Een nieuwe kijk op de Franse Revolutie

Na het succes van zijn literaire debuut met De schaduw van Caesar (2018) besloot Jelle Dehaen (°1984) dat zijn volgende historische roman een achttiende-eeuws verhaal moest worden. Het werd uiteindelijk, zes jaar en duidelijk veel studie verder, non-fictie. De terreur van het optimisme is een voldragen biografie van Mme Roland (1754-1793) en, in één moeite door, een bijzonder behapbaar relaas van de Franse Revolutie. Manon Roland was daarvoor een ideale invalshoek: ‘geen vrouw heeft de Revolutie zo gestuurd als zij’ (blz. 10) en ze had, voor ze een klein jaar een prominente rol kon spelen, de turbulente ontwikkelingen waarbij ze minder direct betrokken was altijd al aandachtig gevolgd. Dat doet Dehaen dus samen met haar.

Zijn nieuwe boek herinnert in die zin aan De Franse Revolutie van Johan Op de Beeck,[1] die zijn verhaal zelfs liet vertellen door zijn ‘Belgische’ hoofdpersoon François Robert. Dehaen kon dat bezwaarlijk overdoen: Mme Roland liet uitgebreide memoires na, die hij moeilijk kon doubleren. Hij blijft dus voortdurend zelf aan het woord, wat hem meteen de kans geeft de revolutionaire Umwelt van zijn Manon (hij gebruikt systematisch de voornaam) vlakbij de lezer te brengen via allerlei trefzeker gekozen modernismen.

Edelen die snobistisch met verlichte ideeën koketteren worden ‘culturo’s’ (blz. 138), Mirabeau en Manon zijn goed in ‘oneliners’ (blz. 215 en 355), een ongelukkige uitspraak in de Nationale Conventie ‘raast door Parijs zoals een tweet die viraal gaat’ (blz. 353) en Charlotte Corday, die Marat in zijn bad vermoordde en wist dat ze niet zou ontsnappen aan de guillotine, was, al droeg ze geen ‘bomgordel, in essentie een zelfmoordterroriste’ (blz. 374). De val van de Bastille is voor alle partijen een ‘gamechanger’ (blz. 153), maar als Louis XVI twee jaar later uit zijn hoofdstad vlucht kantelt alles nog radicaler: ‘de vlucht was het achttiende-eeuwse ekwivalent van de maanlanding: tientallen jaren later herinnerden mensen zich nog waar ze waren toen ze het nieuws hoorden’ (blz. 218). Voor de koning zelf was ze ook een ‘eye-opener’ (blz. 221): hij moest tijdens zijn faliekant afgelopen reis ontdekken dat niet alleen Parijs, maar ook het platteland met de Revolutie mee was…

Dehaen lardeert zijn verhaal verder met veel semi-onderkoelde humor. Zijn overzicht van de problemen waar Frankrijk voor 1789 aan laboreerde landt, zoals voor de hand lag, bij het dreigende staatsbankroet dat de directe aanleiding was voor de Revolutie. Hij vertelt het met een kwinkslag:

Gelukkig was er ook goed nieuws: de 18de-eeuwse Franse overheid had geen begrotingstekort. Helaas kwam dat enkel omdat ze niet echt een begroting had. De overheid stelde geen gedetailleerde prognoses op van hoeveel geld ze dat jaar nodig had om vervolgens de gepaste sommen binnen te halen of te snijden in de uitgaven. Frankrijk gaf het geld uit, tot het op was. En vervolgens moest er geïmproviseerd worden (blz. 96)

De gevaarlijkste improvisatie was het bijeenroepen van de Staten-Generaal, achteraf gezien een roekeloze sprong in het duister omdat dat eerbiedwaardig lichaam al sinds anderhalve eeuw nooit meer had vergaderd:

Beste lezer, als u niet weet wat die Staten-Generaal was, niet getreurd, dat wisten de Fransen in 1788 evenmin… In 1788 was de Staten-Generaal een wazige herinnering, want hij was al sinds 1614 niet meer samengeroepen… Het is alsof de premier vandaag het gat in de begroting zou willen dichten door een instelling uit 1850 opnieuw in te voeren, toen de computer en de auto nog niet uitgevonden waren. (blz. 124)

