Vraag niet naar mijn winst, laten we het hebben over jouw salaris

Hoe Westerse kapitalisten China afkraken om de aandacht af te leiden van hun torenhoge winst

 

De discussie begon ermee dat ik, het voortdurende Frans-Duitse gezeur over Chinese handelsoverschotten moe, dit schreef op Twitter:

Niemand kan de Europese klachten over China serieus nemen. China maakt dingen nu beter en goedkoper dan Duitsland of Frankrijk. Toen Frankrijk en Duitsland dingen sneller en goedkoper maakten dan andere landen, maakte zij dergelijke klachten belachelijk. Nu ze verliezen vinden ze het niet leuk. Bovendien kwam Europa in die positie door de rest van de wereld uit te buiten. China niet.

De Frans-Duitse klacht over Chinese subsidies, arbeiders die te lang werken, enzovoorts, herinnerde me aan een vergelijkbare klacht, maar afkomstig van de andere kant, die ik veel jaren geleden in Afrika hoorde, toen ik werkte voor de Wereldbank. Ook Afrikanen klaagden over aanhoudende handelstekorten met Europa, en spraken van oneerlijke concurrentie: ‘Kijk, Europeanen hebben deze fraaie machines, en in een uur maken zij tien dingen. Wij, hier in Afrika, moeten tien uur werken om hetzelfde te doen. We verkopen duidelijk minder, we lopen voortdurend handelstekorten op, en moeten dan geld lenen van het IMF tegen afschuwelijk slechte voorwaarden. Wij zijn allemaal voorstanders van eerlijke concurrentie – maar Europeanen zouden die nieuwe machines weg moeten doen, en ons dan als kerels moeten laten concurreren, man tegen man, eerlijk’. Uiteraard stuitten de Afrikaanse commentaren op hoon: zij zijn, beweerden Frankrijk en het IMF, Luddieten, onwetenden, tegenstanders van productiviteit en technische vooruitgang.

Maar nu de rollen zijn omgedraaid, hebben de Europeanen dezelfde klachten over de Chinezen: zij zouden minder moeten werken, minder nieuwe dingen moeten uitvinden, en de arbeiders veel meer betalen. (Ik kom nog terug op dit laatste punt.)

In antwoord op mijn bericht op Twitter schreef Michael Pettis[1]:

Hoewel ik instem met zoveel dat Milanovic zegt over ongelijkheid, ben ik het hier met hem oneens. Ik denk dat hij ‘efficiënt’ vervaardigen verwart met ‘concurrerend’ vervaardigen. China maakt dingen niet noodzakelijk beter en goedkoper dan Duitsland of Frankrijk, maar verkoopt die zeker wel veel goedkoper, en het verschil komt zowel naar voren in het uiterst lage deel dat huishoudens ontvangen van wat zij produceren als in de verbazingwekkende groei van de verhouding tussen schuld en het bruto binnenlands product van China. Dit was hetzelfde beleid dat Japan volgde in de jaren 1980, en het bleek niet alleen onhoudbaar, maar ook dwongen de hoge schulden en lage consumptie Japan tot een buitengewoon moeilijke aanpassing. Als Frankrijk en Duitsland bereid zouden zijn de salarissen te drukken (of, wat op hetzelfde neerkomt, de uitkeringen), of als zij bereid zouden zijn vergelijkbare bedragen te lenen om het concurrentievermogen van hun producenten te subsidiëren, dan zouden Franse en Duitse fabrikanten, zoveel is duidelijk,  net zo goed veel goedkoper kunnen verkopen op de wereldmarkt. Maar terwijl dergelijk beleid het concurrentievermogen van fabrikanten zou vergroten, zou het de efficiëntie niet verbeteren. Het zou eenvoudig een deel van de economische productiekosten neerleggen bij de rest van het land.

 

Op mijn beurt antwoordde ik Michael:

Michael, ik ben het eens met wat je zegt, maar dit is het karakter van internationale concurrentie. Frankrijk en Duitsland kunnen (of willen) salarissen niet drukken want dan verliezen zij de markt. Je lijkt ervan uit te gaan dat iedereen moet volgen wat Europa doet. Eerlijk gezegd, het is hetzelfde als wat Afrikanen zeiden tegen de Fransen: jullie concurrentie is niet ‘eerlijk’ omdat jullie met fraaie machines werken en wij niet. Dus, ja. Als Frankrijk en Duitsland salarissen en uitkeringen drukken zouden zij kunnen concurreren met China. Maar het Europese beleid is geen beleid dat iedereen zou moeten navolgen, noch geeft het een omschrijving van ‘eerlijk’ beleid.

