‘Wealth as mr Hobbes says, is power’[1] (1775)
Men hoeft geen wakkere burger zijn om te beseffen dat we terecht zijn gekomen in turbulente tijden waarin iedere zichzelf respecterende columnist, schrijver, of politieke analist zijn licht laat schijnen op de onwaarschijnlijke maatschappelijke en geopolitieke veranderingen. Trump, als zelfverklaarde leider van de wereld, is er de emanatie van maar geenszins de oorzaak, althans niet volgens enkele recente opmerkelijke boeken en websites die graven naar de wortels van de maatschappelijke verschuivingen.
In 2023 verscheen Defensive Nationalism: Explaining the Rise of Populism and Fascism[2] van Beth Rabinowitz. Zij laat zien hoe de periode van 1860 tot 1910 werd gekenmerkt door de eerste globalisatiegolf van technologische vooruitgang en liberalisatie, die paradoxaal genoeg een tegenbeweging in gang zette die uitmondde in de twee wereldoorlogen. Dit vertoont veel parallellen met de periode van 1970-2020, waarin de digitale revolutie, de tweede globaliseringsgolf en de wereldwijde liberalisatie en deregulatie ook leidden tot nieuwe polarisatie binnen en tussen landen. Die historische vergelijking tussen twee periodes – waarvan we weten hoe de eerste periode uitliep op de Eerste Wereldoorlog, fascisme en de Tweede Wereldoorlog – roept veel vragen op. De auteur is zich bewust dat de geschiedenis zich misschien wel herhaalt, maar nooit op dezelfde manier. Dat neemt niet weg dat de angst voor een mogelijke wereldwijde verschuiving naar meer en meer autocratieën hetgeen weer zal ontaarden in apocalyptisch geweld, er goed in zit. Zou het kunnen dat in één van de grootste democratieën de democratie op de schop gaat en een autocratische staat wordt waar geld en machtsmisbruik uitmonden in meer geweld?
In deze bijdrage beperken we ons voor de beantwoording van deze vragen tot het bespreken van het werk van twee eminente economen, Nobelprijswinnaar Paul Krugman en Branko Milanovic. De eerste benadert het nieuwe tijdsgewricht door scherp in te gaan op de actualiteit in de Verenigde Staten, de tweede beziet het met veel historische afstand.
Branko Milanovic en een dosis Krugman over de nieuwe wereld (wan)orde
‘De rijkdom van de samenleving waar de kapitalistische productie heerst, verschijnt als een nooit geziene verzameling van koopwaren…’ is de eerste, wat raadselachtige zin van Marx in Het Kapitaal (1867).[3] Dan volgen vijftig bladzijden waarvan zelfs een filosoof een punthoofd zou krijgen, over wat precies dat elementair deeltje is waaruit koopwaar en kapitalisme bestaan Men moet dan een paar honderd bladzijden wachten, voordat wordt ingegaan op concrete voorbeelden van wantoestanden als kinderarbeid, werkloosheid en armoede die een groot gedeelte van de werkende bevolking teisterden in de negentiende eeuw.
In het juist verschenen boek van Branko Milanovic, The Great Global Transformation,[4] waarin Marx nauwelijks voorkomt maar wel een belangrijke bron van inzicht is, doet de auteur net het omgekeerde. Hij begint aan de hand van concreet onderzoek en het bijeenbrengen en verwerken van miljoenen data, om te laten zien waar de fundamentele verschuiving in de machtsverhoudingen in de wereld vandaan komt. In de laatste bladzijden, als een soort van zuinig besluit, met de titel ‘nationalisme, hebzucht en eigendom’ krijgt zijn bijzondere werk een soort theoretisch orgelpunt, waarover later meer.
Eerst gaat het over de onderliggende oorzaken waarop de nieuwe wereldorde na 1945, gefundeerd op internationale afspraken en nieuwe instellingen, uitliep na de implosie van de Sovjet Unie, in het (naïeve) geloof in een uitdijende neoliberale orde. Deze zou wereldwijd materiële vooruitgang stimuleren, maar ook politieke vrijheid en democratie tot ongekende hoogten stuwen. Uit deze droom van Fukuyama, die dominant was eind twintigste, begin eenentwintigste eeuw, zijn we door de aanslagen op 9/11/2001, de bankencrisis in 2008, Trump, Poetin, Oekraine…brutaal ontwaakt. De onderliggende oorzaken waarop Milanovic wijst zijn onverwacht en komen in een eerste lang hoofdstuk aan bod. Vervolgens staat hij stil bij de vraag of toenemende economische vervlechting van de wereld leidt tot conflicten, dan wel de vrede stimuleert. Dan komt de vraag hoe die nieuwe wereldorde vorm krijgt; de ondertitel van het boek ‘National Market Liberalism in a Multipolar World’ is zijn antwoord en verdient dat we er bij stilstaan. De afstandelijke analyse van de verschuiving in macht naar nieuwe elites in de Verenigde Staten en China wordt gevolgd door een vergelijking van de verschillen in de kenmerken van die twee nieuwe elites, op basis van heel recent empirisch onderzoek. Hun drijfveren komen aan bod voordat het boek wordt afgesloten met de beloofde theoretische duiding.
De grote globale transformatie
Een van de eerste Nobelprijswinnaars voor economie (1974) was Gunnar Myrdal. Hij publiceerde in 1968 Asian Drama waarin hij Azië neerzette als het probleemcontinent van armoede en onderontwikkeling. Het kan verkeren… In vijftig jaar heeft Azië, met China op kop, een historisch record gevestigd. Nog nooit in de geschiedenis van de wereld is een land zich zo snel ontwikkeld van arm (ontwikkelings)land tot sterkste economie van de wereld. China verzevenvoudigde het inkomen per hoofd van de bevolking in veertig jaar. Het Verenigd Koninkrijk had er tweehonderd jaar voor nodig (blz.123).
