Farah Focquaert[1] stelt in een militant boek dat het leven beter zou worden als we afstappen van de idee van de vrije wil. Zij pleit voor een vrije wil-scepticisme, want determinisme gaat haar net te ver. Zij wil immers geen afstand doen van morele plichten en vooral niet van verantwoordelijkheid. Ze wil alleen niet dat mensen nog langer met schuld worden overladen voor wat ze in het verleden hebben gedaan. Ze wil gewoon dat gedrag in de toekomst beter wordt en wil dat bijvoorbeeld graag vertaald zien in het strafrecht. Hoewel haar boek veel waardevolle inzichten bevat, lukt het haar niet dit overtuigend uit te leggen. Zij heeft het over een illusie van de vrije wil, omdat ze vaststelt dat in het dagelijkse leven onvermijdelijk wordt verondersteld dat iemand auteur is van zijn handelen. Maar wat zij illusie noemt is gewoon vrijheid. De Duitse filosoof Geert Keil[2] kan ons leren dat vrijheid wel degelijk een menselijk vermogen is, ook al zijn daaraan inherent beperkingen verbonden. Vrijheid maakt de mens tot mens.
Beter leven zonder vrije wil
Farah Focquaert zet in een eerste hoofdstuk ‘Waarom we doen wat we doen’ aan de hand van vele voorbeelden uiteen dat en hoe we volgens haar zijn gedetermineerd – hoewel ze liever van een vrije wil-scepticisme spreekt. We kiezen niet echt wie we zijn. ‘Wie we zijn en wat we doen is het resultaat van alles wat voorafging, en niemand van ons heeft er voor gekozen om geboren te worden en niemand van ons kan de natuurwetten aanpassen’.[3] Dat is de kern van haar vrije wil-scepticisme. Dat ze ‘vrije wil-scepticisme’ zegt en niet gewoon determinisme heeft te maken met haar twijfels of we wel uit de voeten kunnen zonder een voorzichtig, genuanceerd fictionalisme van de vrijheid[4] te poneren. ‘Een vrije wil-scepticisme zonder geloof in morele plichten, en zonder de verwachting dat mensen verantwoordelijkheid nemen voor hun daden en toekomstig gedrag, valt moeilijk te verdedigen in de praktijk’. ‘We gaan mensen niet verwijten of leed toebrengen vanuit morele schuld; maar morele afkeuring en een gepast antwoord geven op immorele daden, waarbij de focus ligt op het herstel van alle betrokken partijen, staan centraal’.[5] Hierbij scheidt ze wat volgens mij niet te scheiden valt – het individuele en het sociale. Ze verdedigt namelijk een vorm van fictionalisme over verantwoordelijkheid in onze persoonlijke relaties maar houdt vast aan een strikte vrije wil-sceptische invulling van ons beleid rond criminaliteit, gezondheidszorg, migratie, armoede, enzovoort. Uit dit laatste blijkt dat haar aandacht vooral sociologisch georiënteerd is. Het is haar hoofdzakelijke bekommernis, en dat maakt haar boek interessant voor zover althans, zoals ik wil laten zien, al haar voorstellen voor een andere rechtspraak en een andere bestraffing, en reacties op verslaving, pesterijen, enzovoort, zeer goed doorgang kunnen vinden zonder dat daarvoor vrije wil-scepticisme vereist is.
In een tweede hoofdstuk ‘Vrije wil: fictie of werkelijkheid’ zet ze haar opvatting over determinisme en indeterminisme uiteen. Het hoofdstuk eindigt met de conclusie dat noch compatibilisme noch libertarisme voldoen en dat het vrije wil-scepticisme het meest plausibel is. Dat zal een terecht besluit zijn wat het compatibilisme betreft. Hierdoor ontslaat ze mij ervan op dit hoofdstuk in te gaan. En wat Farah Focquaert onder libertarisme verstaat, heeft weinig te maken met wat, zoals we zullen begrijpen, Geert Keil eronder verstaat. Mijn artikel wordt zo in grote mate de weergave van wat hij onder libertaire vrijheid verstaat.[6]
Hoofdstukken 3 en 4 (‘Verliezen we alles?’ en ‘Verantwoordelijkheid als nuttige functie’) gaan de praktische kant op. Hier is veel waardevols op te steken – ondanks het vrije wil-scepticisme van Farah Focquaert. Het is waar dan men veel te vlug iemand schuldig verklaart, en blameert, dat het recht in theorie vergelding afwijst hoewel dat in de praktijk niet altijd blijkt. Het is waar dat gevangenissen criminaliteit eerder aanwakkeren dan bestrijden. Ze pleit terecht voor herstelbemiddeling.[7] Zo ook dat gevangenisstraf een ultimum remedium zou moeten zijn. Hoewel ze vindt dat het nieuwe Belgische strafrecht een grote verbetering is, meent ze toch dat het een schuldstrafrecht gebleven is, er zijn nog steeds libertarische invloeden: de nadruk op individuele verantwoordelijkheid, autonome keuze en persoonlijke schuld blijft sterk aanwezig. Ze verzet zich tegen de veel gehoorde aanklacht: ‘het is je verdiende loon’. Het kan zijn dat straffen en belonen, zoals Kerstens zegt,[8] en dus het denken in termen van verdienste, schuld, straf en beloning, weinig zoden aan de dijk brengen. Pesten verhoogt het risico op mentale kwetsbaarheid.
