De actualiteit van Immanuel Kant

 

 

Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en steeds toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het nadenken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.

– Immanuel Kant, Kritiek van de praktische rede

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog is in Europa de roep om bewapening niet eerder zo sterk geweest als in de huidige tijd. De Nederlandse secretaris-generaal van de NAVO, Mark Rutte, vraagt de lidstaten van deze organisatie de uitgaven aan defensie snel en drastisch te verhogen, inmiddels zelfs tot 5% van het BNP. Verschillende regeringen gaan al over tot fors grotere uitgaven om de nationale defensie op korte termijn flink te versterken. Een en ander is ingegeven door de vernietigende oorlog die nu al ruim drie jaar woedt in Oekraïne en door de daarmee samenhangende angst voor verdere Russische agressie, maar ook door onzekerheid over de houding van de Verenigde Staten. Waren de Amerikanen altijd een betrouwbare bondgenoot en zelfs bij uitstek de steunpilaar van de NAVO, onder de huidige president Donald J. Trump is het onduidelijk wat precies de positie van de Verenigde Staten is en hoe zij zich in de nabije toekomst zal ontwikkelen. Daarnaast leidt het almaar aanhoudende conflict tussen Israël en de omliggende landen tot voortdurende politieke instabiliteit, en dus tot bezorgdheid in de internationale politiek. Bewapening lijkt het enige antwoord dat de huidige generatie leidende politici, gesteund door een lobby van militairen en oud-militairen, op de huidige crises weet te geven: si vis pacem, para bellum – wie vrede wil, bereide zich voor op oorlog. Een tegengeluid is nauwelijks te horen.

Toch is niet oorlog, maar niets minder dan eeuwige vrede het doel van de geschiedenis, stelde de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) ruim tweehonderd jaar geleden. Is die gedachte inmiddels niet helemaal achterhaald – na twee eeuwen vol oorlogen, en in het licht van de tegenwoordig alom gevoelde oorlogsdreiging? Was Kant een wat naïeve idealist, aan wiens politieke filosofie we in de hedendaagse praktijk nauwelijks nog iets hebben, gezien alle oorlogen en gewelddadige conflicten?

De ironie van de geschiedenis wil overigens dat Kant vrijwel zijn hele leven doorbracht in Königsberg in het voormalige Oost-Pruisen – het tegenwoordige Kaliningrad, de hoofdstad van het gelijknamige gewest, een Russische enclave tussen Polen en Litouwen. Kaliningrad is de enige ijsvrije Russische haven aan de Baltische Zee en juist daarom voor Rusland van groot militair en strategisch belang. Tegelijk wordt door de Baltische landen en Polen gevreesd dat juist deze regio de uitvalsbasis voor toekomstige militaire activiteit zou kunnen zijn. Zo is Kaliningrad bepaald niet het symbool voor het streven naar eeuwige vrede dat de stad zou kunnen zijn omdat Kant, als uitgesproken pleitbezorger van dit streven, er zijn leven doorbracht en in de dom begraven ligt.

 

Kritische filosofie

Immanuel Kant geldt als de grondlegger van de moderne filosofie, en als één van de grootste filosofen ooit in de westerse traditie. Deze reputatie berust eerst en vooral op het werk dat hij in zijn zogeheten ‘kritische periode’ schreef. Deze term ‘kritische periode’ verwijst naar de titels van de drie grote studies die hij publiceerde in deze tijd: de Kritik der reinen Vernunft (1781), de Kritik der praktischen Vernunft (1788) en de Kritik der Urteilskraft (1790). ‘Kritiek’ in deze titels moet worden begrepen als ‘kritisch onderzoek naar de mogelijkheden en beperkingen van…’. In de eerste kritiek stelt Kant deze vraag over het menselijk kennen; in de tweede over het handelen; en in de derde over het oordeelsvermogen. In zijn eerste kritiek luidt daarmee in (al te) kort bestek de vraag ‘wat kan de mens weten door na te denken?’; in de tweede ‘hoe kan de mens (ethisch juist) handelen?’; en in de derde ‘hoe kan de mens oordelen (bijvoorbeeld over mooi en lelijk)?’. Hoe invloedrijk deze werken ook zijn geweest – en hun belang valt nauwelijks te overschatten –, zij hebben ook de reputatie moeilijk toegankelijk te zijn. Natuurlijk, de problematiek van de drie kritieken is op zich al erg ingewikkeld, maar bovendien maakt de stijl van schrijven van Kant het lezen van deze boeken er niet eenvoudiger op. Hij schreef lange, ingewikkelde zinnen, vaak met herhalingen van zinsdelen, en met het deels terugnemen van wat hij eerder in dezelfde zin naar voren had gebracht.

