De klassieke priesteropleidingen die in de jaren ‘50 en in de vroege jaren ‘60 in de katholieke kerk een bloeiend bestaan leidden, worden wel eens getypeerd als ‘een sluiproute naar het wetenschappelijk onderwijs en andere carrières’.[1] Zelf heb ik naar aanleiding van mijn onderzoek naar academici uit het arbeidersmilieu het seminarie getypeerd als een ‘koninklijke weg’ van sociale stijging.[2] Intelligente jongens uit de lagere inkomensklassen die door kloosterordes werden geworven voor het priesterschap konden op die manier vanaf hun twaalfde levensjaar een gymnasiumstudie doen (in Vlaanderen: Oude Humaniora Latijn Grieks). Zo konden zij later naar de universiteit. Sommigen deden dat meteen na het laatste jaar van het voortgezet onderwijs, anderen vervolgden de priesteropleiding op het groot seminarie of het noviciaat.[3]

Dit geldt ook voor mij. Ik heb mijn puberteit en adolescentie – een belangrijke formatieve levensfase – in het seminarie doorgebracht en onmiskenbaar heeft dat invloed gehad op mijn persoonlijke ontwikkeling en loopbaan.

 

Wat heeft dat met mij gedaan?

In de eerste plaats maakte het seminarie sociale stijging mogelijk, als arbeiderskind ging ik studeren en uiteindelijk werken aan de universiteit. Daarnaast heb ik er studiediscipline opgedaan en, vooral, geleerd om van cultuur en literatuur te genieten. In het grootseminarie heb ik gedegen kennis van de filosofie opgedaan, mijn superieuren vonden mij slim genoeg voor de universiteit. Zij namen de beslissing voor mij die ikzelf op mijn achttiende niet aandurfde.

Pas later realiseerde ik me dat ik niet alleen een opleiding had gevolgd, maar ook mijn puberteit had overgeslagen. Die vond plaats in afzondering, gehoorzaamheid en seksuele angst, en daardoor had ik na het seminarie een inhaalslag nodig om volwassen te worden. De vraag is dus niet alleen wat het seminarie mij mogelijk maakte, maar ook wat het mij heeft afgenomen. Hoe heb ik dat achteraf begrepen en hoe ging ik daarbij te werk?

Mijn ervaringen in het klein- en grootseminarie heb ik beschreven in een autobiografisch verhaal. In dit essay gebruik ik dat verhaal als uitgangspunt voor een nadere analyse. Daartoe confronteer ik mijn ervaringen met inzichten uit de sociologie, psychologie en literatuurwetenschap zodat ik kan verklaren hoe een seminarie tegelijkertijd een vormend en een beschadigend systeem kon zijn. Het begrip van het totale instituut van Goffman helpt mij het alledaagse leven in het seminarie te begrijpen als de productie van een afhankelijke, geïnstitutionaliseerde persoonlijkheid. De analyse van seksualiteit, vrouwenbeelden en strijdcultuur van Theweleit maakt zichtbaar hoe morele en militaire metaforen in elkaar grepen. Erikson laat zien waarom mijn puberteit zich niet vrij kon ontwikkelen, terwijl Chodorow mij later een taal bood voor de moeilijkheid om na het seminarie een intieme relatie aan te gaan.

 

Een radicale breuk en de dwang van het systeem

Op 1 september 1957 – ik was twaalf jaar oud – werd ik door mijn moeder naar de school voor priester- en missionarisroepingen in Gent gebracht:[4]

Hij zocht steun, drukte zich tegen de muur, aan de overkant zag hij zijn moeder verdwijnen door de poort, samen met haar verdween zijn gevoel van geborgenheid. Een laatste glimp, zij keek nog even om, huilen kon hij niet, hij zat dicht en voelde zich in de steek gelaten. Toen klonk er een bel en werd hij in een lange rij naar de kapel geloodst. Hij ging op in die rij, liet zich meevoeren. De lucht in de kapel was duf, de gebeden en gezangen waren duf, de predikant was saai. Alles was hem vreemd. Zo werd hem ingeprent dat saaiheid, discipline en vroomheid het begin en einde van alles is.