Het is in een notendop wat dit boek aan jullie wil meegeven. Wanneer we ons bevrijden van (zelf)schuld, straf, beloning en verdienste, dan winnen we onnoemelijk veel.
Wat ik onder kritiek wil brengen is haar in principe afschaffen van straf en schuld (en in feite van moraal) – die ze tegelijkertijd (maar weinig overtuigend) weer invoert door middel van wat ze een fictionalisme van de vrijheid noemt. Mijn kritiek vereist hiervoor een uiteenzetting over determinisme en libertaire vrijheid.
Determinisme
Determinisme is een metafysische stelling.[9] Men kan het niet bewijzen. Maar vrijheid is dat ook. Ook vrijheid kan men niet bewijzen. Wat kan men dan nog doen? Men kan door gebruik te maken van empirische gegevens aantonen dat determinisme of vrijheid al of niet aannemelijk is. Op het eerste gezicht valt het determinisme uit de boot. Ieder mens die nog geen kennis heeft genomen van een of andere deterministische theorie zal zichzelf onproblematisch vrij noemen. Hij weet dat hij kan kiezen uit alternatieven, na impliciet of expliciet overleg, dat zijn keuze vrij is. Maar deze plausibiliteit is natuurlijk geen bewijs. En hoe staat het met het determinisme? ‘Ook als metafysische vragen niet empirisch beslist kunnen worden, zouden enkele ervan met behulp van empirisch weten rationeel beslist kunnen worden’.[10] Dat is wat Geert Keil, met zijn descriptieve metafysica, doet.[11]
Men onderscheidt drie vormen van determinisme, hard, soft en libertair.[12] Het harde determinisme ontkent dat de mens vrij is. Soft determinism meent dat het met vrijheid kan samengaan. Libertairen zoals Geert Keil of Robert Kane stellen dat de wil vrij is, wat betekent dat de mens echt keuzes kan maken. Dat is incompatibilisme en ze noemen de opvatting libertair. Terloops, er zijn ook agnostische compatibilisten, zoals Strawson, die onverschillig staan tegenover de waarheid van het determinisme. Strawson beweert zelfs dat hij niet weet wat determinisme eigenlijk is.[13] Er zijn tegenwoordig nauwelijks nog aanhangers van het harde determinisme. De main stream is soft. Maar let wel, libertaire vrijheid en deterministische vrijheid zijn niet hetzelfde. Soft determinism ontkent de vrijheid van de wil, de keuzevrijheid. Vrijheid is in soft determinism wat men vrijheid van handelen noemt (hierover straks meer).
Het determinisme is de theorie dat alles loopt zoals het loopt, noodzakelijkerwijs. Natuurwetten zijn wetten, en tot hun definitie hoort dat er nooit afwijkingen, uitzonderingen, zijn. Alles ligt vast. Ook als blijkt dat men het determinisme niet kan bewijzen, gaat men er meestal van uit dat het een absoluut noodzakelijke vooropstelling is.
Wilsvrijheid
Deterministen vallen de theorie van de (libertaire) vrijheid hoofdzakelijk op twee fronten aan. Ze zien niet hoe de libertaire theorie iets anders kan bevestigen dan toeval – wat haaks staat op keuzevrijheid. Vervolgens betwisten ze of men wel could have done otherwise (zoals het vaak luidt in Angelsaksische literatuur) in een gelijkblijvende situatie – wat inderdaad het punt is waar de libertaire vrijheid zich het duidelijkst manifesteert. Als Keil zijn vrijheidsvermogen uiteenzet, denkt hij vooral aan die tegenwerpingen. Hierdoor wordt een en ander op scherp gezet. De menselijkheid van de mens bestaat immers in het bezitten van het vermogen vrij te zijn, en komt niet alleen in limietsituaties voor. Een en ander, hopen we, zal als vanzelf in de volgende beknopte weergave van Keils visie duidelijk worden.
