Ritueel Leven, Levensfase en Grenswerk

Niet-Religieuze Partners in Gemengde Koppels in België

 

Hoe zien de alledaagse levens van gemengde koppels eruit waarbij een van de partners niet-religieus is, en de ander christelijk, islamitisch, hindoeïstisch, boeddhistisch of joods? Hoe zien en beleven individuen in gemengde koppels hun niet-religieus zijn? Welke woorden geven zij hieraan, en waar zien ze de grens met religie? Als we denken aan interreligieuze koppels en families blijven niet-religieuze identiteiten, posities en levenswijzen vaak buiten beeld. Wat gebeurt er als we niet-religie wel serieus nemen? In dit artikel wil ik op basis van mijn lopend kwalitatief onderzoek naar gemengde koppels in België stil staan bij deze vragen. Ik doe dat door in het eerste deel van het artikel na te gaan hoe we niet-religie moeten definiëren en benaderen. Daaruit blijkt dat het nog niet zo gemakkelijk is om deze categorie af te bakenen. Vervolgens schuif ik twee vignetten uit mijn onderzoek naar voren die op indringende wijze iets tonen van de grote diversiteit aan ervaringen van de niet-religieuze deelnemers aan mijn onderzoek.

 

Seculariteit en Niet-religie

Volgens de bekende socioloog José Casanova[1] is moderniteit in West-Europa een katalysator geweest voor de ontwikkeling van een meer pluriforme samenleving. Dit pluralisme is er een van toenemende religieuze-seculiere differentiatie, waarin naast religieuze posities en gemeenschappen ook in toenemende mate niet-religieuze posities en levenswijzen zijn ontstaan. De sociologische bestudering van wat in de literatuur non-religion wordt genoemd, ofwel niet-religie, staat echter nog in de kinderschoenen in vergelijking met de studie van religie. Dit zou komen, zo denkt Casanova, door de breed gedragen aanname dat seculariteit de neutrale staat van menszijn is. In tegenstelling tot religie, behoeft niet-religie dan ook geen uitleg of bestudering. Zoals antropoloog Charles Hirshkind het treffend heeft gezegd, is het moeilijk om seculariteit überhaupt te zien, omdat ‘[t]he secular is the water we swim in’.[2] Daar hebben we dus een conceptueel en empirisch probleem te pakken. Volgens sociologe Birgitte Schepelern Johansen[3] is seculariteit moeilijk precies te definiëren, omdat het zich snel uitbreidt tot alles wat in een bepaalde context niet als religie wordt beschouwd. Het specifiek seculiere lijkt dan in het niets te verdwijnen.

Toch is er wel sociologisch, antropologisch en historisch onderzoek met name naar diegenen die zich expliciet als niet-religieus beschouwen. Inmiddels is er toenemende aandacht niet alleen voor politiek secularisme en historisch-sociale processen van secularisering, maar ook voor de levens van diegenen die zichzelf zien als niet-religieus. Afhankelijk van hoe ‘niet-religieus’ wordt gedefinieerd, kunnen vele verschillende posities, zienswijzen en levenswijzen onder die noemer worden geschaard. Zo noemt Casanova[4] verschillende categorieën. Allereerst zijn er de ‘unaffiliated’. Dit is het resultaat van ontkerkelijking: mensen rekenen zich niet meer tot de kerk of religieuze gemeenschap waarvan hun ouders of grootouders deel uitmaakten, en sluiten zich ook niet aan bij een nieuwe kerk of religieuze instelling. Niet-religieus betekent dan niet gebonden aan, of onafhankelijk van, georganiseerde religie. In die onafhankelijkheid kunnen individuen natuurlijk wel gelovig zijn of nieuwe vormen van spiritualiteit gaan verkennen zonder bij een religieuze gemeenschap te horen. Dat wijst op een tweede en derde categorie. In de bestaande sociaalwetenschappelijke literatuur worden deze groeperingen vaak omschreven als ‘believing without belonging’[5] en ‘spiritueel maar niet religieus’.[6] Casanova[7] wijst op een vierde en laatste categorie, die uit twee delen bestaat. Dit zijn allereerst diegenen die bewust iedere verhouding met theïstische transcendentie verwerpen: agnosten, seculiere humanisten en atheïsten. De tweede subcategorie is onbewuste seculariteit. Het gaat om diegenen die simpelweg seculier zijn en daar niet of nauwelijks bij stil staan. Dit zijn de mensen die niet-religieus zijn als vanzelfsprekend en op zichzelf staand beschouwen. Het niet-religieuze leven is daarbij het normale, de quasi-natuurlijke staat van mens-zijn. Het moet daarmee niet bevochten of doordacht worden. Deze levenshouding gaat vermoedelijk vandaag de dag in België op voor een zeer grote groep mensen. En het is deze groep die weer de door Johansen aangehaalde conceptuele en empirische problematiek oproept[8]: hoe onderzoek je deze veelvoorkomende vorm van niet-religie?