Thuis was hij was een actief en avontuurlijk kind, de baas van de jonge bende van broer en zussen en de buurmeisjes en -jongens. Zij leefden in een paradijsje. Zijn geboortehuis lag tussen een boomgaard en graanvelden, er stonden schuren en stallen die meestal leeg waren en de fantasie op hol deden slaan. Het werden paleizen, roversholen en verstopplekken. Hier werden ook de lichamen van de buurmeisjes verkend. De zomers duurden eeuwig, ’s ochtends de deur uit, de hele dag spelen en ’s avonds weer naar binnen. Op zondag tijdens het middagmaal vertelde vader over vroeger, over zijn fietstochten, over zijn jeugd tijdens de Eerste Wereldoorlog en hoe hij na de oproep om zich bij zijn regiment te gaan vervoegen in Noord-Frankrijk, met de fiets naar de Tweede Wereldoorlog trok en hals over kop terugkeerde toen de Duitsers hem inhaalden. Nooit was het saai, altijd was er wat te beleven. Voor op de fiets nam zijn vader hem mee naar verre dorpen met poëtische namen. Een slim jongetje was hij dat alleen maar negens en tienen haalde.

 

Het was een beeld en op een beeld valt altijd wat af te dingen maar het verklaart wel de heftigheid van de breuk: na een zeer gelukkige kindheid met vrijheid en fijne ouders werd ik object van een systeem. Het systeem was uitgekiend, er heerste geen harde discipline, maar was wel alom aanwezig, met gereguleerde vrijheid. Alle regels waren erop gericht de leerlingen vanaf hun twaalfde klaar te stomen voor het priesterschap, dat wil zeggen een celibatair leven zonder intimiteit. Het dagelijks leven in het internaat was opgezet als een lichamelijke en mentale disciplineermachine.

Een open slaapzaal, bedden in rijen, geen verweer tegen het lawaai van de nacht, het gesnurk, de stank, het gewoel en de jammerklachten. Om zes uur loopt de surveillant door de rijen en klapt in zijn handen, iedereen opstaan. Preutsheid in de ochtend: zittend op het bed met je pyjamajasje over de knieën je broek aantrekken.

Dan naar de kapel voor de mis, dan studiezaal met verplicht studeren, pas om 8 u ontbijt, daarna groepsspel. Om half negen begonnen de lessen, om 12 u middagmaal, daarna groepsspel, om half twee studiezaal, vanaf 2 u lessen tot 4 u, daarna een boterham, daarna groepsspel. Van 5 tot half zeven studiezaal met verplicht studeren, daarna lof, avondeten, groepsspel, om 8 u studiezaal, om kwart voor negen een half uur vrij lezen.

Op zondag twee missen, vespers en lof. In de middag kwamen om de week de ouders op bezoek. Moeder of vader bracht dan de koffer met schoon goed en nam de koffer met wasgoed terug mee naar huis.

En telkens na het belsignaal in lange rijen van de een naar de andere plek.

Geen privacy, altijd samen met anderen. Het groepsspel was vooral bedoeld om de gedachten en gevoelens van de leerlingen af te leiden van zondige verlangens, waarmee vooral seksuele fantasieën bedoeld werden. Altijd werd je bewaakt, tot de orde geroepen, vriendelijk, op een zachte maar onweerstaanbare manier. Soms werd hij overvallen door de directeur[5] die hem als het ware besloop en hem plots vroeg of Jezus nog in zijn hartje huisde.

 

Een van de eerste dagen vroeg een van de surveillanten hoe ik heette. Michaël, zei ik. We noemen je vanaf nu Michel.

Onthutst en ontdaan van zijn naam en identiteit, sloeg hij dicht. Hij zweeg, voelde zich miskend en besloot dat het hem niet zou raken, maar hij vergat het niet.

Een combinatie van afweer en ontkenning leidde tot een houding: het raakt me niet, wat me kwetst stop ik weg en zet een masker op, ik leef verder aan de oppervlakte.

