Over de Arcangelo’s van Berlinde De Bruyckere
In Maastricht, museum Bonnefanten
Bij de eerste kennismaking roepen de sculpturen van de Belgische kunstenares Berlinde De Bruyckere (1964) een weerzin bij me op die uitdaagt ernaar te blijven kijken. In het Maastrichtse Bonnefantenmuseum staan meer dan drie meter hoge vleugelachtige afgietsels van dierenhuid; Penthesilea. Gevilde huiden, schoon geschraapt, in was afgegoten en op een frame gespannen.[1] In het getransformeerde slachtafval zitten nog plukken beestenvacht en de ijzig-metalen geur van het abattoir lijkt er nog in te hangen. Of Per Benedetto. Een naakte levensgrote mensfiguur zonder hoofd, met een blauwige huid waaraan alle bloed en warmte is onttrokken. Per Benedetto straalt een ijzingwekkende vleselijkheid uit, die ik niet wil zien en toch wel wil zien.
Maar dan, een paar zalen verder: de Arcangelo’s. Twee engelen van drie meter hoog, opgesteld op hoge sokkels. Ze reiken bijna tot aan het plafond van de zaal. Hun voeten en onderbenen zijn concreet, en als zodanig te herkennen. De hoofden, vleugels en rompen zijn gedrapeerd met afgietsels van dierenhuid, en alleen in contour herkenbaar. Dat geeft de sculpturen een non-figuratieve toon, al blijven de menselijke, of in dit geval engelachtige, omtrekken duidelijk.
De Arcangelo’s intrigeren me van meet af aan door hun fraaie verticale compositie; fragiel op hun tenen, de ranke overgang naar de onderbenen en dan de verbreding door de drapering met lange verticale plooien. Zwijgend staan ze daar. Hun rauwe lichamelijkheid ontroert me ditmaal, deze engelen zijn zo breekbaar. Grote hoge gestaltes waarvan de tenen nipt de ondergrond beroeren. Ze stralen een onbekende tragiek uit, waarvan de kille lichamelijkheid onderdeel is. Het is een drama waarvan ik de tekst niet ken. Na de Arcangelo’s kijk ik anders naar Penthesilea en Per Benedetto, die kort daarvoor vooral een gefascineerde afkeer bij me opriepen. Niet dat de huiver verdwenen is, maar er is iets bijgekomen: ontwapening, mededogen.
In Mons/Bergen, de Stiftkerk van de Heilige Waldetrudis
Een paar jaar later kom ik de Arcangelo’s opnieuw tegen, ditmaal zijn ze met zijn drieën. Dat is in de Stiftkerk van de Heilige Waldetrudis, in het Zuid-Belgische Mons/Bergen. Deze engelen zijn vervaardigd uit brons en lood, de vorm is gelijk aan de engelen die ik eerder in Maastricht zag. Dat ze nu met zijn drieën zijn, heeft effect op de ervaring van de ruimte. Eén beeld in een ruimte is een stip, twee beelden vormen een lijn, drie beelden maken een driehoek. Door drie punten met elkaar te verbinden wordt er een ruimte opgespannen, wordt het ruimtelijk besef vergroot, ontstaat er diepte.

Foto 1. Arcangelo. Foto: Hessel Zondag
In de hoge laatgotische kerk zijn de engelen, als dragers van religieuze betekenissen, veel meer op hun plaats dan in een zaal in een museum. In een kerk zijn ze thuis. Maar ook qua vormgeving komen de Arcangelo’s hier veel beter uit dan in een museumzaal. De hoge spits toelopende gewelven versterken het verticale karakter van de engelen. Op hun beurt accentueren de rechtopstaande engelen de hoogtewerking van de kerk. In de zaal van het museum daarentegen drukt het plafond op de engelen, de zoldering maakt hen klein.
