Over de Dom en de Gross Sankt Martin in Keulen
Wie met de trein in Keulen aankomt en het centrale station uitloopt stuit onmiddellijk op een monumentale en duistere aanwezigheid: de gotische Dom. De kathedraal heeft een sombere kleurstelling en is op sommige plekken bijna zwartgeblakerd. Die huid is de erfenis van de uitstoot van de zware industrie. Het bouwwerk is op zijn ontzagwekkends wanneer je bij de hoofdingang langs de 157 meter hoge torens naar boven kijkt. Het zicht langs de twee verticale lijnen doet meer dan recht aan de frase ‘boven je uit torenen’.
De architectuur van de Dom is gebaseerd op de Franse Gotiek, met name op de kathedraal van Amiens. In 1248 werden de eerste stenen gelegd, na drie eeuwen werd gestopt met bouwen. Er was geldgebrek, en de gotiek raakte uit de gratie en werd vervangen door renaissancestijlen. Vervolgens lag de bouw bijna drie eeuwen stil, tot ze in 1823 hervat werd. Daarna ging het ‘snel’, in 1880 vond de inwijding plaats.
Binnengekomen kijk je als vanzelf, langs de pilaren van het middenschip, naar het einde van het koor meer dan honderd meter verder in oostelijke richting. Die pilaren zijn een erewacht voor het goddelijke licht dat daar door de gebrandschilderde ramen schittert. Ik gebruik opzettelijk het woord ‘goddelijk’ want in de gotiek is licht dé verbeelding van het goddelijke. Om dat te verduidelijken maak ik een korte omweg langs de spiritualiteit van de gotische en de daaraan voorafgaande romaanse bouwstijl.

De spiritualiteit van het romaans en de gotiek
Tussen 950 en 1150 domineren romaanse vormen de westerse kerkbouw. De in het oog springende karakteristieken van het romaans zijn zware muurpartijen en het gebruik van de rondboog voor gewelven, deuren en ramen. Het spirituele klimaat van dit tijdvak kenmerkt zich door angst en onmacht.[1] Het wereldse deugt niet, de mens is zondig en schuldig, het natuurlijke vuil en zompig. Mensen, al zijn ze van deze wereld, keren zich af van de wereld. Tegenover het wereldse staat een almachtige en in Zijn woede niet te temperen God. De romaanse mens voelt zich vermorzeld door een immens bestaansmysterie.
Die bestaansangsten zijn enigszins te temperen en degenen die daartoe geroepen zijn, zijn de ordegeestelijken, de monniken. Zij bemiddelen tussen het menselijke en het goddelijke. Hun woonoorden, de abdijen gebouwd in romaanse stijl, zijn plekken van hoop en zuiverheid. Die plaatsen zijn een toevlucht voor de onvoorspelbare almacht van de Heer.
De kerken en de abdijen worden als een offer worden aangeboden aan een allesoverheersende God. Zo poogt men het met de godheid op een akkoordje te gooien. Het romaans heeft een magisch karakter. Maar het offer is meer dan een poging de mensheid te verzoenen met God. De monniken weten van de door God ingestelde orde en proberen die in hun architectuur zichtbaar te maken. Met de harmonieuze verhoudingen waarin de romaanse abdijen worden opgetrokken willen de monniken de Goddelijke inrichting van alles uitbeelden. De romaanse architectuur is een manier van inwijden, een vorm van openbaren van de goddelijke orde. Die wordt op deze manier, zichtbaar voor iedereen, ten toon gespreid en vereerd.
Vanaf 1150 bepaalt de gotiek voor drie eeuwen de kerkarchitectuur. Kenmerkend voor de gotiek zijn de spitsboog en het accentueren van hoogte. De gotiek heeft een sterk verticaal karakter. Het spirituele beleven van de gotiek is fundamenteel anders dan dat van het romaans. Is er bij de romaanse mens onrust en angst om de wereld, bij de gotische is er vreugde. De wereld en de natuur worden niet langer beleefd als zondig en schuldig, maar als manifestaties van God. God is licht, en al het bestaande weerkaatst dit licht. Daarmee is alles wat bestaat een openbaring van het Hogere. Natuur, aarde en mens zijn niet langer zondig, in de gotiek wordt het aardse positief beleefd.
In het licht wil de gotiek de schoonheid van de schepping zichtbaar maken. Veelkleurig glas moet het goddelijke licht vangen en goed laten uitkomen. De glasschilderijen in de hoge gotische ramen komen in de plaats van de robuuste romaanse stenen muren. Technisch is de vervanging van muur door raam mogelijk door nieuwe bouwtechnieken. Pilaren, en niet langer muren, dragen het bouwwerk. In de beschilderde ramen worden de verhalen over God en mens opgetekend. Goddelijk licht, gefilterd door in veelkleurige glas vervatte religieuze gestalten, valt op de vloeren van de kathedralen.
