Begin zeventiende eeuw vluchtten vele Portugees-joodse families naar Amsterdam om te ontkomen aan de inquisitie. Amsterdam was een aantrekkelijk toevluchtsoord vanwege de religieuze tolerantie in de Hollandse Republiek en de economische bloei van de haven. De handel en wandel van deze migranten kunnen we terugvinden in talloze notariële akten, die onvoorstelbaar genoeg bewaard zijn gebleven.[1] In Amsterdam bleven deze Sefardiem fier op hun Portugese oorsprong. Ze hadden voor zichzelf een soort adelstand uitgevonden en gebruikten het Portugese woord gravidade om zich te onderscheiden van de Ashkenazi – een term die voornaamheid en waardigheid uitdrukt.[2]
Spinoza werd in 1632 geboren in Amsterdam in een welgestelde Portugees-joodse familie. Thuis sprak men Portugees. Hij droeg de voornaam Bento. In de synagoge werd hij in het Hebreeuws Baruch genoemd. Samen met zijn broer Gabriel was hij werkzaam in het familiebedrijf van hun vader. Vanuit Amsterdam handelden ze in noten en gedroogde vruchten.
In 1656 werd Spinoza door zijn eigen synagoge in de ban geslagen. Dit vond plaats in de uiterst besloten gemeenschap van de Portugese joden te Amsterdam. Hij was 23 jaar oud, opmerkelijk jong om te worden verbannen. Zijn vader, Michael Spinoza, was al overleden. Hij heeft de uitsluiting van zijn zoon dus niet hoeven aan te zien. Uit documenten weten we dat Michael lid was geweest van het bestuurscollege van de synagoge. Zoon Baruch had zijn jeugd ongetwijfeld in en rond de synagoge doorgebracht. Volgens de registers van de synagoge betaalde Baruch tot kort voor de verbanning het lidmaatschapsgeld. Opmerkelijk aan dit alles is dat een prominente esnogueiro werd uitgesloten. Esnogueiro is het Portugese woord dat werd gebruikt om de vaste bezoeker van de eredienst aan te duiden.[3]
De excommunicatie betekende volledige sociale en economische uitsluiting: de geëxcommuniceerde werd een paria wiens hele bestaan als een taboe werd beschouwd. Spinoza verloor zijn plaats als handelaar in de Amsterdamse gemeenschap en kon geen zaken meer doen. Dit veranderde zijn leven radicaal. Hij werd lenzenslijper en latiniseerde zijn voornaam tot Benedictus.
Omstreeks 1662 zagen de eerste wijsgerige bijdragen van Spinoza het licht. Hij schreef brieven en verhandelingen in het Nederlands en in het Latijn. De Ethica en het Theologisch-Politiek Traktaat behoren tot zijn bekendste werken. Soms wordt hij een atheïst genoemd, maar ik vermoed door diegenen die Spinoza niet hebben gelezen, want het eerste hoofdstuk van de Ethica is een uitvoerige metafysische bewijsvoering van het bestaan van God.
In 1677 stierf Spinoza aan de tering. Notaris Willem van den Hove stelde de inventaris van de nalatenschap op. Spinoza liet weinig bezittingen na, maar zijn boekverzameling was voor die tijd beslist indrukwekkend. De notariële akte vermeldt meer dan 100 boeken met auteurs als Aristoteles, Seneca, Petrarca, Descartes, Quevedo, alsook werken over wiskunde, astronomie, en diverse woordenboeken. Een baanbrekend archivalisch onderzoek uit 1932 zegt met recht en rede dat Spinoza naast handelaar ook een autodidact was.[4] Het is inmiddels bekend dat hij een onbekwaam handelaar was, maar als lenzenslijper werd hij beroemd tot buiten de Hollandse Republiek. En de traktaten van Spinoza worden ondertussen zowat overal ter wereld bestudeerd.
Het begrijpen van de banvloek tegen Baruch Spinoza is een kwestie van ideeëngeschiedenis. Over die geschiedenis kan een vuistdik proefschrift worden geschreven. Een uitgebreid onderzoek is hier niet de bedoeling; ik zal mij beperken tot vier historische knooppunten. (i) De voorgeschiedenis te Coimbra in Portugal, (ii) hoe die voorgeschiedenis zich verschoof naar Hamburg en Amsterdam, (iii) vervolgens de ingreep vanuit Venetië en tenslotte (iv) hoe dit alles uitmondde in de verbanning van Spinoza te Amsterdam.
De voorgeschiedenis te Coimbra
In 1492 beval de Spaanse koning dat Joden zich moesten bekeren tot het katholicisme, op straffe van verdrijving. Zij die verkozen te blijven bekeerden zich tot het christendom en werden conversos genoemd. Sommigen bleven echter in het geheim joodse rituelen uitvoeren. De Spaanse inquisitie begon een brutale vervolging om geheime joden op te sporen. Dit opende de doos van Pandora met een willekeur aan middelen om conversos vals te beschuldigen: achterklap, leugens, verraad, loutere verdachtmaking, bekentenissen onder tortuur.
