In een nieuwe reeks essays voor Bloomsbury, waarvan momenteel al drie afleveringen zijn gepubliceerd (en de volgende al persklaar ligt), doet Slavoj Žižek, de reus van Ljubljana, nogmaals een poging te beantwoorden aan die oude, welbekende uitdaging van Marx aan alle vrijdenkers, namelijk om ‘nietsontziende kritiek op alles wat bestaat’ te leveren. Wat begon in Against Progress als een grondige herbezinning op de betekenis van het woord ‘vooruitgang’ (met uitvoerige kritiek zowel op hedendaags vooruitgangspessimisme bij ecologisch gezinde denkers als op de drang naar ongereguleerde ‘acceleratie’ bij transhumanisten); evolueerde dan in Zero Point tot een sobere (of zelfs: sombere) beoordeling van de hachelijke toestand waarin de linkse politiek zich bevindt na de meest recente overwinning van Donald Trump en de opkomst van het rechtse populisme in vele delen van Europa; en mondt voorlopig uit in een nogal kronkelige, in alle richtingen uitwaaierende analyse van datzelfde ogenschijnlijk alomtegenwoordige populisme – hetgeen Žižek paradoxaal ‘liberaal fascisme’ noemt – in Liberal Fascisms. Het resultaat is wat Absolute democratie, de essaybundel van de Nederlandse romancier en classicus, Ilja Leonard Pfeijffer, die rond dezelfde periode werd geschreven en een gelijkaardige thematiek behandelt, vermoedelijk had willen zijn: een uitermate wijsgerige en dus ondogmatische bezinning op de huidige wereldtoestand.
Typisch voor Žižek is de chaos van zijn uiteenzetting. De Bloomsbury essays zijn stuk voor stuk fragmenten, veelal afgestemd op concrete, actuele gebeurtenissen, maar soms ook ontzettend abstract en theoretisch georiënteerd (zoals het hoofdstuk ‘Authority’ in Against Progress, waarin een moeizame, hegeliaans-psychoanalytische exegese van het begrip ‘autoriteit’ wordt ondernomen, in het licht van de zogenaamde ‘autoriteitscrisis’), van een op een het eerste gezicht weinig coherent geheel. Toch zien we keer op keer dezelfde hoofdthema’s terugkeren, die Žižek, net omwille van de vrijheid die de essayvorm hem verschaft, telkens weer onder andere gedaanten kan benaderen en in wisselende contexten kan plaatsen.
De rode draad in vrijwel alle essays is de tastende, ondogmatische houding die hierboven werd aangehaald, waarvan Žižek zelf de precieze aard verduidelijkt door sporadisch te verwijzen naar drie zeer verschillende historische figuren, met name: Confucius, Socrates en tenslotte ook nog eens Lenin, die om de beurt symbool komen te staan voor alternatieve vormen van crisismanagement. De naam ‘Confucius’ verwijst hier naar de poging tot taalzuivering ofwel Zhèngmíng, de ‘rechtzetting der namen’, waarbij de nadruk ligt op de restauratie van een oorspronkelijke semantische samenhang. In tegenstelling tot deze Confuciaanse praktijk, die in tijden van grote onrust (zoals de onze) waarschijnlijk tevergeefs en repressief (of alleszins dogmatisch) zal blijken, kiest Žižek partij voor een Socratische aanpak: het radicaal ter discussie durven stellen van overgeleverde betekenissen om zo tot een hernieuwde coherentie te komen. Maar de Socrates van Žižek leeft op gespannen voet met het leidmotief dat dan weer door Lenin wordt gepersonifieerd: de terugkeer naar het ‘zero point’ (uitdrukkelijk de titel van de tweede essaybundel), ofwel de nood aan een tijdelijke strategische hergroepering, met als bedoeling ‘to begin from the beginning’. Het is met betrekking tot dit laatste motief dat Žižek ook expliciet aangeeft (in het eerste hoofdstuk van Zero Point) dat hij zal blijven vasthouden aan zijn overtuiging dat alleen (een opnieuw overdacht) communisme het hoofd kan bieden aan de vele (ecologische, technologische, geopolitieke) crises die ons tegenwoordig dreigen te overweldigen. Lenin staat dus, niet zo heel toevallig, symbool voor de links-activistische insteek die ook in zijn geschriften centraal staat.
