‘Qui sait la guerre, sait le tout du genre humain’
Pierre-Joseph Proudhon
Laat me beginnen met een vaststelling die vandaag ruim wordt gedeeld: we leven in turbulente tijden. De Europese landen die tachtig jaar lang de illusie van eeuwige vrede koesterden beseffen, onder druk van de sterke mannen in Moskou en Washington, dat investeren in defensie geen overbodige luxe is. Voormalige pacifisten ontpoppen zich tot ijzervreters. Burgers wordt aangeraden overlevingspakketten samen te stellen. Andere brandhaarden wakkeren de angst aan: de tragische situatie in Gaza, de Chinese druk op Taiwan.
Is oorlog dan werkelijk een intrinsieke dimensie van het mens-zijn, vader en koning van alle dingen, zoals Heraclitus stelde? Volgens historicus Richard Overy, specialist van de twintigste eeuw, in het bijzonder van nazi-Duitsland en de Tweede Wereldoorlog, moeten we die vraag bevestigend beantwoorden. Dat is zeker zo voor de laatste 20.000 jaar, de periode waarvoor we over voldoende informatie beschikken, maar alles wijst erop dat Homo sapiens ook verder in de tijd een oorlogvoerend wezen was. In zijn laatste boek, Why War? brengt Overy een overzicht van de wetenschappelijke pogingen om het fenomeen te duiden. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen deterministische benaderingen die van de mens een speelbal maken van krachten die hem overstijgen – evolutionaire, psychologische en ecologische mechanismen – en verklaringen in termen van bewust menselijk gedrag: mensen voeren oorlog voor grondstoffen, om hun macht op te leggen, om veiligheidsredenen, of omdat ze in iets absoluuts geloven – een godsdienst of een ideologie. Om de analyse van Overy bondig samen te vatten: we kunnen niet anders dan oorlog voeren en bovendien kiezen we ervoor.
We kunnen niet anders
Ethologie of gedragsbiologie en antropologie maken een paradoxale vaststelling: we voeren oorlog omdat we sociale wezens zijn. Dat is al zo bij onze verre voorouders, de chimpansees. Ze hebben een sterk sociaal gevoel, beperken geweld binnen de eigen groep en zijn territoriaal: ze aanvaarden geen buitenstaanders, maar voeren zelf raids uit op het grondgebied van andere gemeenschappen. Zo ook bij de vroege mens die overleving en ontwikkeling van de eigen groep vooropstelt: ‘Parochial altruism’ noemen evolutionair biologen dit, solidariteit met wie dicht bij je staat en onverschilligheid of vijandigheid tegenover de ‘ander’. Oorlog is dan gerechtvaardigd wanneer voordelen voor de eigen groep de nadelen voor het individu – gewond raken of sneuvelen – overstijgen. In extreme vormen van nationalisme herkennen we dit fenomeen: het idee van de raszuiverheid dat de nazi’s aanhingen was een manier om de overleving en de dominantie van de eigen groep in de hand te werken.
Op psychologisch vlak kun je dat gedrag verklaren in termen van in-group en out-group. Wie niet tot de groep behoort wordt ontmenselijkt en heeft geen recht op empathie: hij of zij valt buiten onze morele wereld, belichaamt het kwade en hoeft dus niet met respect te worden behandeld, integendeel, hij roept wreedheid op. Vandaar oorlogsmisdaden, vandaar genocides. Daarbij komt dat oorlog voeren psychologische voordelen oplevert, in termen van prestige, roem en succes bij vrouwen. Mannen vinden plezier in de strijd. Ernst Jünger laat daarover in In Stahlgewittern, over zijn frontervaringen in de Grote Oorlog, geen twijfel bestaan: de verteller verbergt niet dat hij opgewonden raakt van de geur van lijken.
