Een historische overdenking van geestelijke ambten en wijding

De perspectieven op geestelijke ambten en de betekenis van wijding zijn tijdens de lange geschiedenis van de kerk aanzienlijk veranderd. Veranderingen doen zich voor. Maar het is ongelukkig dat belangrijke werkelijkheden ook kunnen worden genegeerd en begraven in het verleden. Dit is in het bijzonder waar voor, bijvoorbeeld, vrouwen in geestelijke ambten.

Na zijn dood en wederopstanding vatten de mannen en vrouwen die leerlingen van Jezus waren hun rol op als een van dienstwerk en hulp aan anderen. Uitgezonden om het Goede Nieuws van de Weg van Jezus te verspreiden, werden zij ‘apostelen’ genoemd, van het Griekse woord ‘apóstolos’, dat betekent ‘iemand die uitgezonden is’.

In de vroegste christelijke gemeenschappen bekleedden deze mannelijke en vrouwelijke apostelen een verscheidenheid aan geestelijke ambten; maar gewijd priesterschap was daar niet bij. In tegenstelling tot wat men soms hoort, heeft de historische Jezus niemand gewijd bij het Laatste Avondmaal. Veel mensen, onder wie een paar bisschoppen onder mijn vrienden, denken dat nog. Zij menen dat zij ‘apostolische opvolging’ hebben die hen verbindt met de door Jezus bij het Laatste Avondmaal gewijde apostelen. Maar tegenwoordig weten historisch theologen dat wijdingen ten tijde van het leven van Jezus niet eens bestonden. Het is eenvoudig te bewijzen dat er geen  ‘apostolische opvolging’ is, maar toch wordt zij nog door velen als een van de keurstempels van de ‘ware kerk’ gezien.

In zijn brieven noemt de apostel Paulus (ca. 4 v Chr. – ca. 65 n Chr.) een verscheidenheid aan charismatische gaven die ambten waren om plaatselijke christelijke gemeenschappen te helpen, hoewel die ambten niet gewijd waren in onze betekenis van het woord. Leden die bijvoorbeeld de gave hadden om te onderwijzen, hadden onderwijzen als ambt. Degenen die goed konden organiseren hadden het beheer van gemeenschapszaken als ambt. Degenen die de gave van het spreken hadden, hadden als ambt zich uit te spreken en de gemeenschap te vertellen wat zij diende te horen, als trouwe volgelingen van de Weg van Jezus.

Veel geleerden zijn het er tegenwoordig over eens dat de mannen en vrouwen die aan het hoofd van een huishouden stonden voorgingen bij de Maaltijd des Heren (Eucharistie), en gasten ontvingen in hun huizen. Elizabeth Schüssler Fiorenza (*1938), emerita hoogleraar in de Godgeleerdheid aan Harvard Divinity School, is een goed voorbeeld. Zij is een baanbrekende feministisch theologe wier boek In Memory of Her de rol van vrouwen benadrukt als leiders van thuiskerken. Omdat de Eucharistie oorspronkelijk een maaltijd was die thuis werd gevierd, stellen geleerden als Fiorenza dat vrouwelijke hoofden van huishoudens vanzelfsprekend voorgingen. In Memory of Her door Elizabeth Schüssler Fiorenza is een sleutelwerk in de feministische theologie, dat de vroege geschiedenis van het christendom onderzoekt door de lens van ervaringen en bijdragen van vrouwen. Oorspronkelijk verschenen in 1983 en herzien in 1994, gebruikt het boek een feministische kritische hermeneutiek en historisch-theologische methoden, om traditionele verhalen die vaak de rol van vrouwen in het christendom marginaliseren, ter discussie te stellen. Schüssler Fiorenza stelt dat vroegchristelijke teksten, grotendeels geschreven vanuit een patriarchaal perspectief, de activiteiten en het leiderschap van vrouwen historisch hebben weggelaten of afgezwakt, en zo hun bijdragen aan het geloof hebben vertekend. Zij poneert dat de beweging van Jezus begon als een ‘leerlingschap van gelijken’ en dat de maatschappelijke structuren van vroegchristelijke gemeenschappen leiderschap en deelname van vrouwen mogelijk maakten.