De lezer wordt opnieuw terzijde genomen als Dehaen uitlegt hoe veel debatten de mist ingingen omdat nogal wat Verlichte ideeën in de praktijk te zweverig bleken. Zo had Rousseau in zijn Contrat social een beroemd maar nogal schimmig onderscheid gemaakt tussen de wil van de meerderheid, die soms kon dwalen, en een elementaire volonté générale van de hele gemeenschap, die het altijd en per definitie, en dus ook als alleen een minderheid haar correct begreep, bij het rechte eind had. Het klonk indrukwekkend, maar bleef vage theorie:

En nu, beste lezer, staart u verbouwereerd naar het papier omdat u geen benul heeft wat die woordenbrij betekent? Niet getreurd, dat wisten Rousseau en zijn volgelingen evenmin. Als idee was de volonté générale enorm begeesterend, maar eigenlijk wist niemand hoe je dat in concreet beleid kon vertalen (blz. 190)

Het belette jammer genoeg niet dat de lege doos soms gevuld leek: Robespierre en zijn jakobijnen beriepen zich overtuigder dan wie ook op Rousseau en voelden zich zo gerechtigd hun versie van de ‘volonté générale die in de praktijk de volonté parisienne was’ (blz. 279) desnoods met geweld aan hun politieke tegenstanders op te leggen…

De Terreur van het optimisme brengt meer – al is dat op zich al niet onverdienstelijk – dan een goed verteld verhaal. Dehaen zegt in zijn inleiding, met evident ook daar de nodige ironie, dat hij een boek wilde ‘schrijven dat de revolutie definitief zou uitleggen’ (blz. 10, cursief JD). Dat was allang een notoir moeilijke onderneming. Zowat alle historici die over de Revolutie schreven worstelden met de vraag hoe die na de initiële euforie van 1789 in amper vier jaar tijd kon omslaan in een bloedige nachtmerrie. Dehaen wil op zijn beurt verklaren waarom het optimisme binnen de kortste keren uitmondde in terreur.

We vernemen zo dat dat de ontsporing onder andere te wijten zou zijn aan de ideologische setting van de Revolutie. Alle betrokkenen hadden van Rousseau (en eigenlijk van de hele Verlichting) geleerd dat de mens ‘goed geboren’ is en ‘enkel slecht kan worden in een corrupte samenleving’ (blz. 69). Als eenmaal alle vooroordelen, privileges en andere wantoestanden zouden zijn opgeruimd, zou er vanzelf een ‘prachtige nieuwe wereld’ (blz.191) ontstaan. 1789 liquideerde dus enthousiast het ancien régime; en toen de ideale harmonie uitbleef, kon dat alleen het werk zijn van verraders en boosaardige samenzweerders, die men met geweld moest uitschakelen. Omdat de wereld daar uiteraard nooit echt beter van werd ging men vanzelf alsmaar onverbiddelijker op zoek naar nieuwe schuldigen…

Het enige was moest gebeuren was de samenleving correct organiseren. Het maakte de volgelingen van Rousseau tot gedreven hervormers. En tot wraakzuchtige mislukkelingen. Want wat als je de samenleving hervormd had en de mens egoïstisch en ongelukkig bleef? Wat als je een nieuwe wereld had geschapen, maar de Fransen bleven honger lijden? Dan moest er wel een sinistere kracht aan het werk zijn die de perfecte samenleving ondergroef en die daarom met alle middelen moest bestreden worden. (blz. 91)

We lezen daarnaast dat alle partijen inschattingsfouten maakten en domme vergissingen begingen. De Revolutie werd ‘een opeenstapeling van misrekeningen en flaters. Politici van alle overtuigingen blunderden erop los’ (blz. 145) en organiseerden, omdat alles altijd anders uitviel dan verwacht, vooral chaos: ‘de Revolutie was een wervelwind die constant van richting veranderde’ (blz. 192) en even onberekenbaar als ‘een op hol geslagen paard’ (blz. 151 en 244).

Je zou in die rousseauistische insteek én in dat geklungel een soort kinderziekte van de moderne democratie kunnen herkennen.[2] In 1789 had niemand – behalve misschien het Londense Lagerhuis – echt ervaring met vreedzame parlementaire debatten en leken meningsverschillen nooit onschuldig: zeker als je dacht de Waarheid (of de volonté générale) in pacht te hebben, werden je tegenstanders vanzelf handlangers van het Kwaad, die je dus navenant mocht behandelen. De excessen van de Revolutie zijn er niet minder gruwelijk om, maar in die optiek toch vooral voorbije ellende.