Echte vrijheid is iets anders dan handelingsvrijheid. Met vrijheid van handelen is bedoeld dat men zijn wil in daden kan omzetten. Maar niet bedoeld is dat men deze wil zelf kan bepalen. Dat laatste noemt men willen wat men wil. Veel filosofen hebben terecht de gedachte bekritiseerd. Men zou de wil moeten hebben om de wil te hebben – wat tot een eindeloze regressie moet leiden. Minder merkwaardig, zegt Keil,[14] is de vraag of wij vrij kunnen kiezen of vrij kunnen beslissen. Wilsvrijheid wordt in de literatuur vaak als hetzelfde opgevat als beslissingsvrijheid en keuzevrijheid. Klaarblijkelijk gaat het hierbij niet om een eerste opwelling of neiging maar om wat daarna gebeurt. Beslissingen staan aan het einde van een wilsproces, niet aan het begin. We kunnen onze neigingen en voorkeuren niet anders laten zijn dan ze zijn, zoals niemand het actuele anders kan laten zijn dan het is. Ons vrijheidsvermogen richt zich op de toekomst.[15] Hoe zou men ook kunnen ontkennen dat we onze neigingen en wensen niet zelf hebben opgezocht. Bij de wilsvrijheid moet het dus om de vraag gaan wat met wensen en neigingen verder gebeurt, hoe we tot een beslissing en ten slotte tot een handeling komen. Dat gaat niet automatisch en we hebben de mogelijkheid op te schorten, te toetsen en ons ook eventueel distantiërend op te stellen. Daarbij hebben we steeds de mogelijkheid verder te overleggen en anders te beslissen – wat een essentieel punt zal blijken te zijn in het libertaire discours. Merken we op dat vrijheid een vermogen, een capaciteit, een bekwaamheid is, en belangrijk hierbij is te beseffen dat een vermogen niet verloren gaat doordat de uitoefening in een individueel geval lastig is of mislukt. Of en in hoever een mens feitelijk van dit vermogen gebruik maakt, is zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat is onder andere het standpunt van het strafrecht. Het wordt door Farah Focquaert bestreden. Dat de dader schuldig is, wordt in het strafrecht ontkend als hij niet in staat is het onrecht van zijn daad in te zien en daarnaar te handelen. Hij moet niet alleen inzicht hebben, maar ook beschikken over het vermogen zich te bedwingen, zich te beheersen. Wanneer hij in het bezit van beide eigenschappen is, maar ze negeert (en dus het onrecht pleegt), krijgt hij terecht het verwijt dat hij ze had moeten activeren. Keil merkt op dat voor vele filosofen gewoontes en routines meetellen in het beperken van de vrijheid (van het verantwoordelijk zijn) – Farah Focquaert is een van hen. Maar volgens Keil zijn gewoontes en routines (en in feite de gehele achtergrond van nature en nurture) zonder belang. Hij vat vrijheid terecht op als een complex vermogen van gezonde mensen in het volle bezit van hun geestelijke vermogens. ‘Een vermogen verliest zijn drager niet reeds door het feit dat hij het in een individueel geval niet uitoefent’.[16] Let wel, voor de wilsvrijheid is niet alleen een speelruimte van open mogelijkheden vereist maar het vermogen moet ook in de wereld passen. De fysische wereld mag niet zo zijn dat de uitoefening van dit vermogen onmogelijk zou zijn. Dus voor zover de loop van de wereld niet onderworpen is aan deterministische verloopswetten[17] is er voor vrije wezens een speelruimte waarbinnen ze hun vermogen kunnen uitoefenen.
Het vermogen is er niet zo maar. Als het er niet om gaat neigingen of opwellingen te kiezen maar om wat er verder mee gebeurt, lijkt het plausibel de vorming (Bildung), dit is, het (kunnen) inwerken op onze wil, datgene te noemen wat ‘vrij’ is. Het proces van de wilsvorming en het vinden van de (juiste) beslissing is vrij of onvrij en kan dus gehinderd of ongehinderd aflopen. ‘Wilsvrijheid is de bekwaamheid tot hindernisoverwinnende wilsvorming’. Enige verheldering is bij hindernisoverwinning wellicht nodig. In zijn Willensfreiheit[18] zegt Keil: ‘Houden we ons voorlopig aan het voor-analytische inzicht dat men alleen dat kan doen wat niet van zelf gebeurt’. Dat betekent duidelijk: “Doen kan men echter enkel wat niet reeds van zelf gebeurt, en in deze bescheiden zin sluit het doen het overwinnen van bepaalde traagheidsmomenten of hindernissen in”. Bij de voor het vrije-wilsdebat bijzonder belangrijke bekwaamheid van de zelfsturing (Selbststeuerung) en zelfbeheersing wordt het betrokken zijn op bepaalde typische voorwaarden zeer duidelijk. De bekwaamheid tot zelfbeheersing toont zich juist in het feit dat ze onder ongunstige voorwaarden uitgeoefend wordt – precies in zulke waarin zelfbeheersing vereist is’.