Topambtenaren willen dat de Rijksoverheid zich terugtrekt van X, zo maakte de Volkskrant op 26 mei jongstleden bekend. Het platform wordt beschouwd als te bedreigend, te misleidend, te grof. Het dwingend advies van de topambtenaren valt heel goed te begrijpen. Aangetoond is dat algoritmische aanpassingen op dit platform hebben geleid tot een toename van desinformatie.[1]
Anderzijds moeten we ook realistisch zijn: voor politici vormt X een waardevolle mogelijkheid om een deel van de kiezers, dat zich niet zelden in de periferie begeeft, te kunnen lezen en bereiken. Met man en macht proberen ‘fatsoenlijke’ politici de taal van de woedende meute, die ook doorklinkt in ons parlement, te temperen. In 1997 werd het ‘Even dimmen’ van Jan Marijnissen nog als een gotspe gezien. Inmiddels is belediging en opruiing gemeengoed geworden in het parlement.
We mogen kwalificaties als ‘leugenaars’, ‘kartelleden’, ‘misdadigers’, ‘gekken’, ‘psychopaten’ niet normaliseren, klinkt het. Dat blijkt niet eenvoudig. Elke oproep om niet te polariseren en om nettere taal te bezigen, wordt geneutraliseerd door ons grondrecht van de vrijheid van meningsuiting. Iedere poging de taal te fatsoeneren werkt averechts voor diegenen die met het vingertje wijzen. Zo ondernam Sigrid Kaag een dergelijke poging met een opiniestuk (2021), maar moest deze daad bekopen met de kwalificatie ‘heks’, een benaming waar zij de rest van haar politieke leven niet meer van af is gekomen.
Ook de uitkomst van het fractievoorzittersdebat van 26 mei jongstleden over de ‘normalisering van geweld’ legt de verlegenheid bloot. Er heerste grote verontwaardiging over DNA-oprichter en lijsttrekker Gidi Markuszower toen hij sprak over ‘omvolking’ en opriep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen. Desondanks houden de coalitiepartijen de deur naar hem op een kier. Hij deed weliswaar boude uitspraken, maar hij verontschuldigde zich en trok dezelfde uitspraken ook weer (gedeeltelijk) in. Kennelijk bleek zijn behoefte om te shockeren ‘slechts’ voort te komen uit een communicatief patroon om de aandacht op zich gevestigd te krijgen.
De nette partijen roepen schande van deze onbehouwen omgangsvormen en dreigen de populisten de rug toe te keren. Daarmee los je het probleem niet op. Als men dieper kijkt, is het grove taalgebruik een ultieme poging om aandacht te krijgen, de boel op te schudden en de mensen te bereiken die door het formele taalgebruik uit Den Haag al waren afgehaakt. En heel eerlijk: de pers roept ach en wee, maar smult zelf ook van dit theater.
De taal van het bestuur is vaak abstract, procedureel, juridisch, technocratisch en heel voorzichtig. Als een minister zegt: ‘Er vindt een integrale afweging plaats binnen de budgettaire kaders’, dan hoort de burger alleen maar: ‘Er gebeurt dus niks’. In hun wanhoopspoging om de bestuurders te bereiken, gaan de ‘niet gehoorde’ burgers en politici harder en directer praten. Men spreekt over ‘verraad’ en ‘elites’. Over ‘corruptie’ en ‘afpakken’. De bestuurder trekt zich vervolgens nog verder terug in beleidstaal om het conflict te sussen, wat de afstand alleen maar verder vergroot.
Het doet sterk denken aan het Bijbelse verhaal van de Toren van Babel (Genesis 11:1-9). De mensheid probeert een toren tot in de hemel te bouwen. God straft deze hoogmoed en eenheid door spraakverwarring te creëren. De steenhouwers en de tichelbakkers – in de woorden van predikant en schrijver Nico ter Linden (1936-2018) – konden elkaar niet meer verstaan, waardoor de verdere bouw van de toren spaak liep.
Een soortgelijke fundamentele spraakverwarring zien we nu in onze maatschappij. Het zijn de verschillende talen, de levensoriëntaties zonder gedeelde grond, die onze samenleving naar de flanken drijft, het onderlinge begrip wegneemt, de samenwerking snoert en alle functionaliteit ondermijnt.