Dehaen verwijst eerder naar zwakheden die altijd en overal zouden voorkomen. Het heet zo dat ‘het menselijk vermogen tot wishfull thinking geen grenzen kent’ (blz. 132) en dat ‘incompetentie een onuitputtelijke energiebron’ (blz. 145) is. ‘Zelfoverschatting’ (blz.74) of ‘fatale hoogmoed’ (blz. 244) lijkt al bij al het meest cruciale euvel: wie denkt de ontwikkelingen te sturen wordt er voor hij het weet de speelbal van. Een en ander past in een wereldbeeld dat weinig gerichte planning toelaat en waar de toekomst altijd onvoorspelbaar is:

In realiteit zijn samenlevingen een zootje van door elkaar lopende tendensen, die nu eens elkaar versterken en soms elkaar tegenwerken en waarbij je nooit weet hoe het eindresultaat er zal uitzien. (blz. 112)

In een zeldzame ‘autobiografische uitweiding’ (blz. 243) verwoordt Dehaen iets als zijn filosofie van de geschiedenis. De mensheid lijkt er gedoemd eindeloos dezelfde vergissingen over te doen:

We kunnen in de geschiedenis universele modellen van menselijk gedrag ontdekken. Patronen die steevast mislopen en toch altijd en overal herhaald worden; sommige plannen zijn al honderden keren op een catastrofe uitgedraaid en toch blijven ze in licht gewijzigde vorm terugkeren.

Een van onze erfzondes is overmoed. Veel succesvolle mannen wanen zich immers meesterstrategen. Tactische genieën die het spelbord overzien en alle mogelijke scenario’s kunnen voorspellen. Crisissen trekken zich echter niets aan van onze plannen, maar volgen hun eigen grillige dynamiek. (blz. 243-44)

De geschiedenis blijft zich herhalen en herhaalt vooral onzin. Zelfs binnen de korte vier jaar van de Revolutie is er plaats voor minstens een absurde herhaling. Dehaen vertelt hoe koningin Marie-Antoinette in de beginjaren van die Revolutie het mikpunt werd van een stortvloed aan pamfletroddels over buitenechtelijke avonturen, waarvan haar sullige Louis XVI als enige niets vermoedde en waarbij ze haar charmes vaak gebruikte voor obscure politieke intriges. De aantijgingen sloegen nergens op, maar vonden vlot gehoor en droegen zo bij tot het einde van de monarchie. Enkele jaren later wordt Manon, als haar man een leider van de Girondijnse partij is, het slachtoffer van dezelfde geruchten:

Net zoals Marie-Antoinette wordt ze afgeschilderd als een heks die haar onnozele echtgenoot manipuleert. (blz. 193)

De beschuldigingen die tegen Manon geuit worden zijn vrijwel identiek als die waarmee de reputatie van Marie-Antoinette de grond was ingeboord: ze is een doortrapte hoer die met haar gewiekste vagina mannen manipuleert. (blz. 328)

De onzin heeft ook deze keer zijn gevolgen:

Op zichzelf bekeken zijn die beschuldigingen ongeloofwaardig, maar opgeteld en na jaren van herhaling vervormen ze net zoals bij Marie-Antoinette de werkelijkheid (blz. 365)

Manon belandt uiteindelijk onder de guillotine. De volgende dag beschrijft Hébert haar in zijn jakobijnse krant Le Père Duchesne als ‘de overspelige slet die de nieuwe Marie-Antoinette wou worden en eindelijk haar rechtvaardige straf heeft ondergaan’ (blz. 407).

De Revolutie is geen fraai spektakel. Haar masterplan voor ‘een gouden toekomst’ (blz. 181) liep uit op een nachtmerrie en belandde daar via een reeks soms ‘kolderieke’ (blz. 132) en bijna altijd weinig verheffende doolwegen.

