Het katholicisme heeft eeuwenlang een diepgaande invloed gehad op de ontwikkeling van de Europese cultuur. Van architectuur en literatuur tot kunst en liturgie: de sporen ervan zijn overal zichtbaar en vormen een essentieel onderdeel van het culturele erfgoed van het Westen, Europa, of het Avondland. In dit artikel onderzoek ik het belang van literatuur voor onze verbeelding, en in het bijzonder hoe katholieke literatuur kan bijdragen aan het openhouden van onze verbeelding op de moeilijke vragen die onze hedendaagse samenleving (onvermijdelijk) oproept. In het eerste deel van dit artikel sta ik stil bij de rol die literatuur kan spelen in het verkennen en verbeelden van religieuze thema’s. Literatuur biedt immers niet alleen een venster op geloof en spiritualiteit, maar ook een ruimte waarin deze thema’s kritisch kunnen worden bevraagd. Vervolgens bespreek ik twee werken uit het midden van de twintigste eeuw die op indringende wijze laten zien hoe literatuur de essentie van het katholicisme kan raken én uitdagen.
Belang van literatuur: Paus Franciscus en verhalen vertellen
Paus Franciscus (1936-2025) kon als geen ander tot de verbeelding spreken. Hij benadrukte het belang van literatuur en verhalen vertellen op verschillende momenten in zijn pontificaat. Omwille van de beknoptheid van dit artikel sta ik eerst stil bij een tekst naar aanleiding van de werelddag voor communicatie in 2020 en vervolgens bij een toespraak over vorming uit 2024.
In zijn boodschap naar aanleiding van de werelddag voor communicatie benadrukt paus Franciscus het fundamentele belang van verhalen voor menselijke communicatie en identiteit.[1] Verhalen vormen ons, ze geven betekenis aan ons leven en verbinden generaties met elkaar. In een wereld vol lawaai en tegenstrijdige boodschappen pleit hij voor ‘goede verhalen’. Dat zijn volgens hem verhalen die opbouwen, aantonen waar we geworteld zijn en die ons hoop bieden. Wanneer de paus stelt dat de mens van nature een verhalenverteller is, doet hij in wezen een antropologische uitspraak. Al van jongs af aan verlangen mensen naar verhalen die hen helpen te begrijpen wie ze zijn en hoe ze zich tot anderen verhouden. Verhalen vormen zo niet alleen een bron van vermaak, maar ook een fundament voor identiteit, zingeving en verbondenheid. Tegelijkertijd waarschuwt de paus voor destructieve verhalen. Dit zijn verhalen die communicatie misbruiken of manipuleren, verdeeldheid zaaien en de menselijke waardigheid ondermijnen. Hij benadrukt hoe cruciaal het is om bewust te kiezen voor verhalen die waarachtig, goed en mooi zijn.
Paus Franciscus noemt de Bijbel het ‘verhaal der verhalen’ waarin God zich openbaart als verteller én deelneemt aan de menselijke geschiedenis. Jezus sprak in parabels om Gods liefde tastbaar te maken, en de evangelies nodigen uit tot deelname aan het leven van Christus. Omdat God mens is geworden, draagt, nog steeds volgens de paus, elke menselijke geschiedenis een goddelijke dimensie. Daarom, zegt hij, verdienen mensen verhalen die hun waardigheid weerspiegelen, verhalen van liefde, verlossing en hoop, zoals die van de heiligen en grote literaire werken.
Opvallend is dat paus Franciscus in deze relatief korte boodschap niet aangeeft welke grote literaire werken hij bedoelt. Ook in een tweede boodschap, waarin hij het belang van literatuur benadrukt voor de vorming van wie actief is in het pastoraal werk, blijft hij op dat vlak vaag.[2] Hij benadrukt echter wel het belang van literatuur, in het bijzonder romans en poëzie, voor persoonlijke en geestelijke vorming, niet alleen van priesters, maar van alle christenen. Literatuur helpt mensen om innerlijke rust te vinden in moeilijke momenten en biedt een alternatief voor de oppervlakkigheid van digitale media. Lezen opent nieuwe innerlijke ruimtes en bevordert op die manier ook persoonlijke groei. In tegenstelling tot audiovisuele media vereist literatuur actieve betrokkenheid van de lezer, die het verhaal herinterpreteert en verrijkt met eigen ervaringen. Zo ontstaat een unieke dialoog tussen tekst en lezer, die leidt tot verdieping van het zelfbegrip en wereldbeeld.
