De filosofie is eigenlijk heimwee, een drang om overal thuis te zijn. – Novalis
Gegrepen door de waarheidsvraag
Mij werd het christendom met de paplepel ingegoten. In eerste instantie nam ik aan dat dit wereldbeeld het ware was, omdat in mijn omgeving iedereen dat zei en ik elke week van een gezag dragende dominee een vaak ondoorgrondelijke preek aanhoorde. Toch was er al vroeg een sluimerend ongenoegen. Het christelijk geloof bevatte vreemde en zelfs absurde elementen die ik niet goed kon beamen. Ik voelde mij niet echt gelovig want de kern van de christelijke leer vond ik bizar. Dat deze kern zou liggen in het feit dat God zijn innig geliefde en onschuldige zoon liet martelen en gruwelijk liet vermoorden ten einde de mensen hun zonden te kunnen vergeven, verried een ‘goddelijke’ psychologie waarmee ik niet veel kon aanvangen. Waarom zou God de mens alleen kunnen vergeven via wreedheid jegens zijn eigen zoon? In welke duistere krochten was Gods geest verdwaald? Waarom was überhaupt sprake van vergeving? Kon God boos of teleurgesteld zijn? Dat leek me vreemd voor een wezen dat almachtig en alwetend is. Hij kon immers van tevoren weten dat de mens in moreel opzicht niet al te standvastig is. Hij had de mens immers zelf geschapen! Gods ‘psychologie’ leek mij eerder een perverse menselijke psychologie van wreedheid, haat en (tijdelijke) verzoening en niet geloofwaardig voor een opperwezen dat moreel immers ver boven de mens zou moeten uitstijgen.
Om deze en andere redenen kon de christelijke leer mijns inziens niet waar zijn. Zij is een amalgaam van geschiedenissen en legenden waaruit door een traditie van theologen een heilsgeschiedenis is geweven met, zoals gezegd, voor mij bizarre trekken. Dergelijke problemen dreven mij weg van het christendom. Gesprekken met de dominee, die tijdens de catechisatie (de protestantse geloofsindoctrinatie voor jongeren) waarschijnlijk wel merkte dat ik begon af te dwalen van de kudde, mochten niet meer baten. Ik was al gegrepen door de waarheidsvraag. Ik dacht: u kunt, beste dominee, dit nu allemaal wel beweren, maar is het ook waar? Zijn uw overtuiging en geloof voldoende voor waarheid? Er leek mij een belangrijk en fundamenteel verschil te zijn tussen geloof en overtuiging aan de ene kant en kennis en waarheid aan de andere kant. Overtuigingen leken mij op zichzelf niet overtuigend. Waarom zou men een overtuiging hebben als het geen kennis is en dus mogelijk onwaar is? De reden hiervoor leek vaak pragmatisch van aard. Het is fijn om van een bepaald denkbeeld overtuigd te zijn, als dat houvast geeft en een gunstig beeld schept van de wereld, de mens of het leven. Als het een zin lijkt te geven die er anders niet zou zijn, een zin die zelfs het wrede lot van onze sterfelijkheid overstijgt.
Een dergelijke overtuiging heeft waarde voor het leven, maar dat betekent niet dat zij waar is. Overtuigingen zijn van dien aard dat andere mensen voor die overtuiging gewonnen kunnen worden. En zo kan politieke of religieuze macht verkregen worden omdat de waarheidsvraag op een gegeven moment niet meer gesteld wordt of mag worden. Dat gekoesterde overtuigingen wel eens niet waar zouden kunnen zijn, heeft als gevolg dat de waarheidsvraag meestal niet erg populair is. Behalve binnen de filosofie en de wetenschap dan.
De natuurwetenschap
Toen ik middelbare scholier was, ontluikte de onbedwingbare behoefte de wereld te begrijpen. De kosmos, het leven waarin ik terecht gekomen was, vond ik raadselachtig. Waarom is de wereld zoals zij is? Hoe zitten het leven en zijn processen in elkaar? Waarom worden we geboren en gaan we weer dood? Wat zijn ruimte en tijd? Wat is bewustzijn? Zijn er begin en einde aan de kosmos? Wat is de zin van al dat immense en ongebreidelde bestaan?
