Kundry, een meervoudig personage in de opera Parsifal van Richard Wagner

Jarenlang was het een vaste traditie: rond Pasen werd in Antwerpen Parsifal van Richard Wagner opgevoerd, een ritueel dat in de lente generaties operaliefhebbers samenbracht. De spirituele en muzikale diepgang van de laatste opera van Wagner paste perfect bij de bezinningsperiode van het jaar. Opera Ballet Vlaanderen bracht Parsifal nu in september, onder de regie van Susanne Kennedy en met scenografie van Markus Selg. Kennedy, bekend om haar vernieuwende en rituele benadering van theater, maakte met deze productie haar operadebuut in Vlaanderen. De première vond plaats op 23 september in Gent, waarna de productie in oktober naar Antwerpen verhuisde. De regie legt de nadruk op het rituele en symbolische karakter van Parsifal, en plaatst het publiek in een immersieve, hedendaagse beleving van het meesterwerk van Wagner.

De oorspronkelijke intentie van Wagner was dat Parsifal enkel scenisch mocht worden opgevoerd in Bayreuth in het operahuis dat hij speciaal voor zijn werken liet bouwen. Het gewijde karakter van Parsifal moest volgens hem beschermd blijven, en pas dertig jaar na de première mocht de opera elders vrij worden uitgevoerd. Toch kon de aantrekkingskracht van Parsifal niet worden ingeperkt tot één locatie: al snel vonden fragmenten en zelfs volledige uitvoeringen hun weg naar andere steden, waaronder Amsterdam, gekend als de ‘Amsterdamse Graalroof’, en New York.[1]

Parsifal wordt vandaag wereldwijd opgevoerd en beroert nog steeds de diepste registers van het gemoed. Voor Wagner is de opera een ‘Bühneweihfestspiel’. Deze opera vormt het sluitstuk van zijn opera-oeuvre en is in veel opzichten een culminatie van zijn artistieke, filosofische en religieuze zoektocht. In dit ‘Bühnenweihfestspiel’ komen symboliek, muziek en mythe samen in een sacrale dramatische vorm. Hoewel hij gebruik maakt van christelijke symboliek zoals onder andere de consecratie, de voetwassing door Kundry is het doel van Wagner niet een godsdienstige opera op te voeren. In de opera zijn verwijzingen naar Oosterse overtuigingen (Buddhisme) en maconieke symbolen.[2] De onderliggende filosofische grondslag is die van Schopenhauer die het ‘intellectueel raamwerk’ voor Parsifal vormt en waarin de ethiek van het medelijden centraal staat als mogelijke verlossing uit de wereld die zich kenmerkt door breekbaarheid.[3] De pijn van het zijn vraagt om bevrijding en Parsifal is de theatrale representatie ervan.

 

Het verhaal

Parsifal is gebaseerd op het werk van Chrétien de Troyes, dat verder werd uitgewerkt door Wolfram von Eschenbach in zijn epische versroman Parzival (dertiende eeuw). Het verhaal (akte I) begint in de Graalgemeenschap van Monsalvat (in een gebergte in het noorden van Spanje). De Graalgemeenschap bewaart de heilige Graal – de kelk van het Laatste Avondmaal waarin het bloed van Christus werd opgevangen – en de Speer waarmee zijn zijde werd doorboord. Zij waakt erover dat de kracht van deze relieken zuiver blijft. In het bos bij het kasteel wekt ridder Gurnemanz twee schildknapen. Dan verschijnt Kundry – wild, raadselachtig – vervloekt om eeuwig rond te zwerven omdat ze ooit lachte om de lijdende Christus, met balsem uit Arabië. Deze balsem dient om de ondraaglijke pijn van de wond van koning Amfortas te verlichten. Amfortas draagt sinds lang de pijn, vanaf de dag dat hij werd verleid door Kundry en hierdoor de heilige speer verloor aan Klingsor die hem ermee in zijn zijde heeft verwond. Deze Klingsor is een afvallige, ooit afgewezen kandidaat voor de Graalorde, die na een daad van zelfverminking te weten castratie, de zwarte magie verkoos en in zijn vesting de Magische Tuin van verleiding schiep. Vanuit die duistere macht wil hij de Graalgemeenschap breken.