Terwijl christelijke gemeenschappen zich ontwikkelden, veranderden ambten en de wijze van benoemen van ambtsbekleders, om tegemoet te komen aan veranderende culturele omstandigheden en veranderende maatschappelijke behoeften. Presbyters, van het Griekse presbyteros (mannelijk) en presbytera (vrouwelijk), waren de leiders van gemeenschappen. Opzichters, later bisschoppen genoemd, van het Griekse epískopos (mannelijk) en epískopa (vrouwelijk) oefenden toezicht uit en gaven begeleiding in gemeenschapszaken, en aan diakens, van het Griekse diaconos (gebruikt voor vrouwen en mannen) werd het steunen van mensen in de gemeenschap toevertrouwd: het zorgen voor weduwen, liefdadigheidswerken, catechese, en het assisteren bij de doop.

De goedkeuring en zegen van de gemeenschap voor de verschillende ambten werd getoond door het opleggen van de handen, Deze ambten omvatten de leiding van de gemeenschappen, preken, profeteren, genezen, wonderen verrichten, spreken in tongen, en interpreteren wat er in tongen werd gezegd (zie 1 Korintiërs 12:12:30, Efeziërs 4:11-12, Romeinen 12:4-8 en 1 Korintiërs 12:4-11).

De Handelingen van de Apostelen, geschreven tussen ca. 90 en ca. 110 n. Chr., noemt het opleggen van handen voor presbyters, maar hier was het een vorm van zegening voor degenen die een geestelijk ambt uitoefenden. In de Joodse wereld werd het opleggen van de handen gedaan als een vader zijn kinderen wilde zegenen (zie Genesis 48:14-15).  We zien dat ook Jezus dit doet: Hij legt kinderen de handen op en zegent hen.

Voor de eerste drie eeuwen van het christendom hebben we geen direct bewijs voor wat later een wijdingsplechtigheid zou worden genoemd. Maar tegen het einde van de derde eeuw had het christendom een zich ontwikkelende organisatorische structuur, met aan het hoofd presbyters, toezichthouders (bisschoppen) en diakens.

Een eerste grote institutionele verandering werd ingevoerd door de Romeinse keizer Constantijn de Grote (272-337), die het christendom tijdens het Eerste Concilie van Nicaea, in 325, de institutionele structuur van een keizerrijk gaf. Door heidense symbolen, data en rituelen in de groeiende christelijke traditie te mengen, schiep hij een soort hybride keizerlijke godsdienst.

Constantijn, Romeinse keizer van 306 tot 337, institutionaliseerde en militariseerde het christendom in hoge mate, om het te gebruiken als verenigende en bestuurlijke kracht in zijn Romeinse Rijk. Constantijn werd in mei 337 op zijn sterfbed gedoopt, maar geleerden zijn het over het algemeen over eens dat zijn religieuze praktijk een mengsel van persoonlijke overtuigingen en berekenend politiek pragmatisme was. Zijn hele leven had hij heidense symbolen op zijn munten gebruikt, en elementen van de traditionele Romeinse staatsgodsdienst gehandhaafd.

Het Concilie van Nicaea van Constantijn stelde twintig canonieke wetten vast, die uitdrukkelijk de wijding van priesters reguleerden, om institutioneel gezag af te dwingen en orthodoxe normen te handhaven.

Maar het is belangrijk te verhelderen dat wijding destijds niet het doorgeven van een of andere ‘sacramentele macht’ betrof. Zoals de Belgische theoloog Edward Schillebeeckx O.P. (1914-2009) vaak zei over liturgisch leiderschap in deze tijd: ‘Je ging voor in de liturgie omdat je de leider van het volk was. Je ging niet voor omdat je gewijd was en de macht had te consacreren’.

Schillebeeckx is nog altijd bekend vanwege zijn monumentale boek Christus, sacrament van de Godsontmoeting (1959, Engelse vertaling 1964, herziene druk 1987)). Ik heb hem goed gekend. Hij was mijn hoogleraar in Nijmegen, en daarna jarenlang een vriend die ik regelmatig bezocht, tot kort voor zijn dood in 2009.

Deze week dacht ik aan prof. Schillebeeckx en een vraag die ik hem tijdens een van mijn bezoeken had gesteld. Ik zei: ‘Wat doen we met een tekort aan priesters en onze behoefte aan de Eucharistie?’. Hij keek me aan, lachte en zei: ‘We hebben geen gewijde priesters nodig voor de Eucharistie. De Eucharistie is de viering van de geloofsgemeenschap. Christus is aanwezig omdat hij leeft in en met gemeenschap. Hij is er niet omdat iemand sacramentele macht heeft’.

Historisch gezien werd de wijding oorspronkelijk opgevat als de zegening van de ambtsbekleder, en de verzekering aan de geloofsgemeenschap dat de gewijde man of vrouw bekwaam was, een ware gelovige, en betrouwbaar. Het was een soort kwaliteitscontrole voor het ambt.