 

Conceptueel en methodologisch vraagstuk

Ook al wordt seculariteit door velen ervaren als natuurlijk, er is niet zoiets als abstracte seculariteit. Seculariteit komt voort uit maatschappelijke en individuele religieuze transformaties, en kan daarmee post-katholiek, post-orthodox, post-moslim of post-hindoeïstisch zijn[9]. Daarom is het noodzakelijk om vergelijkend en gesitueerd na te denken over seculariteit. Wat vaak buiten ons blikveld valt, zijn bovendien rommelige alledaagse realiteiten en contexten. Wat betekent het bijvoorbeeld om niet (meer) religieus te zijn in het samenleven met familie die wel religieus is? Waarom zijn er mensen die stellen niet te geloven in god(en), maar tegelijkertijd onderstrepen dat ze moslim of hindoe zijn? Hoe wordt niet-religieus zijn in verschillende contexten genavigeerd in familiale en sociale verbanden en religieus-etnische vertogen over identiteit en afkomst? Hoe gaan niet-religieuze ouders om met de vorming van hun kinderen binnen godsdienstonderwijs? Hoe zien mensen zichzelf en anderen daarin, wat is voor hen belangrijk? Hoe wordt niet-religiositeit ook lichamelijk en emotioneel ervaren? Hedendaagse onderzoekers[10] pakken deze vragen op en ontwikkelen belangrijke inzichten in diverse en gesitueerde niet-religie en seculariteit.

 

Relationele benadering

Ik laat mij in dit artikel inspireren door de relationele benadering van antropoloog Johannes Quack.[11] Onder ‘niet-religie’ verstaat hij verschijnselen die doorgaans niet als religieus worden beschouwd, maar waarvan de betekenis in meer of mindere mate afhankelijk is van religie. Dit is een brede opvatting van ‘niet-religie’ die bewust niet inhoudelijk wordt ingevuld. Immers, wat wordt verstaan als onderdeel van ‘religie’ is afhankelijk van tijd en plaats. Hetzelfde geldt dan ook voor ‘niet-religie’. Quack stelt daarom dat empirisch onderzoek naar niet-religie zich moet richten op de verwevenheid tussen religie en niet-religie. Ik ben het eens met deze nadruk op een bottom-up benadering omdat het ruimte laat voor alledaagse rommeligheid. De relationele benadering van Quack duidt op de historische, politieke en sociale gesitueerdheid van ‘niet-religie’. Het ziet ‘niet-religie’ altijd in relatie tot ‘religie’, alsook in verband met een concrete context.

Ik vat de ‘relationele benadering’ nog letterlijker op. Mijn vraag is dan ook: hoe zien de alledaagse levens van gemengde koppels eruit waarbij een van de partners niet-religieus is, en de ander religieus? Hoe wordt op diverse manieren vorm gegeven aan niet-religie in een context van intiem samenleven met een religieuze partner? Juist in de context van intieme levensbeschouwelijke diversiteit treffen we de ‘ontmoeting van religie en seculariteit’[12] aan. Daarin zal niet-religie niet altijd vanzelfsprekend kunnen zijn. In plaats daarvan licht het op.[13] In de context van gemengde koppels kunnen we aan de hand van concrete praktijken, situaties en objecten actieve vormen van afbakening van de grenzen tussen niet-religie en religie ontwaren. Het seculiere ontstaat dan ook net vanuit dergelijke vormen van ‘grenswerk’.[14] Zo kan niet-religie door een onderzoeker worden gethematiseerd.