Een zwaan valt neer, geraakt door een pijl. De dader: de pure, naamloze dwaas pas later Parsifal geheten. Gurnemanz brengt hem naar het kasteel, waar Amfortas, gebukt onder de pijn, toch de Graalceremonie leidt. Deze onthulling kost hem onnoemelijke pijnen en wordt hem opgelegd door Titurel. Titurel is de vader van Amfortas die onzichtbaar in zijn kluizenis verblijft. Hij dringt erop aan dat de Graal wordt onthuld, ook al kost het Amfortas elke keer hevige pijn. Titurel is de stichter en eerste hoeder van de Graal, al is hij inmiddels te oud en zwak om de Graal zelf te onthullen. Parsifal kijkt, maar begrijpt niets.

In zijn donkere toren (akte II) drijft Klingsor Kundry ertoe Parsifal te verleiden in de Magische Tuin. Daar spreekt ze hem aan met zijn naam, deelt de woorden van zijn moeder – Herzeleide – troost en kust hem – maar het leidt tot het omgekeerde effect. Parsifal voelt het lijden van Amfortas in zichzelf, begrijpt zijn taak, en wijst haar af. In woede verstoort Kundry het evenwicht verder: zij weigert Parsifal te helpen de weg naar Monsalvat te vinden, simpelweg omdat ze zelf is vervloekt en gebonden aan de wil van Klingsor. In haar eigen woorden: ‘Ich … helfe nie’ (‘Ik … help nooit.’). Gefrustreerd roept ze Klingsor op en hij werpt de heilige speer naar Parsifal. De speer blijft zweven boven zijn hoofd; hij grijpt hem, maakt het teken van het Kruis. Klingsors toren stort in, de bloemen verwelken, Kundry wijkt.

Jaren later (akte III), op Goede Vrijdag, vindt Gurnemanz een vermoeide ridder met de speer: Parsifal. Naast hem ligt een stille, veranderd aandoende Kundry. Titurel is inmiddels gestorven en wordt begraven; de Graalgemeenschap is in verval. Wanneer Gurnemanz Parsifal als nieuwe Graalkoning zalft, spreekt Kundry haar laatste woorden: ‘Dienen … dienen …’ – een bekentenis en bevrijding tegelijk. Haar leven, ooit gedreven door verleiding en verzet, vindt nu rust in het dienen van iets groters dan zichzelf. Ze wast de voeten van Parsifal – een nederig gebaar van verzoening.

In de donkere Graalzaal wil Amfortas sterven. Parsifal raakt hem aan met de speer. De wond sluit zich. Licht doorbreekt de duisternis. De Graal wordt onthuld, de ridders knielen. Kundry valt neer aan de voeten van Parsifal – levenloos, maar in vrede.

 

Kundry: wie is zij?

 

Hoewel de opera Parsifal heet, is Kundry onmisbaar voor de ontwikkeling van Parsifal van ‘reine dwaas’ tot koning van de Graalgemeenschap. Hiermee krijgt ze een dramaturgische kernpositie. Zij is geen vrouw van vlees en bloed alleen, maar een collage van stemmen en beelden uit mythen, legenden en religieuze verhalen. Ze verleidt als de verleidelijke vrouwen uit Barlaam en Josaphat,[4] tart als de woeste Condrie la Surzière,[5] draagt de vloek van Herodias,[6] dolend sinds ze lachte om het lijden van Christus. In haar boetvaardigheid doet ze denken aan Maria Magdalena,[7] gedreven door één woord: dienen. Ze heeft de trots van Orgeluse,[8] betoverd, gebroken en verleidend, én het karma van Prakriti,[9] beladen met zonden uit vroegere levens, met een lach die pijn verraadt. Soms spreekt in haar ook Sigune,[10] die de naam en oorsprong van Parsifal onthult. Elk van die zeven gezichten toont een andere laag van verlangen, schuld, opstand en overgave. Wagner smeedde ze tot één figuur die voortdurend van gedaante wisselt: verleidelijk en afstotend, heilig en verdoemd, mens en mythe tegelijk.[11] In haar weerspiegelt zich het hybride weefsel van Parsifal zelf – een werk waarin geen bron zuiver blijft, maar alles wordt vermengd tot een ongrijpbare, fascinerende eenheid.