Kortom, in de hoge ruimte van de kerk kunnen de Arcangelo’s gewoon meer engel zijn. Je kunt je in deze ruimte, in tegenstelling tot in een kale museumzaal, waar je verbeelding nooit op gang komt, gemakkelijk voorstellen dat ze komen aanvliegen of klapperend opstijgen. Want het blijft ongewis of de engelen net zijn aangekomen of dat ze aanzetten om te vertrekken. De stand van hun voeten geeft geen uitsluitsel; alle engelen staan op hun tenen, de hielen ruim van de grond. Deze stand geeft een suggestie van bewegen, maar laat in het midden of de beweging wordt ingezet of beëindigd.

Foto 2. Arcangelo. Foto: Hessel Zondag
Engelen
Engelen verschijnen al vroeg in het werk van De Bruyckere. Zelf voert ze dit terug op haar opvoeding. Kennis van de bijbel en bijbelse geschiedenis zijn daarvan een belangrijk onderdeel. Ook is ze van huis uit vertrouwd met lichamelijkheid, dierlijkheid, vlees, beenderen en huid. Als de dochter van een slager is ze gewend aan bloed en de geur van rauw vlees.
Door hun ambivalente aard activeren engelen gemakkelijk de verbeelding. Ze hebben een goddelijk karakter, maar het zijn geen goden, ze hebben menselijke trekken, maar het zijn geen mensen. Engelen zijn mengwezens, ze staan tussen mensen en goden in.
Voor De Bruyckere zijn engelen geslachtsloze wezens. Ze zijn voor haar niet mannelijk noch vrouwelijk. Die afwezigheid van een uitgesproken gender werkt op haar geheimzinnig en uitnodigend. Overigens zijn de beelden van De Bruyckere sowieso vaak geslachtsloos.
De onalledaagse vormen van haar engelen ontsluiten verbeeldingen die bij traditionele vormen opgesloten blijven, aldus De Bruyckere. Het bedekken van de hoofden is daarbij cruciaal. Hoofden, met name gezichten, dragen niet bij aan de expressie van een beeld. Bedekte hoofden en lichamen geven haar beelden zeggingskracht.
Deze observaties van De Bruyckere zijn voor een beschouwer van haar engelen herkenbaar. Wanneer je bij haar engelen staat, roepen de toegedekte vormen van alles op. Willen de Arcangelo’s niet gezien worden? Misschien willen zij de bezoekers behoeden voor hun gelaatsuitdrukking, waaraan hun boodschap voor de mensheid af te lezen valt. Om het mensdom niet voortijdig te verheugen of te verontrusten houden zijn hun boodschap liever nog even voor zich. Of willen de Arcangelo’s zelf niet zien; zijn zij liever geen getuige van wat hun aanwezigheid bij de bezoekers te weeg brengt? En wat doen de Arcangelo’s ’s nachts, als de kerk gesloten is? Stijgen zijn op om de omgeving te verkennen, leggen zij hun gewaden af om zich met elkaar te onderhouden over de stand van zaken van de mensheid, die hier dagelijks de kerk bezoekt? Hoe dan ook, je loopt niet onaangedaan langs de Arcangelo’s. Terwijl wij traditioneel vormgegeven engelen doorgaans passeren zonder er acht op te slaan.
De boodschap van de Arcangelo’s
Bij aanvang van de coronapandemie, net na het afkondigen van quarantainemaatregelen, krijgt de belangstelling van De Bruyckere voor engelen een nieuwe impuls. Dit leidt tot de Arcangelo’s. Tijdens een interview voor de Belgische krant De Standaard wordt haar gevraagd welk kunstwerk zij in deze duistere tijden als troost aan de muur zou hangen. De Bruyckere kiest voor De dode Christus ondersteund door een engel, een werk van de Italiaanse schilder Giorgione. Op dit begin zestiende-eeuwse doek ontfermt een witte engel met zwarte vleugels zich om de dode Christus. De Bruyckere ziet tijdens de coronapandemie mensen met alleen verplegenden en zieken om hen heen sterven, er is alleen het ontfermen van vreemden. En dit ontfermen wil De Bruyckere een naam geven: ‘Gelukkig zijn er engelen. Die warmte van grote vleugels zie ik overal rondom mij. In de zorg, maar ook bij hen die onze doden begraven in alle eenzaamheid’. Deze gedachtegang kreeg zijn vorm in de Arcangelo’s.
