Peter Sloterdijk (°1947) blijft onvermoeibaar elk jaar een nieuw boek publiceren. Het werd dit voorjaar een essay over het intussen breed genoteerde verglijden van veel recente en minder recente democratieën naar autocratische beleidsvormen: zowat overal ter wereld lijken allerlei presidenten, eerste ministers, partijsecretarissen… zich alsmaar gretiger monarchale allures aan te meten. Goed dertig jaar geleden kon Francis Fukayama veel lezers overtuigen dat de val van de Muur de wereldwijde en definitieve triomf inluidde van een liberale democratie die een soort happy end zou vormen van een tot dan vaak al te turbulente wereldgeschiedenis. Dat oogt intussen alweer stevig anders.
Sloterdijk is uiteraard niet de eerste die dat merkte. Hij citeert in Der Fürst und seine Erben dan ook allerlei bekende en minder bekende filosofen en sociologen die er al over schreven: aan belezenheid heeft het hem nooit ontbroken. Hij behandelt het onderwerp nu op zijn manier, in een zo breed mogelijk perspectief dat start bij de opkomst van de eerste wereldrijken (Egypte, Mesopotamië, China, …) om daarna via een kleine set kantelmomenten verrassend snel te belanden bij de recente potentaten van onze vroege eenentwintigste eeuw. Het werd dus opnieuw, zoals vroeger al in Sferen, Je moet je leven veranderen of Theopoëzie, een complete geschiedenis vanuit het verst bereikbare verleden naar ons meest contemporaine nu; het parcours is deze keer adembenemender dan ooit omdat Sloterdijk zijn geschiedenis van de macht afwerkt in nauwelijks tweehonderd bladzijden.
Macht uit den boze
Waarbij ik me toch afvraag of hij zich niet af en toe aan zijn immense stof vertilde. De alleroudste geschiedenis van de macht is voor Sloterdijk niet meer of minder dan een tweede zondeval. De eerste kostte Adam en Eva hun paradijselijke bestaan en verjoeg hen naar een harde wereld, waar ze maar moeizaam overleefden. Dat gebeurde lang in kleinschalige en eerder losse stamverbanden, die zonder veel centraal gezag leefden van de jacht en de pluk, later van landbouw en veeteelt. Een en ander verandert als de eerste wereldrijken, nu goed vijf millennia geleden, een tot dan ongeziene verticale of piramidale structuur gaan vertonen. Sindsdien kreunt de mensheid onder het gezag van kleine groepen heersers die hun wetten aan veel talrijker onderdanen opleggen en die zelf in vergaande mate boven die wetten staan of deze minstens uitgebreid naar hun hand kunnen zetten.
De vraag is uiteraard of de gerede instemming met die nieuwe onderdanigheid, die hier dus een onheuglijke ‘prehistorische’ vrijheid in kleine groepjes zou opgeven, nodig een tweede zondeval moet heten. De term zorgt voor dramatiek, maar suggereert meteen dat de overstap naar meer hiërarchie net zoals de ongelukkige misstap van Adam alleen kwalijke gevolgen had. De onderdanen moesten zich nu uitsloven om een veeleisende nieuwe orde recht te houden en hun meesters, die er als enigen echt baat bij hadden, waren er altijd en overal ten gronde vooral mee begaan hun machtsposities te consolideren. Het is hier niet de plaats om ons gedetailleerd af te vragen of de meer grootschalige en complexer gearticuleerde maatschappijen niet voor alle betrokkenen voordelen genereerde: ook zonder daar uitvoerig op in te gaan lijkt het minstens plausibel dat het axioma dat alle macht per definitie uit en tot den boze is antropologisch bekeken bepaald kortademig klinkt. Dat is nochtans, zonder dat het ooit met zoveel woorden gezegd wordt, het grondpostulaat van Sloterdijks meest recente boek.