Toen ik kennismaakte met de natuurwetenschap begon het inzicht te dagen dat alleen objectieve, onpersoonlijke methoden tot waarheid en kennis konden leiden. Juist het onpersoonlijke leek de waarborg dat overtuiging en waarheid niet verwisseld worden. Alleen de natuurwetenschap was daarom de weg naar waarheid. De theorieën en methoden van de natuurwetenschap zijn helder, consistent en leiden tot zekere conclusies. Zij stelt vragen aan de natuur die de natuur met ja of nee kan beantwoorden. Er wordt geen leer ontworpen op grond van discutabele interpretaties van teksten over discutabele openbaringen van duizenden jaren geleden. De wetenschap doet hier en nu onderzoek naar hoe het zit en ontdekt allerlei feiten, wetten, principes en samenhangen die ons inzicht in de natuurlijke werkelijkheid sterk vergroot hebben.
Ik werd een echte bèta, vond genoegen in uitvoeren van wiskundige berekeningen, was verrukt over het feit dat bepaalde verbanden exact kunnen worden uitgedrukt in een formule. Ik was op de middelbare school intensief bezig met sterrenkunde, met chemie, met natuur- en wiskunde en ging daarna wis- en natuurkunde studeren. De eerste jaren verflauwde mijn liefde voor de natuurwetenschap niet. Maar toch ontdekte ik dat zij niet alle voor mij relevante vragen beantwoordt. Ik begon te merken dat de natuurwetenschap voor mij iets eenzijdigs heeft, dat zij fundamentele aspecten van mijn leven buiten beschouwing laat. Zij zegt niets over de vraag wat de zin van het of mijn leven is. Zij verklaart weliswaar hoe ik als biologisch organisme ontstaan ben en functioneer, maar niets over de vraag hoe ik te leven heb en wat de bestemming van mijn leven is. Zij vertelt mij niets over de vraag hoe ik moet omgaan met existentiële ervaringen als eenzaamheid, geluk, liefde, verdriet en de dood.
De dood
Vooral de dood was voor mij een belangrijke ervaring omdat mijn vader ziek werd en overleed. Ik was 19 en net het huis uit toen mijn vader, na vijftig jaar werken net met pensioen, een hersentumor kreeg en na een half jaar lijden stierf. Ik wou dat ik kon zeggen: God hebbe zijn ziel.
Deze gebeurtenis heeft mijn leven diepgaand beïnvloed omdat het gemis, de afwezigheid en de vraag naar zin van het leven zich intens aan mij opdrongen. Ik ervoer het leven soms als een verschrikking: we leven in een wreed universum vol lijden en onrechtvaardigheid, in mijn persoonlijke omgeving en daarbuiten. Als naoorlogs kind had ik mij verdiept in de verbijsterende wreedheid van die oorlog: het grootste trauma van de recente Europese geschiedenis.
Ik voelde mij een vreemdeling in het bestaan. In de dood van mijn vader bleek het vertrouwde en waardevolle nietig en kwetsbaar. We zijn passanten en kunnen ons zijn niet vasthouden. We bouwen kastelen van betekenis en liefde, maar het lijken zandkastelen of luchtkastelen. Voor mij als begin twintiger was dat besef een schok die mijn leven in een heel ander licht zette.
Mijn studie theoretische natuurkunde vlotte niet meer want ik werd gegrepen door deze kwesties die niet door de wetenschap beantwoord konden worden. Ik brak de studie af en stapte over naar de filosofie. Ik ontdekte daar mijn natuurlijke plek omdat genoemde kwesties daar thuis zijn. Ze kunnen er diepgaand en zonder reserve besproken worden. Hun mysterie kan opengehouden of vergroot worden. In de filosofie is iets aanwezig wat in de wetenschap ontbreekt: het gaat niet alleen om een objectieve, onpersoonlijke waarheid, maar ook om de waarheid van mijn individuele bestaan. Het gaat ook om de vraag hoe ik als individueel denkend, voelend en waarnemend persoon mij tot mijn eigen leven en dat van anderen verhoud of heb te verhouden. Wat is mijn plaats in het geheel en hoe moeten we dat geheel opvatten? Jarenlang en eigenlijk nog steeds ben ik geabsorbeerd in dit soort vragen.
De filosofie
Ik ben dus filosoof geworden. Deze onderscheidt zich niet zozeer van andere mensen doordat hij meer of vaker nadenkt, dat misschien ook wel, maar vooral door de vragen waarover hij nadenkt en ook de intensiteit waarmee deze vragen levend voor hem zijn. We kunnen hier denken aan de opmerking die Lou Salomé maakte over Friedrich Nietzsche in haar boek over hem:
Telkenmale is dit de eigenlijke kracht van zijn genie gebleken, het theoretische steeds tot zijn eigen belevenis te maken, het door hartstochtelijke doorleefde formulering in woorden te overweldigen.[1]
Het theoretische is voor de filosoof een diepe eigen beleving en daarom is filosofie niet theoretisch in de moderne zin dat het louter een consistent stelstel van abstracte proposities is. Theorie in de oorspronkelijke betekenis is beschouwing en reflectie die door het levend zijn als denkende openheid voor zelf en wereld wordt opgeroepen en doorleefd.