De boodschap waarmee de Arcangelo’s van Berlinde De Bruyckere hier zijn, is ontfermen, erbarmen. Zelf gebruikt ze vaak de woorden compassie, mededogen en medeleven. Heel haar werk, niet alleen de Arcangelo’s, gaat over compassie met de menselijke conditie, vooral met het vergankelijke, vleselijke en kwetsbare lichaam. De namen van enkele van haar werken illustreren dit: Schmerzensmann, Piëta, We are all flesh.
Een kwetsbaarheid die geaccentueerd wordt door de huidige menselijke situatie, die De Bruyckere als deplorabel ziet. Het leed komt zo indringend op mensen af, dat zij zich liever afschermen. Zij weigeren de krant open te slaan of het televisiejournaal aan te zetten. Waarom? Omdat het overvloedige ongeluk vervult met machteloosheid. Mensen zijn niet in staat er iets aan te doen, en dus leggen zij het naast zich neer en kijken zij liever ergens anders heen.
Compassie als opgave
Het antwoord van De Bruyckere op het leed van andere mensen is compassie. Compassie is een mogelijkheid verder te leven in een wereld vol van pijn. Het is een daad waardoor iemand zijn of haar leed niet alleen hoeft te beleven. Maar het werk van De Bruyckere laat zien dat die compassie, hoe wenselijk ook, allerminst een gemakkelijke of eenvoudige zaak is. Dat demonstreert een gang langs haar beelden. De eerste neiging is de andere kant op te kijken en je ervan af te keren. Je kunt het vergelijken met de krant niet meer lezen, om niet opnieuw de ellende van alledag onder ogen te krijgen. De kunst van Berlinde De Bruyckere is er niet om te behagen. Het is geen genieten van gladde en bekoorlijk vormgegeven beelden. In tegendeel. Mijn eerste reactie bij Penthesilea en Per Benedetto in het Maastrichtse museum was: ‘dit zie ik niet’. Wie zich wil openstellen voor het huiveringwekkende karakter en de morbide aard van haar beelden, moet over een flinke drempel stappen. De Bruyckere is zich bewust van de aarzelingen en weerstanden die haar werk oproepen: ‘ik wil mensen raken waar ze niet geraakt willen worden’. Je moet het jezelf aanleren, jezelf er misschien zelfs wel toe dwingen naar haar werk te kijken. Zo zijn de beelden van Berlinde De Bruyckere niet alleen oproepen tot compassie, maar ook oefeningen in compassie.
Het vermogen tot compassie is doorgaans geen gave, het gaat niet vanzelf, al zijn sommigen wel gezegend met een talent tot medeleven. En het opbrengen van compassie is ook niet alleen een kwestie van willen. Al doet de beslissing je niet van anderen af te keren er wel toe. Als de beelden van Berlinde De Bruyckere iets duidelijk maken, dan is het dat compassie een opgave is. Het is worstelen met afkeer en aarzelingen, en het vraagt het overwinnen van tegenzin.
Hessel Zondag is cultuurpsycholoog en was voor zijn pensionering werkzaam bij de Universiteit van Tilburg en de Radboud Universiteit Nijmegen.
[1] Voor deze tekst is onder meer gebruik gemaakt van: Erwin Mortier en Stijn Huijts, Berlinde De Bruyckere. Engelenkeel, Mercatorfonds nv, Brussel en Bonnefanten, Maastricht, 2021; Thomas van Huut, ‘Onvoltooid lichaam verbindt Rodin en De Bruyckere’, NRC, 28 mei 2024; Toef Jaeger, ‘Bij Berlinde De Bruyckere hebben wezens zelden een gezocht: “Een gezicht is zo tijdgebonden”’, NRC, 20 maart 2025.
