Els Van Peborgh, Bernard Hubeau, Geert Van Eekert
Wat is een mens in opstand? Een mens die nee zegt. Maar ook al weigert hij,
hij geeft niet op: het is ook een mens die ja zegt, vanaf zijn eerste impuls.Albert Camus, De mens in opstand
April 1952. Hannah Arendt, die op dat moment net The Origins of Totalitarianism heeft uitgebracht, het boek dat haar intellectuele doorbraak betekende en haar wereldwijde bekendheid bezorgde, schrijft een kort briefje, gericht aan Albert Camus, Frans-Algerijnse theater- en romanschrijver, journalist en intellectueel. De Duits-Joodse filosofe, die sinds de Tweede Wereldoorlog als vluchteling in New York woont, laat Camus weten dat ze enkele weken in Parijs verblijft en hem heel graag wil ontmoeten. Ze vertelt dat ze zijn recent verschenen L’Homme révolté heeft gelezen en dat ze het boek erg waardeert. Camus gaat op haar uitnodiging in. Na hun ontmoeting in Parijs op 30 april 1952 schrijft Hannah Arendt – die het over het algemeen niet zo hoog op heeft met de Franse existentie-filosofie – aan haar man Heinrich Blücher dat Camus zonder twijfel de beste man is in Frankrijk. Een ernstig en absoluut eerlijk iemand, met belangrijke politieke inzichten, een echte Europese intellectueel – zo had Arendt Camus al eerder in brieven aan Karl Jaspers getypeerd. De door Arendt geuite appreciatie voor Camus als intellectueel en schrijver vormt een eerste indicatie van de affiniteit tussen beide denkers in een aantal cruciale thema’s en bekommernissen, ondanks hun uiteenlopende levensgeschiedenis en intellectuele achtergrond.
Albert Camus, in 1913 geboren in Algerije en opgegroeid in een familie van Franse kolonialen-landarbeiders, krijgt een beurs voor zijn literatuurstudies en studeert vervolgens filosofie in Algiers bij Jean Grenier, die een levenslange vriend zou worden. In de vooroorlogse jaren ontpopt Camus zich als een denker van de absurditeit. Die notie van absurditeit vindt zijn oorsprong in een persoonlijke crisiservaring. Op zeventienjarige leeftijd lijdt hij aan tuberculose en krijgt hij van een arts te horen dat hij weldra zal sterven. Dat gebeurt uiteindelijk niet, maar deze abrupte confrontatie met de mogelijkheid van de dood brengt hem tot een reflectie over de zinloosheid en absurditeit van het leven. De analyse vertrekt vanuit de bewuste zekerheid dat er in de dood geen enkele hoop meer is, dat er geen leven is na de dood. Maar de ervaring van het absurde ontstaat voor Camus ook juist uit het spanningsveld tussen een denkende en naar redelijkheid en betekenis verlangende mens aan de ene kant en aan de andere kant een wereld die onredelijk blijft en aan dat verlangen niet tegemoetkomt en op de vraag naar een ‘waarom’ geen antwoord geeft. Dit zorgt voor een radicale vreemdheid, een breuk tussen de mens en zijn eigen leven. Ook tegenover anderen, of zelfs tegenover zichzelf kan deze ervaring van vreemdheid ons volgens Camus plots, op heel alledaagse momenten, overvallen. Dit komt expliciet aan de orde in zijn roman L’Étranger. Maar van belang is voor Camus vooral welke consequenties hieraan verbonden moeten worden. In Le Mythe de Sisyphe maakt hij duidelijk dat het erop aankomt in de absurditeit te leren leven. Om niet meer te leven vanuit een hoger ideaal, maar juist betekenis te vinden in de gefragmenteerdheid, in de vele levenservaringen die niet meer bijeen kunnen worden gebracht.[1]
In het verlengde van de confrontatie met de onmenselijkheid en het onrecht van de Duitse bezetting komen ‘opstand’ en ‘solidariteit’ als thema’s nadrukkelijker op de voorgrond in Camus’ werk. De revolte is volgens hem het enige juiste antwoord op de absurditeit van de menselijke existentie. Maar dit verzet moet vanuit een solidariteit met de ander gebeuren. De betekenis van het mens-zijn ligt voor Camus in de gemeenschappelijke strijd tegen het absurde en ons onrechtvaardige lot. Want in zijn opstand tegen het absurde bevestigt de mens uiteindelijk de waarde van het leven. En indien het leven waarde heeft voor de mens, dan heeft het dat volgens Camus voor alle mensen. Om die reden pleit Camus ook voor een gematigde revolte, en niet voor een revolutie. Want op het moment dat revolte overgaat in revolutie, wordt ze al snel mateloos en slaat ze om in terreur en geweld.