Wat is filosofie? Dit is zelf een filosofische vraag. Een ‘wat is’-vraag vraagt naar het wezen of de essentie van iets, in dit geval van de filosofie zelf. Bij de oude Grieken is de filosofie ontstaan en het woord filosofie is dan ook afkomstig uit het Grieks: filo-sofia: het liefhebben van de wijsheid. In het Nederlands hebben we het woord wijsbegeerte dat in de zeventiende eeuw ontstaan is. Men kan zeggen dat liefde en begeerte niet hetzelfde zijn, hoewel ze natuurlijk goed kunnen samengaan. We kunnen van iets of iemand houden zonder die iemand of dat iets letterlijk te begeren. Hoewel… we kunnen van een bepaald stuk muziek houden, maar dat betekent ook de begeerte het met enige regelmaat te horen. En iets begeren is ook van dat iets houden: een vrouw begeren om haar aantrekkelijkheid als mooie lichamelijke verschijning, is in ieder geval in een opzicht van haar houden. Liefhebben en begeren liggen dus niet zo ver van elkaar af, al ligt in liefhebben een meer gevende, morele betekenis. Misschien kunnen we zeggen: wat ik liefheb, begeer ik tot op zekere hoogte en begeerte kan omgekeerd leiden tot liefde.
Het is dan ook geen toeval dat in de geschiedenis van de filosofie de wijsheid, dat wat door de filosoof begeerd wordt, vaak als vrouwelijk is voorgesteld. Sofie is een meisjesnaam. In die officiële geschiedenis domineren de mannen als wijsgeren en het is dus niet vreemd dat waar hun verlangen naar uit gaat, de wijsheid, allegorisch vaak als schone vrouw verschijnt. Zo is Pallas Athene in de Griekse mythologie de godin van de wijsheid. Als godin van de heldere, zuivere hemel (aether) is zij de verpersoonlijking van de geest, van kalm en bedaard overleg en van de schoonheid en kunst.
De vroege Griekse filosoof Parmenides beschrijft zijn reis met paard en wagen naar de hemel: onder begeleiding van hemelse maagden, rijdt hij omhoog naar de vertrekken van de Godin van de waarheid.
De Godin ontving mij hartelijk en met haar rechterhand vatte zij mijn rechterhand, en sprak met vriendelijke woorden: jongeling, gij die met onsterfelijke wagenbegeleidsters deze doorluchtige zalen heeft bereikt, het was geen kwaad gesternte die u op deze weg heeft gebracht, ver buiten de gewone paden van de mensen, het is u door de goden toegestaan. Daarom zult u alles vernemen, het onwankelbare hart van de waarheid, als ook de leringen van de sterfelijken, die in waarheid tekortschieten, maar toch een zekere algemeenheid hebben.[2]
Bij Plato in de dialoog Het Symposium vinden we de wijze vrouw Diotima van Mantinea die waarschijnlijk echt bestaan heeft (omdat alle figuren in de dialogen van Plato echt bestaan hebben, zoals blijkt uit andere bronnen) en die Socrates leert over liefde en schoonheid. De eigenlijke schoonheid vinden we in de opklimming naar de eeuwige ideeën die ten grondslag liggen aan de wordende werkelijkheid.
De filosoof Bōethius die leefde in de late Oudheid, zat gevangen door politieke intriges en was ter dood veroordeeld. In zijn cel schrijft hij De vertroosting van de filosofie, en de filosofie verschijnt aan hem als een vrouw die zegt:
Hij is zichzelf een beetje vergeten, maar de herinnering keert gauw genoeg terug, als hij mij maar eerst herkent. Ik zal hem helpen en de nevel van zijn ogen wegvagen waardoor ze gevangen blijven in de aanblik van vergankelijke dingen–en met een plooi van haar gewaad droogde ze de tranenvloed die uit mijn ogen stroomde.[3]
Vrouwe Filosofie als lerares van de hogere waarheid en daarmee als vertrooster van de lichamelijk en geestelijk gekwelde mens in het aardse tranendal. Deze hogere waarheid betreft de eeuwige oorsprong van alles wat bestaat, en wat in de neoplatoonse filosofie met het Goede of het Ene wordt aangeduid. De menselijke ziel kan de materiele werkelijkheid overstijgen en contact maken met die oerbron en daarin rust en geluk vinden.
