Leuvense theologen over LGBTQ+ en de Kerk
Recent bracht het Academisch Centrum voor Praktische Theologie (KU Leuven) het boek Prismatisch geloven. Op het kruispunt van LGBTQ+, Kerk en Samenleving uit. De opzet van het boek is ‘de complexiteit en diversiteit van ervaringen met lgbtq+, Kerk en samenleving te belichten’ (blz .13). Verschillende academici van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen werpen vanuit diverse invalshoeken – zowel qua thema als qua wetenschappelijke achtergrond – hun licht op dit onderwerp. In het inleidende hoofdstuk Prismatisch geloven wordt het beeld van een prisma gepresenteerd om deze diversiteit aan perspectieven te vatten. Al blijkt bij het lezen van het boek algauw dat niet alle perspectieven op een evenwaardige manier aan bod komen. Deze selectiviteit vormt de achilleshiel van het boek.
In het hoofdstuk In gesprek met visies rond seksuele ethiek vanuit het kerkelijk leergezag stellen de verschillende auteurs (onder meer Annemie Dillen, Roger Burggraeve, Ilse Cornu) onomwonden dat ze opteren voor ‘het personalisme als model van ethisch denken’ (blz. 47). Ook al erkennen de auteurs dat het standpunt van het katholieke leergezag – het Vaticaan – voornamelijk beroep doet op het natuurwetsdenken (blz. 46). De spreidstand waarnaar wordt verwezen in de ondertitel van het hoofdstuk lijkt dus bewust gekozen. Terecht merkt moraaltheoloog Nenad Polgar in zijn bijdrage over normativiteit op dat ‘noch hiërarchie, noch de officiële doctrine het monopolie heeft op wat katholieken als normatief beschouwen’ (blz. 186). Of dit echter rechtvaardigt het perspectief van het leergezag buiten beschouwing te laten, is nog maar de vraag. Laat staan dat het praktisch iets bijdraagt aan de gezochte toenadering tussen de LGBTQ+ gemeenschap en de Kerk.
Als enige verwijst Polgar ook naar het globale Zuiden (blz. 194), waar andere perspectieven omtrent het thema LGBTQ+ heersen. Niet alleen zijn deze perspectieven vaak meer in overeenstemming met die van het leergezag, maar Polgar merkt ook op dat in het Zuiden, ‘de kerk groeit’ (blz. 194). Toch ontbreekt dit perspectief eveneens in het boek, wat zowel opmerkelijk als betreurenswaardig is, gezien het internationale karakter van de Leuvense faculteit theologie. Het maakt de bijdragen van de overige auteurs niet minder waardevol, maar wel vatbaar voor een gemakkelijke kritiek, namelijk dat de discussie omtrent LGBTQ+ en de Kerk vanuit een te Westers (en dan in het bijzonder, West-Europees) kader wordt benaderd. En dat de felle kritiek op het kerkelijke leergezag in schril contrast staat met de kritiekloze aanname van de eigen filosofische vooronderstellingen.
Bernard de Cock doet in zijn bijdrage, Niemand is inwisselbaar, nog de meest serieuze inspanning om het kerkelijk standpunt te verzoenen met de heersende kaders binnen de hedendaagse queer theory. Het is, volgens hem, de enige manier om de tegenstelling te overstijgen en interactie mogelijk te maken; al erkent De Cock dat het om een ‘getroebleerde interactie’ (blz.148) zal gaan. Deze getroebleerde interactie wordt geïllustreerd in de bijdragen van Giorgio Maria Millesimi en Matthew James Whiffen. Waar Millesimi stilstaat bij de ambigue evolutie in de verhouding tussen de LGBTQ+ gemeenschap en de Kerk in Italië, werpt Whiffen zijn licht op de strijd om gezinsrechten van de Kroatische LGBTQ+ gemeenschap. De bijdrage van Whiffen toont op overtuigende wijze aan hoe kerkelijke autoriteiten een invloedrijke rol kunnen spelen in de positie die de LGBTQ+ gemeenschap krijgt in de samenleving, in negatieve maar ook in positieve zin.