In Portugal was de inquisitie nog niet actief. Om aan de Spaanse inquisitie te ontsnappen verhuisden vele conversos van Spanje naar Portugal. Maar het geluk van deze migranten duurde niet lang. Onder het bewind van koning João III werd in 1536 de inquisitie ook in Portugal actief.
Was de inquisitie werkelijk uit op het opsporen van ongelovigen? Historicus António José Saraiva heeft willen aantonen dat de Portugese inquisitie er op uit was om ware katholieken valselijk aan te duiden als geheime joden.[5] Zo functioneerde de Portugese inquisitie volgens Saraiva als een fabriek die joden produceerde uit mensen die feitelijk katholiek waren.
De centrale argumenten van Saraiva zijn als volgt:
- De inquisitie wilde haar eigen machtsbasis kost wat kost versterken en begon een heksenjacht tegen devote katholieken die geen geheime joden waren.
- De inquisitie en de lokale overheden konden tijdens het proces goederen van veroordeelde ‘ongelovigen’ confisqueren. Het was dus economisch voordelig om zogezegd geheime joden te hebben ontmaskerd.
- De vlucht van rijke conversos van Spanje naar Portugal stootte op jaloezie in Portugal – het vormde voor de autochtone bevolking van Portugal een motief om conversos valselijk van judaïsme te beschuldigen.
Op zich lijken dit drie aanvaardbare argumenten, maar ze stoten op een logisch probleem. Als de vervolgde katholieken (= conversos) geen band hadden met het joodse geloof, waarom bekeerden ze zich in Amsterdam tot het jodendom? Het zou dan logischer zijn dat de vanuit Portugal gevluchte conversos in Amsterdam katholiek wilden blijven.
Het aannemen van een joodse identiteit was in die tijd beslist nadeliger. Bijvoorbeeld, voor het drijven van handel moesten de Amsterdamse joden een katholiek pseudoniem gebruiken om te vermijden dat hun goederen in Spanje of Portugal zouden worden geconfisqueerd. Vandaar dat ik de argumenten van Saraiva betwijfel. Een specialist ter zake is de historicus Yosef Kaplan; hij schreef mij dat volgens hem de conversos van Portugal in het geheim de wetten van Mozes trouw waren gebleven, met andere woorden een verborgen joodse identiteit hadden. Dit biedt een logische verklaring waarom de conversos zich in Amsterdam bekeerden naar het jodendom, hun oorspronkelijk geloof. Hiertegen argumenteert Saraiva dat de ‘gefabriceerde’ joden, eenmaal aangekomen in Amsterdam (feitelijk devote christenen), uit opportunisme naar het jodendom bekeerden. Ze zouden dit gedaan hebben omdat de Portugees-joodse congregatie in Amsterdam een machtig commercieel consortium was.[6] We zijn ondertussen 400 jaar later en ik vermoed dat in bepaalde gevallen de stelling van Kaplan van toepassing is, in andere die van Saraiva.
Het valt buiten de grenzen van deze bijdrage, maar het reilen en zeilen van de Portugese inquisitie is een onderzoek op zich waard. Duizenden manuscripten zijn bewaard gebleven en wie zich hierin verdiept valt van de ene verbazing in de andere. Zo was er bijvoorbeeld de Oleaster, een inquisiteur uit de dominicanen-orde. Hij had een diepe kennis van de joodse religie en was het Hebreeuws machtig. Het Vaticaan moest hem van zijn taken ontslaan omdat hij overdreven bloeddorstig tekeerging.
De universiteit van Coimbra in Portugal was in de zeventiende eeuw vanzelfsprekend een katholiek instituut. Een doctoraatsonderzoek[7] heeft aangetoond dat talrijke hoogleraren aan deze universiteit christenen waren met een joodse achtergrond. Doutor António Homem (1564–1624) was in Coimbra belast met het vak over de decretalen van Paus Clemens de vijfde. Hij was tegelijk de leider van een geheim joods broederschap. Tijdens ondervragingen registreerde de inquisitie in detail de ceremoniële opening van de geheime synagoge. Uit het verslag volgt dat António Homem verkozen was als hogepriester en op een stoel zat die aan een bisschop toebehoorde. De clandestiene synagoge van Doutor António Homem bestond uit niet meer dan een aantal kamertjes in een huis die waren versierd met kaarsen en wandtapijten om een sacrale ruimte te creëren. Het was een merkwaardig gebeuren. De geheime joden van Coimbra gebruikten katholieke attributen zoals een kerkelijk gewaad en een katholieke mijter. Ze sleutelden aan een aangepaste versie van de Hebreeuwse religie en gebruikten opvattingen die ze ontleenden aan hun onmiddellijke katholieke omgeving. Het was António Homem die de krijtlijnen bepaalde van hun versie van het Hebreeuwse geloof. Opvallend is dat hij het gebruik van gebedsriemen in de synagoge had verboden. Doutor Homem was niet gevormd tot rabbijn. Hij was een katholiek academicus, een expert in kerkelijk recht en theologie. Het is onduidelijk waarom hij het gebruik van gebedsriemen in de tempel had verboden.
Het geheime genootschap werd uiteindelijk verklikt en de Portugese inquisitie vervolgde António Homem. Hij werd in 1624 op de brandstapel terechtgesteld.