Franciscus betreurt dat literatuur vaak als een ‘minderwaardige kunst’ wordt beschouwd in bijvoorbeeld priesteropleidingen. Voor hem moet literatuur een centrale plaats krijgen in de vorming, omdat ze toegang biedt tot de kern van menselijke cultuur en existentie. Hij verwijst naar zijn eigen ervaring als literatuurdocent, waar studenten via eigentijdse werken een bredere literaire smaak ontwikkelden.[3] Literatuur is ook essentieel voor geloofscommunicatie. Ze helpt gelovigen om in dialoog te treden met de cultuur van hun tijd en om de menselijke ervaring in al haar diepte te begrijpen. Basilius van Caesarea en Paulus op de Areopaag gebruikten klassieke literatuur om het evangelie te verkondigen. Tot slot stelt Franciscus dat literatuur een vorm van geestelijke onderscheiding is die kan helpen om het mysterie van Christus en de mens werkelijk te doorgronden.[4]
In wat volgt ga ik dieper in op het belang van christelijke, en in het bijzonder katholieke, literatuur. Dat doe ik via een omweg langs een analyse van Guido Vanheeswijck. Hij merkte in 2019 op dat de aandacht voor religieuze literatuur vandaag vaak beperkt is. Vervolgens wil ik twee werken aanhalen die voor mij gedaan hebben wat paus Franciscus noemt, ‘het openen van ruimte in het hart’.[5] In die zin is dit werk ook enigszins autobiografisch, maar ik geloof dat deze werken het creatieve en kritische potentieel van literatuur belichamen en overvloedig materiaal aanreiken voor academische reflectie.
Vanheeswijck over de cultuurscheppende kracht van het katholicisme
In Vlaamse en Nederlandse context merkt cultuurfilosoof Guido Vanheeswijck op dat literatuur de tanende invloed en tegenwoordigheid van religie vanaf de jaren ‘60 weerspiegelt. De secularisatie toont z’n impact in alle aspecten van de samenleving. Het werd zelfs bijna gemeengoed om de afval van of de uittocht uit religie op schrift te stellen. In Vlaamse context vermeldt Vanheeswijck daarbij Hugo Claus als exponent van deze beweging.[6] Daarbij schrijft Vanheeswijck over de hedendaagse situatie:
Het feit dat je noch in Nederland, noch in Vlaanderen één hedendaagse roman met een religieuze hoofdpersoon kunt lezen over wie op een complexe manier wordt geschreven, vindt zijn voedingsbodem in de uitsluitend culturele interesse voor de buitenkant van de christelijke traditie, die hand in hand gaat met een afkeer van de religieuze inhoud – de binnenkant – van de christelijke traditie en doorgaans met een schromelijk gebrek aan kennis daarvan.’[7]
In 2025-2026 zou Vanheeswijck zijn uitspraak wellicht met iets meer nuance formuleren. In het huidige literaire landschap zijn namelijk auteurs als Kristien Hemmerechts en Christophe Vekeman duidelijk actief binnen de christelijke, en meer specifiek de katholieke, traditie. Bovendien worden zij door de katholieke gemeenschap zelf gepresenteerd, verwelkomd en geëtaleerd. Desalniettemin is dit (nog) geen terugkeer naar de cultuurscheppende (en misschien ook wel beknottende[8]) kracht die het katholicisme in Vlaanderen ooit geweest is. Als er al sprake is van een terugkeer naar religie vandaag dan is dat vaak, zoals opnieuw Vanheeswijck aangeeft, ook, maar niet noodzakelijk uitsluitend, met een sterk identitaire component. Het katholieke verhaal kan aantrekkingskracht hebben als eens soort van tribale of uitwendige identiteit, maar Vanheeswijck beklemtoont dat dit vaak een reactionaire houding is tegen het verlies van de grote verhalen. In de plaats van de grote verhalen komen er dan vormen van identiteitspolitiek die, te pas en te onpas, ook uit de christelijke traditie komen lenen en dat inpassen in de eigen politiek.[9] Met zijn scherpe analyse sluit de kritiek van Vanheeswijck nauw aan bij die van paus Franciscus, die wijst op hoe sommige verhalen opbouwen, terwijl andere juist afbreken of zelfs destructief kunnen zijn.