Hoe kunnen we deze taalkloof dichten? Wij begrijpen de reflex vanuit het keurige midden heel goed: de oproep tot zorgvuldige bewoordingen, fatsoen en begrip. Maar in plaats van te klagen dat de ‘toon wat zachter moet’, zou het veel effectiever zijn om niet vast te houden aan de juistheid van de eigen taal, maar om te zoeken naar gemeenschappelijke begrippen die wél worden begrepen.
Verwijzend naar de toren van Babel kun je zeggen dat de democratie haar waarde verliest als mensen elkaars woorden niet meer (willen of kunnen) begrijpen, en stemverheffingen de overhand krijgen. Het wordt tijd om in te grijpen. De klus die in onze samenleving te klaren heeft is helder: het systeem is van ons samen en mag niet vastlopen omdat iedereen alleen z’n eigen spel wil spelen (wat bij de bouw van de toren van Babel geschiedde). Daarbij ligt de verantwoordelijkheid om elkaar weer te vinden aan beide zijden.
Effectieve tegenmacht vergroot niet alleen de druk op de macht, maar bewerkstelligt ook een wederzijds verstaan. Niet door boosheid weg te poetsen, maar door maatschappelijke signalen te vertalen naar een taal die institutionele doorwerking heeft. Een taal die door de macht kan worden begrepen en vertaald. Deze vorm van tegenmacht is geen megafoon van de woede, maar een omzetter van de maatschappelijke onmacht naar de bestuurlijke urgentie.
Het eerste stapje om uit deze Babylonische spraakverwarring te komen, zal door de bestuurders moeten worden gezet. De cultuuromslag naar zachtere taal die we allemaal zo graag willen, bereik je door niet onmiddellijk in de verdediging te schieten, maar door allereerst te luisteren. Schiet niet direct in de reflex om met oplossingen te komen, vragen we het kabinet. Bied ruimte om fundamentele vragen te problematiseren. Het grootste probleem is immers niet het probleem zelf, maar te denken dat er geen probleem bestaat: wat het kabinet niet als probleem ervaart of weet te diagnosticeren, kan wel degelijk bestaan!
Heel concreet stellen wij voor om een neutrale taalbufferzone te creëren bij de Nationale Ombudsman. Van de Ombudsman mag worden verwacht dat hij beide talen – de formele en die van de onderbuik – beheerst en begrijpt. De Ombudsman heeft een adviserende en sturende rol als taal te rauw of juist te gepolijst wordt. Zo werken we samen toe naar een politiek Esperanto: een gemeenschappelijke politieke taal, die beide werelden weer met elkaar verbindt.
Communicatiewetenschapper en filosoof Harrie van Rooij formuleert het treffend: ‘Voor instanties en politici is luisteren een wezenlijk andere manier van communiceren. Ze zullen ruimte moeten maken voor woorden die niet van hen zijn. Mensen voelen het namelijk onmiddellijk als ze worden teruggeleid naar het vocabulaire en de logica van instanties’.[2]
Tot slot een oproep aan dit kabinet zich vooral niet terug te trekken van X, alleen omdat de taal, de toon en de informatie je daar niet bevalt. Luister en lees die emotionele berichten, hoezeer deze je ook tegenstaan. Trek je in ieder geval niet terug in je eigen technische en bureaucratische wereld, maar probeer ook de mensen wiens taal je niet automatisch spreekt te begrijpen en zoek naar een volwassen en verantwoorde omgang met dit medium.
Nicolien van Vroonhoven is voormalig Tweede Kamerlid en oud-(vice) fractievoorzitter voor NSC
Coban Menkveld is politiek adviseur. Sinds 1 mei 2026 runt hij zijn eigen bedrijf onder de naam ‘Coban de denkarbeider’
[1] Pieter Klok, ‘Vertrek van X is de enige manier om ondermijning van de democratie te stoppen’, Volkskrant, 25 mei 2026.
[2] Harrie van Rooij, ‘Hoe keuriger de brief van de instantie, hoe meer populistische haat die opwekt’, NRC, 14 juni 2026.