 

Onderzoek

In wat volgt zal ik op basis van lopend onderzoek twee vignetten naar voren schuiven, die inzicht bieden in de levens van religieuze/niet-religieuze koppels. Niet-religieuze deelnemers spraken tijdens de vele interviews die ik de afgelopen twee jaar heb gedaan op uiteenlopende manieren over hoe zij zich verhouden tot de rituele praktijken van hun religieuze partners. Ik zal uitgebreid ingaan op de verhalen van twee van deze deelnemers.[15]

 

Josephine

Ik bezocht Pierre en Josephine voor meerdere interviews in hun mooie appartement in hun Vlaamse thuisstad. Pierre is een witte katholieke 65-jarige Belgische man, en was degene die had gereageerd op mijn oproep voor deelname aan het onderzoek. Hij groeide op in de gegoede katholieke burgerij. Zijn geloofsleven is verweven met zijn dagelijks en intellectueel leven, en hij is actief betrokken bij een katholieke lekenbeweging. Zijn echtgenote Josephine is een witte niet-religieuze 67-jarige Belgische vrouw. Ze komt uit een katholiek boerengezin. Ze omschrijft zichzelf als niet-gelovig en stelt weinig belang in een exact label voor zichzelf. Terwijl we aan de grote keukentafel rond glazen dampende thee zaten, legde ze uit: ‘Ja, maar ik ben ook geen doorgedreven [atheïst]. Of ik bedoel, ik ben daar eigenlijk niet mee bezig’. Josephine is geen lid van de lekenbeweging waar haar man zich voor inzet. Wel gaat ze soms mee naar het centrum van de lekenbeweging en helpt met praktische zaken. Pierre waardeert haar hulp en steun. Josephine benadrukt dat ze veel sympathie heeft voor de mensen en ‘[d]at respect is groter omdat het een deel is van het leven van Pierre’.

Josephine gaat regelmatig met feestdagen met Pierre mee naar de kerk en als ze samen op reis zijn. Ze zegt oprecht te kunnen genieten van ‘mooie mensen met mooie rituelen’, maar ook ‘een kritische waarnemer’ te zijn. Ze vindt het van belang om mee te gaan, omdat het een verbinding creëert met Pierre:

Maar ik vind het vooral belangrijk voor mijzelf om mee te gaan op die dingen, omdat dat toch wel een bepaalde verbondenheid geeft. Allee, ik weet hoe belangrijk dat is voor hem en daarin delen, los van het geloof, of gewoon met hem zijn dingen delen. Dat allee, dat geeft mij ook een goed gevoel.

Josephine vindt dat zij en Pierre een sterke maatschappelijke betrokkenheid delen. Waar zij meegaat naar de lekenbeweging, gaat Pierre op zijn beurt met haar mee naar demonstraties voor vluchtelingen of Palestijnen. Ze legt uit dat:

Nu allee, waar dat we mekaar dan wel heel goed in vinden, los van ‘t geloof, dat is maatschappelijk engagement, denk ik. En dat heb ik zelf wel altijd gehad. Ik vind dat we vooral naar de mensen moeten kijken en dat we alles voor moeten doen om het voor mekaar goed te maken. En dat is compleet los van god of een hiernamaals […]. Ja en in die zin vinden we mekaar wel. [D]e waarden die daarin zitten, die delen we. De humanistische waarden die in het christendom zitten, want die zitten d’r zeker in.

Josephine relativeert de levensbeschouwelijke verschillen verder door te benadrukken dat het maar een aspect is naast andere, zoals waarden en normen, en politieke standpunten. Bovendien is religieus leven veelzijdig en volledig wederzijds begrip is simpelweg niet nodig:

[G]eloof is één aspect dat heel erg overweldigend kan zijn, denk ik, maar het gaat om een aantal waarden die we samen delen, denk ik. Uhm ik denk dat ik het veel moeilijker zou hebben om bijvoorbeeld samen te leven met iemand die het Vlaams Belang aanhangt of die extreem economisch rechts denkt of, allee. […] Dus ja, er zijn veel aspecten ook in dat geloof. En heel die rituele kant en die spirituele kant dat begrijp ik niet altijd, maar dat moet je dan ook maar accepteren. Gelijk dat hij misschien soms van mij ook dingen niet begrijpt. Maar ik hoef ook niet alles te begrijpen.