Dit klassieke beeld van de filosofie als zoeken naar de hoogste waarheid is in de moderniteit, zeker sinds 1800, aan sterke verandering en verval onderhevig. Het bestaan van die hogere waarheid en de vertroosting die daarbij hoort, zijn steeds meer in twijfel getrokken. Na de Oudheid werd de wijsheid vooral geïdentificeerd met de christelijke God. In de Bijbel lezen we ‘De vreeze des Heeren is het begin der Wijsheid’ (Spreuken 1:7a).
Maar na de neergang van het christendom in (west-)Europa, waaraan ik in het begin al refereerde, lijkt de wijsheid onbereikbaar geworden. De Duitse filosoof Theodoor Adorno opent zijn belangrijke boek Negatieve Dialectiek aldus:
Filosofie die achterhaald scheen houdt zichzelf in leven, omdat ze het ogenblik van haar verwerkelijking verzuimd heeft.
De filosofie lijkt achterhaald omdat zij gefaald heeft in haar missie die hogere waarheid bloot te leggen, en erger nog, de Europese cultuur niet heeft kunnen behoeden voor morele catastrofes, of erger nog, daar in sommige van haar geledingen indirect aan heeft bijgedragen, zoals die andere beroemde Duitse filosoof Martin Heidegger. Zijn filosofie is verbonden geraakt met de grootste morele catastrofe van de twintigste eeuw. In de jaren zestig zegt hij: ‘…de filosofie zal geen onmiddellijke verandering van de huidige toestand van de wereld kunnen bewerkstelligen. Dit geldt niet alleen voor de filosofie, maar voor alle puur menselijke overleggen en streven…De filosofie lost zich op in de afzonderlijke wetenschappen: de psychologie, de logica, de politicologie.’[4] Het ware beter geweest als hij het eerste al in de jaren dertig had beseft.
Is de filosofie in de moderne tijd inderdaad nutteloos en overbodig geworden? Kan zij de zoekende mens niet meer steunen? Zij lijkt nutteloos omdat zij niet direct wereldse verbeteringen kan bewerkstelligen en ons niet direct de waarheid over de domeinen van de werkelijkheid zal vertellen. De traditionele rol van vergaring van kennis, die eerst bij de filosofie lag, wordt en is immers overgenomen door de vakwetenschappen.
Zo lijkt het inderdaad, maar er ligt in de filosofie iets onvervangbaars dat niet aan de wetenschap kan worden overgedragen. Zodra we onze geest van de filosofie naar de wetenschap verplaatsen, gaat er iets verloren. Wetenschap voelt anders aan dan filosofie. Filosofie heeft een andere betrokkenheid. De wetenschap vergaart kennis en die kennis is nuttig en waar, zij staat ten dienste van de mensheid, maar er blijft ‘iets’ buiten beeld.
Misschien is er samenhang tussen dit ‘iets’ en dat de filosofie terecht de moeder van de wetenschappen wordt genoemd, wat opnieuw een vrouwelijke metafoor is. Terecht, omdat de vakwetenschappen inderdaad allemaal vroegere of latere afsplitsingen van de filosofie zijn. Filosofie is niet identiek aan die wetenschappen, zoals een moeder niet identiek is aan haar kinderen. Filosofie is geen wetenschap, al brengt zij de wetenschap voort, al houdt zij van de wetenschap, en respecteert zij haar resultaten.
Filosofie is geen wetenschap. Zij doet geen experimenteel onderzoek zoals de wetenschap, zij probeert de waarheid van haar gedachten niet empirisch te bewijzen. Filosofie is denken dat verbanden legt over de grenzen van de wetenschappen heen. Haar waarheid is daarnaast gebaseerd op de globale ervaring van het mens-zijn. Zij onderzoekt de fundamentele ideeën die we gebruiken als we over de werkelijkheid spreken.
Ook is de filosofie geen kunst. Zij stelt niet de ervaring centraal zoals de kunst, maar reflectie op ervaring. Tegelijk is de kunst een natuurlijke bondgenoot van de filosofie: beide zijn ze langs een andere weg betrokken op het bestaans- en zijnsmysterie.
Filosofie is zichzelf, we hoeven haar niet onder te brengen bij wetenschap of kunst. Wat zij is licht op in het filosoferen zelf, in de bezinning op het eigen, menselijk bestaan, gebaseerd op de globale ervaring ervan. Zij is het al duizenden jaren durende gesprek van de mens met zichzelf. Dat gesprek dient hoe dan ook voortgezet te worden. Hoe dan ook? Ja, want weliswaar leveren de wetenschappen allerlei kennis op, maar ons denken heeft niet alleen wetenschappelijke kennis nodig.