Wat Vanheeswijck hier aantoont, is dat mensen vandaag kunnen putten uit verschillende bronnen om vorm te geven aan de eigen identiteit. Dat vraagt echter meer ‘werk’ dan vroeger omdat bepaalde taalregisters of gedeelde overkoepelende kaders niet meer bestaan, niet meer toegankelijk zijn of stammen uit een tijd die lang voorbij is waardoor ze telkens ook herarticulatie vragen. Vanheeswijck formuleert die vraag scherp wanneer hij stelt: ‘Hebben we de taal zozeer verengd dat we dan maar beter zwijgen, omdat we toch niet over God kunnen spreken, omdat we toch niet worden begrepen?’[10] De meer fundamentele filosofische vragen laat ik hier even buiten beschouwing, om mij te richten op twee auteurs die, juist omdat zij diepgeworteld waren in het katholicisme, deze traditie van binnenuit konden beschrijven, analyseren én bevragen.
Het katholicisme beleefd: twee literaire voorbeelden
Twee voorbeelden uit de Engelstalige literatuur van het midden van de twintigste eeuw kunnen illustratief zijn voor wat ik in dit artikel wil laten zien. De keuze voor auteurs uit/in de Amerikaanse context is geenszins toevallig. In het licht van de maatschappelijke polarisatie en de complexe rol van de katholieke kerk binnen de Amerikaanse politiek, heeft hun werk aan relevantie gewonnen. Bovendien is er vandaag voor het eerst een paus met Amerikaanse wortels – iets wat de auteurs die ik bespreek zich wellicht nooit hadden kunnen voorstellen, al hintte een van beide auteurs er wel op in zijn boek.
Het eerste boek dat ik bespreek is The Cardinal uit 1950 van Henry Morton Robinson (1898–1961), die het Amerikaanse katholicisme van het midden van de twintigste eeuw zo beeldend beschrijft dat het tastbaar wordt.[11] Het is in dit boek dat er melding wordt gemaakt van een mogelijke Amerikaanse paus, weliswaar als een soort van verre toekomstmuziek. (blz. 547) In een tweede beweging kijk ik naar The Power and the Glory uit 1940 van Graham Greene (1904–1991), een werk dat bij verschijnen tot controverse leidde, maar dat tot op vandaag de complexiteit en het unieke karakter van het katholicisme zichtbaar maakt.[12] Beide werken bieden een venster op hoe literatuur, geworteld in de complexiteit van het katholicisme, deze ook van binnenuit kan bevragen.
The Power and the Glory
In The Power and the Glory vertelt Greene het verhaal van een naamloze en zich van zijn eigen zondigheid bewuste priester die zichzelf aanduidt (en door anderen aangeduid wordt) als ‘whiskypriester’. Het verhaal speelt zich af in het Mexico van de jaren 1930 tijdens een periode van hevige antiklerikale vervolging. De katholieke kerk is verboden, priesters worden opgejaagd, en velen hebben hun ambt neergelegd, zijn gevlucht of hebben zich bij de nieuwe situatie neergelegd. Sommigen zijn zelfs, op bevel van de staat, in het huwelijk getreden zoals de onfortuinlijke padre José. De naamloze priester van Greene blijft zijn sacramentele taken vervullen, ondanks zijn angst, alcoholverslaving en lange lijst aan morele tekortkomingen.