De strijd met de sofisten
Onze gidsen zijn dus hoofdzakelijk Socrates en Lenin (de conservatieve houding van Confucius wordt terzijde geschoven), die beide, zij het met andere accenten, herbronning prediken. Welnu, waar worden we zoal naartoe gegidst? In de gedaante van Socrates, trekt Žižek eerst en vooral ten strijde tegen wat hij terecht herkent als een heropleving van de Oudgriekse sofisterij. Dit thema wordt al aangekondigd in Against Progress (zie het hoofdstuk ‘Worsting’), maar blijft ook in Zero Point en vooral in Liberal Fascisms zeer belangrijk, waar het in feite zal dienen als uitgangspunt voor het oxymoron ‘liberaal fascisme’. De titel ‘Worsting’ verwijst naar een essay van Jacques Lacan (met Hegel een favoriet van Žižek), waarin wordt gewaarschuwd voor de neiging tot zelfvernedering of zelfondermijning (‘self-worsting’) bij gevestigde autoriteiten wanneer zij aan het wankelen worden gebracht. De sofisten weerspiegelen precies deze tendens tot zelfondermijning (in hun geval van de debatcultuur van de Atheense polis door allerhande slinkse retorische trucs). In onze tijd is dezelfde tendens te zien bij politieke leiders zoals Donald Trump, die als gevolg van zijn wanhopige, clowneske pogingen rechtmatige autoriteit te ‘herstellen’, juist de obscene schaduwkant ervan heeft blootgelegd; maar ook de intussen notoire, links-liberale praktijk van publiekelijke zelfkastijding, die nu algemeen onder de noemer woke wordt geschaard, mag als een vorm van ‘self-worsting’ worden beschouwd.
Beide laatstgenoemde fenomenen zijn uitingen van wat Žižek ‘popu-Lust’ noemt; het zijn politieke configuraties die een kritische toon aanslaan, niet zozeer om orde op zaken te stellen, maar omdat ze begeesterd zijn door de amor intellectualis diaboli, ofwel omdat ze ‘intellectueel plezier aan de regressie’ beleven: in het geval van het rechtse populisme door, onder het mom van een gigantisch restauratief project, allerhande brutale, aanstootgevende vulgariteiten te spuien en zich over te geven aan grootschalige wreedheden, en aan linkerzijde door kritisch-totalitair de maatschappij te radbraken. Dit element van libidineus plezier (‘lust’) zal telkens terugkomen als Žižek hedendaagse regressieve politieke dynamieken onder de loep neemt. Wanneer hij in Zero Point mijmert over het paradoxale karakter van Trump, die een ogenschijnlijk conservatieve politieke ideologie uitdraagt maar tegelijk juist een heel anti-conservatieve, impulsieve persoonlijkheid ten tonele voert, dan is de vaststelling opnieuw dat het verkeerd zou zijn een dergelijke politieke actor te zien als ‘een relikwie van het oude… conservatisme’; veeleer zien we in zo’n hulpeloos geval ‘het karikaturale geïnverteerde beeld van de postmoderne permissive society’. Het concept ‘liberaal fascisme’ doet hier zijn intrede: Trump is in feite uitermate liberaal (hij zegt en doet regelmatig gewoonweg waar hij zin in heeft), maar op zo’n hyperbolische manier dat zijn liberalisme omslaat in een soort fascisme; of met andere woorden: hij is ‘de ultieme iteratie waarin liberalisme en fascisme samenvallen’.