Toen het allemaal begon was ik nog een kind, dat kost wat kost verder wilde leren en daarom de pijn van de eenzaamheid en depersonalisatie verdrong en daardoor onbewust in het systeem werd opgenomen. Bovendien werden de grenzen van het systeem goed bewaakt zodat er zich in mijn blikveld geen alternatieven aandienden. Er waren geen onafhankelijke referentiefiguren die mij een spiegel voorhielden en reflectie stimuleerden. Niemand stelde mijn opvatting dat ‘de universiteit niet voor ons soort mensen is’ ter discussie.

Net zoals Ervin Goffman beschreef speelde mijn leven zich af op één afgesloten plek waar alles plaatsvond: slapen, eten, studeren, spelen. Het was een dwingend over-all systeem, dat autoritair werd geleid. De discipline, de dagindeling, het gebrek aan privacy, de de-identificatie realiseerden hetgeen Goffman de ‘geïnstitutionaliseerde persoonlijkheid’ noemt. Oftewel een persoon wiens geest en hart zijn bezet door de mentaliteit van het instituut Het duidelijkst was dat toen ik besloot om naar het noviciaat te gaan, ik was zo geïnstitutionaliseerd dat ik bang was het systeem te verlaten. Daar kwam ik terecht in een nog dwingender systeem.

 

Verwarring in de puberteit

Ondanks de strikte discipline en de systeemdwang deed de natuur zijn werk, op mijn dertiende begonnen de hormonen op te spelen en eisten hun deel in mijn ontwikkeling op. In deze formatieve periode, de puberteit, heeft, volgens Erikson, de jongere de opdracht om, in confrontatie met leeftijdsgenoten, een identiteit te ontwikkelen, met als risico rolverwarring wanneer de crisis die iedere levensfase afsluit niet wordt opgelost. In mijn verhaal schreef ik het als volgt:

De boodschap van de preken was helder: je besmeurt jezelf als je onkuise gedachten toelaat, en het ondenkbare doet. Het ondenkbare werd niet genoemd, maar ieder wist dat het om masturbatie ging. Hij masturbeerde niet, ook al kreeg hij natte dromen en ervoer hij in zijn dromen orgastisch genot. Nachtelijke zaadlozingen waren een ramp, enerzijds de heimelijk verlokking van het genot, anderzijds de doem van de doodzonde. Ook al zeiden de paters dat dit een natuurlijk fenomeen was, de verwarring bleef en hij kon zich uit angst voor de hel niet overgeven aan het genot.

Een dergelijk pedagogisch klimaat is niet erg stimulerend voor een gezonde seksuele ontwikkeling, integendeel zelfs. Als de hormonen beginnen te werken is verwarring normaal. Ben je als kind goed voorgelicht, dan weet je wat er aan de hand is. Er mee kunnen omgaan is weer iets anders, maar ouders, opvoeders en misschien wel vriendjes en/of vriendinnetjes kunnen je duidelijk maken dat hier iets normaals aan de hand is. Je kan zoeken en experimenteren, je ontwikkelen.

Maar onder het gesternte van een opvoeding gericht op een celibataire levensstijl wordt de ontwikkeling afgeremd. De boodschap hier is: seksualiteit is noodzakelijk voor de voortplanting, maar voor jullie geldt dit niet. Bovendien wordt experimenteren met seksualiteit verdacht gemaakt en zondig genoemd. Dat experimenteren stelt niet veel voor, veel meer dan masturberen wordt niet genoemd door de paters. Door het M-woord niet uit te spreken wordt het taboe versterkt. Experimenteren met elkaar zit er helemaal niet in.

 

Numquam duo, semper tres

Voor een ‘gezonde’ identiteitsvorming is volgens Erikson tijdens de puberteit het onder elkaar zijn met leeftijdsgenoten van essentiële betekenis. Men leert zichzelf kennen door de anderen, identiteitsvorming wordt hierdoor een door en door sociaal proces. In het seminarie trekt men constant met elkaar op, beïnvloedt men elkaar onbewust. Maar dit onder elkaar zijn wordt in deze seminarieopvoeding gereguleerd onder het motto ‘nooit met z’n tweeën, altijd met z’n drieën’ gekoppeld aan de taboeïsering van ‘bijzondere vriendschappen’ en intimiteit. De boodschap is: intieme vriendschappen kunnen tot ontoelaatbare seksuele handelingen leiden.