De avonturen van Uriel da Costa in Hamburg en Amsterdam
Gabriel da Costa werd circa 1585 geboren in Porto in Portugal. Zijn ouders waren joodse handelaars die zich in Portugal tot het christendom hadden bekeerd. Gabriel werd als christen gedoopt en studeerde kerkelijk recht aan de universiteit van Coimbra. In het archief van de universiteit ligt een document waaruit blijkt dat Antonio Homem een van zijn docenten was.
Gabriel da Costa was in het Latijn geschoold. Zijn vader was een devoot katholiek. Na zijn studies was hij werkzaam als penningmeester voor een plaatselijke kerk. Gabriel moet tijdens de opleiding in Coimbra vast en zeker college over theologie hebben gekregen. Dat blijkt alleszins uit zijn latere geschriften waarin hij de Hebreeuwse theologie analyseert volgens de aristotelisch-scholastieke methode.
De familieleden van Gabriel da Costa verhuisden begin zeventiende eeuw naar Amsterdam waar ze zich tot het jodendom bekeerden. Gabriel kreeg de Hebreeuwse naam Uriel. Hij vertrok van Amsterdam naar Hamburg om de handelspost van het familiebedrijf uit te baten. Uit een notariële akte blijkt dat hij suikerhandelaar was. Als geschoold theoloog had hij blijkbaar een snoeiharde manier van denken, want hij kreeg het snel aan de stok met de Portugese rabbijnen van Hamburg. Uriel schreef rond 1616 het pamflet Voorstellen tegen de Traditie. Hierin fulmineert hij tegen de mondelinge traditie van de rabbijnen die in de Talmoed is neergeschreven. De Talmoed was volgens hem een menselijke uitvinding en kon daardoor geen wet zijn.
In het pamflet verwerpt hij het gebruik van gebedsriemen. Dit kan bijna geen toeval zijn, want zoals hoger aangegeven was Uriel aan de universiteit van Coimbra gevormd door António Homem, die het gebruik van gebedsriemen eveneens had uitgesloten.
Uriel da Costa schreef zijn Voorstellen in het Portugees en stuurde het pamflet naar de joodse gemeenschap van Venetië, omdat die groot aanzien had inzake theologische kwesties. Vanuit Venetië volgde een geschreven reactie die ik hieronder afzonderlijk toelicht. Deze tegenreactie zou het begin vormen van zijn lijdensweg die twintig jaar later eindigt in Amsterdam als Da Costa zelfmoord pleegt met een pistool.
Brief van Leon Modena uit Venetië aan de leiders van de Heilige Gemeenschap in Hamburg over een ketter in hun midden
Leon Modena (1571-1648) is een kleurrijke figuur in de Hebreeuwse geschiedenis. Hij kwam uit een rijk geslacht van Franse Joden die zich in het getto van Venetië hadden gevestigd. Hij had naar eigen zeggen meer dan twintig beroepen. Zo was hij rabbijn, liedjesschrijver, maker van amuletten, dichter, handelsagent, redacteur van contracten, koppelaar voor geliefden, leraar, alchemist, enzovoort. De belangrijkste bron waarover we beschikken is zijn autobiografie die hij in het Hebreeuws had opgesteld, waarvan een uitstekende vertaling in het Engels bestaat.[8]
In zijn autobiografie rouwt hij om het verlies van een zoon die om het leven kwam door giftige dampen tijdens alchemistische experimenten. Hij klaagt voortdurend over Rachel, zijn bedlegerige echtgenote, die hem het leven onmogelijk maakt. Leon onderhield uitvoerige contacten met christenen. Hij schreef hen brieven en liet zelfs zijn horoscoop opstellen door een christen. Daar bovenop was hij gokverslaafd en zat altijd in geldnood.