De opkomst van Azië vertegenwoordigt de terugkeer naar de toestand van verdeling van economische macht van voor de Industriële Revolutie… het is daarom een even groot keerpunt als de Industriële Revolutie die mogelijk maakte dat Europa, op grond van zijn economische en militaire overwicht, grote delen van de wereld veroverde. Met de opkomst van China en Azië is dit tijdsgewricht afgesloten. (Branko Milanovic [hierna BM], blz.1)
Deze economische convergentie ofwel het verkleinen van de ongelijkheid tussen naties, illustreert Milanovic aan de hand van de evolutie van de inkomens wereldwijd. Een gigantisch empirisch onderzoek dat hij samen met de groep rond de Franse econoom Piketty maakt tot één van de internationale autoriteiten op het gebied van wereldwijde inkomens-en vermogensverdeling. De overvloed aan gegevens en grafieken die zijn punt ondersteunen, die een vijfde van het boek beslaan, kan de economische leek misschien afschrikken, maar de overige hoofdstukken zijn veel toegankelijker en schragen theoretisch en empirisch de nieuwe uitdagingen die de ‘Grote Globale Transformatie’ meebrengt.
Dat China en Azië een ongekende inhaalbeweging maken is natuurlijk bekend, maar dat dit de belangrijkste verandering en oorzaak zou zijn van de huidige turbulentie is verrassend en vraagt om meer duiding. Hoe verklaart deze fundamentele verschuiving de opkomst van populisme, de ruk naar nationalisme en opkomst van uiterst rechts of fundamentalisme in het Politieke Westen? ‘Politiek Westen’ is de naam die Milanovic geeft aan wat vroeger de ‘Eerste Wereld’ of ‘ontwikkelde landen’ werd genoemd, deze naam ligt in lijn wat nu het Globale Zuiden heet, vroeger ontwikkelingslanden. Een terminologische vernieuwing die geografisch krom is, maar politiek correcter dan de reductie van landen in economische termen van arm en rijk.
De herverdeling van inkomens en economische macht op wereldschaal heeft zowel geopolitieke gevolgen gehad, als gevolgen in de landen die betrokken zijn in de toenemende economische verstrengeling (globalisatie). In China en Azië is vooreerst de armoede door de toenemende welvaart grotendeels teruggedrongen. De ‘fabriek’ van de wereldproductie heeft vervolgens een gigantische middenklasse gecreëerd die gedijt in de nieuwe sectoren van export en technologische producten. Dit is ontegensprekelijk één van de sterkste bewijzen van de economische theorie dat grotere internationale economische vervlechting (globalisatie) leidt tot economische convergentie. Tegelijk ontstaat er binnen die naties grotere ongelijkheid door het opkomen van nieuwe elites die wat betreft rijkdom en invloed wedijveren met oudere machtscentra in hun land. De economische literatuur heeft veel minder oog voor de winnaars en verliezers van die convergentie.
De winnaars van de globalisatie (nieuwe middenklasse en elites in Azië) vinden gedeeltelijk hun tegenbeeld in het verlies van inkomen, sociale status en zelfrespect van werknemers in de oude industriële landen, die worden bedreigd door de buitenlandse concurrentie. De relatieve verarming van de middenklassen in het Politieke Westen staat in schril contrast met de scherpe toename van de rijkdom van nieuwe rijken, die naast hoge arbeidsinkomens steeds meer inkomen uit kapitaal halen. Een voorbeeld: Amazon en ASML (de sterke, in Nederland gevestigde producent van machines die AI-chips produceren) kondigden een herstructurering aan waardoor respectievelijk 14000 bureaubanen bij Amazon en 4500 kaderfuncties bij ASML moeten verdwijnen. Die herstructurering vindt niet plaats omdat er verlies wordt gemaakt, want beide firma’s boeken grote winsten (bij ASML een nettowinst van 9,6 miljard euro) maar omdat er minder moet worden vergaderd en de efficiëntie kan worden verhoogd, via AI technologie (De Standaard 29/1/26). Resultaat: minder inkomen uit arbeid en meer inkomen naar kapitaalbezitters. Een perfectie illustratie van de toename van ongelijkheid.
De asymmetrie in die veranderingen tussen de opkomende Aziatische landen en die in het Politieke Westen is volgens Milanovic verbonden met de politieke en sociale polarisatie in het Westen zelf. Immers, in China en Azië verbeteren de levensomstandigheden absoluut en relatief, de armoede vermindert er en een grote middenklasse profiteert van de snelle economische vooruitgang, de nieuwe elite wordt er gezien als onderdeel van het succes. In het Politieke Westen daarentegen, verliezen veel mensen hun relatief gunstige inkomenspositie, sociale status en zelfrespect terwijl de toenemende protserige rijkdom van de plutocraten als onderdeel van hun achteruitgang wordt gezien.