Het klinkt hier iets minder abrupt omdat hij zijn betoog start met een uitvoerige verwijzing naar Machiavelli, die in Il Principe (in het Duits dus Der Fürst) al grensverleggend in dezelfde richting blijkt te denken. De roemruchte Florentijn schreef zoals bekend geen stichtelijke Vorstenspiegel over de hoge deugden die een koning eminent zou horen te bezitten, maar een cynisch traktaat over de manieren waarop je in het rumoerige en chaotische Italië van zijn tijd een toppositie kon verwerven of bewaren. De principe stamt, aan zijn voorbeelden te zien, lang niet altijd uit een dynastie, maar is dikwijls een Aufsteiger, een vorst of ‘voorste’ die vooraan wil blijven of naar een nog hoger voorplan wil doordringen en daarvoor waar gepast alle morele regels die gelden voor gewone stervelingen naast zich neer moet kunnen leggen. De erfgenamen uit Sloterdijks titel ‘erven’ allemaal dat potere essere non buono (IP, cap. XV), dat daarmee de natte droom en de kernhabitus van alle politieke macht wordt. De vraag of er mogelijk ook een wat positiever verhaal over macht zou te vertellen zijn wordt weggewuifd voor ze echt kan opkomen…
Mandaten uit den hoge
Sloterdijk vertelt liever hoe het in de lange geschiedenis van de macht van kwaad tot erger ging – of, om het in zijn termen te zeggen, hoe de verticaliteit die machtsposities sinds altijd kenmerkte alsmaar radicaler verwilderde. We lezen eerst hoe het lang, eigenlijk vanaf het allereerste begin tot de Italiaanse renaissance, ondenkbaar bleef een toppositie te bekleden zonder zich te beroepen op een goddelijk mandaat. Zelfs wie die positie gewapenderhand veroverde verwees daarbij graag naar een mysterieuze opdracht. Julius Caesar liet om zich heen vertellen dat hij, toen hij de Rubicon overstak en zo de wetten van de Republiek onomkeerbaar overtrad, daartoe uitgenodigd was door een genius die hem van de overkant van het riviertje wenkte. Vergilius’ Aeneas, die als Trojaanse vluchteling Latium veroverde en daar welbeschouwd ook geen rechten kon laten gelden, vervulde even goed een goddelijke opdracht. Ze werd hem nog eens door een visioen bevestigd toen hij voor het eerst langskwam op de plek waar zijn nazaten later Rome zouden stichten: ego poscor Olympo (Aeneïs, VIII/54, de Olympus vordert me op! En zelfs Constantijn wou voor de beslissende veldslag die hem tot de eerste Christelijke keizer zou maken nodig een visioen gezien hebben: in hoc signo vinces…
Sloterdijk weidt kennelijk liever uit over dit type – overigens evident veelzeggende – anekdotes, waar het mirakel vlakbij usurpatie en bedrog ligt, dan bij de meer doordeweekse praktijk van legitieme vorsten die hun troon in alle rust hadden geërfd en die waarschijnlijk te goeder trouw in hun goddelijke uitverkiezing geloofden. De farao’s heetten af te stammen van de Zonnegod en middeleeuwse koningen en keizers lieten zich waar het maar kon uitgebreid kronen en zalven.
Het idee dringt zich dan op dat zo’n uitverkiezing voor wie erin geloofde misschien niet alleen een machtiging maar ook een soort omkadering betekende, die de heersers enigszins, al zullen misstappen nooit hebben ontbroken, op iets als een recht pad kon houden. Sloterdijk lijkt dat soms te impliceren en spreekt bijvoorbeeld, als hij de latere evoluties, grofweg de tijd van Machiavelli tot nu, beschrijft, vaak van een alsmaar radicaler ontremming (Enthemmung). Hij verkiest kennelijk de rem die rond 1500 begaf niet te direct te benoemen.
Hij had daar, in het verlengde van een van zijn vorige publicaties, een weldadig stukje ‘theopoëzie’ kunnen ontdekken; de suggestie klonk, vermoed ik, wat te ‘braaf’ voor de toonzetting van zijn nieuwe boek. De gewiekste manipulatoren die het lange tijd voor alle macht onmisbare hemelse mandaat handig wisten te usurperen passen daar dan weer perfect in.