Greene toont hoe deze gebroken man, juist door en in zijn zwakheid, een diepere vorm van genade en heiligheid belichaamt en in de wereld aanwezig brengt (een zekere vorm van sacramentaliteit). Terwijl hij vlucht voor de autoriteiten komt hij in contact met verschillende mensen die zijn geloof en zijn menselijkheid uitdagen en op de proef stellen. Uiteindelijk keert hij terug naar een gevaarlijke regio om een stervende man de biecht af te nemen en de laatste sacramenten toe te dienen, wetende dat dit zijn arrestatie en mogelijk executie zal betekenen. In het boek benadert Greene een lange lijst aan moeilijke thema’s zoals genade, zonde, martelaarschap en de paradox van heiligheid in de menselijke gebrokenheid. Hij stelt moeilijke en dieptheologische vragen zonder gemakkelijke antwoorden te geven. Het boek is net hierdoor, door de ongemakkelijkheid van de vragen en het uitblijven van de antwoorden, een diepreligieuze roman die de complexiteit van geloof en geweten centraal stelt.
The Cardinal
Zonder in al te veel detail te treden om toekomstige lezers het gras niet voor de voeten weg te maaien, vat ik ook kort The Cardinal samen. Het boek vertelt het fictieve en geïdealiseerde levensverhaal van Stephen Fermoyle, een jonge priester uit een arbeidersgezin met Ierse roots in Boston. Zoals de titel van het boek het al aangeeft, wordt Fermoyle uiteindelijk ook kardinaal. Het verhaal begint rond de Eerste Wereldoorlog en volgt Fermoyle door zijn opleiding in Rome, zijn eerste pastorale opdrachten in de VS, en zijn geleidelijke klim binnen de kerkelijke hiërarchie (onderpastoor, pastoor, monseigneur, bisschop, aartsbisschop en uiteindelijk kardinaal). Op fijnmazige manier portretteert Robinson een jonge priester die wordt geconfronteerd met morele dilemma’s, persoonlijke tragedies, en sociale spanningen, waaronder antisemitisme, racisme en absolute armoede.
Robinson schetst Fermoyle als een principiële, intelligente en empathische man, die ondanks zijn eigen zwakheden trouw blijft aan zijn roeping God in alles te dienen. Zijn spirituele groei en zijn confrontaties met kerkelijke en wereldlijke macht vormen de kern van het verhaal en schetsen een man van vlees en bloed. De roman is ook rijk aan theologische, liturgische en typische kerkelijk-katholieke details en op die manier verweeft Robinson fictieve gebeurtenissen met historische figuren.
Wat staat er op het spel?
Henry Morton Robinson schetst in zijn boek een voor de meeste Vlamingen lang vervlogen tijd. De katholieke kerk waar Fermoyle als hoofdpersonage deel van uitmaakt, is vitaal, levendig, alom present, moreel hoogstaand en veeleisend en caritatief betrokken op de gehele maatschappij. In dat opzicht vertoont de kerk die hij portretteert sterke gelijkenissen met de katholieke kerk uit het rijke roomse leven in Vlaanderen. In schril contrast met de hedendaagse situatie in de Verenigde Staten echter staan katholieken in de roman politiek geïsoleerd.
Bij het lezen van dit boek dient de lezer dan ook in het achterhoofd te houden dat er bij publicatie nog geen twee katholieke presidenten waren verkozen (J.F. Kennedy van 1961 tot 1963 en Joe Biden van 2021-2025). In de verschillende dialogen doorheen het boek wordt duidelijk dat zoiets onmogelijk geacht wordt. Het idee dat katholieken afhankelijk zouden zijn van een buitenlandse (religieuze) macht, met name het Vaticaan en de paus, is voor veel Amerikanen een doorn in het oog. Een fascinerende passage speelt zich dan ook af wanneer een ‘militante protestant’ een democratische katholieke gouverneur van een staat aanvalt op zijn ‘alliantie en toewijding aan Rome’. In het verloop van het verhaal zal deze gouverneur, bijgestaan door de broer van Stephen Fermoyle, de democratische nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhalen, maar uiteindelijk delft hij als katholiek in de eigenlijke presidentsverkiezingen het onderspit tegen een protestantse republikein. (blz. 437-445)
De Amerikaanse context van de vroege twintigste eeuw leidt tot de opmerkelijke situatie waarin verschillende katholieke hoofdpersonages het democratische bestel van de Verenigde Staten en de waarde van de Amerikaanse Grondwet vurig verdedigingen (zie bijvoorbeeld blz. 392-393 en 520 ff), en daarbij soms zelfs expliciet ingaan tegen curiekardinalen zoals de kardinaal-staatsecretaris die democratie benoemt als een van de vele mogelijkheden om een staat te besturen en niet noodzakelijk de beste. De kardinaal staatssecretaris moedigt Fermoyle, die op dat moment op het Staatssecretariaat werkt, zelfs aan om zijn vurig patriottisme in te tomen. (blz. 320-322) Ook vandaag blijft democratie in de kerk een moeilijk gegeven.