Žižek begeeft zich wat dit alles betreft op vertrouwd terrein. Al in Sex After Fascism (2007) benadrukte de geschiedkundige Dagmar Herzog dat het fascisme (en in het bijzonder, het nationaalsocialisme) verkeerd wordt begrepen als een klassieke vorm van repressief autoritarisme, een vergissing die in de jaren zestig, juist met de opkomst van de permissive society, werd doorgevoerd om de nodige afstand te scheppen tussen de vrijgevochten cultuur van de nieuwe bohème en de ‘repressieve desublimatie’ (een term van Herbert Marcuse) die voordien al, zij het op een zeer specifieke, vaak paradoxale manier, door de fascisten werd beoefend. De hoofdlijnen van Sex After Fascism gaan inderdaad terug op inzichten die eerder al werden neergezet door leden van de Frankfurter Schule (onder wie dus Marcuse, maar ook bijvoorbeeld Max Horkheimer en Theodor Adorno). Zo lijkt hetgeen Žižek ‘popu-Lust’ noemt, niet erg te verschillen van het fenomeen van de zogenaamde ‘revolte van de natuur’ waarover Horkheimer schreef in zijn magistrale boekje The Eclipse of Reason, en waarmee werd bedoeld: een extremistische poging om ‘het verbod op de onderdrukte natuur’ op te heffen, onder meer door de meest brutale menselijke instincten aan te wakkeren, en zich over te geven aan de grofste impulsen. Ook de door Žižek geponeerde verwantschap tussen liberalisme en fascisme is in zekere zin oude koek: Marcuse schreef in de jaren 1940 al dat de nationaalsocialistische staat ‘niet de omkering maar de voltooiing van het competitieve individualisme’ was – een evolutie die volgens hem precies daarin bestond dat men alle ‘krachten van brutaal eigenbelang’ probeerde te ontketenen die voordien nog enigszins door de democratische staatsorganisatie werden ingedamd. De opkomst van het Derde Rijk was met andere woorden ‘de opkomst van de meest efficiënte en genadeloze concurrent’, ofwel een gezuiverde, ultra-libertaire staatsmachine.
In de inleiding van Liberal Fascisms laat Žižek nogmaals Socrates aan het woord als hij jammert over de manier waarop men tegenwoordig al te graag het woord ‘fascist’ in de mond neemt om rechtse populisten te beschrijven, zonder goed te begrijpen of die term vandaag nog passend is. Het begrip ‘liberaal fascisme’ is een voorstel om zich genuanceerder over zulke mogendheden uit te spreken. Maar in het licht van wat we hierboven aanhaalden, is het onduidelijk of Žižek werkelijk datgene wat de hedendaagse ‘fascismen’ onderscheidt, correct heeft weten te identificeren, omdat de libertaire trek waarop hij zoveel nadruk legt ook al ruimschoots aanwezig was in vorige versies. Een van de subtielste verhelderingen hieromtrent treffen we aan in een korte passage uit Zero Point, waar Žižek schrijft over de ongeziene aanwezigheid van miljardairs in de Amerikaanse overheid onder Trump. Men moet ‘zeer voorzichtig zijn als men Trump als fascist categoriseert’, meent Žižek, precies omdat onder het fascisme de corporate masters niet aan de macht zouden zijn, daar ‘de heersende fascistische partij per definitie een politiek monopolie uitoefent.’ Dit strookt dan weer met de opmerking (alweer uit Liberal Fascisms) dat in plaats van ‘liberaal fascisme’, eerder de term ‘fascistisch libertarisme’ van toepassing zou zijn op Trump, gezien de semantische verschuiving naar het libertarisme an sich (evenwel met fascistische trekken) als de dominante politieke gestalte. Het is immers precies de karikaturale overmacht van de grote corporaties (in tegenstelling tot een of ander bureaucratisch partijapparaat) die de Verenigde Staten van vandaag typeert.
Oorlogscommunisme
Tot zover Socrates; hoe zit het met Lenin? Een terugkerend motief bij Žižek is het ‘oorlogscommunisme’, waarin hij een beloftevolle politieke gestalte meent te herkennen. Jammer genoeg geeft zijn werk weinig uitsluitsel over hoe de ‘oplossingen’ die door zo’n gestalte worden aangereikt, daadwerkelijk beter zouden zijn dan de problemen die ze het hoofd moeten bieden. Uit vrijwel alles blijkt dat Žižek blijft zweven in een quasi-totalitaire antipolitiek, die ondanks alle herbezinning, weinig diepe structurele verschillen vertoont met voorgaande ‘communismen’.