Leon Modena schreef als reactie tegen het pamflet van Uriel da Costa de volgende brief in het Hebreeuws, circa 1616/17 (mijn vertaling):
We hebben tot ons grote verdriet gehoord dat er een boze geest is opgestegen in een man uit uw gemeenschap, en dat hij vals spreekt tegen de mondelinge leer. Het volstaat te zeggen dat hij een volslagen atheïst is. We hebben zijn woorden gehoord, die hij hier schriftelijk heeft gestuurd, vele dwaasheden en bezwaren die in zijn gedachten opkomen, zonder basis of bewijs. Daarom hebben we dit tot u te zeggen: als hij tot bezinning komt en kalmeert zodra deze goede antwoorden hem bereiken en hij de waarheid belijdt, dan is het goed. Maar als hij volhardt in zijn opstandigheid en koppig blijft, dan zullen we hem van nu af aan in de ban doen in de naam van de god Israël, hem excommuniceren, hem en iedereen die zijn volgeling is vervloeken met strenge straffen. Ieder van hen zal afgescheiden worden van de gehele gemeente van Israël met betrekking tot alle zaken van de gemeente, en dat geen Jood met hem zal spreken of onderhandelen totdat hij publiekelijk afstand en vergeving vraagt. Als uw weet dat deze antwoorden hem hebben bereikt en uw ogen zien dat hij niet berouwvol bekent, en als u ook hoort dat hij de genoemde aanvallen voortzet, dan kunt u dat doen. (i.e., Uriel excommuniceren)
De vondst van de brief is een verhaal apart. Aan het begin van de twintigste eeuw publiceerden verschillende wetenschappelijke artikelen een mechanische transcriptie, maar ik wilde absoluut een fotokopie van het oorspronkelijke manuscript kunnen inzien.[9] Tijdens mijn zoektocht naar de autograaf ging ik van aanwijzing naar aanwijzing.[10] Ik zocht en vond na enkele maanden – eindelijk – een foto van de handgeschreven brief in het beeldbestand van de nationale bibliotheek in Jerusalem.[11]
Leon Modena uitte in zijn herderlijke schrijven zijn verdriet omdat de mondelinge leer – de Talmoed – werd aangevallen door een ketter in Hamburg. Hij sprak verzoenende taal omdat hij de ketter een kans gaf zich te bezinnen. Leon Modena waarschuwt dat excommunicatie volgt als de ketter blijft volharden. Het is dus een advies geschreven voor de Joodse gemeente van Hamburg over een mogelijke excommunicatie als de ketter geen afstand neemt van zijn ideeën. Verbanning is in de joodse gemeenschap niet hetzelfde als een christelijke excommunicatie door de kerk. Het Jodendom is niet alleen een geloof maar ook een volk. De verbannen Hebreeër verliest zijn lidmaatschap van wat in die tijd door Portugese joden hun nação (= natie) werd genoemd. De gevolgen voor de betrokkene waren in de zeventiende eeuw ronduit dramatisch. Niemand mocht nog contact met hem hebben, zaken met hem doen, hem ontvangen, zich onder hetzelfde dak bevinden, hij mocht niet worden begraven op de joodse begraafplaats, zelfs de familieleden moesten hun band met de verstotene verbreken. De uitsluiting maakte van de geëxcommuniceerde een paria. Geen jood meer voor de joden, maar nog steeds een jood voor de christenen. Een levende dode.
Uriel da Costa werd twee keer in de ban geslagen. Eerst in Duitsland, daarna in Amsterdam.
De tekst van de Amsterdamse congregatie is bewaard gebleven. Het vonnis werd neergeschreven op 15 mei 1623. De bewoordingen waren bijzonder hard, want de verbanning was radicaal.
Een noot over de banvloek van Spinoza
Het lekenbestuur van de Esnoga, de Mahamad, heeft Baruch Spinoza in 1656 verbannen. De autograaf van de banvloek tegen Spinoza staat handgeschreven op folio nummer 08 van het Hebreeuwse jaar 5146 in de Escamoth van zijn Esnoga. Ik gebruik met opzet dezelfde woorden die de Portugese joden van Amsterdam in hun tijd gebruikten.
De Mahamad is het lekenbestuur van de Portugees-joodse synagoge in Amsterdam. Volgens het organiek reglement was de Mahamad bevoegd verbanningen uit te spreken. Dit is vreemd: men zou verwachten dat dit een religieuze bevoegdheid van de rabbijnen zou zijn. Het lekenbestuur besliste, maar de theologische invloed van de rabbijnen laat zich merken in de religieuze bewoordingen van de verbanning.
Nação betekent natie, het werd door de Portugese joden gebruikt om het joodse volk aan te geven.
Esnoga betekent synagoge in het Portugees.
De Escamoth is het logboek van de Esnoga; vandaag een belangrijke bron voor historisch onderzoek.
De aanhef van de tekst van de banvloek tegen Spinoza begint met het Portugese woord notta. Het is dus niet de volledige tekst van de banvloek, maar wel een verkorte nota die in het register werd ingeschreven.
Professor Yosef Kaplan heeft de sociale functies van de Herem aangetoond.[12] Dit Hebreeuwse begrip kan het best worden begrepen als dwangmaatregel of straf. Het lekenbestuur van de Portugese synagoge in Amsterdam was in de zeventiende eeuw bevoegd een Herem of dwangmaatregel uit te vaardigen tegen een weerspannig lid. Er bestond een breed scala aan maatregelen en sancties. Het betalen van een boete, een week de synagoge niet mogen binnenkomen, niet mogen meebidden, in de synagoge helemaal achteraan moeten zitten, enzovoort. De meest extreme sanctie die in Amsterdam werd uitgesproken is de verbanning van Spinoza. Niet zozeer dat hij werd verbannen, want ook anderen hebben dit lot moeten ondergaan. Uniek is de intensiteit waarmee de banvloek werd verwoord. Het lijkt wel een scheldpartij.
Hieronder volgt mijn zo letterlijk mogelijke vertaling van de banvloektekst tegen Baruch Spinoza. De oorspronkelijke bewoordingen zijn archaïsch volgens hedendaagse maatstaven. De tekst is stroef en de lezing voelt onnatuurlijk aan. Ik heb mijn vertaling bewust niet opgefrist door gebruik te maken van modern Nederlands. Voor zover mogelijk heb ik de stroeve stijl van de oorspronkelijke auteur behouden.