Waarom werd dat zo vaak herhaald? Werden de leerlingen bang gemaakt voor intimiteit? Was intimiteit dan een soort perversie die onkuisheid oproept via aanraken, kussen, strelen en zelfs door het allerergste te doen?

Niet dat het niet gebeurde, ooit kwam ik, ’s nachts toen ik naar het toilet moest, daar twee medeleerlingen tegen die zich duidelijk betrapt voelden. In het grootseminarie vroeg ooit een van mijn oversten of ik iets had gemerkt van verdachte bezoekjes bij mijn buurman. Zelf kwam ik nooit in de bekoring om op de een of andere manier met een vriendje seksuele dingen te doen, wel gebeurde er iets anders

 

Verliefd

Toen hij 17 was, in het voorlaatste jaar (de ‘poësis’), overviel hem een ongekende, dwingende en allesoverheersende en verwarrende emotie. Hij werd verliefd op een medeleerling. Verliefdheid, zo leerde hij later, is een bron van grote opwinding en avontuur, tenminste als er sprake is van wederzijdsheid en als hierdoor de fantasie ongekende vertes oproept. Nu was het echter een bron van ellende. Hij kon onmogelijk woorden geven aan zijn gevoel, onmogelijk de jongen de liefde verklaren, onmogelijk hulp en advies te vragen. Wat hij voelde was volkomen taboe. Het verlangen naar intimiteit, de bron van de verliefdheid, deed niets anders dan de eenzaamheid versterken.

Hij verzette zich met alle kracht tegen dit idee dat hij homo was en voelde zich hierin gesterkt omdat lichamelijk verlangen geen deel uitmaakte van zijn complexe gevoelens.

Hier is sprake van een cumulatief taboe-effect. Naast de impliciete boodschap van de priesteropleiding: nooit verliefd te worden, levert de aangeprate angst voor homoseksualiteit veel ongemak op. De verliefdheid duurde ongeveer een half jaar, hetzelfde gebeurde in het grootseminarie, daar duurde zij veel langer en was verontrustender omdat ik de gelofte van kuisheid had afgelegd.

 

Noviciaat

In november van 1963 legde hij voor het eerst de plechtige en tijdelijke geloften af van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid. Armoede was geen probleem, eigenlijk leidde hij – in naam van de armoede – een luxueus leven: hij hoefde niet te werken voor de kost, het eten kwam gewoon op tafel en hij had een dak boven zijn hoofd. Zijn ouders stopten hem nooit iets toe, ze hadden het geld niet.

Gehoorzaamheid was wel wat lastiger, maar het hielp dat er weinig uitdagingen tot zelfstandig initiatief waren, heel zijn leven was uitgestippeld.

Hij had het kunnen weten: de gelofte van kuisheid werd een ramp die hem vanaf het tweede jaar uit evenwicht bracht. Zoals al eerder was gebeurd werd hij radeloos verliefd op een collega met een zachte uitstraling. Net als twee jaar geleden was het niet iets lichamelijks, eerder platonisch, hij verzette zich tegen het idee homo te zijn. Ondertussen waren er collega’s die het minder nauw namen met de gelofte van kuisheid, er was ook een collega met pedofiele gevoelens.

Het was een erg verwarrende tijd, de verliefdheid overheerste zijn gevoelsleven. Iedereen zag het, maar niemand maakte er opmerkingen over. Alleen de directeur, een oude conservatieve man zinspeelde er eens op met de opdracht: doe er ne keer wat aan. Ja, maar wat? Eruit stappen natuurlijk, maar hij bleef liever zichzelf kwellen. Masturberen deed hij ook niet, hij was op dat punt rechtlijnig: hij heeft God beloofd het niet te doen en doet het ook niet.

Twee jaar heb ik geworsteld met deze gevoelens, we werden beiden naar de universiteit van Leuven gestuurd, ik slaagde voor mijn eerste kandidatuur, hij niet en werd naar een college in Limburg gestuurd. Iets later dan ik is hij uitgetreden. Hier is duidelijk sprake van ‘situationele homoseksualiteit’ die ontstaat wanneer potentiële partners van het andere geslacht afwezig zijn. Aan de universiteit kwam ik ze wel tegen, de meisjes. Ik werd verliefd op B., een medestudente. Maar dat ik niet zonder de liefde en intimiteit van een partner kon leven brak nog niet echt door.