Naast zijn kritieken publiceerde Kant echter verschillende korte essays die veel toegankelijker zijn geschreven. In die korte essays behandelde hij uiteenlopende onderwerpen, weliswaar tegen de achtergrond van zijn ‘kritische filosofie’, maar zonder dat diepgaande kennis van die ‘kritische filosofie’ wordt verondersteld. En wat hij over die onderwerpen naar voren brengt, is nog altijd verrassend actueel.

 

Kant en de Verlichting

Een beroemd geworden voorbeeld vormt het essay Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784), waarmee Kant zich mengde in een van de belangrijkste intellectuele debatten van zijn tijd: de vraag naar wat de Verlichting inhoudt.  Dit essay begint met één van de meest bekende van de omschrijvingen die aan de term Verlichting zijn gegeven:

Verlichting is het uittreden van de mens uit onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen. Sapere aude! Heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen! is derhalve de zinspreuk van de Verlichting.[1]

Maar al werd de omschrijving die Kant hiermee van de Verlichting gaf zeer bekend, dit was geenszins het laatste woord dat in het debat over de betekenis van de Verlichting werd gesproken. Integendeel, de discussies over de betekenis van de term Verlichting gingen onverminderd voort, zelfs tot op de dag van vandaag. Hoewel in deze discussies tal van verschillende standpunten werden ingenomen, ontwikkelde zich in de loop van de tijd desondanks een min of meer eenduidig beeld van de Verlichting. Dit hield in, dat het als kenmerkend voor de Verlichting – als een intellectuele beweging in met name West-Europa – werd gezien dat het verlangen bestond het menselijk handelen niet zozeer te laten leiden door (bij)geloof of openbaring, als wel door de rede; dat er vertrouwen bestond in de vermogens van het menselijk verstand om de samenleving te hervormen en het individu te bevrijden van de beperkingen opgelegd door gewoonte of willekeurig gezag; en dat dit alles berustte op een wereldbeschouwing die in toenemende mate haar rechtvaardiging in de wetenschap vond, veeleer dan in godsdienst of traditie. Het denken van Kant paste naadloos binnen dit beeld van de Verlichting.

Onderzoek dat de laatste decennia naar de Verlichting is gedaan, leidde echter tot allerlei nieuwe inzichten die dit overgeleverde beeld in twijfel trekken. Een eerste conclusie die uit dit recente onderzoek kan worden getrokken is, dat de Verlichting veel minder een bij uitstek West-Europees verschijnsel is geweest dan lang werd aangenomen. De Verlichting deed zich in vrijwel alle Europese landen voor, ook in Oost-Europa of op het Iberisch schiereiland, met allerlei nationale eigenaardigheden en accenten. Juist daarom is het moeilijk te spreken van ‘de’ Verlichting: dit suggereert ten onrechte, dat van een eenvormigheid kan worden gesproken.

Een tweede conclusie is, dat de geschiedschrijving over de Verlichting lange tijd werd gedomineerd door een al te eenzijdige aandacht voor de Franse Verlichting, en dat dit tot vertekeningen heeft geleid. Een goed voorbeeld is de houding tegenover de godsdienst in de Verlichting: bezien vanuit een breder perspectief dan alleen het Franse, blijkt dat er een veel grotere verscheidenheid bestond in de houding tegenover godsdienst en kerk, waar in Frankrijk inderdaad een afwijzende houding overheerste tegenover de religie en vooral de machtspositie van de kerk in de samenleving. Juist ook voor de positie van Kant is dit interessant: er is nog altijd discussie over de vraag naar zijn houding tegenover de godsdienst. Ook de vraag naar de mogelijke invloed van de ideeën van de Verlichting werd overigens gedomineerd door de geschiedschrijving over Frankrijk: niet zelden werd de Verlichting opgevoerd als oorzaak bij uitstek van de Franse Revolutie. Bij nader inzien echter blijkt de relatie tussen de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie veel complexer te zijn. En wanneer het overwegend Franse perspectief wordt losgelaten, blijkt de relatie tussen Verlichting en revolutie nog minder eenduidig.