Filosofie als radicale reflectie
Eigen aan de filosofie is dat zij radicale reflectie op het bestaan is. In haar wezenlijke karakter beschouwd, vindt die reflectie plaats vanuit de stemmingen van verbijstering en verwondering, van lege leegte en volle leegte, van het geluk en vertwijfeling die met ons leven gepaard gaan.
Radicaal betekent hier niet ‘extreem’, maar ‘fundamenteel’, ‘grondig’, ‘geheel en al’ of ‘vanuit de wortel’ (het Latijnse ‘radix’ betekent wortel).[5] Filosofische reflectie is radicaal omdat zij probeert vanuit de wortel van het bestaan te denken. Ondanks alle wetenschap en kennis is het bestaan van de kosmos en van onszelf een diep mysterie en de filosofie brengt dit mysterie in het denken aan het licht, niet om het op te lossen, maar om het als mysterie te laten zien.
De filosoof is daarmee een buitenstaander. Hij staat in het vrije veld van natuur, werkelijkheid en bewustzijn. Dit vrije veld ligt buiten de menselijke gemeenschap omdat het filosofisch denken, door zijn thematiek, diepgravendheid en intellectuele twijfel, per definitie niet kan samenvallen met meer afgesleten opvattingen die in een gemeenschap min of meer vanzelfsprekend zijn.
Tegelijk is hij deelnemer en intensief betrokken op en gegrepen door het leven van zichzelf en van anderen. Hij is geëngageerd op een wijze die niet door de gemeenschap kan worden voorgeschreven, maar die het goede voor die gemeenschap op het oog dient te hebben. Dit kan controversieel zijn omdat het goede zoals begrepen door de filosoof niet noodzakelijk samenvalt met het goede zoals begrepen in de gemeenschap. De filosoof wordt echter gedragen door de gemeenschap die hem staat stelt om te filosoferen. Hij is schatplichtig aan de gemeenschap voor de mogelijkheid tot die radicale reflectie.
Een filosoof is een waarheidszoeker. De waarheid of onwaarheid van een opvatting heeft een hogere prioriteit dan of die opvatting aangenaam is, geborgenheid geeft of in algemene zin geliefd of populair is. In hogere zin is de filosoof wijsheidszoeker in het besef dat waarheid of inzicht in het problematische karakter ervan, een voorwaarde is voor wijsheid.
Een filosoof, zoals ik die versta, is rationalist. Het menselijk logische en redelijk denkvermogen is een wezenlijk vermogen dat het respect dient te krijgen dat het toekomt en dat ook toekomt aan de vruchten ervan zoals wetenschap, kunst en filosofie. De filosoof beweert niets wat tegen wetenschappelijk vastgestelde feiten ingaat. Filosofie staat niet tegenover wetenschap, maar is als haar moeder liefdevol anders. De filosoof onderzoekt de grenzen, de grondbegrippen, de veronderstellingen en de verbindingen van de wetenschappen.
Een filosoof is mysticus. Radicale reflectie doet vanzelfsprekendheden verdampen en brengt zo de wonderen van wereld en zelf aan het licht. Een wonder dat zich kan ontplooien omdat het in het filosofisch denken kan verschijnen, terwijl het tegelijk het denken te buiten gaat. Voorbij het denken ligt het onuitsprekelijke bestaan en de onuitsprekelijke openbaring ervan.
Logische scherpte en mystieke helderheid, veiligheid en avontuur
De Engelse filosoof en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) maakt in college 9 uit de verzameling colleges Modes of thought uit 1938 een aantal interessante opmerkingen over filosofie.
The philosophic attempt takes every word, and every phrase, in the verbal expression of thought, and asks, What does it mean? It refuses to be satisfied by the conventional presupposition that every sensible person knows the answer. As soon as you rest satisfied with primitive ideas, and with primitive propositions, you have ceased to be a philosopher.
Fundamentele noties die wij gebruiken in ons spreken en denken, zoals ruimte, tijd, bewustzijn, waarheid, God, leven, dood, etc. gebruiken we naïef, alsof het vanzelfsprekend is wat we er mee bedoelen. De filosoof stelt echter de vraag: wat wordt er (hier) mee bedoeld? En is niet tevreden met de opvatting dat iedereen dat wel weet.
There is an insistent presupposition continually sterilizing philosophic thought. It is the belief, the very natural belief, that mankind has consciously entertained all the fundamental ideas which are applicable to its experience. Further it is held that human language, in single words or in phrases, explicitly expresses these ideas. I will term this presupposition, The Fallacy of the Perfect Dictionary.