Wie een beetje met de betrokken vakliteratuur vertrouwd is (ze beheersen zou, vrees ik, meer dan een compleet mensenleven vragen) herkent een toonzetting die we de voorbije decennia vaker vernamen. De wetenschappelijke geschiedschrijving over de Revolutie kwam, als we grote romantische voorgangers zoals Jules Michelet even buiten beschouwing laten, pas goed van de grond rond 1900 en beschreef haar toen in de regel als een cruciale etappe van de Vooruitgang. De Terreur was dan te wijten aan de druk van de omstandigheden: de jonge Republiek moest opboksen tegen de legers van heel Europa en had binnenlands af te rekenen met opstanden zoals de Vendée en met een alomtegenwoordige vijfde colonne van aanhangers van de oude orde. De extreme noodsituatie leende zich niet voor halve maatregelen: de Revolutie kon alleen overleven door haar talloze tegenstanders of zelfs wie haar maar lauw verdedigde met voortvarende procedures te intimideren. Dat men daarbij al eens doordraafde was in die gespannen tijden onvermijdelijk…

In de tweede helft van de twintigste eeuw ging het verhaal dikwijls anders klinken. Er verschijnen dan nog altijd werken die benadrukken of minstens impliciet vooronderstellen dat de Revolutie allereerst een enorme stap vooruit betekende; De Franse Revolutie van Johan Op de Beeck past ten gronde nog altijd in die rij. Jelle Dehaen noteert uiteraard ook de nodige veranderingen ten goede, maar pikt globaal toch eerder aan bij het meer gereserveerde narratief dat, pakweg sinds François Furet in 1965 zijn Révolution française[3] publiceerde, benadrukt dat het verlichte gedachtengoed van de Revolutie, waar alleen kwaadwillenden de triomf van de ene rationele Waarheid konden tegenwerken, intrinsiek explosief was én dat haar grillige verloop ook veel te maken had met misverstanden, desinformatie over en weer en allerlei andere allzu menschliche motieven. Het Grote Verhaal uit de Belle Epoque, dat paste bij een wereld die toen nog graag in prometheïsche heroïek geloofde, ligt daar aan diggelen.

Dehaen heeft Furet c.s. grondig gelezen, verwijst er regelmatig naar in zijn voetnoten en schrijft zijn relaas essentieel vanuit die optiek. Dat was, voor zover ik zie, in het Nederlands nooit echt gebeurd; zijn boek biedt een uitstekende gelegenheid kennis te maken met een nieuwe en alleszins belangwekkende kijk op de Franse Revolutie.

Dehaen beheerst zijn stof uitstekend en ik heb hem in zijn parcours van 1789 naar 1793 op geen enkele onnauwkeurigheid kunnen betrappen. Er zijn er hoogstens enkele, en dan nog marginale, te vinden in de inleidende hoofdstukken over de Verlichting en het Ancien Régime. Ook die zijn, globaal gezien, bijzonder geslaagd, maar we lezen er tussendoor wel dat Louis XV ‘een autoritaire bullebak met meer eigenwaan dan talent’ (blz. 36) was; dat is een wat verouderd cliché, dat zijn recente biografen stevig hebben bijgesteld. Dehaen schrijft verder enkele fraaie bladzijden over Rousseau; het was alleen niet ‘de Franse’, maar de Engelse koning die ooit ‘zijn mecenas wilde worden’ (blz. 85) en de samenvatting van zijn succesroman La nouvelle Héloïse (1761), waarschijnlijk het meest gelezen boek van de hele eeuw, blijft nogal approximatief.

Het valt ook op Dehaen’s religieuze, c.q. kerkelijke woordenschat net wat minder trefzeker klinkt dan we van hem gewend zijn. Als de jonge Manon langzaam afstand neemt van haar traditionele geloof, krijgt ze daarvoor verrassend veel stilzwijgend begrip van de clerus in haar omgeving. Dehaen heeft het, op een paar regels afstand, over ‘haar eigen priester’ en ‘haar lokale priester’ (blz. 29); het klinkt wat bizar, zeker als je uit de context begrijpt dat het respectievelijk over haar biechtvader en de pastoor van haar parochie gaat. We lezen elders dat het volksgeloof op het Franse platteland vermengd was met veel folklore en bijgeloof; Dehaen beroept zich daar op een bekende studie van Graham Robb,[4] maar als ik lees dat veel boeren Jezus vooral zagen als ‘een gewiekste bedelaar die rondtrok op het Franse platteland en de boeren advies gaf over hoe ze hun vee tegen de beste prijs konden verkopen’ (blz. 26) vraag ik me af waar hij het over heeft. Dat er ergens een of andere anekdote circuleerde in die stijl kan best, maar het lijkt toch evident dat de Jezus van het volksgeloof vooral de man was van het kruis (misschien eerder dan die van de Bergrede) en van het Laatste Oordeel.