Namens het volk?
Rond 1500 beginnen de remmen het te begeven en kan de machtshonger wilder zijn gang gaan. Il Principe is in die optiek een vroeg teken aan de wand. Het is evenmin toeval dat Jean Bodin in zijn bij het grote publiek minder bekende Six Livres de la République (1756) voor het eerst een absolute soevereiniteit definieert, die het vorstelijk gezag radicaler dan ooit tevoren loskoppelt (ab-solutus betekent losgehaakt) uit alle banden en verbanden die het in zijn onbeperkte bewegingsvrijheid zouden kunnen hinderen.
Die soevereiniteit blijft twee eeuwen lang het prerogatief van koningen die zich al naargelang de diverse contexten nog altijd op hun goddelijk recht of al, als verlichte despoten, op recenter gedachtengoed beroepen. Der Fürst und seine Erben gaat daar in zijn sowieso obligaat korte bestek nogal vlot overheen en we mogen aannemen dat dat ook betekent dat de ontsporingen al die tijd nog niet al te wild uitvielen. Als we Sloterdijk mogen geloven raakt het hek inderdaad pas goed van de dam als de Amerikaanse en Franse Revoluties de soevereiniteit die ze hun onfortuinlijke koningen afnemen overdragen aan het volk. In onze moderne democratieën erft het soevereine volk de almacht van zijn onttroonde heersers.
De volkssoevereiniteit werd het centrale en fiere credo van onze democratieën, maar bedroevend vaak ook een buitenkans voor allerlei potentaten, die er een morsche Stelle (blz. 73), een zwakke of rotte plek, ontdekten waar ze, vanaf de grote Napoleon en zijn neef die later Napoleon III zou worden, handig gebruik van maakten. De triomftocht van de democratieën werd, anders dan Fukayama dertig jaar geleden beweerde, geen definitief succesverhaal, om de triviale maar evengoed dwingende reden dat je het volk desgewenst soeverein kan verklaren, maar dat je realiter alleen te maken krijgt met een bonte verzameling aparte enkelingen met de meest diverse wensen en prioriteiten. Het volk is een abstractie en de volkswil die voortaan soeverein zou moeten regeren is daarmee al even schimmig.
Sloterdijk schrijft mooie bladzijden over Rousseau, die in zijn Contrat social (1761) stelde dat de burgers van zijn ideale republiek zich vrij konden voelen omdat iedereen zijn wensen en verlangens liet opgaan in een unanieme volonté générale: de dingen gebeurden dus zoals iedereen het eenstemmig wilde. Dat is makkelijker te schrijven dan concreet waar te maken. De liberale democratieën deden liever een beroep op volksvertegenwoordigers: de enkeling oefent zijn stukje soevereiniteit alleen uit in het stemhokje, waar hij in feite keer op keer een kleine troonsafstand doet ten voordele van de verkozenen, die dan idealiter het beleid gaan voeren dat het volk in meerderheid wenst. Jammer genoeg plegen ook parlementen zelden met één stem te spreken; ze worden eerder arena’s waar partijen elkaar bevechten en komen hoogstens tot tactische compromissen die, als de meningen ver uit elkaar liggen, weinig meer opleveren dan een verwarde pas op de plaats waar niemand zijn of de volkswil in kan herkennen.
Als de chaos, zoals in de nadagen van de Franse revolutie of in de Weimarrepubliek, uitzichtloos wordt, is de tijd soms rijp voor grote mannen, die zich dan opwerpen als de enige echte belichamingen van de volkswil. Ze beschikken als dat lukt over een formidabele autoriteit omdat ze voortdurend in een rechtstreeks en quasi mystieke communie met het hele volk zouden handelen: Das Volk bin ich (blz. 74)! Parlementaire of andere controles worden dan gewoon irrelevant: er is nu eenmaal niets dat legitiem kan opwegen tegen de absoluut soevereine volkswil. Verlammende stilstand is evenmin te vrezen: de Führers kunnen, juist omdat niemand gerechtigd is hen tegen te houden, snelle en geprofileerde beslissingen nemen en dingen in beweging zetten.