Ook het denken van Hannah Arendt vertrekt vanuit een diepe crisiservaring, zij het dan vooral van politieke aard. Zij groeit op in het Oost-Pruisische Koningsbergen, studeert theologie en filosofie bij Romano Guardini, Rudolf Bultmann, Martin Heidegger en Edmund Husserl, en promoveert bij Karl Jaspers over het liefdesbegrip bij Augustinus. In 1933 vlucht ze als joodse voor het opkomende Nazisme naar Parijs, om in 1941 naar Amerika te emigreren. De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, de concentratie- en de vernietigingskampen, maar ook de collaboratie van haar leermeester Heidegger confronteren Arendt met de onmogelijkheid om de wereld waarin ze is terechtgekomen nog langer te verstaan in termen van de oude gangbare filosofische en morele concepten, de traditie en de common sense. Die crisiservaring heeft het denken van Arendt diepgaand gevormd. In The Origins of Totalitarianism gaat Arendt de denkende confrontatie aan met de duisternis waarin de totalitaire regimes van de eerste helft van de twintigste eeuw de wereld hebben gestort. In 1958 publiceert ze The Human Condition, haar filosofische hoofdwerk waarin ze afrekent met de traditie van het filosofische denken over politiek en geschiedenis, en een nieuwe eigenzinnig visie verdedigt op handelen, vrijheid en macht. Die visie doortrekt haar hele verdere oeuvre. Maar het thema ‘crisis’ blijft in dat oeuvre expliciet aanwezig. In Eichmann in Jerusalem en Responsibility and Judgment daagt ze het traditionele denken over het kwaad, schuld en verantwoordelijkheid uit. Als publieke denker zoekt ze de confrontatie op met de crisis die de Amerikaanse republiek meer en meer in haar greep heeft. De crisis van de autoriteit, de opvoeding en het onderwijs, de cultuur, de waarheid en de moderne technologie staan centraal in haar ‘oefeningen in politiek denken’ in Between Past and Future. En in het kielzog daarvan wikt en weegt ze de politieke betekenis van revolutie en revolte, burgerlijke ongehoorzaamheid, opstand en geweld. Eén constante treedt daarbij op de voorgrond: die van het eigenzinnige denken als verzet tegen gedachteloosheid, intellectuele armoede, ideologische verblinding, en bullshit.
Telkens wanneer in openbare kwesties het gezond verstand verzaakt of geen antwoorden meer biedt, hebben we met een crisis te maken, want het gezond verstand is eigenlijk de gemeenschapszin die onszelf en onze vijf zintuigen in een gemeenschappelijke wereld inpast en ons toelaat erin te bewegen. Het verdwijnen van het gezond verstand in onze tijd is het zekerste teken van de hedendaagse crisis. In elke crisis gaat een stuk wereld, iets wat ons allen gemeenschappelijk is, ten gronde. Het in gebreke blijven van de gemeenschapszin toont, als een wichelroede, waar zo een instorting gebeurd is. (Arendt in ‘De crisis van de opvoeding’).