We zagen dat de convergentie van inkomens, door de succesvolle opkomst van Azië vooral verliezers heeft gemaakt in het Politieke Westen, en daar leidde tot sociale en politieke polarisatie. Maar een tegengestelde dynamiek, de zwakke economische groei in Afrika en andere landen in het Globale Zuiden, kan dezelfde gevolgen hebben voor het sociale weefsel in het Politieke Westen en het gevoel van verlies versterken. De blijvende inkomenskloof tussen rijke en arme landen, in een wereld waar communicatie en connectiviteit razendsnel evolueren, is de voornaamste dynamiek voor emigratie naar het Politieke Westen. In Europa vooral vanuit Afrika, in de Verenigde Staten uit Latijns-Amerika. Met verschillen in gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking (bijvoorbeeld tussen Congo en België van 1 tot 90) zal de migratiedruk uit het naburige continent met de grootste bevolkingsgroei ter wereld, waar de helft van de bevolking jonger is dan 20 jaar, niet afnemen. In de immigratielanden daarentegen, met een oorspronkelijke bevolking die relatief hoogopgeleid is en werk zoekt in de beter betaalde, uitdagende of beschermde sectoren, komt er een verhoogde vraag naar werkkrachten in sectoren die minder scholing en opleiding vereisen die worden verlaten door de autochtone bevolking of bevolkt met de verliezers van de ‘Grote Globale Transformatie’. Milanovic pleit al veel langer voor een concrete migratiepolitiek die realistischer, strenger en humaner is. Zoals de migratiepolitiek nu wordt gevoerd, met ofwel onzekere lange wachttijden tot erkenning ofwel onderduiken in de informele lagen van de samenleving als modus, neemt het migratieproces de vorm aan van een loterij. De alles-of-niets uitkomst van een erkenning met volledige directe toegang tot burgerrechten heeft weinig te maken met een gevoelde nood in het ontvangende land en creëert fricties vooral bij die lagen van de bevolking die de druk van migratie bij woningnood, bezuinigingen op sociale diensten enzovoort, het meest voelen.[5]
Ter illustratie. Vroeger was de wereld mijn dorp, nu is de wereld in mijn straat. Ik woon al een halve eeuw in één van de meest diverse en dichtstbevolkte buurten van onze middelgrote stad die zich soms kosmopolitische allures aanmeet, maar toch. Met zijn méér dan 150 nationaliteiten, waar meer dan de helft van de jongeren ouders heeft van wie Nederlands niet de moedertaal is, is deze stad geen uitzondering maar illustratief voor de transformatie die het Westen heeft ondergaan. Vijftig jaar terug was er al een Spaanse immigratie – eerst de politieke van voor de Tweede Wereldoorlog en dan de naoorlogse economische migratie uit Europa, gevolgd door een immigratie uit vooral Marokko en Turkije. In het begin waren de vrije beroepen zoals bakkers, slagers, winkeliers, loodgieters enzovoort, nog ‘oude Belgen’, nu zouden we zonder immigratie niet meer met het openbaar vervoer in het centrum raken, of zou onze aansluiting op internet, gas, elektriciteit en water veel langer op zich laten wachten… Zeker, er is ook verlies door een trage integratie in een overwegende moslimomgeving die ons vreemd is, maar ook vooral omdat de eigen stadscultuur meer anonimiteit meebrengt, minder persoonlijk is, terugvalt op de eigen netwerken die niet langer vorm krijgen door de buurt, religie of middenveld.
Hoe nu landen, regeringen en bevolkingen reageren op deze globale transformatie en dit gevoel van vervreemding hangt af van veel factoren en dynamieken: institutionele, nationale, internationale en lokale regulering; ideologische en politieke invloeden; geografische ligging en samenstelling van de bevolking… Zeker is dat landen heel verschillend op die grote transformatie reageren. De polarisatie in de landen waar verliezers van de globalisatie wonen kan extreem zijn, zoals we nu meemaken in de Verenigde Staten, of voorlopig gematigder zoals in veel Europese landen, maar overal met de mogelijkheid dat zij omslaat in een klimaat waar geweld door fundamentalisme, nationalisme en racisme leidt tot uitsluiting, conflict en fascisme. Een mogelijkheid, geen noodlot. Het einde van een wereldorde waarin het Politieke Westen onder de veiligheidsparaplu van de Verenigde Staten de kaarten schudde en verdeelde, dient zich aan. Onder invloed van de convergentie in economische macht die plaatsvond, evolueren we naar een wereldorde waar minstens twee grootmachten de dienst uitmaken. Moeten we daar angst voor hebben? We hebben gezien hoe die convergentie tot nu toe vooral het sociale weefsel in het Politieke Westen onder spanning en polarisatie heeft gebracht. De vraag is of dit gaat leiden tot conflict en verdeeldheid binnen de landen maar ook tussen de landen, denk maar aan de verdeel-en-heers politiek van Trump en Cy.
Milanovic onderzoekt die vraag, door eerst en vooral te kijken naar hoe er in het verleden is gedacht over de rol van economische vervlechting of internationale handel. Brengt die vrede dichterbij of is de globalisatie daarentegen een bron van conflict?
Le ‘doux commerce’ of imperialistische rivaliteit?
De opperste kunst van de oorlog is de vijand te verslaan zonder te vechten.
Sun Tzu (circa 500 v.C)
Bernard Mandeville, hield als één van de eersten, in The Fable of the Bees: private vices, public virtues (1714) een scherp pleidooi tegen de ontelbare belemmeringen op verkeer van personen, goederen en diensten ten tijde van het Ancien regime. Het leidde Montesquieu tot de beroemde uitspraak ‘waar de zeden zacht zijn, is de handel uitgebreid, en waar handel uitgebreid is zijn de zeden zacht’. Deze Verlichtingsgedachte van ‘le doux commerce’ in de zeventiende en achttiende eeuw werd het sterkst uitgewerkt door de Schotse verlichtingsdenkers David Hume en, vooral, Adam Smith.
Sindsdien is Smith op het schild gehesen als één van de grote grondleggers van de economische wetenschap. Maar zoals vaker voorkomt, hebben de epigonen van Smith een lezing van zijn werk gepopulariseerd die onrecht doet aan de complexiteit van zijn denken. Dit is ook gebeurd op het gebied van internationale handel, en de vraag is of internationale handel (globalisatie) nu leidt tot vrede dan wel een bron is van conflict. Milanovic wijdt er een heel hoofdstuk aan.
Volgens Adam Smith ligt het voordeel van internationale handel in het verlengde van het principe van de arbeids(ver)deling waarmee hij zijn Wealth of Nations (1775) begint. Een toename van de productiviteit volgt uit de specialisatie en opsplitsing van menselijke activiteiten. De markteconomie en de ruil vormen dan de menselijke instelling die de specialisatie toelaat en stimuleert. Het handelen tussen mensen beantwoordt bij Smith niet alleen aan het nastreven van eigenbelang, maar ook aan het inlevingsvermogen (‘sympathy‘) te weten wat de tegenpartij belangrijk vindt. Vandaar de idee dat ‘waar handel uitgebreid is, de zeden zacht zijn’. Zo ook internationaal: het principe van economische vervlechting en dus van veralgemeende wederzijdse afhankelijkheid brengt vrede. Deze grondidee ligt expliciet ten grondslag aan de oprichting van de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) en de EU. De oprichting van die (regionale) internationale instellingen heeft een convergentie in welvaart gebracht tussen de betrokken landen, maar evenzeer, gedurende meer dan zeventig jaar, oorlog tussen vroeger vijandelijke naties voorkomen en meer politieke vrijheid en respect voor mensenrechten gebracht. Dit blijft een te koesteren verworvenheid.