De conclusie over de diverse bescheiden doorbraken waar de Verlichting al voor 1789 voor zorgde voor de Revolutie klinkt dan weer heel pertinent – en past perfect bij de globale scepsis van Dehaen tegen alle ambitieus-zelfzekere ondernemingen. De successen waren kennelijk vooral toevalstreffers:

Die moderniseringen – dat geldt voor bijna elke vooruitgang – werd niet veroorzaakt door enkele geniale uitvindingen, maar was het resultaat van gepruts. Van een eindeloze reeks kleine probeersels waarvan sommige iets opleverden en vele mislukten. (blz. 112)

De Revolutie wilde de hele wereld op slag en sprong en definitief verbeteren. Dat bleek dus een gevaarlijke illusie.

 

Bij het lezen van een briljant boek vraag je je vanzelf af of de auteur ook nieuwe dingen vertelt. Ik noteer dus, om af te sluiten, een drietal aantekeningen die ik hier alleszins voor het eerst denk te lezen en waaraan Dehaen geen voetnoot toevoegt. Of ze echt nergens anders voorkomen valt, gezien de enorme vakliteratuur over de Revolutie, moeilijk uit te maken…

De twee eerste betreffen kroonjuwelen van die Revolutie. Dehaen vertelt dat de bijzondere uitstraling van de Verklaring van de Rechten van de Mens deels te danken was aan een toeval. De beroemde tekst maakte deel uit van de voorbereidingen voor een grondwet die pas twee jaar later volgde:

De Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen was bedoeld als een kladversie van de grondwet. Een werkdocumentje in afwachting van, maar omdat de grondwetscommissie nog jaren bakkeleide, groeide de Déclaration bij toeval uit tot dé revolutionaire intentieverklaring (blz. 171)

De paragraaf is alweer typerend voor de vlotte vertelstijl van De Terreur van het Optimisme, maar deze ene keer misschien wat kort door de bocht: we vernemen trouwens meteen daarna dat het kladje een eigen leven kon gaan leiden omdat het hoe dan ook een ‘verbluffend document’ (blz. 171) was, het eerste in het Oude Europa dat universele mensenrechten decreteerde. De echte verrassing volgt weer een paar regels lager:

Tegelijkertijd was de Déclaration een sof. Het tiende artikel garandeerde religieuze vrijheid … behalve als de maatschappelijke stabiliteit daardoor bedreigd werd. Het beroemde artikel elf garandeerde de persvrijheid … behalve voor journalisten die te veel stennis schopten. Uiteindelijk werden de onaantastbare mensenrechten van zoveel uitzonderingen voorzien dat je er de absolute vrijheid mee kon verdedigen én een strenge repressie. Die vaagheid was een bewuste strategie. Veel députés vonden dat er al genoeg hervormd was. (blz. 171)

Het lijkt inderdaad een boeiende piste de Déclaration een keer te herlezen vanuit de vraag wat de auteurs zoal probeerden te voorkomen.

De Marseillaise wordt evenmin geïdealiseerd. Het lied ontstaat als revolutionair Frankrijk zich tegelijk paniekerig en enthousiast opmaakt voor zijn eerste oorlog en verwoordt voor Dehaen ‘een van bloeddorst en paranoia doordrongen koortsdroom’ (blz. 256). Wie als francofiel van de bekende melodie houdt en haar al eens mee neuriet zonder veel na te denken over de vertrouwde woorden, hapt bij zoiets even naar adem – en ontdekt, als hij dat dan wel doet (en de volledige tekst herleest), dat Dehaen zeker een punt heeft.

De derde verrassing is prozaïscher. We wisten al langer – en Dehaen herhaalt uiteraard op zijn beurt – dat de mislukte oogst van 1788 er stevig toe bijdroeg alle tegenstellingen in Frankrijk op scherp te zetten. Ik had me wel nooit gerealiseerd dat het weer misschien ook nadien zijn impact had en dat de belangrijkste explosies in Parijs bijna steevast op bloedhete zomerdagen gebeurden:

Het weer lijkt een banaliteit, maar het speelt wel degelijk een rol tijdens de Revolutie: opmerkelijk veel gewelduitbarstingen vinden plaats op snikhete dagen, wanneer mensen prikkelbaar zijn en de potjes sneller overkoken. (blz. 337)