Dit voorbeeld om dicht bij het overkoepelende thema te blijven, wordt niet door alle auteurs even nauwlettend gevolgd. De bijdrage van Hans Van Crombrugge, Rooms-katholieke pedagogen over opvoeding en homoseksualiteit, is vanuit historisch oogpunt heel interessant. Van Crombrugge laat echter na zijn historisch overzicht te koppelen aan het hedendaagse debat over de verhouding tussen de LGBTQ+ gemeenschap en de Kerk. In welke mate beïnvloedde de evolutie in de rooms-katholieke pedagogie de houding ten opzichte van LGBTQ+? Hoe staat het pedagogisch project van het katholiek onderwijs vandaag tegenover LGBTQ+ en ligt dit in het verlengde van de historische evolutie die Van Crombrugge schetste? Of breekt het daar juist mee? Van Crombrugge laat het in het midden. Ook aan de meer fundamentele en actuele vragen gaat hij voorbij, zoals horen opvoedings- en onderwijsinstellingen zich überhaupt in te laten met de normatieve opvattingen omtrent seksuele oriëntatie?
Natuurlijk moeten auteurs inhoudelijke keuzes maken, maar hun bijdragen verbinden met het overkoepelend thema van het werk waarin ze publiceren, lijkt toch een terechte verwachting. Dit doet de vraag stellen naar de meerwaarde van het hoofdstuk Queer van Nikolaas Cassidy-Deketelaere. Hoewel hij een toegankelijke en lezenswaardige inleiding aanreikt tot de basisinzichten van de queer theory, laat Cassidy-Deketelaere de verhouding tot de kerkelijke leer links liggen. Hij gaat het gesprek gewoon niet aan. Dat is op zijn zachtst gezegd een opvallende keuze. In het licht van de afwezigheid van een grondige bespreking van de kerkelijke positie – om, zoals Bernard de Cock aanhaalt, ook ‘de morele bekommernissen van de Kerk ernstig te nemen’ (blz.149) – dringt de vraag zich op of dit boek de dialoog zoekt of enkel een stem wil geven aan één visie.
Nochtans merkt Jade Willaert in haar hoofdstuk, Tussen leer en leven, op dat dit het hele debat tussen de LGBTQ+ gemeenschap en de Kerk hypothekeert. De openheid die getoond wordt naar de LGBTQ+ gemeenschap in het theologisch debat, maar ook in de pastorale praktijk, zoals in de Kerk in Vlaanderen, kan na verloop van tijd ‘als tegenstrijdig of ongeloofwaardig worden ervaren’ (blz. 40), wanneer de kerkelijke leer zelf niet wordt uitgedaagd. Willaert merkt scherp op: ‘De Kerk in Vlaanderen zegent nu in de praktijk wat ze in theorie blijft veroordelen’ (blz. 40). Zodoende legt zij niet alleen de vinger op de wonde, maar toont zij aan dat het weinig zin heeft om enkel voor de eigen parochie te preken. De enige weg vooruit is die van de dialoog, waarbij nieuwe inzichten – zowel vanuit de theologie als de geloofspraktijk van lokale gemeenschappen – kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de theologie omtrent LGBTQ+, en de relatie tussen de LGBTQ+ gemeenschap en de Kerk.
Ondanks zijn tekortkomingen is het boek Prismatisch geloven een aanrader voor iedereen die zich verder wil verdiepen in het debat over LGBTQ+ en de rooms-katholieke Kerk. De auteurs reiken interessante invalshoeken aan en dagen uit eigen standpunten omtrent dit onderwerp kritisch te overdenken. Toch blijft het uitkijken naar toekomstig werk, waarin alle stemmen aan bod komen en een werkelijke dialoog wordt opgezet.
- Willaert, D. Bosschaert, A. Dillen en N. Polgar, Prismatisch geloven. Op het punt van LGBTQ+, Kerk en samenleving. Leuvens Cahiers voor Praktische Theologie, Otheo, Utrecht, 2026, 224 blz., ISBN 9789085283546, € 26,99