Bij uitbreiding geldt dit gedeeltelijk ook voor de huidige globalisatie. Zoals we zagen heeft die een beslissende verschuiving teweeg gebracht, en een convergentie van inkomen en welvaart op wereldniveau. De asymmetrie in de verdeling van de voor- en nadelen van die wereldwijde verschuiving – meer verliezers in het Politieke Westen tegenover globale verbetering in Azië –, had echter in de Westerse landen een polariserend effect en leidde internationaal tot een afbrokkeling van hegemonie. Omdat rijkdom macht betekent heeft het internationaal vooral de hegemonie van de Verenigde Staten ondermijnd en mede de ruk naar rechts populisme, met MAGA als uithangbord, opgeleverd.
Discussies over de idee van ‘doux commerce’, zowel dominant in de mainstream economie-opleiding als in het politieke bedrijf, doen er goed aan terug te gaan naar de oorspronkelijke bron. En die is veel genuanceerder. Smith was er zeker van overtuigd dat internationale handel de welvaart ten goede kwam en daardoor ook vrede kon bewerkstelligen en conflict vermijden, maar niet onder alle omstandigheden. Hij was vernietigend over de East India Company en vergelijkbare bedrijven, met hun monopolie op handel met Indië en hun gebruik van geweld. De modus operandi van Engeland (maar ook van Nederland en later België) in zijn koloniën was dat Chartermaatschappijen niet enkel een monopolie op internationale handel hadden maar ook zeer uitgebreide staatsbevoegdheden kregen, soms tot en met het ‘monopolie van het geweld’, de staatsfunctie bij uitstek.
Op het ogenblik dat Amerika werd ontdekt was de overmacht van de Europeanen zo groot dat ze, in deze afgelegen gebieden, straffeloos gelijk welk onrecht of geweld pleegden. Later, misschien, zullen deze naties sterker worden, of Europa zwakker, …en zullen de verschillende delen van de wereld erin slagen meer gelijkheid en macht te verwerven, en door wederzijdse schrik, eindelijk, het onrecht aangedaan, om te buigen in een soort wederzijds respect voor de rechten van de ander. (A. Smith 1775, geciteerd in BM blz. 59 m.v.)
Uit deze en andere paragrafen van Smith kan men een causaal verband afleiden tussen internationale economische vervlechting (globalisatie) en vrede of conflict. Economische interactie tussen landen leidt tot convergentie in inkomens en technologische kennis, maar dit vergt wel vergelijkbare militaire macht, en het is deze militaire macht die vrede bewaart uit wederzijdse schrik voor vernietiging. De Europese verovering en dominantie van de voorbije eeuwen was mogelijk door de economische en technologische voorsprong, maar economische interactie kan de kloof verkleinen en het is dan de wederzijdse schrik, wanneer naties een machtsbalans vinden, die de vrede mogelijk maakt.
In de mainstream van de economische wetenschap zijn dergelijke verbanden die Smith beschreef verdwenen, maar in de bredere sociale wetenschappen was er wel een hypothese die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog de band tussen economische interactie en conflict probeerde te duiden: de zogenaamde Hobson-Lenin-Luxemburg- of imperialisme-hypothese. Hobson ontwikkelde als journalist en econoom eerst de idee die wat later ook, vrij onafhankelijk van elkaar, door Lenin en Rosa Luxemburg werd gepubliceerd. Ze deelden de opvatting dat door de toenemende ongelijkheid in de leidende westerse naties de binnenlandse consumptie onvoldoende was om de toegenomen productie af te zetten. De dalende winstvoet die daaruit volgde, leidde tot een zoektocht naar goedkope grondstoffen en lagere lonen in andere landen. Buitenlandse investeringen in kolonies of afhankelijke derde landen leidden tot toenemende concurrentie tussen deze imperialistische naties, die tot de Eerste Wereldoorlog leidde – een hypothese die nooit echt empirisch is getoetst –. Interessant is deze hypothese vooral omdat ze het verband legt tussen binnenlandse moeilijkheden en interstatelijk geweld.
Een ander actueel voorbeeld van de wijze waarop binnenlandse keuzes in leidende naties buitenlandse spanningen veroorzaken is de economische macht van China, die is gebaseerd op zijn exportstrategie. De gestadige groei en dominantie in de exportmarkt heeft een wanverhouding gecreëerd waardoor China steeds meer exporteert dan importeert, en daardoor de grootste dollarreserves heeft verzameld buiten de Verenigde Staten. Daarmee kan China als het wil de waarde van de dollar sterk beïnvloeden. Er is dan ook meer druk in en buiten China om de koopkracht van de eigen bevolking verder te vergroten. Op het laatste Nationaal Volkscongres (maart 2026), is aangekondigd dat de exportstrategie verminderd zal worden voortgezet, maar tevens zal de koopkracht van de Chinese bevolking worden verhoogd als afzetmogelijkheid voor toenemende productie. Daardoor zou vanuit China minder dreiging uitgaan voor het Politieke Westen. Of deze koerswijziging van China, die anders is dan de Westerse rivaliteit voor de Eerste Wereldoorlog, zich zal doorzetten moeten we afwachten, maar zij getuigt zeker van het voornemen de rivaliteit tussen de VS en China niet op de spits te drijven. Het hoofdstuk over convergentie en conflict sluit Milanovic af met een toepassing van de theorie op de huidige machtsverhoudingen tussen de Verenigde Staten en China.