Een derde en laatste conclusie luidt, dat door al het onderzoek dat de laatste decennia naar de Verlichting is gedaan weliswaar de kennis van dit tijdperk enorm is toegenomen, maar dat er juist daardoor niet langer een eenduidig beeld van bestaat. Er is het nodige, en soms ronduit veel, bekend over tal van aspecten van dit tijdperk, maar een samenhangend beeld van de Verlichting is daarmee verloren gegaan. De Verlichting blijkt een veel meer divers en ingewikkeld verschijnsel te zijn geweest dan lang werd aangenomen – en over vrijwel alle eigenschappen die van oudsher aan de Verlichting werden toegedicht blijkt discussie niet alleen mogelijk, maar wordt zij ook daadwerkelijk gevoerd.

Geen van al die nieuw ontwikkelde inzichten in de geschiedschrijving van de Verlichting betwist echter, dat Kant als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming moet worden beschouwd, en naar zijn omschrijving van het verschijnsel wordt dan ook nog veelvuldig verwezen.

 

Vrede als doel van de geschiedenis

Een ander voorbeeld van zo’n kort en verhoudingsgewijs toegankelijk essay van Kant is Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerli­cher Absicht (1784), waarin hij ingaat op de vraag de betekenis van de geschiedenis (in de zin van geschiedverloop).

In dit opstel gaat Kant uit van de constatering dat de handelingen van mensen, wanneer zij op zich worden bekeken, geen betekenis lijken te hebben. Of een boer een stuk land braak laat liggen of juist bewerkt, of iemand al dan niet een huis koopt – voor de persoon in kwestie heeft het betekenis, maar niet in het licht van de loop van de geschiedenis, zo lijkt het. Maar wellicht, meent Kant, kunnen we de handelingen van mensen en hun betekenis beter begrijpen wanneer we aannemen dat er een plan van de natuur of voorzienig­heid bestaat, dat in de loop van de geschiedenis wordt verwezenlijkt door de handelingen van individuen, zonder dat die individuen zich daarvan bewust zijn. In dit verband zijn volgens Kant twee punten van belang. Om te beginnen noemt hij het onwaarschijnlijk dat de natuur de mens zou hebben begiftigd met allerlei vermogens, wanneer het niet de bedoeling zou zijn dat deze vermogens ook tot ontwikkeling zouden komen. Ten tweede zijn met name de intellectuele vermogens van de mens van dien aard dat zij niet in het individu tot volle ontplooiing kunnen komen; enkel in de ontwikkeling van de menselijke soort kunnen deze vermogens volledig worden ontplooid. In de wetenschap bijvoorbeeld bouwt de ene generatie uitdrukkelijk voort op de inzichten die vorige generaties hebben ontwikkeld. De Engelse bisschop en filosoof John of Salisbury (1120-1180) verwoordde dit treffend met het beeld van ‘dwergen zittend op de schouders van reuzen’ – we kunnen dan misschien wel hoger reiken dan vorige generaties, maar enkel en alleen omdat we kunnen leunen op die vorige generaties.

Als we nu aannemen, stelt Kant, dat er inderdaad zo’n verborgen plan van de natuur of de voorzienigheid ten grondslag aan de geschiedenis ligt, dan zouden we de geschiedenis kunnen opvatten alsof zij erop is gericht de voor­waarden te scheppen waarin de vermogens van de mens steeds verder worden ontwikkeld, opdat de mens kan opklimmen van onbeschaafdheid naar cultuur. De motor van dit proces is wat Kant noemt  de ‘onmaatschappelijke maat­schappelijkheid’ van de mens: het gegeven, dat de mens enerzijds een sociaal wezen is dat het gezelschap en de hulp van anderen zoekt en nodig heeft, maar anderzijds van nature een individualist en egoïst en geneigd zich tegen diezelfde anderen af te zetten. Deze ambivalentie in de menselijke natuur nu leidt er volgens Kant toe dat mensen proberen hun vermogens maxi­maal te ontwikkelen, om hun positie in de gemeenschap waarvan zij deel uitmaken zoveel mogelijk te verbeteren. Met andere woorden: de aard van de menselijke natuur is de motor die de geschiedenis gaande houdt.