Er is overvloedig bewijs dat in het Westen vrouwen tot ver in de Middeleeuwen werden gewijd als diakens en abdissen. Vrouwen bleven tot diakens gewijd worden in het Oosten, en werden gewijd in uiteenlopende geestelijke ambten. Veel hedendaagse geleerden zijn het eens met Gary Macy, emeritus hoogleraar theologie aan Santa Clara University in California. Macy benadrukt dat tijdens de eerste twaalfhonderd jaar van het christendom, vrouwen werden gewijd als presbyters en bisschoppen. Ik vind de argumenten in zijn boek The Hidden History of Women’s Ordination (2007) overtuigend en goed onderbouwd.

Kijkend naar de geschiedenis van wijdingen, is het bijzonder opmerkelijk dat in de twaalfde eeuw, bekend als de Hoge Middeleeuwen, de wijding veranderde van de oorspronkelijke opvatting als zegening voor verschillende geestelijke ambten ten dienste van een bepaalde gemeenschap, naar het schenken van de sacramentele macht het sacrament van het Lichaam en Bloed van de Heer ‘te consacreren’ (in te zegenen).

De nieuwe middeleeuwse opvatting hield in dat de gewijde persoon behoorde tot een hogere sociale laag in de kerk. De klasseloze en egalitaire kerk van het vroege christendom verdween eenvoudig. Ik herinner mij maar al te goed de woorden van een inmiddels overleden vriend, een bisschop. Hij feliciteerde mij toen ik doctor in de theologie werd, maar voegde met een lach toe: ‘Ik heb geen doctoraat, maar ik heb sacramentele macht. Jij niet. Je kunt prachtige dingen  zeggen en doceren. Maar ik kan binnen een minuut de instellingswoorden zeggen, en hup, Jezus is aanwezig op het altaar!’

Geschiedenis is belangrijk. We moeten ons tegenwoordig herinneren, en de werkelijkheid leven, dat Christus aanwezig is en werkzaam in de geloofsgemeenschap. Dat is de fundamentele ‘werkelijke aanwezigheid’.

We lezen in Matteüs 18:20: ‘Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.’ Jezus belooft werkelijk aanwezig te zijn wanneer zijn volgelingen samenkomen. In Johannes 15:5 lezen we: ‘Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets’.

Dit is ons christelijk geloof. Het motiveert en steunt ons.

 

(vertaling: Herman Simissen)

 

Reageren? Mail naar jadleuven@gmail.com

 

John Alonzo Dick (*1943) bekleedde als derde the Chair for the Study of Religion and Values in American Society aan de KU Leuven. Hij is voormalig academisch decaan van het American College van de KU Leuven en hoogleraar. Hij publiceerde onder meer samen met K. Schelkens en J. Mettepenningen A Aggiornamento? Catholicism from Gregory XVI to Benedict XVI (Brill, Leiden en Boston, 2013). Recent verscheen zijn biografie Jean Jadot: Paul’s Man in Washington (Another Voice Publications 2021), over de Belgische bisschop Jean Jadot, van 1973 tot 1980 Apostolisch Afgevaardigde in de Verenigde Staten. In juni 2025 verscheen zijn boek Another Voice. Contemporary Theological & Ethical Reflections.

 

 

 

De kerkelijke leer kan veranderen
Een historische overdenking van geestelijke ambten en wijding
Spiritualiteit
Preken voor eigen parochie
Christelijk nationalisme
Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond...
Een hedendaags katholiek probleem
Geen theïst, geen atheïst, geen agnost, maar wat...
Theologische perspectieven op menselijke seksualiteit
Nachtmis
Ruimte voor reflectie en spirituele groei openen met...
Vrouwelijke pioniers
Opus Dei en Project 2025
Gedachten over God
Interpretatie en vertaling van de Bijbel
Christendom en burgerlijk gezag
Versteende Rothko’s
Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid
Voorzichtige vooruitblik met paus Leo XIV en Terugblik...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 2: de...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 1: de...
Robert Francis Prevost, paus Leo XIV
Mijn Queer Kruisweg
Sacramenten: geschiedenis en veronderstellingen
Conclave en de Heilige Geest
Adam’s Apples: een absurdistisch bekeringsverhaal
Katholieke liefdadigheid
Grenzen verleggen
Troubled Water en het bevrijdende van het christendom
Op de brandstapel met de kerstman!