Het verwijt ten opzichte van de gehoorzaamheid van katholieken in de VS aan buitenlandse machten in The Cardinal staat in schril contrast met bijvoorbeeld de tegenwind waarmee Joe Biden tijdens zijn ambtstermijn af te rekenen had als katholiek. Ook Nancy Pelosi, als voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, werd in haar eigen bisdom uitgesloten van de communie omwille van haar standpunt over abortus. In de twintigste eeuw werden katholieke politici op de korrel genomen omdat ze te katholiek zouden zijn, in de eenentwintigste eeuw worden ze bekritiseerd omdat ze niet katholiek genoeg zijn en te liberale ethische standpunten innemen. In het bijzonder het verwijt van de absolute en blinde afhankelijkheid van een onfeilbaar buitenlands staatshoofd wordt door Henry Morton Robinson elegant en humoristisch gepareerd. In de roman relativeert de oude kardinaal Gibbons de pauselijke onfeilbaarheid met de opmerking dat de paus hem onlangs nog ‘kardinaal Jibbons’ noemde. (blz. 229 en 366)
Minder luchtig in de roman zijn de passages die over ethische thema’s gaan. De zwager van Fermoyle, Dr. John Byrne, weigert vroeg in het boek een clausule in een lucratief arbeidscontract te tekenen die hem zou verplichten abortussen uit te voeren om het leven van de moeder te redden. (blz. 86-88) Ook later in het boek, wanneer de jongere zus van op dat moment nog eenvoudigweg eerwaarde Fermoyle zwanger is en dreigt te sterven tijdens de bevalling, weigert Fermoyle een craniotomie toe te staan om het leven van zijn zus te redden. De auteur stelt dat heel scherp door het hoofdpersonage hardop te laten zeggen dat er in zulke zaken geen ruimte is voor een persoonlijk oordeel en hij zich eenvoudigweg neerlegt bij wat de kerk leert. (blz. 277). Op het einde van het boek is hij dan ook bijzonder verheugd dat hij de ingreep niet heeft laten plaatsvinden omdat het kind van zijn zus de bevalling wel overleefd heeft, ten koste van het leven van de moeder, en een succesvolle pianiste is geworden. (blz. 539)
Vanuit een ethisch progressieve context zoals Vlaanderen doet deze passage misschien vreemd aan, maar in een interview met Rik Torfs is dit net de positie die kardinaal Gerhard Ludwig Müller inneemt. Om leven van de moeder te redden kunnen artsen zich niet zomaar alles veroorloven volgens hem. Müller lijkt begrip op te brengen voor de moeilijke positie waarin artsen zich soms bevinden, maar vanuit de uitzonderingen ziet hij geen reden om de algemene en absolute regel, namelijk dat abortus nooit toegestaan is, aan te passen. Torfs probeert nuance in het debat te brengen, maar voor Müller is het glashelder, er zijn absolute principes waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. Een kind in de baarmoeder mag nooit gedood worden. Müller laat het in de handen van God.[13] Is het echt zo gemakkelijk en is de gewetenswroeging die de hoofdpersonages weerspiegelen niet betekenisvoller dan dat?
