‘Sexy racism’ – slechts een provocerend oxymoron, of toch de wezenlijke grondslag van een nakende politieke realiteit? In haar nieuwe, erg beknopte en bovendien bijzonder leesbare boekje, The New Fascist Body, houdt Dagmar Herzog jammer genoeg een pleidooi voor het laatstgenoemde. De inzichten die Herzog eerder ontwikkelde in haar baanbrekende werk, Sex After Fascism, worden in The New Fascist Body toegepast op hedendaagse ontwikkelingen in de Europese en Amerikaanse politiek, die ze zoals velen bijzonder onheilspellend vindt. Hoewel het dus loont, dat eerdere werk te hebben gelezen als men de subtielere punten van de analyse beter wil begrijpen, hoeft dat gelukkig niet per se. Net als in de in thematisch opzicht verwante lezing die in 1967 werd gehouden door Theodor Adorno aan de Universiteit van Wenen (waarin uitvoerig werd terugverwezen naar rigoureuzer psychometrisch werk) over het toen ontluikende ‘nieuwe rechts-radicalisme’, wordt in het werkje van Herzog al het belangrijkste uit het eerdere, meer theoretische werk behulpzaam samengevat, zodat ook nieuwe lezers gemakkelijk mee kunnen.
Van primair belang voor Herzog is een inzicht dat eerder misschien wel het helderst door Herbert Marcuse werd geformuleerd in de jaren 1940, namelijk, dat het fascisme (en meer bepaald, het nationaalsocialisme) nooit zonder meer ‘restauratief’ was qua intentie, maar eerder plezier beleefde aan, en actief inzette op, grensoverschrijdend gedrag, waarbij ‘de vrijheid of licentie geïmpliceerd in [de] afschaffing [van bepaalde fundamentele sociale taboes]’ er net, paradoxalerwijs, voor zorgde dat ‘de gelijkschakeling van individuen binnen het nationaalsocialistische systeem’ werd geïntensiveerd. In vergelijking met andere leden van de Frankfurter Schule, had Marcuse een erg verfijnde kijk op de politieke en socio-economische samenstelling van het fascistische samenlevingsmodel, dat hij begreep als een radicale, systematische vereffening van de maatschappij. De nazistische samenleving was gericht op de afschaffing van ‘enig onderscheid tussen staat en maatschappij’; er heerste een permanent geïnstalleerde anarchie of vormeloosheid, een ‘non-staat’, waarbij de massa’s rechtstreeks werden gecontroleerd ‘door de heersende sociale groeperingen’, mede door ‘de meest brutale en zelfzuchtige instincten’ in elk individu aan te wakkeren. Heel terecht zag Marcuse (net als Hannah Arendt) geen tegenstelling tussen de ‘voltooiing van het competitieve individualisme’ dat onder de nazi’s hoogtij vierde en het feit dat net binnen dit volstrekt geïndividualiseerde, geatomiseerde milieu, massavorming op ongeziene schaal überhaupt mogelijk werd. Tegen deze achtergrond moet ook de ontketening van de libidineuze driften worden gesitueerd, die immers diende om de verbintenis tussen individuele sociale atomen en het totalitaire systeem verder te intensiveren.
Wat Marcuse later zou aanduiden met de paradoxale, neo-Freudiaanse term, ‘repressieve desublimatie’ – een concept waarmee hij overigens ook de laksheid associeerde omtrent seksuele verhoudingen binnen de ‘technologisch-industriële samenleving’ als zodanig, waarbij ‘transcenderende elementen in de “hogere cultuur”’ werden ingeruild voor een veralgemeend ‘profijtelijk conformisme’, ook op erotisch vlak – moet volgens Herzog centraal staan wat betreft ons begrip van ‘hedendaagse fascismen’. Twee fenomenen krijgen bijzondere aandacht: eerst en vooral het voornoemde ‘opwindende’ racisme en daarnaast ook de obsessieve focus die we zien bij rechts-radicale partijen omtrent indicatoren gerelateerd aan economische competitiviteit (e.g., IQ-scores, aantrekkelijkheid, fysieke superioriteit, etc.), die gepaard gaat met een gechargeerde fobische houding ten overstaan van zowat alle tekenen van zwakte en kwetsbaarheid (i.e., mentale en fysieke beperkingen). Spraakmakende voorbeelden die door Herzog worden aangehaald zijn onder meer het nogal bevreemdende ‘sexual danger-mongering’ van de Duitse AfD-partij (waarbij anti-immigratie-standpunten op lugubere wijze worden geërotiseerd) alsook de hyperbolische taal, behept met hypochondrische connotaties, van diezelfde partij met betrekking tot kinderen met beperkingen. De algemene aura van carnavalesk leedvermaak die voortkomt uit het Trump-regime verdient uiteraard ook een eervolle vermelding.