 

Vrouwen

De verliefdheid op B. confronteerde mij onbewust met de vrouwbeelden die mij waren opgedrongen tijdens mijn collegetijd in Gent. De priesters wisten ook wel dat niet iedereen van de leerlingen ‘geroepen’ was tot het priesterschap en daarom werden wij ook voorbereid op eventuele verloving en huwelijk. De boodschap was: partners moesten kuis en maagdelijk het huwelijk intreden, daarna mocht geslachtsgemeenschap maar alleen om kinderen te verwekken.

Mijn verhaal:

Hem werd voorgehouden dat de enige echte en zuivere liefde voor een vrouw gebaseerd is op de moederliefde. In de preken en de verhalen die over moeders en over eventuele echtgenotes gingen stond de maagd Maria model. Hij werd vaak gewaarschuwd voor losbandige meisjes, lichtekooien – meestal met donker of rood haar en zwarte ogen. Zij zijn erop uit je zuiverheid te besmeuren. Die meisjes kwam je tegen in dancings, zij drukken zich tijdens het dansen tegen je aan, proberen je op te winden, seks met je te hebben. Later, toen hij zich – niet zonder moeite – ontworsteld had aan deze onheilsboodschappen en zijn seksualiteit enigszins volwassen was, viel hij vooral op donkerharige vrouwen, hij had ze het liefst zo vrij mogelijk.

Deze visie op vrouwen wordt minutieus omschreven door de historicus Klaus Theweleit die een studie maakte van onder meer de vrouwenbeelden in de Duitse protofascistische en proletarische literatuur uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Hij analyseerde heldenromans en beeldverhalen en beschreef hoe vrouwen hierin hetzij volkomen afwezig waren, hetzij aanwezig als onderdanig en dienstig hetzij als bedreiging. Vrouwen konden mannen verleiden en hen daardoor hun mannelijkheid ontnemen waardoor zij ongeschikt werden gemaakt voor de strijd. Strijd staat hier dan voor oorlogs- en ander militair geweld. In de beeldverhalen wordt de slechte vrouw afgebeeld met zwart haar en donkere ogen en met haaientanden in haar vagina (vagina dentada); seks met haar betekent ontmanning, verwekelijking, verloedering. De ontmanning moest vooral figuurlijk worden opgevat. Voor ons gold dat seksuele omgang met slechte vrouwen ons verwijfd, zwak en week zou maken, terwijl wij juist sterk en krachtig moesten zijn voor de strijd. Welke strijd?

Zonder de verwijzing naar de castrerende vagina – dat woord kwam niet voor in het vocabulaire van de paters – werd de strijd voor de zuiverheid naadloos gekoppeld aan de theorie van de strijdende kerk.[6] De strijdende kerk, dat waren zij, soldaten van Christus, die in het dagelijks leven vochten tegen de duivelse machten, onder meer vertegenwoordigd door slechte vrouwen. Ooit droeg hij een speldje van de eucharistische kruistocht.[7] Het woord zegt het zelf: strijd van de gelovigen tegen het kwaad door wekelijks te communie gaan en verstervingen te doen.

 

De metafoor van de strijd

Ons werd geleerd dat het werelds bestaan een voortdurende strijd is om de verlokkingen van het lichaam en de vrije geest (het modernisme) te weerstaan. In het seminarie werd deze boodschap verkondigd op de preekstoel, tijdens geestelijke oefeningen en tijdens de biecht. We zongen het lied van de eucharistische kruistocht waar de oorlogstaal van afdroop. In dit lied zien we de oorlogsmetaforen waar Theweleit naar verwijst: het leger, passie voor de strijd, ijzeren wil, bloed, trouw aan de absolute vorst, het kruis als een zwaard.[8]

 

Weg van het klooster

Begin ‘68 begon mijn leven ‘na het seminarie’ en meteen werd me duidelijk wat een bestaan in armoede betekent. Ik huurde een kot,[9] een mansarde, bij een kotmadam. Gelukkig kreeg ik van de overheid een grote studiebeurs,[10] die mijn moeder voor een gedeelte opeiste om de studiekosten van mijn broers en zussen te kunnen betalen (die een veel kleinere beurs kregen).