De nieuwe elites
Bij Piketty heette het nog dat de rijkste mensen en families hun rijkdom vooral hadden vergaard en beheerd door de overdracht van rijkdom tussen generaties via het erfrecht, en dat die rijkdom vooral bestond uit inkomsten uit kapitaal en weinig uit arbeid. Immers het ‘niet werken’ of werkloosheid werd in de Encyclopedie van Diderot en d’Alembert in 1751 nog gedefinieerd als ‘l’apanage des classes riches’, het voorrecht van de rijke klasse. Op basis van nieuw empirisch materiaal kijkt Milanovic naar de kenmerken en verschuivingen in de samenstelling van de elites van de tegenwoordig dominante landen, de Verenigde Staten en China. Sedert de digitale revolutie, nu zo’n vijftig jaar geleden, is er in beide landen een opmerkelijke maar verschillende verschuiving opgetreden in de samenstelling van de elites.
In de Verenigde Staten zorgde de combinatie van geërfde rijkdom en/of een opleiding aan de meest gereputeerde en duurste universiteiten voor het voortbestaan van de ongelijkheid. De toename van de ongelijkheid in de laatste vijftig jaar toont echter een verschuiving in de samenstelling van de elite. Steeds meer superrijken combineren een hoog arbeidsinkomen met hoge inkomsten uit kapitaal – denk aan de torenhoge lonen voor CEO’s en bonussen in de vorm van aandelen. Die nieuwe elite en tendens in het kapitalisme noemt Milanovic ‘Homoplautia’ wat zoveel betekent als rijk zijn omdat zowel uit arbeid als uit vermogen rijkdom wordt geaccumuleerd. De rijkste mensen combineren de hoogste inkomens uit arbeid met die uit kapitaal. De nieuwe elite die rijkdom combineert met meritocratie, is door zijn combinatie van inkomen uit kapitaal en arbeid immuun voor zowel schokken als het verlies van een baan. Voor hen valt de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal weg: ‘De enige ontwikkeling in het moderne kapitalisme die Marx zou hebben verwonderd’. (BM, blz.113).
Waarom vormt nu de toenemende concentratie van rijkdom in de VS een gevaar[6] voor de democratie?
Paul Krugman is op ‘substack’ één van de meest verbeten en sterkst gedocumenteerde criticasters van het regime van president Trump.[7] Hij stelt nog pertinenter dan Milanovic dat de concentratie van rijkdom aan de top in de VS een gevaar vormt voor de democratie. Vooreerst de toenemende concentratie van rijkdom: op basis van recent werk van Zucman, toont hij in de volgende grafiek de evolutie van het gewicht in rijkdom/vermogen van de top 0,00001 rijkste inwoners. Het gaat nu over 19 mensen (Musk, Bezos, Zuckerberg…) die twee procent van de totale rijkdom van de VS in handen hebben, tien keer meer dan veertig jaar geleden.

Op zich zou die concentratie van rijkdom geen probleem zijn, zolang die wordt aangewend om te investeren in nieuwe technologieën en het scheppen van banen, maar als die plutocraten (en mindere rijke goden) hun rijkdom meer en meer gebruiken om de verkiezingen te beïnvloeden via giften aan de campagnes van presidentskandidaten is er wel een probleem voor de democratie.
In 2010, dus lang voor Trump, heeft het Hooggerechtshof in de VS met een krappe meerderheid een wet (ruling) goedgekeurd, de zogenaamde ‘Citizens United’-wet, waardoor er geen beperking geldt voor donaties aan politieke partijen. De volgende tabel toont aan hoe dit voor plutocraten de weg heeft bereid om de politiek te beïnvloeden. Voeg daarbij het gegeven dat er sinds het aantreden van Trump de facto regels zijn die de president toestaan persoonlijke giften te aanvaarden, waardoor de invloed op de politiek nog directer en onverholen is. Uit de volgende grafiek blijkt vooreerst dat sinds 2010 de giften van de plutocraten aan de politieke partijen en de presidentscampagnes sterk toenemen. De er opvolgende grafiek (rechts) toont dat de giften vooral en steeds meer naar de Republikeinse Partij gaan, en het sterkst toenemen bij de campagne van Trump.


Er zijn drie redenen waarom de toenemende concentratie van rijkdom de democratie schaadt. Vooreerst toonde Mancur Olson al in 1965 aan, dat hoe kleiner en rijker de lobbygroep is, hoe hoger de ‘return’ was. Ten tweede, voor sommige vormen van beïnvloeding, zoals het opkopen van media, zijn enorme hoeveelheden geld nodig. Zo kocht Musk Twitter op voor 44 miljard dollar. Twintig jaar geleden was er nog niemand die zoveel bezat. Het doel van zo’n aankoop is niet enkel dat deze sociaalnetwerksite een bron van inkomsten is, maar vooral het verspreiden van zijn eigen denkbeelden. Een machtig instrument om zijn waarden van witte suprematie en xenofobie te promoten. Tenslotte bepalen de superrijken veel meer wie het hoogste ambt krijgt toegewezen en regels invoert die hun portemonnee en opvattingen huldigen.
Misschien is het dan ook correct om Trump meer te zien als uitvloeisel van de toenemende invloed en controle door de plutocraten, en minder als oorzaak van de afbraak van democratie.