 

En het gesprek werd (ten minste in deze ronde) door Michael afgesloten:

Jawel, Branko, maar omdat het politiek ontwrichtend zou zijn (en slecht voor de wereldeconomie) als ook Europa salarissen en uitkeringen genoeg zou drukken om het concurrentievermogen terug te winnen, zou het alternatief voor Europa zijn in te grijpen in de externe rekeningen met als doel het voordeel om te keren dat wordt genoten door economieën die concurreren door het inkomen van huishoudens laag te houden. Dit is waarvoor Joan Robinson[2] waarschuwde. In een wereldeconomie waarin sommige economieën verhoudingsgewijs open zijn, terwijl andere ingrijpen om hun concurrentievermogen te vergroten, zal het aanhoudende handelsoverschot van de laatsten uiteindelijk de eersten dwingen ook zelf in te grijpen, ten koste van de wereldhandel. Michael Kalecki[3] wees op hetzelfde punt. Hij wees erop dat als een land de lonen drukt in verhouding tot de productiviteit, de consumptie door huishoudens neigt af te nemen. Het land kan desondanks een hoge productie handhaven als de terugval in consumptie die daaruit volgt wordt gecompenseerd door ofwel hogere investeringen (zoals het geval was in China in de jaren 1990 en tijdens de laatste fase van de huizenmarktbubbel in de jaren 2010) ofwel door een handelsoverschot. Het probleem dat hij opmerkte is dat dit alleen werkt als sommige landen het doen. Als mijn lonen lager zijn (in verhouding tot de productiviteit) dan de jouwe in een omgeving van open handel, zullen mijn producten meer concurrerend zijn, en kan ik sneller groeien door een deel van jouw vraag op te nemen (jou de keus latend tussen sneller groeien of de binnenlandse vraag stimuleren door meer schulden te maken). Maar dit werkt alleen als je je lonen niet drukt in verhouding tot je eigen productiviteit. Als we het beiden doen, zijn we samen slechter af, stelde Kalecki, omdat het salarissen zijn die de vraag aandrijven, die op haar beurt de winsten (en groei) van bedrijven aandrijft. Het belangrijke punt is dat als een land de prijzen van zijn geproduceerde goederen over de hele linie omlaag kan brengen door de salarissen te drukken en de productie te subsidiëren, deze lagere prijzen geen bewijs zijn van grotere efficiëntie. Zij zijn hoogstens een bewijs voor de mate waarin de arbeiders en het financiële systeem de prijzen subsidiëren. Anderzijds – in overeenstemming met het relatieve voordeel – als sommige van die goederen relatief goedkoper zijn en andere relatief duurder, en deze worden middels handel uitgewisseld, zou je kunnen stellen dat de eerstgenoemde goederen efficiënter zijn geproduceerd, terwijl de handelspartner de laatstgenoemde goederen efficiënter produceerde.

Nu begint het interessante gedeelte. Ik heb grote waardering voor het boek van Matt Klein en Michael Pettis, Trade wars are class wars. Ik heb het lovend besproken in mijn Great Global Transformation. Ik vind hun verklaring van waarom Chinese staatsbedrijven salarissen moeten ‘drukken’ en grote overschotten moeten draaien heel overtuigend: het is een politiek-economische verklaring. China heeft grotere winsten van staatsbedrijven nodig om ofwel de binnenlandse productie en innovatie in de gewenste richting te sturen, of om dergelijke winsten, om politieke of economische redenen, in het buitenland te investeren. Zo streeft China structureel naar handelsoverschotten, omdat het, in de woorden van Pettis, ‘de lonen drukt’.

Maar merk op dat hier verschillende problemen spelen. Wat betekent ‘lonen drukken’ eigenlijk?  Is er een arbeidsloon dat geschikt zou zijn voor China? Maar als dat er voor China zou zijn, wat is dan het juiste loon voor Frankrijk? Het probleem is eenvoudig dat de Franse salarissen (in het bijzonder daarbij inbegrepen de uitkeringen, en het kleinere aantal werkdagen) verhoudingsgewijs hoog zijn (ook het Franse bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking is beduidend hoger dan dat van China), en dat de Fransen dan klagen dat de Chinese salarissen te laag zijn. Let wel, het zijn de Fransen die zich de macht toekennen te bepalen of de Chinese salarissen te laag of te hoog zijn. Maar een systeem hebben dat salarissen kan ‘drukken’ is een structureel voordeel dat inderdaad kan worden gezien als een ‘normaal’ voordeel in de internationale handel: als je een betere machine hebt dan de ander, of een goedkopere toegang tot grondstoffen, is dat je structurele of relatieve of zelfs absolute voordeel. Op vergelijkbare wijze is het een structureel voordeel als je een economie met lagere salarissen kunt leiden. Daaraan is niets oneerlijk.

Het is een algemene klacht die Marx vele jaren geleden herkende: alle kapitalisten willen dat de arbeiders van andere kapitalisten hogere salarissen krijgen opdat zij hun klanten kunnen worden, maar zij willen dat hun eigen arbeiders zo min mogelijk worden betaald. Dat is precies wat het Westen nu doet: de financiële dagbladen van Londen en New York die verbeteringen van de positie van arbeiders in eigen land afwijzen, staan vol met artikelen die China aanmoedigen de lonen te verhogen, en meer vrijgevige sociale uitkeringen in de voeren. Plotseling staan de Financial Times en de Wall Street Journal boordevol met zorgen om het welzijn van de Chinese arbeider.