Blij maar ook onbeholpen probeerde hij te genieten van zijn nieuwe vrijheid. Hij merkte nu pas wat armoede was, hij liep nog rond in zijn oud priesterpak, maar zonder boord. Tegen de kou had hij een jagersjas gekocht, al snel had het gasvuur waarmee hij zijn kamer probeerde te verwarmen er een gat in gebrand. Jaren heeft hij met de jas met het brandgat rondgelopen.

Een leven met weinig geld en zonder luxe kon ik wel aan. De universiteit maakte dat ook mogelijk door voorzieningen voor armlastige studenten, bijvoorbeeld goedkope maaltijden in de Alma (de mensa). Ik had echter nog een aantal hobbels te nemen, namelijk afkomen van de funeste seksuele moraal en leren leven zonder de strijdideologie.

Hij was verliefd maar wist niet hoe zijn liefde te verklaren. Zijn ervaringen met de verliefdheden uit het seminarie speelden hem parten, hij zocht haar op, zij ook hem, zij schreef hem brieven, maar ze bleef op de vlakte. Ze hadden het over de werkgroep of hadden intellectuele gesprekken, over de colleges maar spraken niet over gevoelens. Hij wist gewoon niet hoe je moest flirten, hoe je een meisje de liefde kan verklaren. Het sudderde maar door met grote vlagen hoop maar ook van jaloezie toen B. met anderen ook intellectuele flirtgesprekken voerde.

De genoegens van de adolescentie waren aan mij voorbij gegaan, ik had niet kunnen exploreren en experimenteren met seksualiteit, de ervaring met de liefde was een en al getob. Erotiek was een onbekend terrein, ik was volkomen bleu, maar wel weer verliefd. De psychoanalytica Nancy Chodorow leverde me – veel later – een denkkader op om mijn gevoelens van toen te begrijpen

Waarom viel hij op B. en niet op een andere medestudente? Mooie studentes durfde hij in die periode niet eens te benaderen. Later vond hij bij de psychoanalytica Nancy Chodorow een soort verklaring. Of haar stelling klopte wist hij niet, maar het zette hem wel aan het denken. Zij beweerde dat jongens tijdens de puberteit romantischer zijn dan meisjes. Tijdens de oedipale fase verstoot de moeder – onder maatschappelijke druk – de jongen uit de intieme en warme band met haar en vertrouwt hem toe aan de vader, die hem – ook weer onder maatschappelijke druk – de harde mannelijke wereld moet inleiden. De vader is echter door zijn baan de grote afwezige en niet in staat de intimiteit van de moeder te vervangen. Onbewust blijft de jongen steeds verlangen naar deze intieme liefde en bij de eerste verliefdheid komt deze versterkt aan de oppervlakte.

Denkend aan Chodorow: B. was een moederlijk type. Toen hij later de collega’s uit het seminarie terugzag die ook waren uitgetreden, merkte hij dat hun vrouwen allen moederlijke types waren. Zij waren verloofd en getrouwd met hun eerste liefde. Die had hen de geborgenheid in de moederschoot teruggegeven. De seksuele opvoeding van het seminarie was effectief geweest, zij hoefden niet te experimenteren met liefde en seks.

 

Een nieuwe ideologie

Vanaf toen ging ik zoekend door het leven, dwalend en experimenterend, niet alleen met de liefde en seks, maar ook met geloof en visie. Dat werd een jarenlange zoektocht met vallen en opstaan, met fijne en vervelende gebeurtenissen.

Al snel viel ik af van mijn geloof, onbewust, op een dag realiseerde ik mij: ik geloof niet meer in God, ik ben niet meer katholiek. Voorafgaand was ik niet getormenteerd bezig met vragen over het bestaan van God, over de zondigheid van de mens en andere geloofsartikelen. De intellectuele basis voor deze stap was al gelegd tijdens mijn seminarietijd.

