Kosmopolitisme en concurrentie stuiten op hun wraakgodin
Wanneer men de neoliberale globalisering zoals opgevat door de Westerse elites van de vroege jaren 1980 tot de jaren 2020 zou moeten omschrijven zou men, in de meest beknopte vorm, kunnen zeggen dat zij werd aangedreven door twee ideeën: kosmopolitisme en concurrentie.
Kosmopolitisme was de neoliberale idee die teruggaat op de Colloques van Walter Lippmann in de jaren 1930 en op het vroege Mont Pelerin genootschap, zoals aardig beschreven in het boek Globalists. The End of Empire and the Birth of Neoliberalism van Quinn Slobodian. Kosmopolitisme hield analytisch gezien in dat ieder individu ter wereld even belangrijk is en evenzeer in staat rot economische verbetering, mits het stuit op de optimale economische omstandigheden, hetgeen betekent de veiligheid van economisch eigendom, vrijhandel, lage belastingen en ‘aanvaardbare rechtspleging’. Niet veel meer was, in de onsterfelijke woorden van Adam Smith, nodig voor de wens die alle mensen gemeen hebben om ‘hun eigen omstandigheden te verbeteren’, en voor de wereld om ongehoorde welvaartsniveaus te bereiken. Kosmopolitisme en internationalisme waren de politieke ideeën die een neoliberale wereld stutten waarin nationale regeringen als zodanig buiten beeld bleven en individuen de vrijheid lieten hun eigenbelang na te streven. Zo, idealiter, zou het een wereld van kleine of bijna onzichtbare regeringen zijn. In neoliberale terminologie zou het ‘imperium’, dat wil zeggen vlaggen, volksliederen, talen en andere parafernalia van de natie worden overgelaten aan politici (en aan de kiezers, als zij echt wilden stemmen), en de ware wereld van het ‘dominion’ zou de wereld zijn van vrij verkeer van goederen, kapitaal en techniek en – zelfs – van mensen.
Opdat kosmopolitisme wereldwijd rijkdom en welvaart kon scheppen, moest de wereld concurrentie kennen. Niet alleen moest mensen worden toegestaan met elkaar (of tegen elkaar) te wedijveren ongeacht bestaande nationale grenzen, maar zij moesten daartoe worden gestimuleerd door het tonen van alle goederen die de hunne konden zijn, zo goed als door de maatschappelijke goedkeuring waarop zij zouden mogen rekenen als zij die concurrentiestrijd wonnen.
De concurrentie leidde wereldwijd tot economische groei: tussen 1980 en 2020-2021 verdubbelde het gemiddelde Bruto Binnenlands Product per hoofd van de bevolking, van $ 7700 (gemeten in koopkrachtpariteit) ten tijde van de val van de Berlijnse Muur tot bijna $ 17 000 ten tijde van covid. Dit houdt een jaarlijkse wereldwijde gemiddelde groei van 2.1% in. (En dit ondanks de groei van de wereldbevolking van 4.4 miljard in 1980 naar 8 miljard). Het meer dan verdubbelen van de groei per hoofd, gecombineerd met bijna een verdubbeling van de wereldbevolking houdt in, dat de totale hoeveelheid aan productie van goederen en diensten verviervoudigde tijdens de periode van neoliberale globalisering.
Maar deze ‘anonieme’ economische groei, hoofdzakelijk verwezenlijkt door de hoge groeicijfers in Aziatische landen en met name China, was in de rijke landen niet goed voor de neoliberale zaak in eigen land. Wat politiek belangrijk was, was niet het groeicijfer van 2,5% wereldwijd, maar het feit dat in de Verenigde Staten en in de meeste rijke Westerse landen de meerderheid van de bevolking een werkelijke (gecorrigeerd voor de inflatie) groei van ongeveer 1% per jaar zag, terwijl het inkomen van de rijken twee of drie keer sneller groeide. Bovendien – zoals blijkt uit onderstaande grafiek, was het neoliberale tijdperk (vanaf het presidentschap van Ronald Reagan) niet enkel voordelig voor de rijken in de zin dat de inkomen van de rijken sneller stegen dan de inkomens van de middenklassen en de armen, maar het vertegenwoordigde ook vertraging in de groei over de hele linie in vergelijking met de voorafgaande periode. In feite was de groei overal in de Amerikaanse inkomensverdeling langzamer in de neoliberale tijd dan in de voorafgaande vijftien jaar, behalve aan de hoogste top.

De wereld leek, tenminste enige tijd, één te worden, niet verdeeld door de grenzen van landen, ras of gender, maar door de verschillen in menselijke kwaliteiten, vaardigheden en inzet. Idealiter was het (al werd dat ideaal nooit bereikt door de neoliberale globalisering) een wereld zonder grenzen, vol met intens concurrerende individuen, wier wil om te presteren werd gestimuleerd door de mogelijkheid te communiceren met welk deel van de wereld ook, en te weten wat mogelijke concurrenten zouden kunnen doen – en vervolgens te proberen hen te overtreffen.
Deze twee kenmerken – kosmopolitisme en concurrentie –, op zichzelf toch best aantrekkelijk, leidden echter tot het tenietdoen van de neoliberale globalisering.