Ook enkele andere niet-religieuze deelnemers aan het onderzoek vertelden over hoe ze de religieuze betrokkenheid en het ritueel leven van hun partners ondersteunen en vergezellen. Opvallend is dat niet-religieuze partners op een of andere manier grenzen bewaken en afstand bewaren van religieuze praktijken. Ze vinden dat ze er niet kunnen, mogen of willen in opgaan zoals hun religieuze partners dat doen. Grenzen en afstand worden dan bewerkstelligd door tijd en ruimte af te bakenen voor verschillende prioriteiten en bezigheden. Ook wordt het niet-religieuze zelfbeeld afgebakend door onderlinge overeenkomsten ‘los van god’ te benoemen, of door zichzelf op te stellen als observant of ‘kritische waarnemer’. Vaak worden daarbij de nodige balans en overbrugging gecreëerd door te wijzen op gezamenlijkheden, zoals gedeelde waarden en normen. Ook vertelden niet-religieuze deelnemers over bestaande wederkerigheid in steun voor en deelname aan elkaars prioriteiten en bezigheden. Dit geldt in meer of mindere mate voor de manieren waarop alle niet-religieuze deelnemers aan het onderzoek zich verhouden tot de katholieke, protestantse, islamitische en boeddhistische praktijken van hun levenspartners.

 

Ömer

Josephine en Pierre behoorden tot de eerste en oudste deelnemers aan mijn onderzoek. Ömer was een van de laatste en jongste. Ik ontmoette hem als uitwisselingsstudent in Brussel en het interview vond plaats middels Zoom en in het Engels.[16] Ömar is een atheïstische 26-jarige Turkse man. In de context van familiale en intieme relaties verhoudt hij zich voortdurend tot religie. Hij groeide op in een conservatieve soennitische Turkse familie, en zijn moeder en zussen praktiseren Islam. Als biseksuele man stelde hij zichzelf vragen over de combinatie van queer zijn en geloof. Hij omschrijft zichzelf nu als niet-religieus en onderdeel van atheïstische tradities, met veel interesse voor soefisme en zen boeddhisme. Hij ervaart binnen zijn familie respect voor de verschillende standpunten en levenshoudingen, en hij vertelt respectvol bij de rituele praktijken van zijn moeder en zussen aanwezig te zijn, zonder mee te doen:

Ik heb er wel respect voor, maar ik vier het niet; ik doe eigenlijk niets volgens de islamitische gebruiken, ik ben er alleen bij. Ik bedoel, als [deelnemen] moet, doe ik dat wel, voor hun bestwil, om hen gerust te stellen en ervoor te zorgen dat ze blij zijn dat ik erbij ben. Maar dat betekent niet dat ik geloof in wat ze doen. Over het algemeen sta ik nogal sceptisch tegenover wat er allemaal gebeurt, de rituele praktijken, de gebeden die nogal gendergerelateerd zijn en problematische aspecten hebben.

Voor zijn moeder is het echter moeilijk begrijpen dat haar zoon zichzelf niet als moslim ziet. Volgens Ömer vindt zij dat ‘Je bent uit mijn schoot geboren. Het is onmogelijk dat je geen moslim bent’.

Ömer heeft sinds twee jaar een relatie met Nana, een Japanse uitwisselingsstudente, die actief betrokken is bij een boeddhistische beweging. Hij is enkele keren met haar meegegaan naar het centrum van de beweging in de stad waar ze studeren om deel te nemen aan gezamenlijke mantrarecitaties en meditaties. Ömar wil er graag meer over leren en het beter begrijpen, en bekijkt rituele praktijken vanuit een vergelijkende blik. Zo doen de mantrarecitaties hem denken aan soefirituelen waarin koranverzen worden gereciteerd. Hij vertelde over zijn diverse beweegredenen om aan te sluiten en de inzichten die daar voor hem uit voortkomen:

Maar ik ging eigenlijk naar haar bijeenkomsten omdat daar toch best wat mensen samenkomen om te reciteren, bij iemand thuis of in het cultuurcentrum. […] Bij de eerste bijeenkomst ging ik erheen om te kijken of dit een gezonde religieuze groep was waar zij bij zou moeten horen, of waar überhaupt iemand uit mijn omgeving bij zou moeten horen. En toen ik het gevoel kreeg dat het een vrij veilige en geborgen omgeving was en dat het goed voor haar was. Want ik had haar gewoon thuis zien reciteren, terwijl ze alleen bij mij was. Maar ik was ook nieuwsgierig naar de religieuze gemeenschap. En ja, ik ben naar dat evenement geweest en daarna ben ik nog naar twee andere evenementen geweest. […] En tijdens die bijeenkomsten probeerde ik ook mee te reciteren en te begrijpen hoe het met haar ging. […] Zoals ik haar vertelde na de laatste bijeenkomst waar we bij waren […], de manier waarop ik heb leren bidden was totaal anders dan wat ze in de boeddhistische beoefening doen. Toen ik klein was, ging ik met mijn vader naar allerlei soefibroederschappen en dergelijke bijeenkomsten, en dat deed ik ook nog toen ik een tiener was. Het deed me daaraan denken omdat je daar ook probeert om één of twee zinnen te reciteren, of ayah’s [verzen] uit in de Koran. Maar het is best anders, want ze lezen daar ook dingen voor uit verhalen die niet uit de heilige teksten komen, en dat is niet hoe ik me voorstel dat een religieus boek zou moeten zijn. Dus probeerde ik mijn vooroordelen over religie te overwinnen door zulke bijeenkomsten bij te wonen. Het gaat daar om vrij persoonlijke en op het individu gerichte benaderingen, die in de geest van mensen worden ingeprent.

Nana is tijdens de islamitische vastenmaand Ramadan Ömer en zijn familie gaan bezoeken in hun thuisstad in Turkije, waar Ömer haar graag rituele praktijken zoals het breken van de vasten en moskeebezoek toonde. Ömer is op zijn beurt Nana en haar familie gaan bezoeken in Japan. Ömer vermoedt dat de moeder van Nana vreest dat haar dochter door hem minder praktiseert:

Haar moeder heeft [Nana] verteld dat ik degene ben die haar op een verkeerd pad heb gebracht, sinds we een relatie hebben, omdat ik – omdat ik nergens in geloof en geen religieuze voorschriften volg – haar ook behoorlijk op afstand houd van datgene waarin zij gelooft, want haar moeder wil dat ze bijvoorbeeld elke dag een keer reciteert en bidt. Dus voor haar ben ik degene die ervoor heeft gezorgd – of misschien nog wel zal zorgen – dat ze zich [teveel] afzijdig houdt van dat soort dingen.

Net als Josephine – en vele andere deelnemers aan het onderzoek – is Ömer een voorbeeld van een niet-religieus individu die rituele praktijken bijwoont en interesse toont om de familiale en intieme relaties in zijn leven respectvol en warm te houden, en om verbindingen te blijven maken met de levens van anderen. Net als Josephine en anderen bewaart hij afstand door een onderscheid te maken tussen ‘geloof’ en ‘doen’. Hij benadrukt een onderzoekende, ‘nieuwsgierige’ en ‘sceptische’ blik. Tegelijkertijd wil hij graag beter het belang en de vormende aspecten van de boeddhistische beweging voor Nana leren begrijpen.

 

Levensfase

Een belangrijk verschil tussen Josephine en Ömer is leeftijd. Ömer en Nana zijn twintigers die volop met hun studies bezig zijn en hun toekomst ligt open. Bovendien zijn ze vooralsnog meer afhankelijk van ouders en familiebanden. De internationale, interfamiliale en interculturele context van dit jonge koppel maakt dat zij meer zoekend en ontdekkend zijn naar hoe de komende jaren er op vlak van (niet-)religie en intieme relaties voor hen uit zullen zien. Zo denkt Ömer na over wat het betekent om kinderen te krijgen en over het al dan niet willen doorgeven van religieuze en culturele waarden en gebruiken. Hij reflecteert ook op de manieren waarop religie is gepolitiseerd, en de grenzen tussen politiek, religie, cultuur en seculariteit. Josephine en Pierre hebben inmiddels volwassen geworden kinderen, en de vraagstukken waar Ömer en Nana zich toe verhouden, houden hen minder bezig. In het gesprek met Ömer kwam deze gelaagde gedachtentrein op gang:

En we hebben het ook gehad over het krijgen van kinderen. Ik ben eigenlijk nogal sceptisch over het krijgen van kinderen, vooral gezien de huidige toestand in de wereld. Maar [Nana] is eigenlijk wat nuchterder en ze hecht ook veel waarde aan het hebben van kinderen en aan het baren van kinderen als een soort, een heel heilige of heel mooie, ethische daad, zeg maar. Dus, ze wil, zeg maar, twee kinderen en we hadden het erover of we ook culturele waarden of religieuze perspectieven zouden willen doorgeven. Ik bedoel, ik wil dat mijn kinderen ergens in geloven. Ik bedoel, ze moeten vooral alle religies leren kennen die ze vanaf hun kindertijd kunnen leren kennen. Maar ik wil ze niet onder druk zetten of zo, ik bedoel, ik weet het niet, ik wil ze niet overspoelen met alle religieuze tradities en inzichten over het universum. Ze zijn nog vrij jong. Maar ik denk dat ze wel zullen blijven leren. Ik bedoel, net als ik, op weg naar iets dat in feite niet niets is. Maar [Nana] wil absoluut dat ze [de boeddhistische beweging] leren, en ja, in ieder geval de mantra’s. En daar sta ik ook achter. […] Maar ik bedoel, ik denk dat een ander aspect is dat [Nana] ook haar Japanse culturele waarden wil doorgeven, maar dat wil ik niet. Ik wil ook geen Turkse culturele waarden doorgeven die eveneens seculier zijn, ik weet het niet. Ik denk dat de Turkse cultuur en de islam behoorlijk met elkaar verweven zijn en dat de huidige regering deze verwevenheid of interactie nu heel slim en krachtig gebruikt (lacht). Ik wil daar helemaal niets mee te maken hebben.

Waar Ömer nadenkt over hoe de toekomst er mogelijk uitziet op vlak van het stichten van een gezin, ontmoette ik andere koppels met jonge of tiener kinderen die uitgebreid vertelden over de keuzes die zij maakten in opvoeding en het navigeren van verwachtingen van (schoon)familie. Nieuw samengestelde gezinnen hadden hierin weer specifieke uitdagingen. Ömers overwegingen staan in contrast tot de manier waarop oudere onderzoekdeelnemers zich verhouden tot (niet-)religie, kinderen en opvoeding. Dat geldt ook voor Josephine, die denkt dat levensfase hierin een groot verschil maakt. Ze legde het zo uit:

Nu wat in ons geval, en misschien zult ge dat ook wel zien bij andere koppels, wat bij ons geval wel helpt, denk ik, dat we al bij al wat ouder zijn. Allee, wij hoeven eigenlijk geen toekomst meer te maken. Onze toekomst is veel kleiner dan alles wat achter ons ligt (lacht). Terwijl als je als jonge mens moet je samen een toekomst bouwen die er, waar dat je allebei een idee van hebt. Ik heb mijn toekomst.. Dat is nu. Nu wil ik het goed hebben. Morgen, allee of over drie jaar of over vijf jaar [dat] maakt mij eigenlijk niet meer uit. Ik wil het zo goed mogelijk maken. […] Allee, ik denk wel dat dat een verschil maakt. Dat is zo’n beetje op dezelfde manier als dat ge moet geen kinderen [opvoeden], maar ge moet ook geen toekomst niet meer maken. […] Ja, je leeft bij de dag. En je neemt er van en je geeft wat dat wat je denkt dat goed is. Ja, je kan het dag per dag eigenlijk [leven]. […] En misschien ook wel omdat u.. Ge voelt uzelf wel wat zekerder in uw overtuigingen. Want hoe zijn die gegroeid? Ja, doorheen al die jaren toch aan ervaringen en het werk en veel mensen en elk de zijne. Allee, ge hebt al zoveel waters doorzwommen dat waar dat ge nu staat, dat u daar ook weinig in bedreigd voelt. […] De strijd is gestreden (lacht). Allee, de strijd. Ge moet altijd nog doorgaan. Maar allee, ge verstaat wat dat ik [bedoel]. Ja, het is zo. Ja, ge hebt uw plek. Wij hebben ons werk gehad. We hebben ons overtuigingen, onze kinderen.