Aan de buitenkant was hij cynisch over zijn ‘verloren jaren’ of zijn ‘zwarte tijd’. Cynisme verborg schaamte. Waarom had hij het zolang vol gehouden? Hij was er totaal vereenzaamd geraakt, opgesloten in het keurslijf van religieuze geloften die hij consciëntieus naleefde.

De ervaringen in het klooster hadden zijn geloof gecorrumpeerd: atheïst, ja, misschien was hij dat nu wel. Tot decennia later sprak hij smalend over zijn ‘zwart verleden’. In de revolutionaire sfeer van ’68 aan de universiteit oriënteerde hij zich op emancipatie, democratisering en uiteindelijk op het marxisme…

De katholieke strijd-ideologie transformeerde zich gaandeweg in een marxistisch strijdidioom. Ik was een kind van de jaren zestig.

Langzaam groeide ik in de linkse beweging, ik nam deel aan betogingen, werkgroepen en debatten en na mijn afstuderen kreeg ik een baan bij de Sociale Raad, de studentenbeweging die inspraak had in de studentenvoorzieningen van de universiteit. Ik maakte van nabij de groei mee van de maoïsten. Ik was geen lid, had zelfs de pest aan de arrogantie van hun gelijkhebberij. Wel raakte ik geïnteresseerd in het marxisme, maar kwam er niet toe om de bestseller van dat moment, Het Kapitaal, door te nemen.

Het was ook de tijd waarin AMADA[11] studenten als rode missionarissen naar de fabrieken en de mijnen stuurde om daar het Maoïstisch gedachtengoed onder de arbeiders te verspreiden en ze klaar te stomen voor de revolutie. Briljante studenten rondden hun studie niet af en werden arbeider. Voor hem was dat een gruwelijke gedachte, hij zou zijn ouders dat nooit aandoen. Maar niet alleen dat, hij vond het onbegrijpelijk dat verstandige mensen (zo kende hij er veel) zich onderwerpen aan een rabiate partijideologie en -discipline, dat hun hele bestaan doordringt en waarover ze oreren met een verheven blik in de ogen.

Later, toen ik – na mijn afstuderen – al een tijd gewerkt had als sociaal pedagoog bij een jeugdbeweging heb ik ooit – uit interesse voor het marxisme – deelgenomen aan vormingssessies van Amada. Het was net een Bijbelstudie: de voorzitter legde uit wat de betekenis was van de (meestal uit hun context gehaald) citaten van Lenin, de deelnemers konden meer uitleg vragen, kritiek was verboden.

Amada straalde de strijdideologie uit, die verwant was met het lied van de eucharistische kruistocht. Fanatiek wordt er gevochten tegen het kwaad, nu gedefinieerd als het kapitalisme. De hiërarchie was helder, de voorzitter, Ludo Martens, was de onfeilbare paus en had altijd het laatste woord. Naast hem functioneerden schriftgeleerden die studies presenteerden over de wandaden van het kapitalisme en het imperialisme. Ludo heb ik een paar keer gesproken, hij kwam op me over als een aardige aimabele man totdat het over de revolutie ging, dan was hij een starre fanatiekeling die een lovend boek schreef over Stalin.

Uiteindelijk heb ik beide kerken achter me gelaten. Lange tijd had ik behoefte aan een ideologisch en een institutioneel kader om mijn leven betekenis te kunnen geven. Deze kaders boden mij de principes om ethisch te handelen en om rechtvaardigheid en sociale gelijkheid na te streven. Niet zonder moeite heb de denkkaders los kunnen laten, echter zonder afstand te doen van de waardevolle elementen uit hun gedachtengoed. In mijn onderwijstaak en mijn onderzoekswerk aan de universiteit en vooral in mijn privéleven heb ik deze beleefd en toegepast. Daar heeft de Nederlandse openheid en directheid mij – na mijn emigratie – erg bij geholpen. Maar dat is een ander verhaal.