Muzikaal wordt Kundry neergezet met abrupte tussenroepen en dissonante intervallen, vaak afgeleid van het motief van Amfortas. Wagner gebruikt muzikale motieven – ten onrechte vaak Leitmotiv genoemd – ook voor Kundry. De muzikale motieven weerspiegelen de innerlijke verscheurdheid van Kundry en haar verbondenheid met het lijden van Christus. In de beroemde verleidingsscène klinken haar melodieën sensueel en lyrisch, terwijl in de slotakte haar tonen verstillen en de pastorale klanken van het Goedevrijdagmotief helend werken.

 

Kundry: rol en betekenis?

Parsifal van Wagner gaat over verlossing, maar niet als een abstract dogma. Scruton[12] laat zien dat het drama draait om mededogen. Parsifal blijft blind zolang hij het lijden van Amfortas en Kundry niet herkent. Pas wanneer hij zelf door pijn wordt getekend en zich werkelijk laat raken door de ander, kan hij de cirkel van schuld en geweld doorbreken. De ontmoeting met Kundry vormt daarin de kern. Zij is tegelijk verzoeking en wegwijzer: verleidster, vervloekte, maar ook dienares van de Graal. In haar dubbelzinnigheid wordt ze een spiegel. Parsifal leert haar niet weg te duwen, maar haar lijden te zien en te dragen. In die erkenning opent zich de mogelijkheid van verlossing – voor hemzelf, voor haar en voor de hele gemeenschap. Centraal is hierbij het moment dat Kundry Parsifal kust (akte II). In een brief aan Cosima verwijst Wagner naar de zondeval van Adam door Eva. Kundry – deze archetypische dame, zoals Wagner benadrukt – is zoals de slang uit het paradijs. Kundry verlijdt Amfortas die zoals Adam uit Gods gratie valt. Tegelijkertijd wordt Parsifal zich bewust van een wereld die goed en kwaad onderscheidt. Daarvoor was hij zich hiervan als Reine Tor niet echt bewust.[13]

Kundry, zo verhaalt Scruton verder, belichaamt het spanningsveld tussen eros en agape. Eerst verschijnt ze als eros: de kracht van begeerte die verleidt, bindt en verteert. Maar achter dat masker schuilt een ander verlangen: naar een liefde die niet toe-eigent, maar bevrijdt. Haar zorg, haar vermoeidheid en haar hunkering naar rust wijzen vooruit naar agape: een liefde die uitgaat boven het eigenbelang. Zo wordt Kundry meer dan een obstakel op het pad van Parsifal. Zij ís de weg zelf. Via haar lijden en haar verlangen leert Parsifal wat mededogen betekent. Zonder Kundry zou er geen Parsifal zijn – en zonder hun ontmoeting geen verlossing voor de Graalgemeenschap.