Jospehine stelt dat zij en Pierre, met oog op de levensfase waarin ze zich bevinden, niet meer hoeven na te denken over opvoeding, toekomst en een lange termijn perspectief. Dat wil niet zeggen dat zij zich niet op andere manieren bezig houden met de komende generatie. Zo denkt Pierre na over hoe over het geloof te praten met zijn kleinkinderen en studenten. Maar de zoektocht naar de grenzen van religie en niet-religie, en naar een plek voor een ieder binnen het eigen gezin en bredere familiebanden en samenleving, is minder pertinent. Er is daar minder expliciet grenswerk gaande, en daarmee lijkt er meer rust in het gezamenlijke leven.

 

Conclusie

Seculariteit en niet-religie worden in West-Europese contexten vaak als natuurlijk, onzichtbaar en vanzelfsprekend beschouwd. Maar juist in de context van gemengde koppels en families is dat niet altijd vanzelfsprekend. In een dergelijke context kunnen rituele praktijken momenten of gebeurtenissen vormen waarbij de levensbeschouwelijke verschillen oplichten. De niet-religieuze partner moet zich op een of andere manier verhouden tot het geloof en het ritueel leven van de religieuze partner. In dit artikel heb ik verkend hoe niet-religieuze partners dat doen. Aan de hand van twee vignetten besprak ik de concrete ervaringen van Josephine en Ömer. Op deze manier bracht ik enkele zaken naar voren.

Allereerst besprak ik de manier waarop niet-religieuze individuen regelmatig de rituele praktijken van hun partners bijwonen. Ze tonen interesse om verbindingen te maken met de levens van hun religieuze partners. Tegelijkertijd bewaken en bewaren niet-religieuze partners grenzen en een zekere afstand van de religieuze praktijken waarvan ze deel zijn. Ze vinden dat ze er niet kunnen, mogen of willen in opgaan zoals hun partners dat doen. Grenzen en afstand worden bovendien bewerkstelligd door een nadruk op het onderscheid tussen ‘geloof’ en ‘doen’. Tijd, ruimte en zelfbeeld worden zo afgebakend. Vaak overbruggen niet-religieuze partners de verschillen door te wijzen op gedeelde waarden en wederkerigheid.

In de tweede plaats verkende ik de manier waarop levensfase aan bod komt in de gesprekken die ik voerde met gemengde koppels. Waar jonge mensen nadenken over al dan niet een gezin stichten, en hoe een familieleven in te richten, zitten andere koppels daar al middenin. Oudere koppels hebben meer leven om op terug te kijken. Zij kunnen individueel en gezamenlijk uitgebreid reflecteren op hun keuzes en levenswandel. De levensfasen waar mensen in zitten gaven dan ook mee vorm aan de onderwerpen van onze gesprekken.

We kunnen uit de bespreking van de twee vignetten enkele dingen leren over niet-religie. Niet-religieuze ervaringen zijn relationeel, gesitueerd, belichaamd en divers. Wat religie of niet-religie is, wordt in concrete situaties en het dagelijks leven van gemengde koppels geïnterpreteerd en afgebakend. In de levens van gemengde koppels zijn religie en niet-religie met elkaar verweven. Uiteraard zijn de grenzen en opvattingen van religie en niet-religie veranderlijk. Die veranderlijkheid geldt wat betreft tijd en plaats, maar geldt ook voor de individuele en gedeelde levensloop. Gemengde koppels leren ons dan ook over (niet-)religie. Ze bieden een concreet perspectief op alledaagse vertogen en ervaringen van wat het betekent om niet-religieus te zijn.

 

Reageren? Mail naar: nella.vandenbrandt@kuleuven.be

 

Dr. Nella van den Brandt is postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven. Daar werkt ze aan een project over interreligieuze koppels. Haar onderzoeksinteresse richt zich op de intersectie van religie/seculariteit, gender en ras, met een bijzondere interesse in feminisme, religieuze verandering en gemengde koppels en families.

De auteur dankt Anais Segers voor de hulp met het uitschrijven van de interviews en de feedback op een eerdere versie van dit artikel. Haar grootste dankbaarheid gaat uit naar alle deelnemers aan het onderzoek die hun persoonlijke verhalen met haar deelden.

 

[1] José Casanova, ‘Conditions of Belief and Nonbelief in Our Global Secular Age’, in The Faith and Beliefs of “Nonbelievers”, geredigeerd door Pavol Bargár en Peter Jonkers, The Council for Research in Values and Philosophy, Washington, 2024, blz. 29-40.