De vertaling is gemaakt op basis van een hoge resolutie foto van de autograaf die door de Gemeente Amsterdam voor het publiek beschikbaar wordt gesteld. De Hebreeuwse datum 6 Av 5416 komt overeen met 27 juli 1656:
Noot over de Herem die gepubliceerd werd vanop de ark op 6 van Av, tegen Baruch espinoza
Wij Heren van de Mahamad laten weten aan Uw Genades: Dat verschillende dagen nieuws werd ontvangen over de opinies en werken van Baruch de Espinoza verkregen door verschillende wegen en herhaaldelijke beloftes over zijn slechte wegen, en niet kunnen verhelpen, geheel het tegenovergestelde, iedere dag meer nieuws over de afschuwelijke ketterijen die hij beleed en onderwees, en enorme werken die hij uitvoerde, beschikkende over vele geloofwaardige getuigen die alles verklaarden en getuigden in het bijzijn van die Espinoza, en die overtuigd werden, en dat alles onderzocht werd in de aanwezigheid van de Wijze Heren, delibereerden dat die Espinoza verbannen moet worden en verwijderd van de Natie van Israël, zoals nu verbannen wordt, met de verbanning als volgt, met het oordeel der engelen, met de uitspraak der heiligen verbannen wij, verdrijven wij en vervloeken wij en verdoemen wij Baruch de espinoza, met de toestemming van de Gezegende God en de toestemming van deze volledige heilige congregatie, voor de heilige Thora rollen, met de 613 voorschriften die erin geschreven zij, zoals met de verbanning waarmee Joshua Jericho verbande, zoals de vervloeking waarmee Elisha de jongeren vervloekte, en zoals alle vervloeking die in de wet geschreven zijn: hij zij vervloekt bij dag en bij nacht, hij zij vervloekt in zijn liggen en vervloekt in zijn opstaan, hij zij vervloekt in zijn uitgaan en vervloekt in zijn ingaan. Moge de Heer hem nooit vergeven, dat dan de woede van God woedt over deze man en Zijn toorn, en er zullen op hem rusten alle vervloekingen geschreven in het boek van deze wet. En Adonai zal zijn naam uitwissen van onder de hemelen, en Adonai zal hem afzonderen voor het kwaad van alle stammen van Israël, met alle vervloekingen van het firmament geschreven in het boek van deze wet. En u die Adonai uw God aanhangt, u leeft allen heden. Waarschuwend dat niemand met hem mag spreken mondeling noch schriftelijk, noch hem enige gunst bewijzen, noch onder hetzelfde dak met hem zijn, noch binnen vier ellen van hem zijn, noch enig papier lezen gemaakt of geschreven door hem.
Spinoza was niet aanwezig toen de banvloek in het Hebreeuws werd voorgelezen vanop de ark van zijn Esnoga in Amsterdam. De notta in het Escamoth is een naar het Portugees vertaalde versie van de banvloek. Er is geen exemplaar bewaard van de oorspronkelijke tekst die in het Hebreeuws moet zijn opgesteld.
Men kan over de datum van de verbanning een hele discussie voeren.[13] De noot in het Escamoth begint met de mededeling dat de voorlezing in de synagoge plaats had gevonden op 27 juli 1656. Het was in die tijd het gebruik dat de vloek pas van kracht werd als de betrokkene na een proefperiode niet tot inkeer was gekomen. Een verbanning kon blijkbaar altijd ongedaan worden gemaakt door het betonen van spijt en het betalen van een geldboete. Uriel da Costa werd op het einde van zijn leven zo’n spijtoptant. Na een vernederend ritueel in de Esnoga werd hij terug opgenomen door de Nação.
Baruch Spinoza was uit ander hout gesneden. Bovenaan op de bladzijde van de banvloek staat de Hebreeuwse datum die overeenkomt met 22 augustus 1656. De noot over de banvloek werd bijna een maand na de voorlezing ingeschreven in het logboek. De verbanning was van kracht geworden omdat Spinoza niet wilde buigen voor de beslissing van de Mahamad.
In het Escamoth staat op de linker bladzijde tegenover de banvloek van Spinoza een mea culpa-paragraaf, geschreven door een kompaan van Baruch Spinoza. Het betreft dr. Juan de Prado die tot inkeer was gekomen. In deze paragraaf doet Prado afstand van zijn ketterse uitspraken. De zaak Spinoza en de zaak dr. Juan de Prado verliepen parallel want het logboek van de Esnoga noteert beide gevallen op twee aaneensluitende bladzijden. In de archieven van de Spaanse inquisitie is een getuigenis bewaard gebleven. Of de inhoud authentiek is weten we niet, maar de getuigen vertellen over Spinoza en Juan de Prado. Volgens deze getuigenis zouden beide de onsterfelijkheid van de ziel afgewezen hebben… en nog erger, ze bestreden dat Mozes de Thora had geschreven! Met dergelijke provocerende uitspraken stonden Spinoza en Juan de Prado in lijn met Uriel da Costa, die andere theologische relschopper.
Hoofdstuk 139 van de Kol Bo
Een felle banvloek werd tegen Uriel da Costa uitgesproken, later een nog fellere tegen Baruch Spinoza. De reconstructie van de tekst van beide banvloeken begint met een laatmiddeleeuws Hebreeuws geschrift genaamd Kol Bo. De titel betekent letterlijk ‘Alles inbegrepen’. Het is een verzameling opgedeeld in hoofdstukken over rituelen, gebruiken en religieuze wetgeving. De auteur en exacte publicatiedatum zijn onbekend.
