing. De pastores hadden dus, ook al oogden de bloemen en kransen misschien wat heidens, alle reden om zich eerder meegaand te tonen: ze konden zo hopen de velen die dreigden af te haken of die de rest van het jaar bedroevend weinig van zich lieten horen, niet helemaal kwijt te raken. Het was, al zullen ze dat zelden zogezegd of ook maar in die termen gedacht hebben, een welkome opportuniteit…
De ontkerstening is wel de belangrijkste voedingsbodem voor de nieuwe cultus van de doden: veel negentiende-eeuwers zochten blijkbaar quasi instinctief naar een soort Ersatz voor wat zo begon te verdwijnen. Cuchet vond het zo te zien niet nodig die behoefte als zodanig te verklaren, maar dat komt, vermoed ik, omdat hij ze als historicus zonder meer evident vond. De geschiedenis kent, zoals de fysica, haar wet van de traagheid: de belangrijkste verschuivingen komen er slechts tot stand volgens extreem langzame lijnen van geleidelijkheid. Dat geldt meer dan ooit voor de moderne sortie de la religion, die breekt met de misschien wel oudste habitus van de hele wereldgeschiedenis. Zoiets vroeg vanzelf om een geaccidenteerd parcours vol tussenstadia, compromisformaties en overgangsvormen.
De negentiende-eeuwers waar het hier om gaat zochten en vonden hun Ersatz bij de overledenen uit hun eigen kring. Hun culte des morts paste ook bij een tijd die, zeker in meer burgerlijke kringen, een nieuwe waardering ging opbrengen voor het privéleven en alle daarbij horende emotionele bindingen, die men dus over de dood heen wilde tillen. De dode die men kon gaan bezoeken was even minder ver weg.
En het spreekt voor zich dat de sculpturen en grafkapellen op ‘eeuwigdurende’ concessies op de koop toe al vlug statussymbolen werden, waarmee begoede families elkaar de loef probeerden af te steken. Het slagveld was des te aantrekkelijker omdat de kerkhoven minstens enkele dagen per jaar druk werden bezocht zodat iedereen de rivaliserende bouwsels kon vergelijken. Naarmate de eeuw vorderde werden sommige kerkhoven in grote steden trouwens door hun vele monumenten heuse toeristische attracties, die men met de Baedeker in de hand kon bezoeken. Tot meerdere eer en glorie van wie ze zo rijkelijk had laten volbouwen!
De culte des morts kon enkel de proporties aannemen die hij kreeg doordat hij spoorde met zowat alle belangrijke trends van zijn tijd. Cuchet brengt ze zorgvuldig doserend in kaart. Hij tekende daarmee, vijftig jaar nadat Philippe Ariès c.s. het startschot ervoor gaven, voor een set originele inzichten over de geschiedenis van de Westerse omgang met de dood. Het onderwerp was kennelijk nog niet compleet uitgespit.
Guillaume Cuchet, La religion des morts. Comment le XIXe siècle a inventé le deuil moderne, Parijs, Seuil 2026, 304 blz., ISBN 978-2-02-154191-5, 23 €.
Literatuur
Guillaume Cuchet, Le crépuscule du Purgatoire, Parijs, Armand Colin, 2005 (coll. Points Histoire H567, 2020)
Guillaume Cuchet, Les voix d’outre-tombe. Tables tournantes, spiritisme et société, Parijs, Seuil, 2012
Guillaume Cuchet, Comment notre monde a cessé d’être chrétien. Anatomie d’un effondrement, Parijs, Seuil 2018 (coll. Points Histoire H561, 2020)
Guillaume Cuchet, Le catholicisme a-t-il encore de l’avenir en France?, Parijs, Seuil, 2021(coll. Points Essais 957, 2023)
Philippe Ariès, Essais sur l’histoire de la mort en Occident, Parijs, Seuil, 1975 (coll. Points Histoirr H31, 1977)
Marcel Gauchet, Le désenchantement du monde. Une histoire politique de la religion, Parijs, Gallimard, 1983 (coll. Folio Essais, 466)