In de Keulse Dom
Terug naar de gotische Dom. De vele bezoekers lopen langzaam, maar niet ingetogen of eerbiedig, hun tred is eerder nieuwsgierig. Het is een slenteren dat past bij het bezichtigen van een bezienswaardigheid. Hier zijn toeristen drukdoende zich te verbazen, voortdurend wordt geattendeerd en gefotografeerd. De gang van de bezoekers door de kathedraal heeft iets onbestemd zoekends, iets doelloos, alsof zij niet precies weten waarom zij hier zijn en wat zij hier moeten doen.
En altijd is er geluid. De klanken dringen zich niet op, ze zijn zonder contouren, maar ze zijn onmiskenbaar aanwezig. Mensen spreken elkaar toe; gedempt, fluisterend, soms met een enkel woord, soms in een halve zin. Het geluid in de Dom is de optelsom van dit gemompel, sjokkende schoenzolen en over elkaar schuivende kledingstukken.
De geur is wat muffig, het ruikt naar tapijt dat te weinig is gereinigd. Het is de geur van het regenvocht (het is een druilerige dag) dat de bezoekers mee naar binnen brengen.
De ruimtelijkheid van de Dom is imposant. Door alle beweging, geur en rumoer heen dringt zich een grootheid op die van meer dan menselijke maat is. Waar je ook kijkt, links, rechts of omhoog, overal zie je in de verte. Deze ruimte maakt je klein. Dat is een gepaste ervaring voor het bezoek aan een kathedraal zou je zeggen, maar het staat in het teken van ‘te veel’: een woud van pilaren en zuilen, de oude gekleurde ramen, het zo mogelijk nog imposantere nieuwe glas-in-lood raam van Gerhard Richter, dat uit meer dan 11.000 vierkante stukjes gekleurd glas bestaat, de schrijn van de drie koningen, de schatkamer. Van deze overmaat aan indrukken gaat geen rust uit. Iedereen moet dit ontzagwekkende bouwwerk minstens eenmaal in zijn leven bezoeken, maar daarna moet je verder Keulen in; naar de Altstadt, naar de romaanse Gross Sankt Martin.
De Gross Sankt Martin
Vanaf de Dom is het door de Keulse binnenstad vijf minuten lopen naar de Gross Sankt Martin. Via een paar straten met kleine winkels, hotels, musea en bierhuizen met een eigen brouwerij, kom je na even zoeken deze kerk binnen door een smalle zijingang. De Gross Sankt Martin is gebouwd als een abdijkerk van de Benedictijnen. In 1150 werd met de bouw begonnen, in 1172 werd ze gewijd en in 1250, na een brand, in de huidige vorm voltooid. De Gross Sankt Martin is laat-romaans.
Als je de kerk binnenkomt sta je vanzelf stil om de ruimte in je op te nemen. Het eerste wat je ziet is een wand met een roosvenster met blank glas. Daarboven bevindt zich een tweede raam, ook met blank glas, dat wordt afgerond met een rondboog.

De Gross Sankt Martin is een goed geproportioneerde en evenwichtig opgebouwde kerk, basaal en sober van karakter. De muurvlakken zijn goed over de ruimte verdeeld. Waar je je ook in deze kerk bevindt, overal is ze overzichtelijk en te overzien. Er zijn weinig bezoekers, er is weinig beweging, er is evenwicht, harmonie en gevoel voor maat. Een enkele keer dringt van buiten een rommelig geluid door. Geluid dat afkomstig is van het treinverkeer op de nabijgelegen spoorbrug of uit de U-bahn. Wanneer het kabaal is weggeëbd valt de verstilling des te meer op.
De muren zijn kaal. Al moet worden opgemerkt dat romaanse kerken oorspronkelijk vaak bekleed waren met fresco’s en wandtapijten. Die wandbedekking ging in de loop van de tijd veelal verloren. Wanneer je een tijdje naar de kale wanden en lege muurvlakken kijkt blijken die ogenschijnlijk lege vlakken rijk aan tekening, deze muren zonder enige voorstelling betoveren. Bij deze muurvlakken stokt je denken aan van alles en nog wat.
Een spiritualiteit van de vergeefsheid
Bij het bezoek aan romaanse en gotische kerken worden wij, bewoners van de eenentwintigste eeuw, niets meer gewaar van de oorspronkelijke spirituele inspiratie van deze bouwstijlen. Maar al zijn deze oude kerken met een andere spirituele inzet gebouwd, dat neemt niet weg dat je je wel de vraag kunt stellen of zij nog betekenis kunnen hebben voor het hedendaagse spirituele beleven.