De drogreden van het perfecte woordenboek is volgens Whitehead de gedachte dat de betekenissen die we vinden in het woordenboek, in de alledaagse menselijke taal, een volledige en expliciete uitdrukking van de betekenis van woorden en noties zijn. De filosofie doorziet deze drogreden omdat zij beseft dat onze fundamentele noties verwijzen naar fundamentele aspecten van de wereld die we maar zeer gedeeltelijk of helemaal niet begrijpen. Doordat de filosofie probeert diepere betekenissen en raadsels te expliciteren, komt zij vanzelf op onbekend terrein.
Whitehead stelt verder dat filosofie te verdelen is in twee scholen: de kritische school die zich beperkt tot analyse van taalgebruik binnen de grenzen van de bestaande taal en haar betekenissen. Ze bekritiseert of verwerpt daarmee de speculatieve filosofie die de grenzen van taal en kennis zoekt te verschuiven. De speculatieve school, waartoe Whitehead zelf behoorde, claimt een bijzonder of nieuw inzicht in het zijn of in de wereld te hebben dat niet door de bestaande woorden en betekenissen wordt uitgedrukt.
Filosofie laveert tussen deze twee houdingen van veiligheid en avontuur, tussen logische scherpte en intuïtief vergezicht. Alleen maar kritisch zijn, maakt de filosofie leeg, dor en negatief, alleen maar speculatief zijn, maakt de filosofie fantastisch, vaag en irrationeel, en leidt tot ongefundeerde gedachtevlucht. Ware filosofie ligt in het zoeken van evenwicht tussen beide houdingen, door logische scherpte te combineren met mystieke helderheid.
Filosofie gaat in tegen de neiging van het menselijk denken om ideeën af te slijten tot gemeenplaatsen en alledaagse vanzelfsprekendheid. Dit kan zij doen omdat zij een open verbinding heeft met dat wat (nog) niet in woorden is uitgedrukt.
Ze heeft in die zin inderdaad een mystieke basis: de ervaring van diepten die het denken overstijgen. Ze heeft als doel deze mystiek te ‘rationaliseren’. Niet door het mystieke weg te verklaren, integendeel, maar door het op nieuwe manieren in taal te karakteriseren op rationele wijze gestuurd.
It reverses the slow descent of accepted thought towards the inactive commonplace. If you like to phrase it so, philosophy is mystical. For mysticism is direct insight into depths as yet unspoken. But the purpose of philosophy is to rationalize mysticism: not by explaining it away, but by the introduction of novel verbal characterizations, rationally coordinated.
Filosofie heeft dus volgens Whitehead een eigen karakter omdat het mysticiteit en rationele begripsvorming probeert te verenigen. Het mystieke betreft de ervaring van het raadselachtige van dat wat mij oorspronkelijk gegeven wordt. De rationaliteit betreft de nauwkeurige, sobere en consistente formulering en doordenking daarvan. Filosofie heeft daarmee verwantschap met zowel de wetenschap, de religie en de kunst, al verschilt ze van alle drie. Zij is zichzelf. Zij kan zich niet uitleveren aan een van de andere drie zonder haar eigenheid te verliezen.
Het contemplatieve moment als begin
Wanneer begon ik filosoof te zijn? Ik noemde al de dood van mijn vader als de min of meer directe aanleiding om over te stappen van de natuurkunde naar de filosofie. Er zijn ook ervaringen te noemen die verder terugvoeren. Ervaringen die voorfilosofisch zijn, die optraden op het moment dat er van filosofie nog geen sprake was en ik het woord zelfs nog niet kende. Ergens in het begin van het leven worden de fascinaties gevormd die leiden naar filosofie, licht hun bron kort op. Zonder dat ik ernaar zocht of erom vroeg, ontstond een wat men achteraf kan noemen ‘contemplatief moment’. Er licht iets op dat verwondert en een vaag, maar diep geluksgevoel geeft. In dit besef is er iets wat belangrijk is, zonder dat ik in de verste verte kon formuleren wat het is en waarom het is. Omdat deze verwoording ontbreekt, wordt dit besef niet expliciet vastgehouden totdat het zich weer aandient. Dan verbindt het zich met die eerdere ervaring en werd ik verrast door het oplichten van deze verbinding. Dit oplichten zegt iets over het belang dat deze momenten blijkbaar voor mij hebben. Zo vormen zich bakens op het levenspad en werd een rode draad geweven die steeds meer mijn aandacht ging bepalen.