Het streven naar het verbeteren van de eigen positie in hun gemeenschap kan volgens Kant ook worden omschreven als het streven naar een zo groot mogelijke vrijheid. Dat wil zeggen: naar een positie waarin een individu zo min mogelijk onderworpen is aan de beperkingen die voort­vloeien uit het leven in een gemeenschap met anderen. Maar de groot­ste mate van vrijheid leidt – paradoxaal genoeg – tot de grootste mate van onvrijheid: als de grootste mate van vrij­heid heerst, geldt het recht van de sterkste en gaat de vrij­heid van de een ten koste van de vrijheid van de ander. De vrijheid van de sterkste is vrijwel onbeperkt, de vrijheid van de zwakste vrijwel afwezig. Om deze reden dienen de grenzen van de vrijheid te worden vastgelegd in een wetgeving, aldus Kant, opdat de vrijheid van de een kan bestaan met de vrijheid van de ander. Zo komt een burgerlijke maat­schappij tot stand: burgerlijk omdat de ingezetenen van die maatschappij burgerrechten hebben. De onderlinge concurrentie in zo’n ‘republiek’ is strikt aan regels gebonden, en conflicten dienen te worden beslecht door zich op de regels, dat wil zeggen: de wetgeving te beroepen.

Nu wijst Kant erop dat het verwezenlijken van een waarlijk burgerlij­ke staatsinrichting niet mogelijk is, zonder dat ook de verhouding tussen de verschillende staten wettelijk wordt geregeld. Want de strijd tussen indivi­duen vindt op een hoger niveau zijn parallel in de strijd tussen staten. Ook de strijd tussen staten dient daarom te worden onderworpen aan een regelgeving, die oorlog verbiedt en een vreedzame oplossing van conflicten mogelijk maakt. Daartoe moet een internationale gemeenschap bestaande uit een bond van volken in het leven worden geroepen. Deze dient te kunnen afdwingen dat staten zich aan de zo gevormde internationale rechtsorde houden. Zo komt Kant tot de stelling, dat vrede het doel van de geschiedenis is: de toestand waarin de concurren­tie tussen individuen en de concurrentie tussen staten vreed­zaam verlo­pen.

De idee van het geschiedverloop dat Kant in dit essay ontwikkelt, past volledig binnen de kaders van de Verlichting. Deze idee gaat niet zozeer terug op het geloof of op een openbaring, als wel op een analyse van de menselijke natuur. De dichotomie in de menselijke natuur die uit deze analyse naar voren komt, is de motor van de geschiedenis, die de geschiedenis uiteindelijk naar haar voltooiing zal leiden. Hoe dit proces verloopt wordt stap voor stap uiteengezet op grond van de analyse van de menselijke natuur die het vertrekpunt van het betoog vormt.

 

Een vredesverdrag

In 1795 kwam Kant terug op de problematiek van Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerli­cher Absicht in zijn essay Zum ewigen Frieden, een tekst die de vorm heeft van een vredesverdrag. Als dit verdrag ten uitvoer zou worden gebracht, heerst er inderdaad vrede: de concurrentie tussen staten zal vreedzaam verlopen, de geschiedenis heeft haar doel bereikt. Zo’n verdrag is noodzakelijk, omdat vrede geen natuurlijke toestand is: de vrede in de internationale politiek moet worden gevestigd, zoals nationale wetgeving binnen een land een vreedzame oplossing van conflicten over tegenstrijdige belangen moet vestigen. Om een dergelijk vredesverdrag met succes te kunnen afsluiten, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Een eerste voorwaarde die Kant noemt betreft de staatsvorm van de verschillende landen: dit dienen republieken te zijn. De reden daarvoor is, dat in geval van oorlog in een monarchie de vorst de kosten ervan zal afwentelen op zijn onderdanen, terwijl in een republiek de ingezetenen zelf de kosten van de oorlog moeten dragen. Dit gegeven alleen al ontmoedigt de neiging tot oorlog over te gaan, en om deze reden verdient de republiek de voorkeur als staatsvorm. – Terzijde: uiteraard verschilt een hedendaagse constitutionele monarchie, waarin de koning of koningin eerst en vooral een symbolische rol heeft en geen of zeer beperkte politieke macht, als staatsvorm in dit opzicht niet wezenlijk van de republiek in de zin waar Kant erover sprak. Op hedendaagse autocratisch geregeerde republieken is de analyse van de monarchie die Kant geeft, veel sterker van toepassing. –

Een tweede voorwaarde is dat er een federatie van vrije staten wordt gevormd. Deze federatie moet dwingende regels kunnen uitvaardigen, die oorlog verbieden en vreedzame oplossingen van conflicten bevorderen.