[19] Natuurlijk moet niet elke hindernis overwonnen kunnen worden. Dat zou al te gek zijn. De hindernissen moeten specifiek zijn. Zo is in een psychisch geval het moeilijke punt te beslissen welke hindernissen de dader niet kon overwinnen en welke hij niet wilde overwinnen. Er kunnen externe beperkingen zij die iemand kunnen verhinderen te doen wat hij wil – en die dus zijn handelingsvrijheid inperken. Maar welke factoren beperken de vorming van de wil? Wie in de cel zit, verliest de vrijheid van zijn wil niet, ook niet als iemand voor de vraag ‘je geld of je leven’ staat. Hij kan nog steeds een van beide kiezen. Dat de beslissing grof irrationeel zou kunnen zijn, heft de bekwaamheid niet op. Let dus op, zegt Keil, met interne dwang, verslaving, sterke affecten, afpersing, foltering. Libertair gezien is de lijst te lang (ze is een lijst à la Farah Focquaert). Keil denkt aan Kant en aan Sartre. Maar dat een wilsvorming vrij is, kan in ieder geval niet betekenen dat er geen restricties of voorwaarden zijn. Denk aan de kapitein in het voorbeeld van Aristoteles die de bagage van het schip overboord gooit om zijn schip en de bemanning te redden, of denk aan ‘je geld of je leven’. ‘De wens rationeel te beslissen beperkt natuurlijk de opties maar het zou merkwaardig zijn te zeggen dat de vrije wilsvorming door rationeel overleg wordt gehinderd. Praktisch overleg gebeurt steeds onder voorwaarden en vele daarvan hebben we niet zelf gekozen. Door dwangsituatie alleen wordt de wilsvorming dus niet gehinderd. Er moet steeds worden overlegd over wat in de gegeven voorwaarden te doen valt’.[20] ‘De beslissende vraag is of telkens de bekwaamheid tot gefundeerde wilsvorming ingeperkt is of niet. Factoren, die het de mens onmogelijk maken gefundeerd zijn wil te vormen, treffen de wilsvrijheid; dwang en afpersing beperken typisch deze bekwaamheid niet, ze betreffen veeleer de handelingsvrijheid’.[21] Evenwel, in welke mate dat het geval is, is geen filosofische vraag, maar, in het geval van een strafzaak bijvoorbeeld, iets voor de psychiater. Inzicht en controlebekwaamheid (Steuerungsfähigkeit) zijn voor het recht beslissend.
Libertaire vrijheid: we kunnen ook anders
In het centrum van de libertaire opvatting van vrijheid, zegt Keil,[22] staat het zo-of-anders-kunnen onder gegeven voorwaarden. ‘Volgens de libertaire opvatting staat op geen enkel tijdstip vóór het feitelijk begin van de handeling vast of de handeling zal gebeuren. Er bestaan, met andere woorden, vóór het begin van de handeling geen causaal toereikende voorwaarden voor het plaatsgrijpen van de handeling. Voor de persoon is het steeds nog mogelijk de handeling stop te zetten (zu unterlassen), verder te overleggen en anders te beslissen (umzuentscheiden)’ – ook als het vaak niet nodig is deze mogelijkheid te actualiseren.[23] Het is duidelijk dat dit onverenigbaar is met het determinisme dat beweert dat de totale loop van de wereld altijd al door beginvoorwaarden en natuurwetten is vastgelegd.
Vele compatibilisten, zegt Keil, vallen zelden de voor-theoretische intuïtie direct aan dat zo-of-anders-kunnen een open, beïnvloedbare toekomst vereist. Ze mikken op het toeval: een niet-gedetermineerde keuze, zeggen ze, kan niet door de actor gedetermineerd zijn, ze valt daarom niet van het toevallig gebeuren te onderscheiden en is dus van geen nut voor de libertariër. Keil somt nog andere bezwaren op die op deze verkeerde voorstelling berusten. Hij noemt ze mythen. 1. Vrijheid is vrij zijn van alle voorwaarden. Dat is al te gek. Men kan niet grundlos kiezen. 2. De mythe van het dualisme. Eveneens gek! Een libertariër denkt er niet aan een aparte geestelijke substantie te poneren. Hier is, in verband met hersenfysiologie, wat meer uitleg nodig. Keil citeert Wolf Singer[24]: ‘Interconnecties [Verschaltungen] leggen ons vast … niemand kan anders dan hij is’. Keil merkt daarbij op dat de synchrone zin van determineren, ‘vastleggen’, of ‘conditioneren’ met de diachrone, causale zin van deze uitdrukkingen wordt verwisseld. ‘Dat soort vastleggen waarvan het determinisme spreekt, is een gebeuren in de tijd. Het vastgelegd zijn waarover Roth en Singer spreken is daarentegen een relatie tussen een mentaal gebeuren en zijn gelijktijdig neuronaal correlaat of substraat. De verwisseling van beide soorten van “determinatie” leidt tot identificatie van het neuronale substraat van een mentaal gebeuren met zijn oorzaak’.[25] Tussen een mentaal gebeuren en zijn gelijktijdig substraat is er geen oorzakelijk verband. Mentale gebeurtenissen zijn volgens al wat we weten, zegt Keil, fysisch gerealiseerd, maar dat heeft met het determinisme niets te maken en is daarom geen bedreiging voor de vrijheid. 3. De mythe van het lokale causale hiaat. Voor vrije beslissing moet er een speciale soort van neuronale indeterminatie bestaan, leemtes in de hersenprocessen, in welke de vrije wil kan binnensluipen. Dat is Epicurus en Descartes (met zijn pijnappelklier). Men doet ook beroep op het kwantummechanische indeterminisme. Dat helpt niet, zegt Keil en is ook overbodig. De idee van leemtes of hiaten veronderstelt daarbij het determinisme. Maar het indeterminisme is algemeen. Misschien spreekt men daarom beter van niet-determinisme, het determinisme van Laplace is niet waar, de loop van de wereld is niet aan ausnahmelosen Sukzessionsgesetzen onderworpen. In deze zin is dan ook geen enkel gebeuren gedetermineerd.[26] Let wel, hierboven en in het hele betoog, is verondersteld dat het causaliteitsprincipe niet identiek is met het determinismeprincipe.