Ook in China heeft ‘de grootse verschuiving in de wereld sinds de eerste Industriële Revolutie’ uiteraard haar sporen nagelaten in de samenstelling van de elite. Door het belang dat de Communistische Partij van China (CPC) sinds Deng Xiao Ping (vanaf 1979) hechtte aan economische groei, is de rol van ondernemers en kapitalisten in de openbare en privésector spectaculair toegenomen. Hoe rijk worden als belangrijkste streefdoel is gepromoot en in brede lagen van de bevolking verinnerlijkt, is boeiend geïllustreerd in de reportages van Ruben Terlou (VPRO). Natuurlijk, niet iedereen slaagt erin; hard werken, toeval, maar vooral netwerken, contacten en politieke invloed zijn factoren in het succes. Dat neemt niet weg dat, in tegenstelling tot de Industriële Revolutie in Europa, de armsten in China (het laagste inkomensdeciel) er het snelst op vooruitgaan (in relatieve termen), en dat ook alle andere inkomensdecielen profiteren van de algemene welvaartsstijging. De rijksten (het tiende deciel) kennen echter een snellere groei dan de middenklasse waardoor hun aandeel in de rijkdom van het land steeds toeneemt. De kenmerken van de meest ‘succesvolle’ rijken of de nieuwe elite komt het scherpst tot uiting in volgende grafiek (BM, blz. 130)

De grafiek illustreert vooral hoe de rijksten (de ‘owners’ of kapitalisten die deze naam niet mogen hebben) zijn geïnfiltreerd of gecoöpteerd in de hoogste rangen van de CPC (Communist Party of China) en gezien hun economische gewicht hebben ze een flinke vinger in de pap. De nieuwe rijken hebben in vijftig jaar niet enkel hun fortuin vergaard, maar ook hun plaats in het hoogste politiek orgaan van het land veroverd. Dit is vooral gebeurd onder de twee vorige presidenten, terwijl de machtsstrijd onder Xi Jinping juist gaat over het heroveren van de macht en de beslissingen in de CPC ten einde het gewicht van de nieuwe tycoons te temperen. Hun invloed zal groot blijven maar onder Xi wordt het politiek leiderschap van de CPC herbevestigd.
Hoe zou, volgens Milanovic, de wereldorde onder leiding van, en de machtsstrijd binnen en tussen, de elites er dan uitzien?
Het Nationale Markt Liberalisme
Het globale neoliberalisme met zijn internationale instellingen en rechtsregels; de steeds uitdijende macht van grote economische spelers die de nationale en binnenlandse manoeuvreerruimte beperken; de pretentie dat alle landen uiteindelijk de suprematie van democratie en universele mensenrechten zullen omarmen, hebben een stevige tegenwind doen ontstaan. In het Politieke Westen met de opkomst van populisme met Trump als roerganger, maar met vele voortrekkers en volgers van uiterst rechts elders. In China met Xi Jinping die de strijd aanbindt met de nieuwe politieke elite die de macht van de CPC uitholt. In Rusland met Poetin, die met de versterking van zijn inlichtingendienst de oligarchen probeert te onderwerpen en de grote droom van een machtig Russisch Rijk najaagt en daarbij honderdduizenden slachtoffers maakt.
De vraag is of deze uitdaging zal slagen. Het is belangrijk te beseffen wat deze uitdaging niet is. Het is geen poging om het mondiale neoliberalisme te vervangen door een ander mondiaal systeem dat voor iedereen zou gelden. De uitdagers zijn defensief. Hun doel is dat zij zelf een ander systeem mogen toepassen op binnenlands niveau en een stem hebben in internationale raden… en binnenlandse legitimiteit toestaan en met hen te onderhandelen in internationale aangelegenheden…. Het is daarom verkeerd te veronderstellen, zoals sommige commentatoren doen, dat de zogenoemde Autocracy Inc. een doel heeft dat lijkt op het mondiale neoliberalisme, namelijk zijn heerschappij over de hele wereld uitbreiden. De nieuwe regimes zijn niet sterk genoeg om dat te doen, en bovendien wordt elke poging tot internationalisering al snel teruggeslagen en eindigt in een botsing tussen twee of meerdere dergelijke autocratische of illiberale regimes (de doos van pandora die door Trump en Netanyahu met hun aanval op Iran, is geopend, is daarvan een perfecte illustratie – noot van de auteur). Nationalistische regimes kunnen door hun eigen ‘constitutie’ of ideologieën niet effectief internationaal of mondiaal zijn. Maar zij kunnen wel delen van de wereld regeren, elk afzonderlijk en samen, als een rekenkundige optelsom — niets meer…
De poging om het mondiale neoliberalisme te ondermijnen kan uiteindelijk mislukken. De elites die door het neoliberale beleid van de afgelopen veertig jaar zijn gevormd, zijn sterk verankerd en genieten op veel terreinen intellectuele en culturele hegemonie. Zij kunnen niet gemakkelijk worden verwijderd. Zij zullen terugvechten. Wat het meest waarschijnlijk lijkt… is dat de contrarevolutie, zoals zo vaak in de geschiedenis, slechts gedeeltelijk succesvol zal zijn. De mondiale neoliberale hegemonie kan fataal worden verzwakt, maar de ideologische hegemonie van het neoliberalisme, vooral binnenlands in de economische sfeer, kan behouden blijven. Het internationalisme en de mondiale aanwezigheid ervan zullen verdwijnen, hoewel het zal worden omgevormd tot nationaal liberalisme dat op het eerste gezicht, wetend dat liberalisme altijd internationalistisch was, een innerlijke tegenstrijdigheid kan lijken. Maar vergelijkbare transformaties gebeurden ook met het socialisme; het internationale voorvoegsel werd vervangen door nationaal, en zo’n systeem, nationaal socialisme of socialisme in één land…
Los van het feit of Trump aan de macht is of niet, zal er lang na hem een aantal domeinen zijn die in directe tegenspraak zijn met de neoliberale orde zoals we die kenden (i) in plaats van globalisatie, zullen er handelsoorlogen en beschermde economische zones zijn (ii) in plaats van een economie die gescheiden is van de politiek, zullen er politiek gemotiveerde sancties zijn en door de staat gestuurde industriële politiek (iii) in plaats van de mogelijkheid tot internationale mobiliteit van mensen zullen er steeds meer muren en versperringen zijn (iv) in plaats van kosmopolitisme zullen openlijke nationalistische bewegingen in machtsposities zijn… (BM, blz. 145, 146, 156)
Deze samengebrachte excerpten uit de tekst schetsen het geraamte van de veranderingen die zich aftekenen in de nieuwe wereld(wan)orde. Niet direct iets om naar uit te kijken, maar het gaat de auteur niet om wat zou moeten maar om wat we kunnen verwachten. Dit geraamte wordt in het boek echter uitvoerig aangekleed met de actuele evoluties in Rusland-Oekraïne-Westen; tendensen in China en Azië maar ook de erfenis van Trump.