Ook op een ander vlak blijft de roman relevant. In de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw manifesteren zich op verschillende niveaus spanningen binnen de katholieke kerk. Deze spanningen worden vaak geografisch geïnterpreteerd, waarbij men bijvoorbeeld spreekt van een progressief Westen tegenover een conservatief Zuiden. Echter, kerkpolitieke spanningen zijn van alle tijden. Ook in The Cardinal spelen ze een centrale rol als het gaat over de groeiende en financieel sterke katholieke kerk van de Verenigde Staten. De spanningen binnen de kerk in de VS gaan vaak over immigranten uit Italië, Ierland en Polen die elk hun eigen versie van het katholicisme meebrengen en die ‘verschillende smaken’ durven al wel eens te botsen in de lokale parochies van de Amerikaanse bisdommen. Maar ook het onbegrip van de Oude Wereld voor de Nieuwe Wereld speelt in het boek. (blz. 304) Kardinaal Glennon, aartsbisschop van Boston, merkt ironisch op dat de Italianen de katholieke kerk al zo lang runnen dat ze denken dat de kerk van hen is (blz. 286). Enkele personages in het boek, in de setting van de late jaren 1920, vroege jaren 1930, kijken zelfs met heimwee terug naar de tijd van het samengaan van troon en altaar (blz. 316-317). Op zich zijn dit geen nieuwe thema’s, maar Robinson benoemt expliciet de rol van de kerk in het politieke bestel en de verschillende spanningen die er kunnen leven.
The Power and the Glory duikt op geheel eigen wijze diep in het thema van de sacramentaliteit. Hoe belichaamt een priester het heilige? Kan een whiskypriester op een waardige wijze het lichaam van God op de tong van mensen plaatsen? (blz. 23-24 en 62, en letterlijk met die woorden) Voor de priester zou het eenvoudiger zijn om te vluchten naar een veilige staat in Mexico waar de vervolging minder hevig is. Hij zou zich ook kunnen overgeven. Maar, zo vraagt hij zich af, als hij vertrekt, wie zal dan nog Gods aanwezigheid kunnen brengen? Als hij er niet zou zijn, zo schrijft Greene, dan zou God ophouden te bestaan. (blz. 62) Greene beschrijft hoe tijdens een clandestiene eucharistieviering er een zucht van verluchting klinkt wanneer de priester het ‘Hoc est enim Corpus Meum’ uitspreekt en voor de eerste keer in zes jaar God weer in het dorp aanwezig kwam. (blz. 68)
Het boek is niet alleen een reflectie op sacramentaliteit. Literair gezien is de priester een soort van Christusfiguur. Iemand die tegen beter weten in toch terugkeert naar wie hem nodig hebben (of van wie hij denkt dat ze hem nodig hebben). Net zoals het Jezus niet te doen is om per se opgepakt te worden in de evangelies, net zo maakt de whiskypriester het grapje dat het zijn taak is om niet gevat te worden tijdens de vervolging. Toch ziet hij zichzelf niet als een lichtend voorbeeld moest hij gevat en geëxecuteerd worden. Hij stelt zelfs dat het een schande voor de kerk zou zijn om hem als martelaar te vereren. (blz. 75-76) Bovendien speelt een ‘mestizo’, de term die Greene gebruikt voor iemand geboren uit een relatie tussen iemand van de oorspronkelijke bewoners en iemand met Europese wortels, een Judas-achtige figuur een centrale rol in de achtervolging van de priester en de uiteindelijke overlevering aan de autoriteiten. De ‘mestizo’ wordt expliciet aangeduid als de aanwezigheid van Judas en gekoppeld aan het onvermogen van de priester om tijdens zijn vlucht in diens bijzijn de slaap te vatten. (blz. 88) De analogie met de laatste momenten van Jezus Christus is opvallend prominent.
Het dienstwerk dat de whisky priester verricht in de verschillende gemeenschappen omvat ook het horen van de biecht. De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt echter niet over de biecht, maar over het sacrament van boete en verzoening. Samen met de ziekenzalving is de biecht een van de twee sacramenten die genoemd worden als sacramenten van genezing. (Catechismus van de Katholieke Kerk, nummers 1420-1532). Maar kan een zondige bedienaar van het sacrament, iemand getekend door een alcoholverslaving, die leeft in de ernstige zonde te leven zonder hoop (blz. 140) en die een onwettig kind heeft, kan die wel zonden vergeven?
