Gedurende de laatste decennia heeft de wereld een dramatische verandering ondergaan in de verdeling van economische activiteiten tussen de verschillende landen, en minder dramatisch, in de verdeling van politieke macht. Door de opkomst van Azië, en China in het bijzonder, is het centrum van economische groei verschoven naar Oost- en Zuid-Azië. Ten laatste in 2015 heeft het Bruto Nationaal Product van China, volgens de maatstaven voor economische ontwikkeling van de Wereldbank (de versie van oktober 2025) en gemeten in dollars in gelijkwaardige koopkracht, het Bruto Nationaal Product van de Verenigde Staten ingehaald. Tegenwoordig vervaardigt China 20% van de productie van goederen en diensten wereldwijd, en de Verenigde Staten 15%. (Overigens is dit het hoogste cijfer voor de twee leidende economieën sinds de vroege jaren 1950, toen de gegevens voor het eerst door het IMF en de Wereldbank werden verzameld.) Vergelijkbare verschuivingen – opnieuw berekend door dezelfde gegevens te gebruiken – deden zich voor in het geval van andere Aziatische economieën. Rond het midden van de jaren 1980 vervaardigden zowel het Verenigd Koninkrijk als India ongeveer 3% van de productie wereldwijd. Tegenwoordig is het aandeel van India 8%, dat van het Verenigd Koninkrijk 2%. Het aandeel van Indonesië en Nederland verschoof van ongeveer evenveel rond 1980 (1,2% van de productie wereldwijd) naar meer dan drie keer zo hoog voor Indonesië tegenwoordig.
De drie meest dichtbevolkte Aziatische landen (India, China en Indonesië) omvatten ongeveer 3,1 miljard mensen of bijna 40% van de wereldbevolking. Hun gezamenlijke aandeel in de productie in de wereld is 30%. Hun totale export bedraagt $ 4,6 biljoen (volgens de wisselkoersen op de markt) van $ 25 biljoen wereldexport, dat is 19%. Maar deze drie landen hebben minder dan 10% van de stemrechten in het IMF, waar de laatste herverdeling van de stemmen plaatsvond in 2008. Wanneer we andere grote Aziatische landen zoals Pakistan, Bangladesh en Vietnam meetellen, is de wanverhouding tussen het economisch belang van Azië en zijn vertegenwoordiging op het niveau van multilaterale economische organisaties gapend groot. Dit is niets nieuws: er wordt al jaren over gesproken, met enig, zij het heel bescheiden succes.
Op een bepaald vlak doet het aandeel van de stemmen in de Wereldbank en het IMF er niet zo veel toe. Wat ertoe doet is het hebben van de macht om iets te blokkeren, hetgeen 15% van de stemmen vergt, en die macht heeft momenteel alleen de Verenigde Staten. Herschikking van het aandeel in de stemmen van het IMF volgens de werkelijke economische macht zou dat veto van de Verenigde Staten waarschijnlijk verloren doen gaan, en misschien nog belangrijker, het gemakkelijker maken voor een coalitie van landen uit the Global South om samen zo’n veto uit te oefenen.
Maar een belangrijkere kwestie is de beslissing de bestaande internationale economische organisaties fundamenteel te hervormen, dan wel nieuwe te scheppen die een betere afspiegeling zijn van de huidige economische macht en van economisch beleid dat succesvol is gebleken. Het laatste is niet alleen een zaak van stemrecht; het is een kwestie van soft power in economisch denken.