Voor zover ik weet is er geen vertaling van de Kol Bo beschikbaar. Het werk is niettemin de moeite waard om te worden vertaald, want de inhoud is op zijn minst eigenaardig te noemen. Een vroege Spinoza-hagiografie, geschreven door Johannes Colerus in 1705, bevat enkele regels uit de Kol Bo vertaald in het Nederlands van die tijd.[14]
Rabbijn Leon Modena (getto van Venetië) bezat een exemplaar van de Kol Bo. Uit het hoofdstuk 139 recupereerde hij diverse verwensingen die voor afvalligen bestemd zijn. Hierop steunend had Leon Modena in het Hebreeuws een basismodel voor verbanningen opgesteld. Dit document werd op zijn beurt in het Spaans vertaald. Een exemplaar van deze vertaling ligt in de Gemeentelijke Archieven van Amsterdam. Het was rabbijn Saul Levi Mortera die de Spaanse vertaling circa 1618 vanuit Venetië naar Amsterdam had meegebracht. Bijna veertig jaar later werd de basistekst gebruikt om de historische banvloek tegen Spinoza uit te vaardigen. Ik verkort deze geschiedenis in enkele zinnen, maar het is het resultaat van meer dan 100 jaar historisch onderzoek.
Bronnen en onderzoekers
De bijdragen van het Spinoza-onderzoek blinken uit door passie, ijver en ernst. Hun namen zijn vandaag nog slechts bekend in zeer kleine kring. Uit eerbetoon voor hun onverpoosd zoeken vermeld ik enkelen in chronologische volgorde: Abraham Geiger, Ludwig Blau, Carl Gebhardt, Nathan Porges, Abraham Vaz Dias, Israel Révah, Arnold Wiznitzer, Hans Prins Salomon, Herman De Dijn, Yosef Kaplan, Asa Kasher, Odette Vlessing, Leen Spruit, Marc Saperstein, Steven Nadler.
Het onderzoek over de banvloek tegen Spinoza kunnen we opdelen in drie invalshoeken:
- Het filologisch onderzoek analyseert de woorden van de tekst vanuit de taalwetenschap. Ik heb dit aspect buiten beschouwing gelaten, hoewel het interessant is. Ter illustratie vermeld ik één werkwoord. De tekst bevat een vervoeging van een werkwoord dat in het Portugees niet bestaat: het werkwoord enhermar, een Portugees-Hebreeuws neologisme. De stam is het Hebreeuwse substantief herem, dat in de context van Spinoza verbanning of excommunicatie betekent.
- Het historisch onderzoek naar de motieven van de verbanning. Aangezien er geen direct bewijsmateriaal beschikbaar is over de redenen ervan, zijn we sinds 1656 genoodzaakt plausibele antwoorden te zoeken zonder te vervallen in overdreven romantisering. De feiten, niets anders dan de feiten – schreef Henri Poincaré. De Amsterdamse historica en professioneel archivaris Odette Vlessing heeft interessante resultaten geboekt. Helaas heeft zij ervoor gekozen zo weinig mogelijk te publiceren. Haar schaarse bijdragen worden tegen hoge prijzen verkocht door uitgeverij Brill te Leiden. Daarnaast schreef zij een volledig boek over de zaak-Spinoza dat nooit werd gepubliceerd.
- Het historisch onderzoek naar het ontstaan van de tekst en eventuele modellen die aan de verbanning van Spinoza zijn voorafgegaan. Het hoogtepunt is een magistrale bijdrage van professor Hans Prins Salomon. Een bronverwijzing hoort normaliter niet thuis in het corpus van een tekst, maar we maken hier graag een uitzondering voor wat als een gedenkplaat kan gelden die de betreurde H.P. Salomon ten volle toekomt:
- P. Salomon, ‘La vraie excommunication de Spinoza’, in: H. Bots en M. Kerkhof (red.), Forum Litterarum. Miscelânea de estudios literários, linguísticos e histórics ofrecida a J.J. van den Besselaar, Amsterdam, APA-Holland University Press, 1984, blz. 181-199.
Er is over de Amsterdamse periode van Spinoza relatief veel bronmateriaal beschikbaar.
In de periode van voor en na de verbanning kende de Portugees-Amsterdamse congregatie twee gezaghebbende rabbijnen. Rabbijn Isaac Aboab da Fonseca heeft in 1680 een traktaat gepubliceerd over verbanning in het algemeen, maar hierin wordt met geen woord gerept over de zaak Spinoza.[15] In zijn proloog schrijft rabbijn Aboab dat het niet zijn bedoeling was om iemand te ‘schandaliseren’. De boodschap is duidelijk: het uitspreken van banvloeken veroorzaakte een schandaalsfeer in hun besloten gemeenschap. Saul Levi Mortera was opperrabbijn van de Portugese joden in Amsterdam. Ook van hem zijn diverse manuscripten bewaard gebleven. Hij verwijst nergens naar de verbanning van Spinoza. Dat is opmerkelijk want Spinoza was als jonge kerel bekend in de Esnoga van Mortera, en de brontekst die werd gebruikt om Spinoza te verbannen was afkomstig van Mortera.