Bovendien, en nog belangrijker, kan men evenzeer stellen dat ook het Westen lonen heeft ‘gedrukt’. Hieronder staat een beroemde grafiek, die het ontkoppelen toont van de productie per arbeider (donkerblauwe lijn) van het salaris per arbeider (lichtblauwe lijn). Dat is eenvoudig een andere manier om te zeggen dat sinds de vroege jaren 1980 de winsten in Westerse landen meer zijn gestegen dan de inkomsten uit arbeid. Dit kan niet alleen worden ondergebracht onder de categorie ‘lonen drukken’, de zaak kan ook – en zou moeten – worden omgekeerd door Westerse kapitalisten te vragen waarom zij, als zij echt willen concurreren met China, hun eigen winsten niet omlaag brengen en hun producten daardoor aantrekkelijker maken. Maar nee, zij praten niet graag over hun eigen winsten, maar heel graag over de salarissen van andere mensen.

Adam Smith zei het tweehonderdvijftig jaar geleden heel goed:

Onze handelaren en grote fabrikanten klagen veel over de kwalijke gevolgen van hoge salarissen bij het stijgen van de prijzen, die daardoor de verkoop van hun goederen verminderen zowel in het binnen- als het buitenland. Zij zeggen niets over de kwalijke gevolgen van hoge winsten.[4]

In wezen is het probleem heel eenvoudig. Verspreide Westerse kapitalisten konden veertig jaar lang de arbeidskrachten uitpersen en enorme winsten maken. Nu stuiten ze op een centralistische kapitalist (in feite de Chinese overheid) die nog effectiever is in het laaghouden van salarissen en verhogen van de productiviteit. Die centralistische kapitalist laat nu de verspreide Westerse kapitalisten failliet gaan. Daarom bewegen de laatsten hemel en aarde om te voorkomen dat de centralistische kapitalist wint. Maar dat doen zij zonder te benoemen welke rol hun eigen winsten daarin spelen.

 

PS        Interessant genoeg, dezelfde avond waarop Michael Pettis en ik deze discussie hadden, luisterde ik op National Public Radio (NPR) naar een debat, op niet zo’n hoog niveau, tussen senator Moreno en andere heren, die mede-indieners zijn van een wet die de invoer van Chinese voertuigen en losse onderdelen in de Verenigde Staten verbiedt. Dat het debat werd gevoerd onder auspiciën van het American Enterprise Institute verzekerde dat het onderwerp van hoge winsten die veel Amerikaanse goederen niet-concurrerend maken, niet werd genoemd. En hoe kon worden opgemerkt dat precies dezelfde kapitalisten die dergelijke grote winsten maken ook de campagnes van Amerikaanse politici betalen?

 

(vertaling: Herman Simissen)

 

Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 14 juli jl. op https://branko2f7.substack.com/p/dont-ask-me-about-my-profits-but  en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.

 

[1] Michael Pettis (*1958) is een Amerikaanse econoom, die veel heeft gepubliceerd over ontwikkelingen in de wereldeconomie, en over de economische opkomst van China. (Noot van de vertaler)

[2] Joan Robinson (1903-1983) was een invloedrijke Engelse econome. (Noot van de vertaler)

[3] Michał Kalecki (1899 –1970) was een Poolse econoom. (Noot van de vertaler)

[4] Adam Smith, The Wealth of Nations, Book I, Chapter 9, “Of the profits of stock”.

De geest van de jaren ’90 en de...
Holocaust als vrijbrief voor genocide
Schets van een nieuwe dysto-utopische wereld met grote...
Wat hadden Ulla en Stig in I970 in...
Vraag niet naar mijn winst, laten we het...
Zelfkritische tegenmacht als recept tegen een teflon overheid
‘Dit is (niet) wie we zijn’. Volgens wie?
Vier juli 2026
Hoe de ‘deugden’ van neoliberale globalisering de weg...
De Babylonische spraakverwarring tussen macht en tegenmacht
Een ander spel
WK 2026 van start
Kunstmatige intelligentie en de toekomst van het kapitalisme
Koert Debeuf over de situatie in het Midden-Oosten
Licht in het puin
Christelijk nationalisme
Inleiding: Denken als revolte in tijden van crisis...
Over rijkdom en macht in het nieuwe tijdsgewricht
Andrew Winnick over de blijvende aantrekkingskracht van Trump...
Yoeri Andropov: een man die een tweede Deng...
Verdien je vanuit moreel oogpunt wat je financieel...
Werken of niet werken
Het grote raadsel van de Grote Terreur
De politieke gevolgen op lange termijn van Poetin
Fascisme in postmoderne tijden
Hoe de kaders te schetsen van een economische...
Een korte Nieuwjaarsoverdenking
Hedendaagse overweging: autoritarisme
Rusland: een ideologie voor binnenlands, en één voor...
Opus Dei en Project 2025