Het kosmopolitisme botste op de nationale politieke grenzen. Buitensporige concurrentie schiep een wereld van hebzucht, immoraliteit en commercialisering van alle activiteiten, zelfs van die welke het meest privé waren. Zij dreigde, het meest wezenlijk, het gezin overbodig te maken.
De winnaars van de neoliberale globalisering in de rijke landen, geïnspireerd door juist dat kosmopolitisme dat zij als een deugd opvatten (want zij waren vrij van het giftige nationalisme) waren er niet alleen snel bij om de rijkdom van hun minder fortuinlijke landgenoten af te doen als niet belangrijker de rijkdom van een buitenlander of vreemdeling, maar ook om het falen van hun landgenoten in een dergelijke open concurrentiestrijd te zien als aanwijzing voor een of andere menselijke of morele tekortkoming. Economisch succes betekende deugdelijk zijn, of zoals Deng Xiaoping wiens opkomst vrijwel volledig samenviel met die van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, het stelde: ‘rijk zijn is schitterend’.
Maar het politieke systeem is opgezet binnen landen. De minder fortuinlijke landgenoten voelden zich vergeten en genegeerd. Zij waren wrokkig over de wijze waarop zij waren behandeld. Zij zagen de bereidheid, nee, de gretigheid van de rijken om te investeren in plaatsen ver weg als ongevoeligheid voor de binnenlandse werknemers. De belofte van nieuwe banen om de banen te vervangen die door goedkopere import of online werk verloren gingen, werd nauwelijks verwezenlijkt. Deze ontevredenheid leidde tot politieke turbulentie in de rijkste democratieën. De wereldwijde (of preciezer de Westerse) financiële crisis van 2007-2008 leidde ertoe dat dingen die intuïtief werden aangevoeld, en politiek nogal vaag, duidelijk en krachtig naar voren kwamen. De rijken maakten zich niet druk om degenen die achterbleven, en toen de rekening voor de crisis moest worden betaald verzekerden zij zich ervan dat die niet naar hen ging.
De ontevredenen die zich in vroeger tijden zouden aansluiten bij de gelederen van extreem linkse en extreem rechtse partijen, zoals zij deden tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930, hadden nu minder keuze. De linkse partijen waren ofwel in diskrediet geraakt door het mislukken van het ‘reëel bestaande socialisme’, of zij werden vanwege hun New Labour-beleid gezien als handlangers van de centrumrechtse partijen bij het bevorderen van het soort neoliberale globalisering dat de arbeiders- en middenklassen van het Westen zo ontgoochelde. Het hoogtepunt ban neoliberale globalisering werd inderdaad bereikt onder de in theorie linkse regeringen van Bill Clinton in de Verenigde Staten, Tony Blair in het Verenigd Koninkrijk en François Mitterrand in Frankrijk. De teleurgestelde massa’s keerden zich naar rechtse partijen die nationale solidariteit uitdroegen, het beëindigen van de gelijke behandeling van de binnenlandse bevolking en buitenlanders, het stoppen van immigratie en soms zelfs, gedragen door het enthousiasme van grote beloften, de terugkeer van banen door de nieuwe industrialisatie. In de internationale arena werd de neoliberale globalisering zo steeds meer vervangen door neo-mercantilisme dat gebruik maakte van economische dwang, het in beslag nemen van buitenlandse bezittingen, verboden op invoer, en nogal buitensporige handelstarieven om het vrije verkeer van goederen en diensten af te snijden of ten minste te beheersen. Het vrije verkeer van arbeiders kon nog eenvoudiger worden gestopt omdat de politieke populariteit ervan klein was, zelfs tijdens het hoogtepunt van neoliberale globalisering.
Dan het tweede aspect van de neoliberale ideeën: concurrentie over grenzen en tijdzones schiep – geholpen door technische ontwikkelingen – een wereld waarin eigen huizen, eigen auto’s en eigen huishoudelijke taken van koken tot zorg voor ouderen of kinderen, of voor huisdieren, werden ‘uitbesteed’ juist aan degenen die hun vaste banen hadden verloren en behoorden tot de groep van ontevredenen. De wens ‘schitterend’ te zijn, dat wil zeggen: rijk, wiste morele normen uit die samenlevingen en gezinnen bij elkaar hadden gehouden. De waargenomen immoraliteit bevorderde de opkomst van tegen het systeem gerichte rechtse partijen. Die groeiden niet alleen door de belofte van het terugbrengen van verloren gegane banen, maar ook op de belofte van het terugbrengen van het zelfrespect onder de ontevredenen en de terugkeer naar traditionele waarden – die overigens meer traditioneel dan werkelijk waren in de tijd waarin zij zouden zijn aangehangen.
Dezelfde eigenschappen die door het neoliberalisme werden verheerlijkt en die zijn succes enkele decennia verzekerden leidden, zoals in een Griekse tragedie, tot zijn onvermijdelijke ondergang, door binnenlandse politieke turbulentie en het loslaten van het kosmopolitisme ten faveure van beschermende barrières voor buitenlandse mensen en buitenlandse producten. Kortom, door zijn vervanging door een mercantilisme naar buiten, en, tot dusver, vergeefse pogingen terug te keren naar een meer traditionele wereld aan de binnenzijde.
(vertaling: Herman Simissen)
Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 29 april jl. op https://branko2f7.substack.com/p/how-the-virtues-of-neoliberal-globalization en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.