Een eerste aanwijzing wordt gegeven op het einde van Liberal Fascisms, waar Žižek verduidelijkt hoe zijn verwerping van het verouderde, teleologisch getinte vooruitgangsbegrip (al uitgewerkt in Against Progress) past binnen zijn toekomstvisie. De idee is inderdaad een hernieuwde toewijding aan het communisme (‘a new Communism’), maar wel zonder een of ander vooropgezet geloof in een ‘hogere noodzaak’, ofwel zonder enige ‘general laws of history’ aan te hangen. Dit zou de ergste consequenties van de totalitaire verleidingen van weleer moeten afwenden. Als voorbeeld van een geslaagd alternatief noemt Žižek de radicale Franse revolutionairen uit de achttiende eeuw, die de revolutie beschouwden als ‘een open proces zonder enige steun op een hogere noodzaak’. Het is echter aangewezen niet te vergeten dat de Franse Revolutie is uitgemond in een Terreur, ongeacht dus of men geloofde in enige historische noodzaak. Dit onaangename feit lijkt Žižek jammer genoeg niet echt te deren.
In wat waarschijnlijk nog de meest lucide uiteenzetting van zijn communistische toekomstvisie is, lezen we:
Met communisme bedoel ik… iets… vanzelfsprekend en elementair – iets dat al tijdens de coronapandemie werd uitgeprobeerd, maar faalde… Wanneer ons voortbestaan als een beschaafde gemeenschap zelf wordt bedreigd, dan is er geen andere oplossing dan een grootschalige noodtoestand [emergency state] uit te roepen, en noodtoestand betekent de facto oorlog, niet tegen andere staten maar tegen diegenen die verantwoordelijk zijn voor de [crisis] in ons eigen land.[1]
Deze vanzelfsprekende en elementaire noodoplossing neemt de vorm aan van een monsterverbond tussen een zogenaamde ‘Leninistische elite’ en een ‘stille coalitie van gematigde conservatieven’ die de boel van dag tot dag draaiende houden terwijl de Leninistische voorhoede radicale plannen smeedt om het nakende onheil (‘a global emergency state’) te trotseren. Het monsterverbond zal uitgaan van een ‘principieel pragmatisme’, waarbij wordt gefocust op de ‘centrale doelen die betrekking hebben op ons voortbestaan’. Žižek maakt duidelijk dat ‘alles is toegestaan’ waar het die centrale doelen aanbelangt: ‘democratie wanneer democratie werkt, autoritaire staatscontrole wanneer het noodzakelijk is, populaire mobilisatie wanneer het nodig is, zelfs een zekere hoeveelheid terreur wanneer de zaken echt wanhopig worden.’ (Zelfs in haar verschrikkelijkste gedaante blijkt de Franse Revolutie dus inderdaad nooit zo heel ver weg te zijn.)
Opmerkelijk is dat deze visie het beleid dat tijdens de coronapandemie van kracht was, kadert als een soort oorlogscommunisme in spe. (Vermoedelijk herinneren we ons allemaal nog de jammerlijke vergelijkingen die destijds werden gemaakt tussen oorlogsvoering en virusbestrijding.) Op die manier krijgen we wel een zeer bevattelijke glimp van de soort claustrofobische toekomst die hier in het vooruitzicht wordt gesteld; een toekomst die bovendien wel iets wegheeft van ‘de totale regeringsmacht’ die al in de jaren 1970 door de Duitse filosoof Hans Jonas werd overwogen om de technologische uitbuiting van de aarde een halt toe te roepen. Jonas sprak over een ‘centralistische macht’ met een zeer apolitieke machstructuur: ‘De beslissingen aan de top kunnen worden genomen zonder toestemming van onderaf en stuiten niet op verzet van het sociale lichaam (behalve misschien passief) en zullen zeker worden uitgevoerd, tenminste als het apparaat enigszins betrouwbaar is.’ (Jonas zou dit voorstel van een autocratisch bestuurde ‘socialistische samenleving’ uiteindelijk wel van de hand wijzen omwille van de zeer voorspelbare nare gevolgen die het met zich meebrengt).