Keil stelt zich daarbij de volgende vraag: betekent dat nu dat de wereld uit niets dan leemtes bestaat? Neen! Niet op elk ogenblik kan iets willekeurigs gebeuren. Veel mogelijke verlopen worden door natuurwetten uitgesloten, sneller dan het licht bewegen bijvoorbeeld kan niet. Maar alles dat niet door natuurwetten onmogelijk wordt, blijft mogelijk. ‘Positief vat men natuurwetten het best op als restricties die enkele mogelijkheden uitsluiten, maar vele andere openlaten … er kan voor de libertariër geen sprake van zijn de natuurwetten te loochenen of voor veranderbaar te houden’.[27] Tenslotte de mythe van de onbewogen beweger (punt 4): vrij kiezende personen kunnen wonderen bewerken of zijn eerste bewegers die causale reeksen in gang zetten. Het eerste zinsdeel is opnieuw al te gek. De moeilijkheid bij het tweede punt is dat inderdaad kan worden betwist of de mens een onbewogen beweger kan zijn die causale schakels in gang kan zetten (actorcausaliteit). Ik kan niet ingaan op wat acausalisten of niet-causalisten beweren en ook niet op het actorcausalisme. Maar wat Keil vervolgens zegt, is belangrijk: indeterministische gebeurteniscausalisten (zoals Keil) beweren dat beslissingen en handelingen door gebeurtenissen worden veroorzaakt, weliswaar op niet-deterministische wijze.[28] ‘Dat elke gebeurtenis een oorzaak heeft, heeft niet de betekenis dat elke gebeurtenis onder deterministische verloopswetten valt’. Ook Kant kon zich niet voorstellen dat veroorzaking iets anders zou kunnen zijn dan determinatie door strenge natuurwetten. Een vraag daarbij, die Keil (hier) niet beantwoordt, is of niet reeds het loutere veroorzaakt zijn met de vrijheid onverenigbaar is. Het antwoord hierop hangt af van de causaliteitstheorie die men aankleeft. ‘Er zijn prominente libertariërs die dat (= de identificatie van het causaliteitsprincipe met het determinismeprincipe) niet doen, bijvoorbeeld Robert Kane die zich met de gewone Ereigniskausalität redt, maar deze niet-deterministisch opvat. Genau so sehe ich es auch‘.[29]
Keil heeft hierboven het toevalsprobleem vermeld. Het kan terecht als probleem gesteld worden. Volgens critici van het libertarisme zouden beslissingen, als we onder identieke voorwaarden zo of anders zouden kunnen beslissen, ongegrond, irrationeel, onverklaarbaar, grillig zijn – vrije beslissingen zouden het product van het toeval zijn. Vervolgens stellen ze ook dat indeterminisme onze vrijheid niet zou vergroten, maar stuurbaarheid en toerekeningsvatbaarheid zou ondermijnen. Het antwoord van Keil luidt dat men een onderscheid moet maken tussen een positief en een negatief deel van de vrijheidsleer. Inderdaad, het loutere indeterminisme is ontoereikend voor een positieve verklaring. De ontische mogelijkheid voor alternatieve verlopen bestaat immers ook voor wezens die de libertariër geen vrije wil toekent. Een positieve verklaring van de vrijheid moet een echt vermogen beschrijven, een potentia, niet enkel een possibilitas. Dat vermogen moet ook in de wereld passen. De fysische wereld mag niet zo bestaan dat de uitoefening van dit vermogen onmogelijk zou zijn. Daarvoor is het negatieve deel verantwoordelijk. Men mag het positieve en het negatieve deel niet met elkaar verwisselen. Vervolgens, ‘niet gedetermineerd’ is niet hetzelfde als ‘louter product van het toeval’. Bekijken we, zegt Keil, onder welke voorwaarden wij een persoon het resultaat van zijn handeling aanrekenen. Onder indeterministische veronderstellingen is effectief geen handelingsresultaat gewaarborgd, waarop de criticus kan zeggen dat de actor de aanvang van het resultaat niet vrij heeft gekozen. Dat is juist, zegt Keil, maar wat is hier bedoeld? Wat het alternatief van ‘gedetermineerd’ en ‘toevallig’ over het hoofd ziet is de Widerfahrniskomponente van het handelen, het feit dat dit handelen een wedervaren, een ervaring is. De wereld moet algemeen iets toevoegen opdat onze handelingen slagen; dit handelingsresultaat overkomt ons. Er is hierbij een stuk geluk nodig – wat niet in onze macht (controle) ligt. Deze samenhang ‘zuiver toeval’ noemen, klinkt vals. Het effect van ons handelen wordt ons met recht aangerekend, want precies dat hebben we nagestreefd en begunstigd. Hetzelfde geldt ons beslissingsproces. Hoewel op voorhand niet was gedetermineerd welke beslissing zou volgen, betekent dat niet dat mijn beslissing een product van het toeval is en mij niet wordt aangerekend. ‘Evenwel’, zegt Keil,[30] ‘lijkt de libertariër de volgende vraag te moeten beantwoorden: als de persoon onder gelijke voorwaarden en dat betekent toch wel op de grondslag van dezelfde overweging en met dezelfde redenen, anders beslist zou hebben, zou deze beslissing dan niet irrationeel geweest zijn? … Het antwoord moet luiden dat de persoon niet op basis van gelijke gronden iets anders gedaan heeft’. Men moet namelijk rekening houden met een in de tijd verlopende beslissingssituatie.