De hedendaagse spiritualiteit gaat op in het aardse leven, zij is gericht op de mens zelf. De bestaansopdracht is jezelf maximaal te ontplooien, alles wat je in je hebt te ontwikkelen, het beste uit jezelf te halen. Het leven is pas geslaagd wanneer je perfect bent, wanneer je een ideale versie van jezelf hebt verwerkelijkt.[2]
Deze spiritualiteit is problematisch. De eis om een ideale versie van jezelf neer te zetten is een aanmaning om altijd meer, altijd anders te worden. Een dergelijke opdracht is grenzeloos, telkens doemt er een nieuwe eis op. Zo word je voor jezelf erg vermoeiend. Telkens is er een innerlijk dictaat dat je aanspoort jezelf te verbeteren.[3] Het leven wordt een race zonder einde, waarbij je telkens struikelt. Deze spiritualiteit is gedoemd te mislukken. Daarom kun je haar ook een spiritualiteit van de vergeefsheid noemen.
Die achtervolging van jezelf, door jezelf, is een plaag. ‘Mij lukt het vaak niet mijn “ik” af te schudden. Het is mijn grote droom om een keer gedachteloos te zijn […] maar mijn ik voelt als een stalker, die me overal en altijd weet op te sporen’, schreef een columniste.[4] Treffend typeert zij de verhouding tot zichzelf als die van een stalker die zichzelf, haar zelf, voortdurend op de hielen zit. Ze wil van die stalker af, ze zoekt naar ‘verlossing’ van zichzelf.
Kerken en de spiritualiteit van de vergeefsheid
Bij die ‘verlossing’ kunnen kerken een rol vervullen.[5] Vaak staan de deuren open en kun je er even rondslenteren of stil gaan zitten. Je kunt je overgeven aan de ruimte, zonder dat je daarbij door een ander of jezelf wordt aangesproken. Je kunt er onbekommerd je ziel een tijdje laten dobberen, zonder dat je maar wat dan ook hoeft. Je lost op in de ruimte waar je je bevindt. De innerlijke stalker is bij de deur van de kerk achtergebleven, in plaats daarvan is er rust en weldadige leegte.
Deze leegte oproepen lukt sommige kerken beter dan andere, het lukt de Gross Sankt Martin beter dan de Keulse Dom. In de Dom is van alles te horen en te zien: de wandschilderingen, het beeldhouwwerk, de betegelde vloeren, de kerkschatten, de raamschilderijen, de graftombes, de klanken van het koor en de melodieuze stem van de voorganger bij de mis. Alles is de moeite waard, niets is zonder betekenis, er is veel te beleven. En dat is het probleem, er is te veel te beleven. In de overmaat aan indrukken en belevingen komt iets essentieels niet aan de orde, namelijk stilte. Rust en stilte voor ogen en oren, een zwijgen van alles. In de Gross Sankt Martin is er dat zwijgen. In deze kerk is geen voortdurende prikkeling en afleiding. In deze kerk zijn, je er laten absorberen door de kale muren, heeft hetzelfde effect als het kijken naar de ogenschijnlijk monotone schilderijen van Mark Rothko.
Versteende Rothko’s
Zowel de wanden van de romaanse Gross Sankt Martin als de doeken van Mark Rothko zijn zonder voorstellingen. Rothko vond dat de toeschouwers hun ideeën over zijn schilderijen moesten laten voor wat ze waren, hij wilde dat zijn doeken ongrijpbaar bleven.[6] Daarom gaf hij zijn schilderijen vaak geen titel en duidde hij ze aan met een getal of benoemde hij ze naar de dominerende kleuren. Wanneer Rothko wilde dat de toeschouwers bij zijn doeken zwegen, bedoelde hij daarmee niet alleen dat ze moesten afzien van gebabbel, maar ook dat zij het voortdurende innerlijke gesprek, dat aanhoudende geredetwist met de innerlijke stalker, moesten stilleggen. In de verstomming die de toeschouwers dan gewaarworden, worden zij voor een moment bevrijd van het alledaagse rumoer, tenminste, als zij geluk hebben. Dan zijn zij voor even verlost van alle zorgen om het zelf, en is er een tel van onthechting.
De wanden van de Gross Sankt Martin hebben ook dat effect. Ze onttrekken zich aan het spektakel van iedere dag, net zoals de doeken van Rothko. Al verschillen de Gross Sankt Martin en de schilderijen van Rothko in materiaal en kleurstelling, ze brengen hetzelfde teweeg; stilte. De Keulse Dom daarentegen is een voortzetting van het alledaagse kabaal. In de Dom gaat het geraas van de grootsteedse drukte van het centrum van Keulen verder, terwijl die herrie stopt zodra je de Gross Sankt Martin binnenkomt. Bij de wanden van de Gross Sankt Martin kun je in het niets staren, net zoals bij de doeken van Rothko. Je kunt er alle voorstellingen, ook die van het zelf, voor even laten. De wanden van de Gross Sankt Martin zijn versteende Rothko’s. Ze verlossen voor even van de vergeefsheid.
Hessel Zondag is cultuurpsycholoog en was voor mijn pensionering werkzaam bij de Universiteit van Tilburg en de Radboud Universiteit Nijmegen.