Ook vandaag lijkt die crisiservaring alomtegenwoordig. Op zo’n manier dat het bijna een permanent onderdeel van ons leven en de actualiteit is geworden. In deze toestand van polycrisis gaat het om een aaneenschakeling van verschillende sluimerende, dreigende of uitbarstende crises die elkaar voortdurend beïnvloeden en versterken en die ons mens-zijn en onze plaats in de wereld voortdurend bedreigen. Denk aan de klimaatcrisis, de crisis van de democratie, de crisis in het onderwijs, de bankencrisis, de coronacrisis, de vluchtelingencrisis, de oorlogen en het geweld in Oekraïne, Soedan, het oude Palestina, het Midden-Oosten enzovoort. Daarmee is de ervaring van het absurde, van gefragmenteerd leven en ervaren en van vervreemding die Camus beschreef in onze tijd alleen maar sterker aanwezig. Sinds de draad van de traditie is gebroken, zoals Arendt stelt, lijken we in voortdurende onzekerheid te leven, geplaagd door de vraag hoe op elkaar inhakende hedendaagse politieke, economische, ecologische en technologische tendensen zich verder zullen ontwikkelen. Het gevolg is een tijdperk van over-analyse, waarbij elke ontwikkeling of verschuiving uitgebreid onderwerp wordt van gesprek en discussie, maar we tegelijk ons gezond verstand lijken te verliezen, tussen de bomen het bos niet meer zien, en verlamd dreigen te worden door een gevoel van machteloosheid.
Hoe kunnen Hannah Arendt en Albert Camus ons helpen om door die onzekere tijden te navigeren en denkend en handelend rechtop te blijven staan? Dat was de vraag die centraal stond op een colloquium dat door UCSIA, het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen, werd georganiseerd in het najaar van 2025 over Denken als verzet in tijden van crisis – Hannah Arendt en Albert Camus.[2] Arendt en Camus zijn allebei denkers die in het midden van hun tijdsgewricht stonden, die niet nalieten te reflecteren over actuele kwesties en in dialoog te gaan met de gebeurtenissen van hun tijd, waarbij ze ook de controverse niet schuwden. Maar ondanks de crisistijden waarin hun oeuvre vorm heeft gekregen zijn de conclusies met betrekking tot de menselijke conditie bij zowel Camus als Arendt voornamelijk positief en levensbevestigend. Hoewel de gruwelen van en na de Tweede Wereldoorlog, tot op vandaag, ons hoogst pessimistisch zouden kunnen stemmen over wat mensen vermogen, plaatst Arendt juist de nataliteit, het feit dat we als mensen steeds de vrijheid hebben om opnieuw te beginnen, als het menselijke vermogen bij uitstek op de voorgrond. Op gelijkaardige manier leest Camus in elk nee tegen onrecht een mens die in opstand komt, die ja zegt, ‘vanaf zijn eerste impuls’. Hoewel een gevoel van eenzaamheid, verlatenheid en vervreemding in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog de bovenhand dreigt te halen, kiezen Hannah Arendt en Albert Camus ervoor om de aandacht te blijven vestigen op de pluraliteit van het ‘wij’, het meervoud van de menselijke vrijheid, de rechtvaardigheid en de solidariteit. Hun denken is een vorm van verzet: een bewuste keuze om niet toe te geven aan machteloosheid, maar om samen te zoeken naar rechtvaardigheid en betekenis.
[1] Jozef Waanders, Absurditeit en revolte. Van eenzaamheid naar solidariteit in de filosofie van Albert Camus, Antwerpen/ ’s-Hertogenbosch, Gompel&Svacina, 2023, blz. 32-38.
[2] Het volledige programma is terug te vinden op https://www.ucsia.org/evenementen/denken-als-revolte-in-tijden-van-crisis/. Het organiserend comité bestond uit Erik De Bom (directeur UCSIA), Johanna Greiß (projectmedewerker UCSIA), Bernard Hubeau (emeritus hoogleraar rechtssociologie UAntwerpen), Barbara Segaert (projectmedewerker UCSIA) en Geert Van Eeckert (hoogleraar wijsbegeerte UAntwerpen).