Zowel Milanovic als Krugman is een één-mans-aanvalslinie op het beleid van Trump en kan dat ongestoord blijven doen, maar beiden verwerpen het idee als zou het hier gaan om de eerste fases van fascisme. In The Economics of Faltering Fascism – Paul Krugman[8] toont Krugman aan dat fascisme van Hitler of Poetin slechts aan de macht kon komen en zich ontwikkelen in periodes van diepe crisis, terwijl voor Milanovic de machtsuitoefening van Trump in wezen geen systemische breuk met het verleden betekent. Wel heeft hij de ogen geopend voor de rek in de uitoefening van het presidentschap. Hij oefent het uit op basis van een halve eeuw praktijk in zakendoen.
Zijn persona onthulde de diepte van corruptie in het centrum van de politiek en commercie. Dit is een onvergeeflijke zonde. Zonden in het geheim bedreven kunnen over het hoofd worden gezien of geaccepteerd; ermee pronken niet.
Het hoofdstuk sluit af met de discussie of de wereld er anders uit zou hebben gezien als de drie leiders van de ‘contra-revolutie’ (Trump, Poetin, Xi) er niet zouden zijn (geweest). Zijn antwoord, na een beschrijving van de situaties en een filosofische discussie over ‘vrije wil’: ‘ik geloof dat het antwoord zou zijn, dat met uitzondering van enkele bescheiden aanpassingen, de beschreven historische processen weinig zouden veranderen’. (BM blz.192). Hiermee mogen de nieuwe keizers dan naakt staan en zelfs hun vijgenblad hebben verloren, maar wat doen we met zulke ontwapenende inzichten?
Nationalisme, Hebzucht en Eigendom
In een afsluitend theoretisch stuk, schrijft de auteur dat de drie eigenschappen de periode van het globale neoliberalisme (1970-2024?) definiëren en nog meer die van de nieuwe periode van het ‘Nationaal Marktliberalisme’, omdat de nationalistische component wereldwijd aan belang wint.
Genealogisch of causaal zou echter de versterking, in kwantiteit en diepte, van de eigendomsverhoudingen eerst en vooral bepalend zijn omdat de periode wordt gekenmerkt door ‘een nooit geziene’ toename van de productie en verdieping ervan omdat ze steeds meer domeinen van het menselijke leven onderwerpt aan de koopwarenlogica (vermarkting). Kwantitatief is de wereldproductie de voorbije twintig jaar verdubbeld en vooral geografisch uitgedijd. De verdieping van de vermarkting ligt vooral in de ontwikkeling van de nieuwe diensten, die een paar decennia geleden niet bestonden. Streamingdiensten, sociale media, online verkopen, … hebben vroegere domeinen van communicatie en wetenschappelijke ontdekkingen onderworpen aan de koopwarenlogica. Een exemplarisch voorbeeld is de uitvinding van het worldwideweb. Bedoeld als het wereldwijd en gratis verbinden van mensen en ideeën, is het sluipend omgebouwd tot koopwaar. In een eerste fase is het gekaapt door verleiding voor alle nieuwe toepassingen (app’s) waarvan ons mond open viel, om dan na een eerste periode van gratis ‘aha’-ervaringen, steeds plaats te maken voor betaalde toepassingen of te smoren in steeds meer verplichte advertenties. In tegenstelling tot goederen zijn diensten immateriële goederen, moeilijker om in eigendom te hebben, omdat diensten zoals een taxirit, een kappersbeurt… worden opgebruikt in de dienstverlening. Anderzijds hebben de nieuwe diensten (zoals tiktok, twitter-X, facebook, AI…) een enorme schaalvergroting in bereik. Het probleem is dan: hoe kan de vrije toegang – een beetje zoals vroeger de gemene gronden – worden vermeden en daarvan een betaalmodel gemaakt? De controle en het omheinen van die immateriële diensten om ze tot eigendom te maken, vragen enorm veel geld – denk aan de verkoop van Twitter of het satellietcommunicatiesysteem van Musk .Ze versterken daardoor de invloed van de plutocraten en de ‘natuurlijke’ tendens in het kapitalisme tot concentratie van kapitaal. Dit alles heeft weinig met Trump te maken.
Het bestaan van meer dingen die in eigendom kunnen zijn, dat wil zeggen die dienen voor exclusief gebruik met uitsluiting van gebruik door anderen, leidt er toe dat individuen meer van die dingen willen hebben, en voedt hebzucht. Van onder anderen Jean Baudrillard hebben we geleerd dat de tekenwaarde (status) de nuttigheid of gebruikswaarde van het bezit (of verspilling) van koopwaar ver overstijgt; en van R. Girard dat niet de schaarste ons doet grijpen naar dingen, maar het willen hebben van wat als begerenswaardig wordt aangeduid door mensen die succes of geluk voorspiegelen. Of in de woorden van Milanovic: ‘Hebzucht is de motor van onze obsessie met eigendom omdat het ons de ‘waarde’ van het individu toont… hebzucht kent geen grens… Zonder hebzucht is er geen eindeloze productie. Productie is nodig om de hebzucht te voeden dat nooit bevredigd kan worden’ (BM, blz. 197).