In 1901 muntte de Duitse zoöloog Friedrich Ratzel de term Lebensraum, die zou worden opgepikt door het nationaalsocialisme. Voor hem was de centrale factor in de evolutie niet de strijd om het bestaan, zoals Darwin stelde, maar de ‘Kampf um Raum’: elke groep is erop gebrand zijn plek te verdedigen en eventueel uit te breiden. Ecologische stress kan daarbij een rol spelen. We weten bijvoorbeeld dat het zuidwesten van de huidige Verenigde Staten tussen 900 en 1300 het toneel was van groot collectief geweld tussen jagers en sedentaire groepen als gevolg van een ernstige klimaatverandering. Toch blijft Richard Overy voorzichtig wanneer hij het heeft over de impact van klimaat op oorlog. Blijkbaar houden periodes van afkoeling een groter risico in op oorlog dan een opwarming, maar klimaatwijzigingen doen zich voor over zulke lange tijd – vaak honderden jaren – dat het moeilijk is ze aan te wijzen als enige factor in het ontstaan van oorlog.
We kiezen ervoor
Oorlogen ontstaan ook omdat we ze willen, bijvoorbeeld omdat we macht nastreven. Daarbij spelen sterke individuen een grote rol, in wat Richard Overy ‘hubristic power’ (blz. 240) noemt. Hij trekt interessante parallellen tussen Alexander de Grote, Napoleon en Adolf Hitler: alle drie waren afkomstig uit de marges van de landen die ze zouden veroveren, ze dachten dat ze voorbestemd waren om grootse dingen te verwezenlijken, ze ontketenden totale oorlogen die ze niet konden of wilden stoppen, ze maakten in korte tijd grote territoriale winst, maar hun rijken stortten in zodra ze van het toneel verdwenen. Alle drie, ten slotte, blijven het nageslacht fascineren: de boeken die over hen zijn geschreven zijn niet te tellen.
Geloof is een belangrijke motivator om oorlog te voeren. We trekken ten strijde omdat we menen de waarheid in pacht te hebben. Wie die niet deelt moet worden bestreden en eventueel uit de weg geruimd. Christendom en islam, ‘the two most bellicose of the world’s religions’ (blz. 194), stellen in hun heilige teksten dat doodslag verboden is, behalve als het in de naam van God gebeurt. Maar oorlog is geen exclusief kenmerk van het monotheïsme. Alle oudere culturen hadden oorlogsgoden: Thor, Mars, Huitzilopochtli en noem maar op. Ook in de moderne tijd speelt geloof een belangrijke rol, in de vorm van wat de Franse socioloog Raymond Aron ‘seculiere godsdiensten’ noemde: communisme, fascisme, nationaalsocialisme. En vergeten we niet dat ook democratieën er niet voor terugdeinzen massaal geweld in te zetten om ideologisch gelijk te halen: in 2006 verklaarde toenmalig president Bush dat God de Verenigde Staten had uitgekozen ‘to end tyranny in our world’ (blz. 224).
We voeren oorlog, ten slotte, omdat we ons bedreigd voelen en dus veiligheid nastreven: de argwaan en angst die de andere inboezemt brengt staten ertoe militaire operaties te starten. Dit soort ‘misperception realism’ is een universeel gegeven. Grenzen spelen hierbij een centrale rol: 73% van alle etnische conflicten tussen 1940 en 2000 gingen over territoriale afbakening. De Russische invasie van Oekraïne in 2022 bevestigt echter dat het streven naar een grotere veiligheid door het betwisten van grenzen kan leiden tot een grotere onveiligheid. Dit soort conflicten kan worden bijgelegd of bevroren door de creatie van bufferzones of door muren en forten, maar meestal zijn dit maar tijdelijke oplossingen: zelfs de Chinese Muur en de Romeinse ‘limes’ hielden geen stand tegen een verenigde vijand van buiten.