Thomas Mann[14] wees er al op hoe radicaal dubbelzinnig de identiteit van Kundry is: tegelijk mannelijk en vrouwelijk, tegelijk verleidster en dienares. Hij verbond haar met de ‘wil tot leven’ van Schopenhauer: een dionysische kracht, rauw en ontembaar, die zich uit in verlangen en vitaliteit. Scruton leest haar in dat spoor: als tegenpool én complement van Klingsor, die kastratie en ontkenning belichaamt. Maar Wagner laat die levenswil niet uitdoven. In de loop van Parsifal verandert haar energie van aard. Wat begon als demonische verleiding, verschuift naar stilte en boetedoening. In de derde akte staat ze niet langer tegenover Parsifal, maar naast hem: geen verleidster meer, maar een dienende figuur die deelheeft aan de verlossing. Haar vitale kracht wordt niet vernietigd, maar opgenomen in een hogere dimensie van liefde en genade. Zo toont Kundry dat het meest primaire verlangen niet hoeft te verdwijnen, maar kan worden getransformeerd tot bron van heling.

De gelaagdheid van Kundry en het met pschologische elementen gestoffeerde Graalverhaal geeft ruimte om de rol van Kundry ook pschologisch te analyseren. Jung, zelf een groot bewonderaar van Wagner, biedt hier een instrumentarium, te meer daar mythes de representatie zijn van archetypes die het collectieve onderbewustzijn bevolken. Jung zelf verwijst in zijn Psychologische Typen expliciet naar Parsifal als voorbeeld van spirituele transformatie via mythische symboliek.[15]

Carl G. Jung breidde het begrip van de psyche uit door een collectief onbewuste te introduceren, dat wordt gezien als een geërfde eigenschap die de verzameling van alle menselijke ervaring en kennis bevat. Hoewel men hiervan geen kennis heeft op een bewust niveau, manifesteert het zich voornamelijk via emotie, beïnvloedt het gedrag en fungeert het als een gids. De taal of expressieve middelen die het collectief onbewuste gebruikt om te communiceren, zijn de archetypen. Jung beschreef deze als mythologische projecties of beelden van algemene ervaringen. Naarmate we ons ontwikkelen, werken deze archetypen op instinctief niveau, waardoor we onze omgeving en ervaringen kunnen begrijpen en categoriseren. Welke zijn dan deze archetypes die op Kundry van toepassing zijn?[16]

In de eerste akte zien we Kundry meteen als een figuur die zich niet laat vangen in één rol. Ze draagt de last van de gemeenschap als zondebok, veroordeeld om andermans schuld te torsen. Tegelijk verschijnt ze als een wijze vrouw, die Parsifal een spiegel voorhoudt en hem confronteert met zijn afkomst. Maar onder die scherpte en kennis schuilt ook iets kinderlijks: de dwaas, onschuldig en rauw, een tabula rasa vol potentieel maar veroordeeld om telkens opnieuw te lijden. Kundry is hier niet één archetype, maar een veelheid – een bundel van tegenstrijdige krachten die de weg van Parsifal in beweging zetten.

In de tweede akte komen de donkere lagen naar boven. Kundry toont zich als schaduw, de belichaming van verlangen, instinct en onderdrukte driften. Ze wordt tegelijk trickster, een figuur die onvoorspelbaar balanceert tussen goed en kwaad, trouw enkel aan haar eigen zoektocht naar de Verlosser. Maar er klinkt ook een andere toon: de maagd, die weerstand biedt aan het plan van Klingsor en die de weigering van Parsifal respecteert. In haar kus verschijnt ze voor Parsifal als zijn Anima, het vrouwelijke dat hij tot dan toe had genegeerd en dat hij nu moet integreren om heel te worden. Omgekeerd wordt Parsifal voor haar de Animus, de mannelijke tegenkracht die haar destructieve cyclus doorbreekt. Hun ontmoeting is rauw en pijnlijk, maar juist daarin wordt individuatie mogelijk: groei door confrontatie met de eigen schaduw.