[31] De libertariër geeft toe dat de actor niet om dezelfde reden waarom hij F heeft gedaan, ook niet-F zou kunnen hebben gedaan – dat zou irrationeel zijn. Een reden die ook de tegengestelde of een willekeurige andere handeling zou verklaren, verklaart inderdaad niets. De oplossing is dat het splitsingspunt (Verzweigungspunkt) van de beide mogelijke verlopen, tijdelijk preciezer moet worden bepaald. Wie overlegt heeft steeds de mogelijkheid verder te overwegen en zich umzuentscheiden. In het geval dat hij op het tijdstip van het feitelijke begin van de handeling bij een gegeven stand van overleg de tegengestelde handeling zou zijn begonnen, zou hij tegen beter weten in hebben gehandeld, dus irrationeel. Het geval ligt anders als op dit tijdstip nog eens een nieuwe bezinning begonnen zou zijn. Ondertussen zouden zich de mentale instellingen van de persoon hebben veranderd en op grond van deze veranderde instellingen zou hij dan ook hebben. gehandeld Dat is in feite ‘het anders kunnen handelen’ voor een rationele actor. ‘Het anders-kunnen is wezenlijk een verder kunnen overwegen’.[32] Men mag dit verder overleggen niet al te zeer scheiden van het overleg zelf. In zijn Willensfreiheit zegt Keil dat men dit verder overleggen niet als een separate bekwaamheid mag opvatten, een toevoeging als het ware. In feite is het verder overleggen een verdere gelijkaardige fase van de activiteit van het overleggen.[33] Zou men hierop kunnen opwerpen dat het niet meer om een anders-kunnen onder gelijke voorwaarden gaat? Maar dat is verkeerd gezien, want in het beschreven scenario moeten noch de natuurwetten noch de voorgeschiedenis van de feitelijke handeling worden gewijzigd. En daar komt het op aan. De andere mogelijke handeling zou iets later zijn begonnen, maar deze afwijking houdt de voorgeschiedenis van de feitelijke handeling constant. Men kan nog verder vragen: hoe is het ertoe gekomen dat de persoon verder overlegt? Het antwoord is dat als het om de rationaliteit van de actor gaat, dit niet moeilijk ligt. Verder overwegen is niet irrationeel. De reden hiervoor is dat een persoon nooit zeker kan zijn dat hetgeen hij voor redenen houdt ook de beste redenen zijn. Hij bezit niet de steen der wijzen. Feitelijk kan tussen goede en voor goed gehouden redenen steeds een verschil bestaan. Daar nu wie overlegt uit pijnlijke ervaring dat onderscheid kent, is het in zijn perspectief ook niet irrationeel zijn overleg nog verder te toetsen. ‘Tegen het beste actuele oordeel in handelen is irrationeel, verder overleggen zelfs bij goede redenen is dat in de regel niet. Mehr muss an dieser Stelle nicht gezeigt werden’[34]
‘De vrijheid loochenen is het bestaan van mensen ontkennen’’[35]
Impliciet zijn we hierboven voortdurend in aanvaring met Farah Foquaert gekomen. ‘Geen straf zonder schuld, geen schuld zonder vrije wil’, luidt het laatste hoofdstuk van Willensfreiheit und Determinismus van Keil. Dat volgt zonneklaar uit zijn betoog – maar Keil houdt rekening met allerlei beperkingen. We gaan hier niet verder op in. Het tegendeel van determinisme is namelijk vrijheid, even algemeen als het determinisme. Alle typisch menselijke eigenschappen en handelingen veronderstellen vrijheid. Ze maken de mens tot mens. Zo heeft Strawson (uitvoerig besproken door Farah Focquaert) laten zien dat vrijheid overal bepalend is. Zonder vrijheid geen dankbaarheid, welwillendheid, kwalijk nemen, minachting of sympathie, maar ook geen afkeuring of lof en ook geen straffen of belonen, allemaal houdingen waarbij wij ons niet afstandelijk, ‘objectief’, kunnen opstellen, ‘natuurlijke’ menselijke reacties. Keil merkt op[36] dat Strawson een vooruitgang is ten overstaan van het klassieke compatibilisme omdat bij hem beloning en straf niet langer sociaal-technologisch – en dus instrumenteel – worden gereduceerd. Farah Focquaert verwijt ten onrechte dat Strawson sociaal onrecht niet erkent.[37] Juist is wel dat hij het niet expliciet vermeldt. Zoals Strawson zou om het even welk ‘normaal’, ‘gezond’ mens zijn vrijheid affirmeren. En mag ik terloops verwijzen naar de fenomenologie die bol staat van beschrijvingen van de identificatie van menselijkheid en vrijheid?