De gang naar de filosofie was een gevolg van de onmogelijkheid mijn leven te leiden zonder te onderzoeken en te verwoorden naar wat die rode draad mij te zeggen had. Ik raakte verwikkeld in dit onderzoek en deze verwikkeling moest zijn uitdrukking vinden in een differentiatie van samenhangende gedachten. Dit werd mogelijk doordat ik inzicht begon te krijgen in de filosofische traditie. Deze is een groot veld van betekenis, een samenhangend continent van begrippen, gedachtegangen en interessante interne spanningen. Er zijn veel elkaar tegensprekende posities die elkaar niet definitief kunnen weerleggen.
Ik leerde dit veld kennen door mijn eigen pad erin te vinden, zonder dat ik overzicht heb over het gehele continent. Dit pad ontstond met elke stap die ik deed naar gedachten die beantwoordden aan mijn fascinatie. Door het ontstaan van dit pad ontstond ervaring met een groter deel en zijn grilligheid of voorspelbaarheid. Er ontstond inzicht waar het goed toeven is, waar de fascinatie vrij kon opbloeien, waar de gedrevenheid gevoed werd het pad te vervolgen. Dat zijn de plekken van de filosofische ontroering en vervulling.
In de geschiedenis van de wiskunde en de wetenschap zijn er opmerkelijke gevallen bekend waarbij oplossingen voor onopgeloste problemen ‘in een flits van inspiratie’ aan de onderzoeker werden gegeven, of dat waarheden vrijwel zonder inspanning ‘uit de geest’ vloeiden.[6] De momenten waar ik hier over spreek zijn niet van dien aard: er was niet een al bestaand raadsel waar een oplossing voor ingeblazen werd.
Het was de openbaring van het raadsel zelf. De filosofische ervaring is niet die van de oplossing, zoals in de wetenschap, maar die van het raadsel, van het geheim. Een oplossing is vooralsnog niet aan de orde want de diepte van het geheim toont zich, het raadselachtige van het raadsel moet zelf doordacht worden.
Contemplatieve momenten worden hier gedefinieerd als momenten waarop dit gegeven werd. Een van de eerste keren dat dat mij gebeurde, was toen ik als kind het Hergé-album Kuifje en het geheim van de Eenhoorn las. Het verhaal doet er niet toe, maar er komt een scene in voor waarbij een man op straat neergeschoten wordt vanuit een rijdende auto. Hij zakt in elkaar en vlak voordat hij buiten bewustzijn raakt, wijst hij naar mussen die op het trottoir aan het scharrelen zijn. Kuifje en kapitein Haddock begrepen er niets van: waarom wees hij naar de vogels? Ik daarentegen begreep het wel: hij liet aan hen de bijzonderheid van de schepsels zien. De man was op een existentieel moment en wilde de omstanders nog iets meegeven: kijk, zie het wonder van de wereld en de wezens die zich daarin bevinden. Schrik op uit je dagelijkse beslommeringen en aanschouw het bestaan in zijn unieke raadselachtigheid. Zo formuleerde ik het toen niet, maar zo voelde ik het. Later bleek dat het in het verhaal daar helemaal niet om ging. Het bleek dat een van de personen in het complot Vogel heette.
Wat speelde er in mijn besef? De aanwezigheid en het Zo-zijn van de dingen. Ze worden zonder hun functie, hun nuttigheid, hun waarde in hun naakte bestaan ervaren. In mijn naakte bestaan, ervoer ik het naakte bestaan van de dingen in de immensiteit van de ruimte aan de afgrond van de tijd. Het contemplatieve moment is een moment waarin ik niet verzonken ben in alledaagse beslommeringen, waarin ik verbonden ben met datgene wat zich aandient, één met het voorval en wat er voorvalt. Er is geen verschil tussen mij en de vogels. In een minuscuul samen zijn in het hier en nu openbaart zich het geheim.
Kosmos en bewustzijn
Wat is dit voor geheim? Dat is precies de filosofische vraag die mij bezighoudt. In mijn werk onderscheid ik het bestaansmysterie en het zijnsmysterie. Deze zijn onderscheiden en grijpen in elkaar. Het geheim is in zichzelf onderscheiden in deze twee, maar deze twee zijn niet te scheiden. Onder het bestaansmysterie versta ik dat er een wereld, een werkelijkheid, een kosmos is, want er had ook absoluut niets kunnen zijn. Zowel de theologie als de natuurwetenschap kunnen niet verklaren waarom er überhaupt een kosmos is. Ik besef dat dit massieve stellingen zijn die ik moet beargumenteren. In dit korte bestek kan dat niet, maar kort gezegd komt het erop neer dat theologie en natuurwetenschap de kosmos uit iets anders verklaren, maar dit ‘iets anders’, God en/of natuurwet, worden zelf niet verklaard. Theologie en natuurwetenschap verplaatsen het vraagstuk van bestaan en zijn, naar een ander niveau maar lossen het niet op. Mijn stelling is dat het bestaan van de kosmos überhaupt niet verklaard kan worden, het onttrekt zich aan het rationele denken. Bestaan ligt voorbij denken.