Empathie voor de vijand
Het boek van Overy is boeiende maar geen opbeurende lectuur. Het geeft een goed geïnformeerd inzicht in het fenomeen oorlog, maar laat de lezer enigszins wanhopend achter: zal de waanzin dan nooit ophouden? Het bittere antwoord is neen, want het probleem zit in ons. De neiging om de andere te ontmenselijken zit diep ingebakken in het mens-zijn. Toen ik jaren geleden onderzoek deed naar de literaire en cinematografische neerslag van de Eerste Wereldoorlog, stuitte ik op ‘wetenschappelijke’ artikelen uit die periode van de Franse arts Edgar Bérillon[1] die stelde dat Duitsers biologisch anders in elkaar zitten dan Fransen: hun darmen zouden drie meter langer zijn en hun uitwerpselen groter in volume. Dit verklaart, volgens de arts, de agressiviteit van het ‘Duitse ras’ en wijst op psychologische en morele inferioriteit.
Dat dit soort kletspraat in ernstige wetenschappelijke tijdschriften verscheen lijkt ons onbegrijpelijk, maar zijn we er vandaag werkelijk op vooruitgegaan? Zijn we vandaag in staat het standpunt van de andere te begrijpen, in bijvoorbeeld de Oekraïense kwestie? Europa verwijst terecht naar respect voor het internationaal recht – je valt geen soevereine staat binnen – maar zou het kunnen dat veel Russen, los van de druk die uitgaat van het regime, vanuit hún geschiedenis en achtergrond begrip kunnen opbrengen voor de inval in het buurland? De tragiek van de geschiedenis bestaat erin dat alle partijen beweren in naam van het goede te denken en te handelen. Maar als we eenmaal de ander opgesloten hebben in zijn radicaal anders zijn, kunnen we niet meer vatten wat in hem omgaat, treedt er angst in roepen we op tot herbewapening.
Empathie is het sleutelwoord. Waarom is het toch zo moeilijk zich in te leven in het standpunt van de andere? Tijdens het lezen van het boek van Richard Overy moest ik denken aan de boeiende documentaire The Fog of War (2003) van Errol Morris, het lange interview met Robert McNamara, de Amerikaanse minister van defensie tussen 1961 en 1968. Uit zijn uitgebreide ervaring onthoudt hij elf lessen, waarvan de eerste is: ‘Empathise with your enemy’. Hij verduidelijkt zijn stelling door te verwijzen naar de Cubacrisis in oktober 1962, toen de wereld op de rand van een kernoorlog stond. Volgens McNamara ontsnapten we aan het Armaggedon dankzij een voormalige Amerikaanse ambassadeur in Moskou, die Chroesjtsjov persoonlijk kende en ervanuit ging dat de Sovjetleider niet tot het uiterste zou gaan. President Kennedy volgde het advies van de man en ging dan ook niet in op de eis van de haviken in zijn regering om Cuba binnen te vallen en een kernoorlog te riskeren. De voormalige minister van defensie besluit: probeer je in de schoenen van de anderen te plaatsen en poog te achterhalen hoe hij jou ziet, om te begrijpen hoe hij tot zijn beslissingen komt.
Maar de elfde en laatste les van Robert McNamara is ontnuchterend: ‘I’m not so naive or simplistic to believe we can eliminate war. We’re not gonna change human nature any time soon’. Het rijke overzicht dat Richard Overy geeft van wetenschappelijke theorieën over het fenomeen oorlog kan die uitspraak alleen maar bevestigen. Oorlog heeft een lang verleden, maar ongetwijfeld ook een grote toekomst.
Richard Overy, Why War?, Penguin Books, London, 2025 (2024), 400 blz., ISBN: 978-0241567609,
€ 13,59
[1] Zie ‘La polychésie de la race allemande’, ‘La bromidrose fétide de la race allemande’, beide uit 1915 en ‘La psychologie de la race allemande’ uit 1917, alle drie te lezen op wikisource. https://fr.wikisource.org/wiki/Auteur:Edgar_Bérillon