[2] Charles Hirschkind, ‘Is There a Secular Body?’, in The Immanent Frame, 15 november, https://tif.ssrc.org/2010/11/15/secular-body/

[3] Birgitte Schepelern Johansen, ‘Chasing the Secular: Methodological Reflections on How to Make the Secular Tangible’, in Religion and Society: Advances in Research 2022, blz. 126–139.

[4] Casanova, ‘Conditions of Belief’, blz. 34-40.

[5] Grace Davie, ‘Believing without Belonging: Is This the Future of Religion in Britain?’ in Social Compass 1990, blz. 455-469.

[6] Anna Fedele en Kim E. Knibbe (red.), Secular Societies, Spiritual Selves? The Gendered Triangle of Religion, Secularity and Spirituality, Routledge, London, 2020.

[7] Casanova, ‘Conditions of Belief’, blz. 34-40.

[8] Johansen, ‘Chasing the Secular’, blz. 126-139.

[9] Casanova, ‘Conditions of Belief’, blz. 34-40.

[10] Karin van Nieuwkerk, Nonreligious Lifeworlds in Egypt: Sense-Making, Emotion, and Embodiment, Austin, Texas University Press, 2026; Sofia Nikitaki, Living a Nonreligious Life: A Qualitative Empirical Exploration of Nonreligion in Belgium, Greece and Norway, PhD thesis, KU Leuven, 2023; Johannes Quack and Mascha Schulz, ‘Who Counts as ‘None’? Ambivalent, Embodied, and Situational Modes of Nonreligiosity in Contemporary South Asia’, in Religion and Society: Advances in Research 2023, blz. 126-139; Lena Richter, ‘What You Wear, What You Eat, and Whom You Love: Reflections on a Turn Toward Lived Nonreligion’, in Religion and Society: Advances in Research 2023, blz. 1–13; Marta Trzebiatowska, ‘Sovereign of Herself: Women’s Narratives of ‘Lived Atheism’, in Secularism & Nonreligion 2018, blz. 1-18; Karin Jarnkvist, Using Intersectional Perspectives in the Studies of Non-Religion Ritualization’, in Religions 2020,

https://doi.org/10.3390/rel12010002; Lieke Schrijvers, ‘Discussing the Secular in Intimate Relationships: Nonreligious-Christian Couples’ in Secularism & Nonreligion 2025, blz. 1-13.

[11] Johannes Quack, ‘Outline of a Relational Approach to ‘Nonreligion’ in Method and Theory in the Study of Religion 2014, blz. 439-469.

[12] Jelle Oscar Wiering, ‘The Curious Case of the Condom: How the Secular Matters in the Netherlands’ in Material Religion 2023, blz. 236-258.

[13] Marta Trzebiatowska, ‘Sovereign of Herself’, blz. 1-18.

[14] Johansen, ‘Chasing the Secular’, blz. 126-139.

[15] De namen van de onderzoekdeelnemers zijn gepseudonimiseerd en privacy en vertrouwelijkheid werden zorgvuldig bewaakt.

[16] Citaten van Ömar opgenomen in dit deel van het artikel zijn dan ook mijn vertalingen van Engels naar Nederlands.

Ritueel Leven, Levensfase en Grenswerk
Fulton Sheen (1895-1979): Een Zaligverklaring
Politiek gebruik en misbruik van het christendom
Geloof en godsdienst – vandaag en morgen
De kerkelijke leer kan veranderen
Een historische overdenking van geestelijke ambten en wijding
Spiritualiteit
Preken voor eigen parochie
Christelijk nationalisme
Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond...
Een hedendaags katholiek probleem
Geen theïst, geen atheïst, geen agnost, maar wat...
Theologische perspectieven op menselijke seksualiteit
Nachtmis
Ruimte voor reflectie en spirituele groei openen met...
Vrouwelijke pioniers
Opus Dei en Project 2025
Gedachten over God
Interpretatie en vertaling van de Bijbel
Christendom en burgerlijk gezag
Versteende Rothko’s
Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid
Voorzichtige vooruitblik met paus Leo XIV en Terugblik...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 2: de...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 1: de...
Robert Francis Prevost, paus Leo XIV
Mijn Queer Kruisweg
Sacramenten: geschiedenis en veronderstellingen
Conclave en de Heilige Geest
Adam’s Apples: een absurdistisch bekeringsverhaal