Maar wat dan met het fictionalisme van de vrijheid van Farah Focquaert? Haar fictionalisme hoort in haar theorie thuis en nergens elders. Strawson en anderen laten ons zien dat de mens onmogelijk (slechts) fictioneel-vrij kan zijn.
Om te eindigen, wat te denken van de volgende passage.[38] ‘Boven op de directe invloed van onze socio-economische context en individuele gebeurtenissen op onze fysieke en mentale gezondheid, toont onderzoek aan dat onze perceptie en unieke beleving er evenzeer toe doen. Hoe je in het leven staat, bepaalt veel. Hoe je denkt over jezelf, je relatie, je familie en vrienden, je job, je toekomst, ouder worden, sterven, en het leven in zijn totaliteit, beïnvloedt hoe jouw leven er zal uitzien’. Spreekt Farah Foquaert hier niet over wat wij zelf met onszelf doen, weliswaar op grond van onze hele voorgeschiedenis en van onze omgeving? Is dat nog deterministisch denken of vrije wil-scepticisme? Maar wat blijkt: we zijn zo gevormd, en voor haar is daarmee de kous af. Nochtans weet ze dat worden opgevoed in een gunstige omgeving kan voorkomen dat bepaalde genetische of andere afwijkingen een kans krijgen zich te uiten. ‘Hoewel ik, … ervan overtuigd ben dat de mens geen vrije wil heeft, ben ik op basis van wetenschappelijk onderzoek er eveneens van overtuigd dat ons gevoel van zelfredzaamheid of zelfeffectiviteit, of ook ons gevoel van auteurschap over ons leven of het geloof in de effectiviteit van onze wil in het veranderen van ons gedrag, uitermate belangrijk is voor ons welzijn’.[39] ‘Deze overtuiging hangt voor veel mensen samen met een geloof in de vrije wil, vandaar dat de illusie van vrije wil volgens veel filosofen onmisbaar is’ … ‘Wat mijns inziens wel zinvol is, is dit: verwachten dat iemand in de toekomst meer wilskracht toont of het beter doet’.
Ze verklaart dit alles op basis van haar fictionalisme – een misvatting die ze noodzakelijk acht in te voeren omdat het determinisme of vrije wil-scepticisme haar de weg verspert naar een ware ondubbelzinnige op vrijheid gebaseerde morele stellingname.
Reageren? Mail naar: willy.coolsaet@ugent.be
Prof. dr. Willy Coolsaet, ere-prof Universiteit Gent, Vakgroep Filosofie en Moraalwetenschap. Zijn laatste boek Naar een andere moderniteit. Bevrijding van de waan van oneindigheid en bovenmenselijkheid verscheen in 2024 bij Gompel&Svacina.
[1] Farah Focquaert, Beter leven zonder vrije wil. Een filosofie van loslaten: voor een leven zonder (zelf)schuld, Borgerhoff & Lamberigts, 2025. Filosofe Farah Focquaert is gastprofessor aan de Universiteit Gent en lector aan de Arteveldeschool.
[2] Geert Keil (geb. 1963) bezet sedert 2010 de leerstoel Philosophische Anthropologie aan de Humboldt-Universität, Berlijn. Werken die voor onze problematiek relevant zijn: G. Keil, Willensfreiheit, 2. erweiterte Auflage, Berlijn, 2013 (uitgebreidere versie van Willensfreiheit und Determinismus, Stuttgart, 2009); G. Keil, Handeln und Verursachen, Frankfurt a. Main, 2000; G. Keil, Willensfreiheit und Determinismus, Stuttgart, 2009. Dat laatste werkje is een inkorting, bestemd voor een groot publiek, van de eerste versie van Willensfreiheit. Geert Keil is voor zover ik zie nauwelijks bekend in het Nederlandse taalgebied. Ik hoop dat dit artikel als een uitnodiging zal werken om van zijn oeuvre kennis te nemen en er op in te gaan.
[3] Focquaert, o.c., blz. 9.
[4] Focquaert, o.c., blz. 68, blz. 137 en elders.