In de derde akte valt het masker af. Na haar doop en tranen verdwijnt de veelheid van stemmen en blijft enkel het Zelf over – het centrum van de psyche waarin bewust en onbewust samenvallen. Kundry sterft niet als slachtoffer, maar als iemand die eindelijk tot rust komt, opgenomen in een grotere orde. Haar dood is een voltooiing, geen ondergang: het moment waarop zij één wordt met datgene waar ze altijd naar hunkerde. Zo blijkt andermaal dat Kundry niet de zwakke dienares of verleidster is die de handeling slechts dient, maar de spil van het drama van Wagner. Zij draagt de zonde, belichaamt de verleiding en keert uiteindelijk terug naar de eenheid van het Zelf. Zonder haar is er geen Parsifal, zonder haar transformatie geen verlossing voor de Graalgemeenschap.

 

Kundry: een antisemitisch stereotiep?

In het begin van akte II zingt Klingsor: ‘Herauf! Herauf! Zu Mir! Deine Meister ruft dich, Namenlose, Urteufelin! Höllenrose! Horadias warst du, und was noch? Gundryggia dort, Kundry hier! Hierher! Hierher denn, Kundry! Dein Meister ruft: herauf’!’

Kundry heeft vele namen, waaronder Herodias, de moeder van Salome, die in het Nieuve Testament vraagt om het hoofd van Johannes De Doper. Verschillende auteurs, onder wie Benjamin Binder,[17] wijzen op antisemitische implicaties in de karakterisering van Kundry. Zo zien deze auteurs de associatie met Herodias, haar lach om Christus en haar hybride aard als elementen van negentiende-eeuwse stereotypen over de Jood: rusteloos, wellustig, godslasterlijk. Het lachen om Christus doet denken aan Ahasveros, de Wandelende Jood, die zoals bepaalde vertellingen verwoorden, dezelfde zonde beging. Wagner geeft zelf aanleiding tot verwarring omdat hij in zijn geschriften Kundry verbindt aan de ‘eeuwige Jood’ en diens voortdurende wedergeboorte. Zij kan enkel worden bevrijd als op een dag de puurste en meest robuste man aan haar krachtige verleidingen kan weerstaan. Bovendien draagt ze vocaal en muzikaal kenmerken van wat Wagner in Das Judentum in der Musik als ‘oneigenlijke expressie’ beschouwde: grillige frasering, scherpe intervallen, overmatige chromatiek. In de lezing van Binder is Kundry niet enkel een vrouw, maar ook een geseksualiseerd beeld van het Joodse ‘andere’. Haar zwijgen in het derde bedrijf (‘Dienen… dienen’) is dan niet alleen onderwerping – en anti-vrouwelijk –, maar een symbolische zuivering: het vreemde verdwijnt ten gunste van het sacrale.

Hieruit zou men kunnen concluderen, ook al komt het woord Jood niet in het libretto voor, dat deze bovenstaande elementen er wel op lijken te zinspelen dat Kundry als Joods en vooral antisemitisch stereotiep kan worden geduid.[18]

Toch is deze interpretatie niet sluitend en ook de Wagnerkenner Ross laat de vraag open. De rol van Kundry – ook al zou zij Joodse kenmerken dragen – is te essentieel, haar lijden te reëel, haar stem te krachtig om haar louter als stereotiep te zien. Bryan Magee wijst erop dat de rol en plaats van Kundry in de opera in relatie tot Parsifal zo cruciaal zijn dat zij eerder compassie oproept dan als verworpene achterblijft.[19] Wagner geeft in Parsifal zelf een autoritaire draai aan de verlossing. De beide archetypes die Kundry en Parsifal zijn, staan tegenover elkaar als noodzakelijkheid. Parsifal staat voor medelijden (Mitleid), de lach van Kundry voor leedvermaak (Schadenfreude). Kundry heeft een held, een sterkere dan zichzelf nodig om tot verlossing te komen[20] en op die manier representeert Wagner het archetype van de held die moreel boven het wereldse staat, maar zonder Kundry was hij daar nooit toe gekomen. In die zin blijft Kundry voor Scruton een enigma: een personificatie van het lijden, van het onbegrijpelijke verlangen, en van de mogelijkheid tot genade die altijd omstreden blijft. En is niet juist dat raadselachtige een bron van veel verbeelding en projecties?