Greene stelt fundamentele vragen over het verstaan van het gewijde ambtelijke en celibataire priesterschap en de rol ervan in de kerk. Is de priester de enige die God aanwezig kan brengen in een gemeenschap? De reikwijdte van deze vragen wil ik scherpstellen door te verwijzen naar een anders onverdachte bron, namelijk Joseph Ratzinger, de latere paus Benedictus XVI. Hij schreef in 1970 al over de ergernis van een uitspraak in het Credo over de ‘heilige katholieke Kerk’.[14] Ratzinger lijkt best begrip te hebben voor de algemene kritiek die er op dit punt komt, maar hij wijst op twee elementen die waarborgen om te spreken over de heilige kerk. Enerzijds is er ‘het machtige werken van de Heilige Geest in de geschiedenis’ en anderzijds is er ‘de vergeving van de zonden en de gemeenschap van de heiligen, waarin doopsel, boete en eucharistie aangeduid worden als de constructiepunten van de Kerk’.[15] Met een voor een latere paus opmerkelijke eerlijkheid, toont Ratzinger begrip voor wie ‘in zijn grote verwachtingen teleurgesteld, gekrenkt en gekwetst [is] in zijn liefde’ door de kerk.[16] Ratzinger lijkt dicht te komen bij de positie van Greene wanneer hij schrijft dat ‘we alleen [kunnen] proberen uit te leggen, waarom men de Kerk dan toch nog kan liefhebben uit kracht van het geloof; waarom men door het misvormde gezicht heen toch altijd nog het gelaat kan ontdekken van de heilige Kerk’.[17] Of zoals Ratzinger het uitgebreid zegt:
Zo is de paradoxale gestalte van de Kerk, waarin zich het goddelijke zo dikwijls aanbiedt door onwaardige handen en altijd slechts aanwezig is op de wijze van een ‘En toch’, voor de gelovigen een teken van het ‘En toch!’ van de nog grotere liefde Gods.[18]
De taak die de whisky priester uiteindelijk voor zichzelf lijkt te zien wordt met een opmerkelijke helderheid weergegeven door Ratzinger als ‘troost bieden door woord en sacrament’, maar dat moet noodzakelijkerwijze gebeuren ‘in goede en kwade dagen’.[19] Het boek van Greene is uiteindelijk een lange litanie over het tekort schieten van (alle) mensen en het ‘en toch’ daarin vervat.
Tot besluit
Hoewel beide boeken misschien niet direct als meesterwerken van christelijke spiritualiteit worden gezien, bieden ze stof tot reflectie en onthullen ze de complexiteit en reikwijdte van de katholieke traditie. Mijn bespreking hier raakt echter slechts aan de oppervlakte van de diepere vragen. Juist in het licht van de laatste paragrafen over de onvolmaaktheid en onvolkomenheid waarmee het goddelijke wordt vertegenwoordigd, krijgt de ervaring van Fermoyle betekenis wanneer hij een oude dorpspastoor assisteert bij het vieren van de mis. In de opbouw van het gehele boek is die ene ervaring, tegen de achtergrond van de pijlsnelle carrière en de pomp and circumstance van het katholicisme bescheiden, maar knoopt het toch ook aan bij de ervaring van de whiskypriester. Ik citeer voor de volledigheid uit het Engels origineel:
Yet, assisting Ned Halley [de pastoor] at this shabby altar was one of the richest experiences that Stephen ever had. The frayed vestments and tarnished chalice were miraculously transformed when the old priest lifted his thin arms at the Introibo. Flesh of earthly defeat became radiant as Ned Halley humbly united himself with the Victim in the mystical reenactment of Calvary.[20]
Dit voorbeeld toont aan hoe in de weerbarstige menselijke materie en lichamelijke zwakheid het goddelijke toch aanwezig kan komen. Net daarom geloof ik dat dit twee boeken zijn waarvan men zou hopen dat bijvoorbeeld seminaristen, om bij de instructie van paus Franciscus te blijven, ze zouden lezen omdat ze kunnen aanzetten tot het zoeken van God net daar waar men Die minst verwacht zonder de moeilijke vragen uit de weg te gaan.