Maar waar komt nationalisme vandaan? Van ‘hebzucht’ (greed), het is geboren uit de vrees dat als onze welvaart niet goed genoeg is beschermd, zij door anderen kan worden weggenomen; misschien kunnen ze ons bedriegen en het stelen. Men hoort het de MAGA-president zo zeggen. We moeten ons beschermen tegen de ‘ander’ (alien), en die ander kan in verschillende vormen komen; de Chinese of andere naties die te goedkoop produceren, de migrant die onze baan of sociale woning afpakt, andere naties die onze eigendomsrechten op immateriële dingen niet respecteren…
Tenslotte: inbreng en beperkingen
De inbreng in de discussie over het nieuwe tijdsgewricht door Milanovic is in verschillende opzichten opmerkelijk en origineel. In de meeste analyses zal men de economische opkomst van China (Azië) niet noemen als belangrijkste oorzaak van verschuiving sinds de Industriële Revolutie. Deze, in historische termen, razendsnelle convergentie van inkomens en productie gaat gepaard met tanende geopolitieke macht van het Politieke Westen en meer druk om de internationale verhoudingen te veranderen in een meer evenwichtige multipolaire wereld. De asymmetrie in gevolgen van die convergentie, met winnaars in brede lagen van de wereldbevolking, en vooral verliezers in de middenklasse van het Politieke Westen met toenemende ongelijkheid als gevolg, heeft daar een polarisatie in gang gezet. Immers de afstand in rijkdom en ontplooiingskansen tussen de kosmopolitische elites in vergelijking met de verliezers bij de convergentie en de ongelijkheid in het digitale tijdperk (± 1970-2020) is toegenomen. Daarenboven blijft echter de kloof tussen het Globale Zuiden en het Politieke Westen groot terwijl de communicatiemogelijkheden (transport, digitale revolutie…) immens toenemen. Daardoor blijft de aantrekkingskracht van emigratie naar het Politieke Westen aanhouden en die weegt sterker op de levensomstandigheden in de armere wijken en speelt de opkomst van uiterst rechts en populisme in de kaart. De manier waarop landen reageren op die convergentie tussen het Politieke Westen en Azië en op de blijvende kloof tussen het Globale Zuiden met het Westen varieert sterk van land tot land. Ieder land kent veel verschillen in bevolkingssamenstelling, geschiedenis, politieke evolutie… waardoor de mate van de polarisatie verschilt, maar de veralgemening van het fenomeen, opkomst van uiterst rechts, populisme en nationalisme, kleurt de nieuwe wereldorde.
De nieuwe elites bepalen met hun steeds toenemende rijkdom en invloed steeds meer de politieke agenda, niet andersom. Maar of de nieuwe autocratische neigingen zegevieren en ons fataal in nieuwe nationalistische avonturen en oorlogen zullen storten is volgens Milanovic onzeker, onder andere omdat die nieuwe invloedrijke elites tegengestelde belangen hebben. Nieuwe technologieën en de inherente drijfveer naar expansie van kapitalisme kunnen slechts beperkt worden gediend met nationale barrières en daarom is de toekomst van de nieuwe wereldorde onbestemd. Het doembeeld van wereldwijde clash tussen oude en nieuwe dominante machten (VS – China) ziet de auteur ook veel minder als bedreigend, door het nieuwe economische en militaire machtsevenwicht dat ontstaat.
Milanovic schrijft zich met zijn werk duidelijk in een traditie die ik de Marx-Braudel-Wallerstein lijn zou noemen. Het beeld dat men gebruikt om de historische temporaliteiten te beschrijven – gebaseerd op de inleiding van het werk van F. Braudel La Méditerranée et le Monde méditerranéen à l’Epoque de Philippe II (1966) – is dat van de zee. Daarbij is de onderstroom, bijna onzichtbaar maar fundamenteel, de ‘longue durée’ waarbij de temporaliteit quasi onveranderlijk is en de verandering zich bijna onzichtbaar voltrekt over verschillende eeuwen zoals bijvoorbeeld het ontstaan en de ontplooiing van het kapitalisme. De golven van de zee, zichtbaar voor het oog, staan voor de tijdsduur van enkele decennia, een mensenleven en is die van grote crises, demografische verschuivingen, koninkrijken, oorlogen en politieke regimes. Tenslotte is er het schuim op de golven bij de branding van de zee, de tijd van het nieuws, het evenement, snel voorbijgaand. Het is in de temporaliteit van de ‘golven’ dat het werk van Milanovic – De Grote Globale Transformatie – zich inschrijft. Het verklaart zijn afstandelijke schrijfstijl, gebaseerd op een levenswerk van opbouw van gegevens en empirie, geschraagd door zin voor geschiedenis en afstand. Daardoor verdwijnt het individu, het persoonlijke in de grote beweging van de zich voltrekkende geschiedenis en die houding schuurt soms dan ook. Trump, Netanyahu… als symptoom, jawel maar de verkiezingen hadden ook anders kunnen verlopen – Biden die eerder afstand deed van zijn macht, een kiessysteem dat proportionele vertegenwoordiging meer gewicht geeft, justitie die sneller werkte in Israël …. – en hadden wellicht het leven van duizenden mensen gespaard.
Die schurende lezing van het boek als zou de geschiedenis zich voltrekken buiten de actie en wil van het individu is niet de enig mogelijke. Tegenover de hebzucht of graaicultuur die Milanovic als belangrijkste drijfveer van het nieuwe tijdsgewricht duidt, stelt hij persoonlijke generositeit,[9] en tegenover de onmacht van het huidige tijdsgewricht, de kracht van een afstandelijke analyse die de waan van de dag en sensatie relativeert.
[1] A. Smith, The Wealth of Nations, 1775 (ed 1975, Dent & Sons, Londen), blz. 26
[2] B.S. Rabinowitz, Defensive nationalism: Explaining the Rise of Populism and Fascism in the 21st Century, Oxford University Press, Oxford etc, 2023.
[3] K. Marx, Das Kapital, Marx Engels Werke, Dietz Verlag, Berlin, Band 23, blz..49.
[4] B.Milanovic, The Great Global Transformation: National Market Liberalism in a Multipolar World, Penguin Random House, London, 2025.
[5] Zie https://streventijdschrift.be/over-globalisatie-ongelijkheid-migratie-en-rechtvaardigheid/.
[6] Op basis van <paulkrugman@substack.com> 18/2/2026 Billionaires Gone Wild
[7] The Economics of Faltering Fascism – Paul Krugman
[8] Idem.
[9] Hij brengt die in praktijk. Sedert enkele jaren kunnen we bij Streven Vrijplaats zonder vergoeding zijn teksten vertalen en publiceren, en bij publieke lezingen vraagt hij dikwijls geen honorarium.