 

Kundry: meer dan een vrouw!

 

Kundry is de meest complexe vrouwelijke creatie van Wagner. Ze is tegelijk archetypisch en persoonlijk, lichamelijk en spiritueel, verwerpelijk en fascinerend. Haar stem, haar lijden, haar strijd zijn het kloppende hart van Parsifal. Ze is niet enkel het object van verlossing, maar haar voorwaarde. Haar dood is geen uitwissing, maar een transfiguratie.

 

 

Reageren? Mail naar: steven.gibens@telenet.be

 

Steven Gibens (1970) studeerde rechten en criminologie (KUL) en behaalde een doctoraat in de rechten (UA). Hij was 23 jaar advocaat aan de balie van Antwerpen. Hij is nu opleidingshoofd sociaal werk aan de Odisee-hogeschool. Hij is een Wagner liefhebber en woonde in augustus  2025 de uitvoering van Parsifal bij tijdens de Bayreuther Festspiele. Deze bijdrage is het resultaat van zijn voorbereiding.

 

[1]              Philip Westbroek, De werkplaats van de meester: Richard Wagners ideeën over muziekdrama, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2024, blz. 300.

[2]              Freddy Mortier, Richard Wagner: de man die opera voor het volk maakte, Pelckmans, Antwerpen, 2020, blz. 194-199.

[3] Matthew W. Smith, ‘Laughing at the Redeemer: Kundry and the Paradox of Parsifal’, in Modernist Cultures, 3 (1), 2007, blz. 5-25; Bryan Magee, Wagner and philosophy, Penguin, Londen, 2000.

[4]              Het gaat over de verleidelijke meisjes uit het verhaal van Barlaam en Josaphat overgeleverd via Sanskritteksten. De vader van Josaphat wil de bekering van zijn zoon tot het christendom ongedaan maken door hem vele verleidelijke vrouwen aan te bieden die Josaphat allen weerstaat.

[5]              Dat is het personage uit de tekst van Wolfram van Eschenbach, Parzival, waar aan de naam Cundrie de term heks werd toegevoegd allicht eerder met het oog op haar typering zoals in de metafoor oude heks.

[6]              Salomé vroeg haar moeder Herodias wat ze het beste kon vragen als haar alles zou worden toegestaan. Herodias antwoordde dat ze om het hoofd van Johannes de Doper moest vragen. De verwijzing naar Horadius verwoordt de vrouwelijke variant van de eeuwig wandelende Jood (Dieter Borchmeyer, ‘Recapitulation of a lifetime’, in G. Kahn (red.), Parsifal, Overture Opera Guides, Alma Books, Londen, 2017, blz. 11-12.

[7]              In akt 3 voert Kundry een voetwassing uit, een verwijzing naar het verhaal van de vrouw in het evangelie van Lucas (7,36-50). Zij wordt niet bij naam genoemd en er wordt hier vaak ten onrechte de link gelegd met Maria Magdalena. In het evangelie van Johannes (12, 1-4) is wel sprake dat Maria, de zus van Lazarus en Martha zes dagen voor het paasfeest de voeten van Jezus zalfde met een kruikje vol met kostbare nardusolie en ze met haar haar afdroogden. Er is sprake van een vermenging van figuren. In ieder geval ziet Wagner in de figuur van Maria Magdalena een vergelijking met Kundry in haar sublieme handeling van zelfverloochening en waarin hij tevens een sexuele connotatie legt als Kundry uit haar boezem een flesje olie neemt. Wagner had al in een eerder onafgewerkte tekst over Jesus van Nazareth een sexuele relatie tussen Maria Magdalena en Christus overwogen (zie Barry Emslie, ‘Parsifal: the profanity of the Sacred’, in G. Kahn (red.), Parsifal, Overture Opera Guides, Alma Books, Londen, 2017, blz. 17-30)

[8]              Orgeluse van Logrois is een trotse, aanvankelijk hardvochtige figuur in Parzival van Wolfram. Achter haar hoogmoed schuilt echter verdriet om een verloren geliefde; door Gawan wordt haar kwetsbaarheid zichtbaar en groeit zij uit tot zijn partner.