De Bastille viel zoals bekend op 14 juli; twee jaar later kende de Revolutie haar eerste cruciale polarisatie toen de Parijse burgerwacht op diezelfde datum voor het eerst schoot op stadsgenoten die vreedzaam betoogden. De aanval op de Tuilerieën die het lot van de monarchie bezegelde volgde op 10 augustus 1792. In 1793 was het begin juni al warm; het komt dan tot een ‘ultieme triomf van de straatdemocratie’ (blz. 364), waarbij de jakobijnen en hun aanhang de Nationale Conventie overvallen: de vergadering ziet zich zo gedwongen de onschendbaarheid van enkele tientallen girondijnse afgevaardigden op te heffen en ze naar de gevangenis te zenden.

Manon, die nauw bij de girondijnse partij betrokken was, werd in diezelfde junidagen gearresteerd en belandde, na goed vijf maanden gevangenis en een ridicuul kort schijnproces, op 8 november 1793 onder de guillotine; Marie-Antoinette, die meer dan twee jaar gevangen had gezeten, was drie weken vroeger geëxecuteerd. Dehaen werkt zijn verhaal daarna wat sneller af en eindigt, zoals de meeste verslagen over de Revolutie, bij de val van Robespierre, die conform de nieuwe republikeinse kalender de geschiedenis inging als de negende Thermidor…

Het was meteen het einde van de Terreur. De plegers van de coup hadden die tot kort voordien samen met hun slachtoffer gerund, maar kwamen nu vlot weg met een ander verhaal:

Toen Robespierre uit de weg geruimd was, gebeurde er iets dat even voorspelbaar als potsierlijk was: de extreemlinkse leden van het Comité de salut public beweerden dat Robespierre als enige verantwoordelijk geweest was voor de Terreur, een stelling die zo ridicuul was dat veel mensen ervoor kozen haar te geloven. (blz. 413)

Waarmee de Revolutie, al verlegde ze werelddhistorisch veel stenen, in eerste instantie uitliep op een soort groteske sisser; het lijkt, als je ze net met Jelle Dehaen overgedaan hebt, inderdaad bijna voorspelbaar

 

Jelle Dehaen, De terreur van het optimisme, Ertsberg, Antwerpen, 2024, 436 blz., ISBN: 9789464984033, € 34,95.

 

[1] Johan Op de Beeck, De Franse Revolutie, Horizon, Amsterdam/Antwerpen, 2022.

[2] Dat is onder andere, en extreem vereenvoudigd, de these van Marcel Gauchet, Robespierre, L’homme qui nous divise le plus, Gallimard, 2018, Parijs. Zie daarover mijn bijdrage in Streven, 86/2019, blz. 298-309.

[3] François Furet, La Révolution française, Fayard, Parijs, 1965. Wie in korter bestek met de inzichten van Furet wil kennismaken, kan terecht in zijn opstellenbundel La Révolution en débat, Gallimard, Parijs, 1997, Folio Histoire 92.

[4] Graham Robb, De ontdekking van Frankrijk, Olympus, Amsterdam, 2012.

Een korte Nieuwjaarsoverdenking
Hedendaagse overweging: autoritarisme
Rusland: een ideologie voor binnenlands, en één voor...
Opus Dei en Project 2025
Oorlogsnarratief domineert in Westerse media
Hoe de toenemende inkomensongelijkheid te beheersen die het...
Trump: een neoliberale agenda najagen met directe middelen
De Trumpfluisteraar (III)
De Trumpfluisteraar (II)
De Trumpfluisteraar (I)
Waarom oorlog?
Interview met Andy Winnick
Nomonhan, 1939
Te veel of te weinig Ricardo?
Niets (zinvols) te zeggen
‘Het is mijn innerlijk kind’
Gaza, de eeuwige Achilleshiel
‘Nu zijn de dingen anders, we moeten niet...
De lokroep van het geweld
Grenzen verleggen
De afbraak van het vertegenwoordigende stelsel en de...
Het algemeen belang
Hoe de dominante stroming algemene economische principes losliet...
Syrische geostrategie voor en na het Assad-tijdperk: ...
Naar een Palestina zonder de Palestijnen?
Een nieuwe kijk op de Franse Revolutie
De ideologie van Donald J. Trump
Publieke moraal
De hedendaagse ‘cultuuroorlogen’ in de context van de...
Het einde van de grote orde onder de...