Het scenario klinkt plausibel en Sloterdijk vertelt het, zoals we van hem gewend zijn, met veel verve en schitterende pointes. Ik vraag me ook hier toch af of de aporieën van de volkssoevereiniteit echt zo cruciaal waren als hij beweert. Ze zijn zeker een boeiend thema voor wetenschappelijke of filosofische reflectie over macht, maar waren misschien niet direct de eerste zorg van de velen die in de voorbije twee eeuwen in crisissituaties bij referenda of verkiezingen voor autoritair, c.q. eenhoofdig leiderschap stemden. Ze droomden allicht vooral van een minder uitzichtloos bestaan en lieten zich graag bedwelmen door bevlogen sprekers die dat met de nodige nadruk en met geschikte retoriek durfden beloven. Omgekeerd is het wel duidelijk dat de nieuwe leiders eenmaal aan de macht lang niet alleen op hun communie met de volkswil teerden: ze regeerden met harde hand en zorgden er voor dat ze, om het nog eens met Machiavelli te zeggen, minstens even gevreesd als geliefd waren.
Het hele verhaal van de recente grote mannen ‘staat’ in die optiek ook zonder verwijzingen naar de diverse varianten van de volkssoevereiniteit. Die complicaties helpen misschien wel verklaren waarom veel intellectuelen er niet echt in slaagden overtuigend weerwerk te leveren tegen dictators die legaal aan de macht waren gekomen of minstens een brede populariteit genoten: ze hadden de popular vote gewonnen en waren dus, waar die soeverein heette, moeilijk legitiem terug te fluiten. We begrijpen zo ook beter hoe allesbehalve middelmatige denkers hun dictators zelfs tijdelijk steunden. Carl Schmitt (1888-1985), die een paar jaar lang de uiteraard officieuze ‘kroonjurist’ van het Derde Rijk was, blijft een van de grootste staatsrechttheoretici van de vorige eeuw – en naast en op de keper beschouwd misschien zelfs voor Machiavelli de belangrijkste inspiratiebron van Der Fürst und seine Erben.
Besluit
De paradoxale verankering van onze recente en eigentijdse dictatoren in een morsche Stelle van de modern-democratische volkssoevereiniteit is de centrale insteek van het nieuwe boek van Sloterdijk en heet er zelfs één keer een dritte Erbsunde (blz. 75), een derde erfzonde, wat m.i. dus misschien niet helemaal onjuist maar minstens stevig overtrokken is.
Het is uiteraard niet de enige krachtlijn van zijn essay. We vernemen er daarnaast ook het nodige over de moeilijke relatie van veel van die dictators met het literaire veld (te beginnen bij het epische duel tussen Victor Hugo en de man die hij in een beroemd pamflet Napoléon le Petit noemde), over de fundamentele en vaak doelbewust gecultiveerde theatraliteit van de moderne politieke Bühne en over allerlei andere belangwekkende topics waar ik hier niet op inga.
Kortom: Der Fürst is met zijn vele pointes, onverwachte formuleringen en suggestieve doordenkers weer eens helemaal Sloterdijk, deze keer misschien niet overal Sloterdijk op zijn best, maar eens te meer alleszins meer dan lezenswaard.
Peter Sloterdijk, Der Fürst und seine Erben. Über Große Männer im Zeitalter der gewöhnlichen Leute, Suhrkamp, Berlijn, 2026. 189 blz., ISBN 978-3518001363, € 22.
Een Nederlandse vertaling zal januari aanstaande verschijnen bij Boom, Amsterdam, die al sinds ruim twee decennia zowat alle nieuwe werken van Sloterdijk in vertaling uitbracht.