Reageren? Mail naar: mel.matthys@gmail.com

 

Mick Matthys (Maldegem, 1945) studeerde sociale pedagogiek aan de KULeuven. Hij werkte als geassocieerd professor bij de faculteit sociale wetenschappen en bij de School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit van Utrecht. Hij doceerde socialisatietheorieën en methoden van wetenschappelijk onderzoek en was programmadirecteur van de opleiding ‘Management en Communicatie’.

 

Literatuur

Chodorow, N., Waarom vrouwen moederen. Psychoanalyse en de maatschappelijke verschillen tussen mannen en vrouwen, Sara, Amsterdam, 1980

Erikson, E., Identiteit, Jeugd en Crisis, Het Spectrum (Aula reeks), Utrecht, 1971

Frijhoff, W. T. M., ‘Nabeschouwing’, in: H. Kroon (red.), Pubers voor God. Het leven op een kleinseminarie in de jaren vijftig, Valkhof Press, Nijmegen, 2001, blz. 201-224

Goffman, E., Totale Instituties, Universitaire Pers Rotterdam, Rotterdam, 1975

Matthys, M., Doorzetters. Een onderzoek naar de betekenis van een arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden, Aksant (AUP), Amsterdam, 2010

Theweleit, K., Mannenfantasie, een ingekorte vertaling. Eindhoven, manuscript. Vertaling van Männerphantasien (2 delen), Roter Stern, Frankfurt am Main, 1978

 

[1] Frijhoff, 2001.

[2] Matthys, M. 2010.

[3] Er zijn meerdere termen in omloop. Voor alle duidelijkheid gebruik ik de term kleinseminarie voor de gymnasiumopleiding en grootseminarie voor de filosofie- en theologiestudies. In Vlaanderen werd de term kleinseminarie oorspronkelijk gebruikt voor het gymnasium annex de filosofieopleiding van het bisdom, later alleen voor de filosofieopleiding. Soms werd door kloosterordes ook de term juvenaat gebruikt om hun gymnasium aan te duiden. Daarnaast bestonden ook verkorte opleidingen zonder officieel diploma voor ‘late roepingen’.

[4] Het autobiografisch verhaal schreef ik in de derde persoon. De tekst is niet gepubliceerd.

[5] Hij kreeg de bijnaam Djezeke.

[6] Er waren drie soorten kerk: de strijdende (de gelovigen tijdens hun leven), de lijdende (de zielen in het vagevuur) en de triomferende (de zielen in de hemel), zie: http://www.katholiek.org/rkkerk.php.

[7] Zie Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Eucharistische_Kruistocht.

[8] Dit lied en de taal passen volledig in de traditie van het antimodernisme van de katholieke kerk.

[9] In België (ook in Franstalig gebied) een studentenkamer. De hospita werd kotmadam genoemd.

[10] De hoogte van de studiebeurs hing af van het belastbaar inkomen van de ouders (vader). Ieder jaar verklaarde de belastinginspecteur dat mijn vader te weinig verdiende om belastingen te moeten betalen.

[11] Alle macht aan de arbeiders, een orthodox communistische organisatie, die later de naam PvdA van België aannam.

Het seminarie voorbij
Ritueel Leven, Levensfase en Grenswerk
Fulton Sheen (1895-1979): Een Zaligverklaring
Politiek gebruik en misbruik van het christendom
Geloof en godsdienst – vandaag en morgen
De kerkelijke leer kan veranderen
Een historische overdenking van geestelijke ambten en wijding
Spiritualiteit
Preken voor eigen parochie
Christelijk nationalisme
Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond...
Een hedendaags katholiek probleem
Geen theïst, geen atheïst, geen agnost, maar wat...
Theologische perspectieven op menselijke seksualiteit
Nachtmis
Ruimte voor reflectie en spirituele groei openen met...
Vrouwelijke pioniers
Opus Dei en Project 2025
Gedachten over God
Interpretatie en vertaling van de Bijbel
Christendom en burgerlijk gezag
Versteende Rothko’s
Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid
Voorzichtige vooruitblik met paus Leo XIV en Terugblik...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 2: de...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 1: de...
Robert Francis Prevost, paus Leo XIV
Mijn Queer Kruisweg
Sacramenten: geschiedenis en veronderstellingen
Conclave en de Heilige Geest