We beschikken verder over de Escamoth, zoals reeds aangegeven is dit het logboek van de Esnoga; er zijn notariële akten bewaard gebleven; in een archief in Hongarije zijn preken terugvonden van rabbijn Mortera. Maar in dit alles geen woord over Spinoza. En er zijn natuurlijk de traktaten en brieven die door Spinoza zelf werden geschreven. Ook Spinoza zwijgt in alle talen over de banvloek die tegen hem werd uitgesproken. Het is een mysterie waarom in deze grote hoeveelheid papier geen enkele verwijzing naar de banvloek kan worden teruggevonden.
Besluit
De venijnige bewoordingen van de banvloek weerspiegelen de haat die bepaalde leden van de Esnoga tegen de jonge Baruch Spinoza koesterden. Wat zou de jongeman kunnen hebben gedaan om zich zulke toorn op de hals te halen? De Portugese woorden van de banvloek geven slechts algemene aanwijzingen:
opinioins: opinies of ideeën.
obras: handelingen, werkzaamheden – of geschreven werken?
horrendas heregias: verschrikkelijke ketterijen.
que practiva e ensinava: die hij (Spinoza) beoefende en onderwees.
yenormes obras que obrava: dit is een merkwaardig zinsdeel, letterlijk vertaald: enorme werken die hij werkte – het lijkt over handelingen te gaan – doorgaans wordt dit vertaald als ‘afschuwelijke handelingen’.
papel algum feito ou escritto por elle: letterlijk papier dat Spinoza opstelt of schrijft.
Het weinige dat we hieruit kunnen afleiden is het volgende: Spinoza had ideeën die hij aanhing en onderwees; tegelijk had hij handelingen verricht; wat hij had gedaan werd beschouwd als ketterij.
De tekst van de banvloek geeft geen concrete uitleg over het wangedrag van Spinoza. Op basis van de bewoordingen van de tekst lijkt het aannemelijk dat Spinoza om twee redenen werd verbannen: enerzijds vanwege zijn schandalige theologische opvattingen, en anderzijds vanwege financiële perikelen die na de dood van zijn vader Michael de Spinoza op de spits werden gedreven.
Deze twee verwijten, de theologische en de financiële, worden door Johannes Colerus vermeld in zijn Korte, dog waaragtige levens-beschryving van Benedictus de Spinosa van 1705. Ik parafraseer diens uitleg:
Aangaande de redenen waarom zij iemand in de ban deden, zo werden door de Joodse Meesters twee voorname redenen bijgebracht […] Om geld, wanneer de schuldenaar door de rechter ter betaling veroordeeld was, en echter weigerde. Om een Epicurisch leven, als iemand een Godslasteraar was…
Vrijwel unaniem wordt de banvloek hoofdzakelijk begrepen als een reactie tegen de theologische provocaties van Spinoza. De Amsterdamse historica Odette Vlessing heeft in een wat alleenstaand standpunt de banvloek willen verklaren vanuit de erfeniskwestie van de vader van Spinoza.
Professor Leen Spruit duikt met regelmaat in de archieven van het Vaticaan. Hij schreef mij het volgende: ‘Banvloeken en ketter-processen betreffen altijd doctrinaire, theologische kwesties, geen economische’. Ik heb lang de lijn van professor Leen Spruit gevolgd, maar na rijp beraad moet ik besluiten dat het spoor van Odette Vlessing eveneens aanvaardbaar is. Naar mijn mening zijn er dus twee redenen waarom Spinoza werd verbannen – en beide werden reeds in 1705 aangestipt door Johannes Colerus !
In de allerlaatste zin van de banvloek staat het woord papier, wat in die tijd gebruikt werd om formele documenten aan te duiden (bijvoorbeeld een contract). Er is geen enkele aanwijzing dat Spinoza vóór zijn verbanning theologische geschriften heeft geproduceerd. Over welk ‘papier’ zou het dan kunnen gaan? Gedacht kan worden aan handelspapier zoals het ondertekenen van een wissel, over een overeenkomst, een schuldbekentenis, enzovoort.
Odette Vlessing heeft ontdekt dat handelstransacties van het familiebedrijf Spinoza zijn opgenomen in de registers van de Amsterdamse Wisselbank. Daarin staat een transactie van de steenrijke Antonio Lopes Suasso ten behoeve van Michael de Spinoza. Toen vader Michael overleed, kwam de schuldenlast aan het licht. Teneinde zich hieraan als erfgenaam te onttrekken, stelde zoon Baruch zich onder voogdij. Hij had dit echter bewerkstelligd zonder de zaak aanhangig te maken bij de Mahamad. Dit was volgens de regels van de congregatie ontoelaatbaar.
Ik heb hiervoor geen bewijs gevonden, maar sommige auteurs stellen dat de vermogende schuldeiser Antonio Lopes Suasso ten tijde van de verbanning van Spinoza lid was van de Mahamad. Het laat zich aanzien dat Baruch Spinoza niet alleen de religieuze dogma’s had aangevallen, maar ook een machtige schuldeiser van zijn overleden vader op stang had gejaagd.