Ten derde moet er volgens Kant sprake zijn van wereldburgerrecht, dat wil zeggen: een algemene gastvrijheid die een burger van welk land ook toestaat andere landen te bezoeken, en bijvoorbeeld handelsbetrekkingen aan te knopen. Maar het in bezit nemen van andere landen, op welke wijze ook, is volledig uit den boze, en daarmee wijst hij ook kolonialisme en imperialisme af.

Naast deze voorwaarden schetst Kant een aantal omstandigheden die de vrede bevorderen – een paar voorbeelden. Zo mag in verdragen tussen landen nooit een geheim voorbehoud worden gemaakt – dat is immers bijna per definitie de aanleiding voor een toekomstige oorlog; en dan zou er geen sprake zijn van vrede, maar enkel van een wapenstilstand, van een tijdelijke onderbreking van de vijandelijkheden. Daarnaast benadrukt Kant dat een staat niet moet worden begrepen als een bezitting, maar als een gemeenschap van mensen, en over die gemeenschap beschikt en beslist alleen die gemeenschap zelf. Een staat kan dan ook niet worden verkocht, geruild, of door overerving van ‘eigenaar’ veranderen: een staat heeft volgens Kant per definitie geen eigenaar. Dit betekent ook, dat een staat zich op geen enkele wijze mag mengen in het bestuur of de wetgeving van een andere staat: een gemeenschap beschikt over zichzelf. Ook pleit Kant voor het afschaffen van staande legers – die vormen een kostenpost terwijl het geld veel beter zou kunnen worden besteed; en juist het bestaan van staande legers vergemakkelijkt de stap naar oorlogsvoering.

 

Mogelijkheid of opdracht?

Wat is nu de betekenis van Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerli­cher Absicht en Zum ewigen Frieden? Meende Kant oprecht dat de geschiedenis noodzakelijk zal uitmonden in eeuwige vrede? Of moet zijn politieke filosofie anders worden opgevat? In een ander essay, Das Ende aller Dinge (1794), gaat hij in op de vraag wat de idee van het doel of het einde van de geschiedenis eigenlijk inhoudt. Hierin stelt hij dat het einde van de mensheid of van de geschiedenis iets is dat het kennen te boven gaat: we kunnen helemaal niet weten of (be-)denken wat we ons zouden moeten voorstellen bij het einde van de geschiedenis, bij de geschiedenis die voltooid of afgerond is omdat zij haar doel heeft bereikt. Dat is letterlijk on-denkbaar. Maar desondanks heeft de idee van het einde van de geschiedenis, aldus Kant, wel degelijk betekenis, te weten voor zover het in relatie staat tot het handelen, of, anders gezegd, als ideaal. Eeuwige vrede als doel van de geschiedenis is, met andere woorden, uiteindelijk een ideaal dat moet worden nagestreefd.

Of dat doel ook daadwerkelijk kan worden bereikt, is maar de vraag. Maar dat maakt volgens Kant eigenlijk niet uit. Hij wijst erop, dat het ideaal van het vliegen met luchtballonnen al niet werd opgegeven toen het aanvankelijk keer op keer mislukte. (De eerste vluchten met luchtballonnen werden in de jaren 1780 gedaan – de eerste vrije vlucht was in 1783, en in 1785 werd voor het eerst per luchtballon het Kanaal overgestoken. Kant verwijst dus met dit voorbeeld naar de onmiddellijke actualiteit van zijn tijd.) Waarom zouden we dan het veel belangrijker, want ethische, ideaal van eeuwige vrede wel opgeven als het steeds weer lijkt te mislukken? Sterker nog: als het verwezenlijken van dit ideaal niet aantoonbaar onmogelijk is, moeten we het zelfs als een morele plicht beschouwen het te verwezenlijken. Het nastreven en bereiken van de eeuwige vrede is zo niet minder dan een plicht!