Niettegenstaande de inzichtvolle parallellen die worden getrokken tussen hedendaagse gedragingen en de grimmige, competitie-gedreven, moedwillig grensoverschrijdende, eugenetische praktijken (kortom, het Spartaanse karakter) van de nationaalsocialisten, blijft het werk voornamelijk fragmentarisch, impressionistisch. Dit hoeft op zich geen zwakte te zijn: in het bestek van een enkele leessessie krijgt de lezer al een overtuigende indruk van de jammerlijke revival van dynamieken waarvan velen tevergeefs hoopten dat ze op de ‘vuilnisbelt van de geschiedenis’ waren terechtgekomen. Het gaat daarbij meer om een genuanceerde schets van de symptomatica dan om een grondige diagnosestelling, laat staan een etiologie. Herzog levert voornamelijk bewijs voor een ‘affectief’ (of, zeg maar: een ‘cultureel’) fascisme, een ‘edgy’, taboedoorbrekend discours dat inmiddels ‘viraal’ is gegaan. Het is echter helemaal niet duidelijk of we vandaag de dag, in het bijzonder in een land zoals de Verenigde Staten, met dezelfde politieke organisatie te maken hebben als destijds in Duitsland van kracht was. Dat we ook in het ongewisse worden gelaten wat betreft de precieze ontstaansredenen van de terugkeer van fascistische tendensen is wat mij betreft jammer, maar kan op zich geen verwijt zijn. De bedoeling van Herzog is slechts om een beeld te schetsen van enkele treffende gelijkenissen tussen de ‘libidinally charged messaging’ van weleer en de hedendaagse, postmoderne (want bewust ironiserend en gekenmerkt door zeer lichtzinnige omgang met ‘de waarheid’) manifestaties ervan, en daarin slaagt ze probleemloos.
Al bij al lijkt het werk van Herzog, inclusief het meest recente, een idee te ondersteunen dat ons al vertrouwd is uit eerder werk van Adorno, dat hij samen zijn collega Max Horkheimer pende, namelijk dat de boze geest van de Markies de Sade nog steeds rondwaart in ons collectieve bewustzijn. Ofschoon het inderdaad niet duidelijk is of we werkelijk fascistische staatsontwikkelingen tegemoet gaan, blijft de sadistische ingesteldheid die zich met zo’n ontwikkeling verwant voelt, en die men volgens Herzog ook bij de hedendaagse jeugd probeert in te prenten, in zeker opzicht springlevend. Marcuse wist in zijn eerdergenoemde analyse het grauwe, pragmatische, haast mechanische materialisme van de fascisten te benadrukken (waaruit onder andere de opvatting voortvloeide dat de staat als een allesverslindende bureaucratische machine dient te functioneren). Een dergelijk mechanisch, ‘naturalistisch’ wereldbeeld stond eveneens centraal bij de Markies de Sade, die immers veel inspiratie putte uit het werk van Julien Offray de La Mettrie, de auteur van L’homme machine, en ons bovendien een van de vroegste beschrijvingen gaf van een totalitaire, neo-Spartaanse ‘republiek’ waarin voortdurende revolte, criminaliteit en immorele subversiviteit tot norm werden verheven. Zoals Marcuse stelde, deden de nationaalsocialisten geregeld beroep op ‘het recht van de “natuur”, de gezonde en belasterde driften van de mens…’, en dit op een zeer gelijkaardige manier als Sade, die ook steeds aandrong dat men zich ‘in harmonie met de heiligste bewegingen van de [ontheiligde] natuur’ diende te plaatsen. In The New Fascist Body weet Herzog behendig en zonder al te veel overdrijven de (weliswaar nog onvolledige) heropleving van net deze, vaak onderbelichte facetten van de totalitaire ‘verleiding’ (behorende tot de zogenaamde ‘revolte van de natuur’) in kaart te brengen. Men wordt er wellicht niet vrolijker van, maar misschien wel een tikkeltje wijzer.
Dagmar Herzog, The New Fascist Body, Wirklichkeit Books, Berlijn, 2025, 100 blz., ISBN 9783948200206, € 18,00