De legende wil dat Spinoza een apologie tegen zijn banvloek heeft geschreven. Die is tot op de dag van vandaag niet boven water gekomen. Reikhalzend kijken wij uit naar de dag van de apologie… als die er ooit komt natuurlijk.
Wij eerbiedigen zijn wil en noemen hem Benedictus de Spinoza, want zo ondertekende hij zelf. Zijn verzameld werk weerspiegelt de homo universalis die hij was. Nog vóór de Verlichting zich aandiende, was Spinoza al in de tweede helft van de zeventiende eeuw een verlichte geest. Hij bepleitte de vrijheid van meningsuiting en schreef uitvoerig over theologie. Wie van het Ethica-traktaat een grote moraalfilosofie verwacht, komt bedrogen uit. Het werk behandelt in drie delen respectievelijk God, de ziel, en ten slotte een leer van de menselijke gevoelens. Ook de natuurkunde fascineerde hem. In zijn brieven schrijft hij over optica, mechanische experimenten en kristalvorming. Spinoza was zich bewust van het gevaar van zijn denken. In de inleiding van het Theologisch-Politiek Traktaat betoogt hij dat sommigen zijn werk beter niet lezen, omdat zij het toch slechts zullen misverstaan: ad hace legenda non invito – ut hunc librum prorsus negligant – dum sibi nihil profusnt.
Reageren? Mail naar: stefan.polakiewiez@gmail.com
Stefan Polakiewiez (*1977) is geboren in Antwerpen en studeerde er rechten. Hij woont in Lima, specialiseert zich permanent in het leven en werk van Leo Apostel, heeft drie zonen met oudtestamentische voornamen en is handelaar van beroep.
* Ik dank professor Herman De Dijn en professor Leen Spruit voor de suggesties en verbeteringen.
[1] Zie bijvoorbeeld E.M. Koen, ‘Notarial records relating to the Portuguese Jews in Amsterdam up to 1639’, Studia Rosenthaliana, 1973, vol. 7, no. 2, blz. 266-279.
[2] H.P. Salomon, Het Portugees in de Esnoga van Amsterdam, tweede herziene uitgave, Bij Job-en-de-Monika’s, Amsterdam, 2002, blz. 11.
[3] A.w., blz. 8.
[4] A. M. Vaz Dias en W. G. Van der Tak, Spinoza Mercator & Autodidacticus. Oorkonden en andere authentieke documenten betreffende de wijsgeers jeugd en diens betrekkingen, Martines Nijhoff, ‘s Gravenhage, 1932.
[5] A.J. Saraiva, The Marrano Factory, Brill, Leiden, 2001.
[6] A.w., blz. 276.
[7] Voluit heet hij Joao Manuel de Almeida Saraiva de Carvalho, zijn magistraal proefschrift is The Fellowship of St Diogo. New Christian judaisers in Coimbra in the early 17th century, gedrukt in september 1990 aan de universiteit van Leeds.
[8] M. Cohen, The Authobiography of a Seventeenth-Century Venetian Rabbi. Leon Modena’s Life of Judah, Princeton University Press, Princeton, 1988.
[9] De autograaf is de oorspronkelijke handgeschreven brief van Leon Moneda. Een apograaf is een handgeschreven kopie van de autograaf. De mechanische transcriptie is een uitgetikte kopie van de autograaf of van een apograaf. Om met zekerheid de oorspronkelijke tekst te lezen had ik dus een foto nodig van de autograaf.
[10] In concreto slingerde ik tussen voetnoten en verwijzingen, geschreven door wat destijds reuzenfiguren waren in hun vakgebied.
[11] Mijn zoektocht verliep van Steven Nadler naar Carl Gebhardt, vandaar naar Nathan Porges en Luwdig Blau; deze laatste vermeldt dat de brief in het British Museum ligt, een medewerker van dat museum zegt dat deze manuscripten naar het British Library werden verhuisd, in die bibliotheek melden ze dat er geen curator is voor Hebreeuwse manuscripten en dat ze me niet verder kunnen helpen. Het spoor liep dood en uit eigen initiatief nam ik contact op met de hoofdbibliotheek van Jeruzalem.
[12] Y. Kaplan, ‘The Social Functions of the Herem in the Portuguese Jewish Community of Amsterdam in the Seventeeth Century’, in: J. Michman (red.), Proceedings of the Symposium on the History of the Jews in the Netherlands, November 28 – December 3, Tel Aviv & Jerusalem 1982, Daf Chen Press, Jerusalem, 1984, blz. 111-156.
[13] Zie hierover A. Kasher en S. Biderman, ‘When Was Spinoza Banned?’, Studia Rosenthaliana, vol. 12, nr. 1-2, blz. 108-110.
[14] Het betreft de Korte, dog waaragtige levens-beschryving van Benedictus de Spinosa.
[15] Mijn vertaling van de originele titel van het traktaat uit het Portugees: ‘Vermaning, opdat zij die de Heer vrezen en de voorschriften van de Heilige Wet naleven, niet in zonde vervallen door een gebrek aan gepaste kennis’.