[5] Focquaert, o.c. blz. 221.
[6] Terloops, Keil gebruikt de term libertair uitsluitend om zich kritisch te distantiëren van het soft determinisme. In feite is vrijheid vrijheid tout court, en is het woord libertair overbodig.
[7] Focquart, o.c., blz. 182-184.
[8] Focquaert, o.c. blz. 39. Volgende citaten eveneens blz. 39.
[9] Farah Focquaert stemt daar feitelijk mee in. “Ik wil vooraf benadrukken dat de vraag naar het al dan niet bestaan van de vrije wil geen absoluut antwoord kent”. Wanneer filosofen stellen dat er geen vrije wil is, dan bedoelen ze: het is ‘hoogst waarschijnlijk dat er geen vrije wil is gezien de kennis die we hebben en de argumenten die we kunnen aandragen. Filosofen, net als wetenschappers, houden er altijd rekening mee dat wat we vandaag als kennis beschouwen, morgen herzien kan worden” (blz. 70). Ze ziet de zaak dus niet metafysisch.
[10] Willensfreiheit, blz. 10.
[11] Ik ben in mijn Naar een andere moderniteit, 2024, uitvoerig ingegaan op Geert Keils determinismeopvatting: W. Coolsaet, “Het determinisme onderuit gehaald. Omtrent Geert Keils Willensfreiheit en Handeln und Verursachen”, De uil van Minerva, jg. 30 (2017), nr. 4, blz. 255-282.
[12] Farah Focquaert vermeldt het onderscheid, maar gaat er niet echt op in.
[13] In zijn beroemde artikel “Freedom and Resentment”, in Freedom and Resentment and other essays, 1974.
[14] Ik volg hier, en in al wat volgt, zijn Willensfreiheit und Determinusmus.
[15] Dat verklaart Farah Focquaert eveneens, weliswaar vanuit een totaal ander perspectief.
[16] Ib., blz. 26.
[17] Dat vraagt uitleg die we hier onvoldoende kunnen geven. Keil gaat in zijn Willensfreit und Determinismus op dit begrip niet in. Dat doet hij wel in zijn Willensfreiheit (blz. 33-34) en in zijn Handeln und Verursachen (blz. 168-170, blz. 249-260). In mijn artikel “Het determinisme onderuit gehaald. Omtrent Geert Keils Willensfreiheit en Handeln und Verursachen” heb ik gepoogd een en ander samen te vatten. Er zijn naast verloopswetten (of successiewetten) ook toestandswetten (coëxistentiewetten). Deze laatste zijn tijdloos, de eerste slaan op het feitelijk verloop. Hier hoort causaliteit thuis. Het punt is nu dat alle verloopswetten uitzonderingen kennen (en dus in feite geen wetten zijn, maar ten hoogste zeer stabiele regelmatigheden). Dat toont Keil aan met behulp van Nancy Cartwrights How the Laws of Physics Lie, 1983. Het levert de noodzakelijke steun voor zijn libertaire vrijheidsopvatting. Keil maakt zijn opvatting als volgt aanschouwelijk: als men de valwet herformuleert als een verloopswet, dit is, als op de feiten in de wereld betrekking nemend, komt men tot het besluit dat hij nooit opgaat, er zijn altijd uitzonderingen (zoals een of andere hindernis). Men zal zeggen dat een andere wet is tussengekomen. Maar van die wet zal men hetzelfde moeten zeggen. Dit samenwerken van wetten is een moeilijk punt dat hier niet langer vervolgd kan worden.
[18] Willensfreiheit, blz. 172.
[19] Willensfreiheit und Determinismus, blz. 29.
[20] Ib., blz. 30.
[21] Ib., blz. 31.
[22] Willensfreiheit und Determinismus, blz. 74, volgend citaat eveneens blz. 74.
[23] Willensfreiheit, blz. 202.
[24] Willensfreiheit und Determinismus, blz. 79. In het Nederlandse taalgebied denken we aan Swaab, Wij zijn ons brein, 2010, Victor Lamme, De vrije wil bestaat niet, 2012, Jan Verplaetse, Zonder vrije wil, 2011, om maar enkele recente publicaties uit ons taalgebied te vermelden.
[25] Ib., blz. 79-80.
[26] Ib,. blz. 81.
[27] Ib,. blz. 82.
[28] Ib., blz. 84, volgend citaat eveneens blz. 84.
[29] Ib., blz. 86.
[30] Ib., blz. 89.
[31] Ib., blz. 90.
[32] Ib., blz. 91.
[33] Freiheit, blz. 254.
[34] Freiheit und Determinismus, blz. 51.
[35] R. Boehm, “Lastige vrijheid”, Streven, mei 1976, blz. 694 (paragraaftiteltje).
[36] Freiheit und Determinismus, blz. 69.
[37] Focquaert, o.c., blz. 164.
[38] Focquaert, o.c., blz. 42 en verder blz. 46, blz. 52, blz. 55.