Het tweede mysterie dat ik onderscheid is het zijnsmysterie. Niet alleen is er een kosmos, maar die kosmos openbaart zich, toont zich aan mij als mens. Dat er een kosmos is, wordt beseft door iemand, namelijk door mij of door een ander. De dingen, de verschijnselen, mensen, dieren, planten, ruimte en tijd verschijnen aan mij, en in dat verschijnen ben ik op ze betrokken.
Begrijpen we dit verschijnen? Dat de kosmos aan ons verschijnt, benoemen we met het woord ‘bewustzijn’ of ‘bewust zijn’, wat ik definieer als ‘aanwezig zijn van iets voor mij’.[7] We kunnen ons bewustzijn analyseren, er eigenschappen van vaststellen, de relaties die het heeft met ons lichaam en onze hersenen onderzoeken, maar we kunnen het niet verklaren in de zin van: begrijpen waarom het er is, waarom de wereld en wijzelf aan onszelf verschijnen. Dat is het mysterie van ons leven dat door geen enkele theologie en wetenschap opgehelderd wordt. Ook deze stelling moet beargumenteerd worden en dat heb ik uitgebreid gedaan in mijn boek Oorspronkelijk bewustzijn uit 2016.
Wat is de relatie tussen het bestaans- en het zijnsmysterie? Het bestaan van de kosmos verschijnt aan ons bewustzijn. Het bestaansmysterie kan zich alleen als mysterie ontplooien aan ons bewustzijn. Alleen met bewust zijn, is er besef van de kosmos en haar mysterie. Omgekeerd lijkt ons bewustzijn weliswaar niet verklaarbaar uit materiele processen, maar deze processen lijken wel nodig voor bewustzijn. Het zijnsmysterie, dat er een kosmos voor mij aanwezig is, heeft de kosmos nodig zonder uit de fysica van die kosmos te begrijpen te zijn. Bewust zijn is geworteld in de kosmos zelf, is opgekomen uit of is een fundamenteel aspect van de natuur dat in samenhang staat met ruimte, tijd, energie en materie. Het mysterie van het bestaan van de kosmos en van het bewustzijn zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. We kunnen ons geen bewust zijn zonder kosmos denken, terwijl er toch een onderscheid is tussen kosmos en bewust zijn. Een kosmos zonder bewustzijn zou immers, voor zover wij weten, ook kunnen bestaan.
Tot slot
Aan deze korte beschouwing zien we een aspect van wat filosofie is: het onderzoeken van verbanden tussen verschillende aspecten van de werkelijkheid. Bewustzijn, materie, ruimte, tijd, handeling, kennis, waarheid, onwaarheid, zin, leven, liefde, geluk, dood, goed en kwaad om een paar belangrijke onderwerpen te noemen, zijn onderwerpen waar wij in en mee leven. Filosofie is op hen betrokken, heeft tot taak ze telkens opnieuw te doordenken in samenhang met elkaar vanuit ons raadselachtige en kwetsbare bestaan. Filosofie is het leven van de geest en blijft leven zolang de geest leeft.
Reageren? Mail naar: arnoldziegelaar@online.nl
Arnold Ziegelaar is filosoof, docent en beeldend kunstenaar. Naast artikelen publiceerde hij de boeken Aardse mystiek (2015) en Oorspronkelijk bewustzijn (2016). Hij probeert filosofie en kunst te verbinden via wat hij aardse mystiek noemt. Meer informatie: www.arnoldziegelaar.nl.
[1] Lou Salome, Friedrich Nietzsche, Arbeiderspers, Amsterdam, 1987, blz. 2087.
[2] Mansfeld, Die Vorsokratiker, Reclam, Stuttgart, 1987, blz. 315.
[3] Boëthius, De vertroosting van de filosofie, Ambo, Baarn, 1990, blz.71.
[4] Martin Heidegger, Alleen nog een God kan ons redden, Klement, Kampen, 2002, blz. 53/56.
[5] http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/radicaal.
[6] Zie bijvoorbeeld: Paul Davies, The Mind of God, Penguin, Harmondsworth, 1992, het hoofdstuk The mathematical secret.
[7] Zie mijn Oorspronkelijk bewustzijn, ISVW, Leusden, 2016, hoofdstuk 4 en 5.