Is de idee van een eeuwige vrede achterhaald door de gebeurtenissen van de laatste twee eeuwen? Was Immanuel Kant een naïeve optimist, die meende dat op de lange duur alles wel goed zou komen, iemand die – zoals wel meer denkers uit de Verlichting wordt verweten – een blind vooruitgangsgeloof aanhing? Integendeel, Kant had een scherp oog voor de kwalijke kanten van de menselijke natuur, voor het egoïstische en oorlogszuchtige in de mens. Maar hij meende dat die kwalijke kanten konden – en zouden moeten – worden ingetoomd, door binnenlandse wetgeving en, als tegenhanger daarvan in de verhouding tussen landen, door een internationale rechtsorde. Zowel op nationaal als op internationaal vlak moet er zo naar worden gestreefd dat niet het recht van de sterkste heerst, maar dat de vrijheid van de een kan bestaan met de vrijheid van de ander. Niet gemakkelijk, misschien zelfs onmogelijk – maar hoe dan ook een nastrevenswaardig ideaal dat helemaal niets aan actualiteit heeft ingeboet. Het nastreven van dat ideaal heeft zelfs, met in de tussenliggende tijd de ontwikkeling van massavernietigingswapens die het voortbestaan van de aarde als zodanig bedreigen, een nog grotere urgentie dan toen Kant het op schrift stelde. Is de politieke filosofie van Immanuel Kant achterhaald? Nee, geenszins: zij is belangrijker dan ooit!

 

Dit is de uitgebreide versie van een tekst die op verzoek werd geschreven voor de Nieuwsbrief NVMP – Artsen voor vrede 45 (2025), nr. 1, blz. 18 – 19

 

Literatuur

  1. Kant, De Idee der Geschiedenis, Ingeleid, vertaald en geannoteerd door prof. dr. B. Delfgaauw, Kok, Agora Editie, Kampen, 1988
  2. Kant, De Eeuwige Vrede, Ingeleid, vertaald en geannoteerd door prof. dr. B. Delfgaauw, Kok, Agora Editie, Kampen, 1986
  3. Kant, Wat is Verlichting?, ingeleid, vertaald en geannoteerd door prof. dr. B. Delfgaauw, Kok, Agora Editie, Kampen 1988

 

Dorinda Outram, The Enlightenment, tweede druk, Cambridge University Press, Cambridge etc. 1996, deel 7 in de reeks New approaches to European history

Th. Mertens, Kritische filosofie en politiek. Immanuel Kant over oorlog en vrede, Gerard Noodt Instituut, Nijmegen, 1990

 

 

[1] Immanuel Kant, ‘Beantwoording van de vraag: wat is Verlichting?’, in: Immanuel Kant, Wat is Verlichting?, ingeleid, vertaald en geannoteerd door prof. dr. B. Delfgaauw (Kok, Agora Editie, Kampen 1988), 59.

Het gebrul van de onheuglijke waterval (II)
Het gebrul van de onheuglijke waterval (I)
Een vergeten stem in de receptie van Heinrich...
Ethiek in praktijk en theorie van de gezondheidszorg
Verstond Tocqueville de democratie?
Waarom we bang zijn
De Trumpfluisteraar (III)
De Trumpfluisteraar (II)
De Trumpfluisteraar (I)
Waarheid en leugen: hedendaagse uitdagingen
Verlichting versus modernisering
Vrede als plicht
Quinten Weeterings en de Posthistoire
Waarover we het hebben, als we het hebben...
Schuld zonder boete. Zijn regels slechts vrijblijvende suggesties?
De tweespalt van de tijd
Het geluk van nabijheid. Hannah Arendt over vriendschap...
‘Eén van de grootste geschenken van deze wereld’
Over de homo authenticus van Gilles Lipovetsky
De musicerende Socrates
Filosofie als radicale reflectie
Mors immortalis. Of, hoe de dood voor ons...
Het einde en het begin van de geschiedenis
Pascal postuum II: Januari 1670
Pascal postuum I: Januari 1670
Begrensde Tolerantie, Botsende Meningen
Einstein ontmoet Kafka
De onvervalste ‘vrouwelijke natuur’
Hoeveel werkelijkheid kan de hedendaagse filosoof nog verdragen?...
Nostalgie naar de ware wereld