[9]              In de boeddhistische overlevering verschijnt Prakriti, een Chandala-meisje, dat verliefd wordt op Ananda, de trouwe leerling van de Boeddha. Wanneer zij haar verlangen uitspreekt, wijst de Boeddha haar erop dat ware liefde niet berust op begeerte of uiterlijkheden, maar op mededogen, bevrijding en innerlijke vrede. Op die manier wordt haar hartstocht getransformeerd tot spiritueel inzicht.

[10]            In Parzival verschijnt Sigune als de levenslang rouwende geliefde van Schionatulander, wier ascetische trouw en dood naast hem zowel een religieus ideaal van huwelijksgetrouwheid voorbij de dood belichamen als een moreel en spiritueel ijkpunt vormen voor Parzival.

[11]            Zie Seven Faces of Wagner’s Kundry: A Composite Figure https://www.monsalvat.no/faces.htm

[12]            Roger Scruton, Wagner’s Parsifal: The music of redemption, Penguin, Londen, 2021.

[13]            Dieter Borchmeyer, ‘Recapitulation of a lifetime’, in G. Kahn (red.), Parsifal, Overture Opera Guides, Alma Books, Londen, 2017, blz. 9-16.

[14]            Roger Scruton, Wagner’s Parsifal: The music of redemption, Penguin, Londen, 2021, blz. 85.

[15]            Carl Gustav Jung, Psychologische Typen, Servire, Utrecht, 1921/1984, blz. 181-182.

[16]            Sudabée. Lotfian-Mena, ‘Kundry reborn: The Jungian archetypes at play in Wagner’s Parsifal’, Sample Scholarly Writing, 2021, 7 blz.

[17]            Benjamin Binder, ‘Kundry and the Jewish Voice: Anti-antisemitism and Musical Transcendence in Wagner’s Parsifal’, in Current Musicology 87, 2009, blz. 47-131.

[18]            Alex Ross, Wagnerism: Art and politics in the shadow of music, Fourth Estate, Londen, 2021, blz. 244.

[19]            Bryan Magee, Wagner and philosophy, Penguin, Londen, 2000, blz. 378.

[20]            Freddy Mortier, Richard Wagner: de man die opera voor het volk maakte, Pelckmans, Antwerpen, 2020, blz. 201.

Kundry, een meervoudig personage in de opera Parsifal...
Een liedje is meer dan een audiobestand
Kunst tot en met: het recente werk van...
Oefeningen in compassie
Aleksandr Grechaninov, bruggenbouwer
Chaos, geordend
Kunst zonder Grenzen, Venetië Biënnale 2024
De wijn is op!
Ensor en de toerist
Het leven is maar een droom – Ode...
Januari 1677: de laatste première van Racine I
In Memoriam Bill Viola (1951-2024)
Dolly Parton. Over muziek, covers, originaliteit en feminisme
Geslaagd: de speelse, verfraaiende, opwekkende streetart van Invader
Christelijke feministische theologie
De blik. Fotografisch werk van Karim Abraheem
Februari 1673
Napoleon – het Waterloo van Ridley Scott
Patricia Highsmith en haar kinderen
Verlatenheid bij Ziegelaar, du Bouchet en Trakl
‘Que sais-je?’
Krassen, kruisen en kreten
De Willy Mays van de cinema: 8 ½...
Susan Sontag in het koninkrijk van de zieken...
Susan Sontag in het koninkrijk van de zieken...
150 jaar Ralph Vaughan Williams
Stilte
Koorzanger
Documenta fifteen: een ander begrip van kunst
Yazujiro Ozu: Early Spring