Reageren? Mail naar: jens.van.rompaey@hotmail.com
Dr. Jens Van Rompaey is theoloog en religiewetenschapper (KU Leuven) en filosoof (UA). Hij behaalde zijn doctoraat in de systematische theologie aan de KU Leuven in 2025. Momenteel is hij postdoctoraal onderzoeker aan de UCLouvain. Zijn onderzoeksinteresse richt zich op de intersectie van geloof, cultuur en theologie, met een bijzondere interesse voor de organisatiestructuren van de katholieke kerk.
[1] Voor deze en de volgende paragrafen: Paus Franciscus, ‘Message of His Holiness Pope Francis for the 54th World Communications Day: “That You May Tell Your Children and Grandchildren” (Ex 10:2): Life Becomes History’, 24 januari 2020, https://www.vatican.va/content/francesco/en/messages/communications/documents/papa-francesco_20200124_messaggio-comunicazioni-sociali.pdf.
[2] Voor deze en de volgende paragrafen: Paus Franciscus, ‘’Letter of the Holy Father on the Role of Literature in Formation’, 17 juli 2024, https://www.vatican.va/content/francesco/en/letters/2024/documents/20240717-lettera-ruolo-letteratura-formazione.html.
[3] Zie daarvoor bijvoorbeeld: Fabio Marchese Ragona and Paus Franciscus, Leven. Mijn verhaal in de geschiedenis, vertaald door Kees de Wildt, KokBoekencentrum, Utrecht, 2024.
[4] Vanwege de beperkte omvang van dit artikel laat ik een diepere bespreking van narrativiteit en de bijhorende filosofische discussie achterwege. Ik geef wel mee dat, bijvoorbeeld, de Canadese filosoof Charles Taylor in The Language Animal, een hoofdstuk besteedt aan narrativiteit en hoe het betekenis genereert. Zie daarvoor: Charles Taylor, The Language Animal. The Full Shape of the Human Linguistic Capacity, The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge, 2016, blz. 291 ff.
[5] Pope Francis, ‘Letter of the Holy Father on the Role of Literature in Formation’, n° 4.
[6] Guido Vanheeswijck, Onbeminde gelovigen. Waarom we religieus blijven, Polis, Kalmthout, 2019, blz. 128-29.
[7] Vanheeswijck, Onbeminde gelovigen, blz. 131.
[8] Zie daarvoor bijvoorbeeld: Vanheeswijck, Onbeminde gelovigen, blz. 17-48.
[9] Guido Vanheeswijck, Tegendraadse beschouwingen. Op zoek naar houvast in een verandering van tijdperk, Pelckmans, Kalmthout, 2022, blz. 99-101.
[10] Vanheeswijck, Tegendraadse beschouwingen, blz. 110.
[11] Henry Morton Robinson, The Cardinal, The Overlook Press, New York, 2022 [origineel 1950].
Het boek is later ook verfilmd en werd genomineerd voor zes Academy Awards.
[12] Graham Greene, The Power and the Glory, Vintage, London, 2019 [origineel 1940].
[13] ‘Het Vaticaan – De staat van de Kerk’, op VRT MAX, laatste toegang 14 juli 2025, https://www.vrt.be/vrtmax/a-z/het-vaticaan–de-staat-van-de-kerk/. In het bijzonder de zesde aflevering vanaf minuut 29.
[14] Joseph Ratzinger, De kern van ons geloof. Hedendaagse verworvenheden en nieuwe inzichten, 2de editie, vertaald door Venantius de Leeuw en Henri van der Burght, Lannoo, Tielt, 1970, blz. 285.
[15] Ratzinger, De kern van ons geloof, blz. 285-86.
[16] Ratzinger, De kern van ons geloof, blz. 287.
[17] Ratzinger, De kern van ons geloof, blz. 287.
[18] Ratzinger, De kern van ons geloof, blz. 288.
[19] Ratzinger, De kern van ons geloof, blz. 290.
[20] Robinson, The Cardinal, 159–60.