China en de BRICS-landen hebben enkele eerste stappen gezet in de richting van het scheppen van nieuwe instellingen, te weten de oprichting van de Nieuwe Ontwikkelingsbank (door alle BRICS-landen) en de Aziatische infrastructuur investeringsbank. Maar beide zijn nog in de eerste beginfase, met weinig wereldwijde weerklank. Het ontbreekt China en the Global South aan ervaring in het scheppen van dergelijke instellingen. Zoals het boek van Mark Mazower, Governing the World, laat zien, zijn alle internationale instellingen, vanaf de Postale Unie gevestigd in de tweede helft van de negentiende eeuw tot de Internationale Arbeidersorganisatie (International Labor Organization, ILO) opgericht na de Eerste Wereldoorlog en de Wereldbank en het IMF in 1944, opgericht door Westerse grootmachten. Tijdens het congres van Bretton Woods in 1944 berustte de macht om beslissingen te nemen, ondanks de nominale deelname van veel landen bijvoorbeeld Egypte, Irak en India (onder daadwerkelijke of formele Britse heerschappij) en China (vertegenwoordigd door een regering die maar over een deel van het land heerste), uitsluitend bij de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De vraag waarvoor de BRICS-landen nu staan is hoe de kunst van het vormgeven van internationale organisaties te ‘leren’, op zo’n manier dat zij de nieuwe economische en politieke werkelijkheden erkennen en tegelijkertijd voldoende stem geven aan zowel de Westerse macht, waarvan de rol niet dezelfde is als tachtig jaar geleden, als aan vele kleinere landen. Bijzonder belangrijk is een beter inbegrip en grotere stem voor Afrikaanse landen die, als het om de bevolking gaat, het enige groeiende werelddeel vormen.
Er is nog een taak, die de belangrijkste is voor China. Het opnieuw ordenen van de economische macht wereldwijd houdt ook de erkenning in dat gedurende de laatste halve eeuw Aziatische landen economisch het meest succesvol waren. De vraag is hoe de kennis over te dragen van wat werkt bij economische ontwikkeling aan landen die armer zijn en wat betreft inkomen per hoofd van de bevolking ver achter liggen op China. De weg van China naar een land met hogere middeninkomens is in veel opzichten bijzonder geweest, en een weerspiegeling van bijzondere binnenlandse omstandigheden: van het vermogen tot het decentraliseren van de besluitvorming en zo na te gaan wat in de praktijk werkt, tot de belangrijke rol die de staat in sommige sectoren speelt, tot het vermogen belangrijke economische beslissingen door te voeren door een sterke uitvoerende macht of een alomvattende anti-corruptie campagne uit te voeren. Dit zijn geen eigenschappen die elders gemakkelijk kunnen worden nagevolgd. Het is belangrijk uit te filteren wat de eigenschappen van het Chinese economische beleid zijn die elders kunnen worden toegepast, en waar zij hopelijk vergelijkbare resultaten wat betreft economische groei kunnen voortbrengen.
Dit is geen gemakkelijke taak. Het vraagt niet alleen na te gaan wat de belangrijkste drijvende krachten van de groei van China zijn, maar ook die te selecteren die het meest algemeen van aard zijn. Ondanks veel versimpelende en overdreven beweringen op grond van de Washington-consensus zijn de voorschriften ervan helder en zo algemeen (en abstract) dat zij evenzeer kunnen worden toegepast in een land zo arm als Mali als in een land zo rijk als Zuid-Korea. Een onredelijke nadruk op sommige beginselen (het privatiseren van de meeste activiteiten daarbij inbegrepen die met belangrijke uitbestedingen en monopolistische macht, ofwel het uitsluiten van controle op kapitaal) was een nadeel van de Washington-consensus, maar het algemene karakter ervan was voordelig. Het is noodzakelijk voor China en de economen die de Chinese ontwikkeling bestuderen, een lijst naar voren te brengen met vergelijkbare economische desiderata die veel beter dan de Washington-consensus weergeven wat werkt in de eenentwintigste eeuw, de Washington-consensus werd immers oorspronkelijk opgesteld in de jaren 1980 als reactie op de betalingscrisis in Latijns Amerika.
- Dit artikel werd, met kleine redactionele wijzigingen, gepubliceerd in China Daily, op 10 december 2025.
(Vertaling: Herman Simissen)
Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 10 december
- op https://branko2f7.substack.com/p/how-to-frame-an-economic-blueprint en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.