Dit alles brengt het alternatief waarvan Žižek voorstander is veel dichter bij het gevreesde ‘liberale fascisme’ dan op het eerste gezicht blijkt. Ook Žižek verlangt naar ‘een dictatoriaal figuur, een nieuwe meester’ om ons uit onze ‘apolitieke depressie’ te sleuren, en ons wakker te schudden uit onze ‘spontane vooringenomenheden die worden gemanipuleerd door de massamedia’. Wat hem stoort aan Trump is niet dat deze zich gedraagt als een monarch en grillig regeert via ‘geïmproviseerde, contingente beslissingen’ (met andere woorden, diens ‘Hobbesiaanse’ trekken), maar simpelweg ‘de aard van de maatregelen die hij aan het opleggen is’. (Žižek deinst dus net als Jonas niet terug voor ‘het regeren van een dictatuur’, zolang het maar een ‘goed geïnformeerde, welwillende dictatuur [is]… die door het juiste inzicht is geïnspireerd.’) We zien hier min of meer dezelfde gedachtegang als bij Pfeijffer, met zijn hunkering naar een nieuwe Perikles die niet bang is om ‘tegen de publieke opinie in te gaan en onpopulaire maatregelen voor te stellen’. Žižek is evenwel nog heel wat radicaler, en bovendien meer uitgesproken. Wat het model van oorlogscommunisme betreft, het zou er tenslotte op neerkomen dat er van de bredere bevolking weinig politiek engagement wordt verwacht. Een toespeling makend op ideeën van de marxistische filosoof Fredric Jameson, stelt Žižek dat het oorlogscommunisme mikt op ‘de verdwijning van de politieke dimensie als zodanig’ door middel van een ‘op militaire basis georganiseerde (i.e., apolitieke) economie, zonder enige nood aan permanent engagement van het volk’. Wat dit model blijkbaar ‘aantrekkelijk’ maakt (en wat het inderdaad zeer gelijkaardig maakt aan het nevelachtige covid-regime), is het ‘ondoordringbare, passief bureaucratische aspect van het leven in het leger: er zijn daarin geen democratische verkiezingen – het is nooit volledig duidelijk hoe de ene persoon een topgeneraal wordt en niet iemand anders…’
Minder Lenin, meer Socrates
Er sluimert in de essays van Žižek een verdoken spanning. Het openingshoofdstuk ‘Altona, Los Angeles: From the Nearby to the Neighbour’ van Liberal Fascisms, begint met de terechte opmerking dat het hedendaagse populisme valselijk aanstuurt op een ‘terugkeer naar de nabije ruimte’ (‘authentic local community’), daar het in de praktijk eerder neerkomt op een technocratische verminking van het lokale (de prefab-huizen van Elon Musk zijn hier emblematisch). Zeer welkom is ook het inzicht dat dit al een trek was van voorbije gedaanten van het fascisme. Deel van de reden waarom de Jodenvervolging zo choquerend was en blijft, schrijft Žižek, was haar ‘industriële en gechoreografeerde karakter’, waarin de ‘wereldloosheid van de globale kapitalistisch-technologische maatschappij’ werd weerspiegeld. Precies omdat fascistische strekkingen de nostalgie naar het intieme telkens misbruiken om de sociale atomisering verder door te drijven – gelijkschakeling in het systeem wordt aangediend als simulacrum voor verbondenheid – zou het volgens Žižek een grove fout zijn voor linksdenkenden om lokale verbondenheid a priori af te wijzen als fascisme. Dit laatste zorgt immers voor vreemde spiegeleffecten, waarbij de hedendaagse incarnaties van politiek links vaak zelf, ondanks hun oppositionele houding, een ‘abstracte, ontwortelde, globale positie’ aannemen.
Maar een dergelijke focus op ‘aantrekkelijke’ politiek[2] is bij Žižek maar heel dubbelzinnig. Hoewel hij aanstalten maakt de lokale politiek (‘local roots, ways of life, communities and grassroots politics’) te heroveren, ligt het zwaartepunt van zijn oorlogscommunisme bij het geheel tegengestelde fenomeen: ‘een sterke, gecentraliseerde macht… een macht die klaarstaat om te handelen, onbezwaard door lange en complexe democratische procedures… [met] niet slechts een legerachtige structuur maar [bovendien] een sterke leider aan de top’ – kortom, een soort ‘Hobbisme’. Dit leidt tot de vreemde samenloop van enerzijds de hoop dat een sterke leidersfiguur ons uit de ‘passiviteit van representatieve politiek’ zal halen, opdat mensen zich zullen ‘engageren als rechtstreekse politieke actoren’, en anderzijds de idee van de opschorting van ‘de politieke dimensie als zodanig’, met als vooropstelling, de totale afwezigheid van enig engagement en het primaatschap van een zeer bedenkelijk ‘bureaucratisme’.
Deze paradoxale houding komt nog het sterkst tot uiting in Against Progress, wanneer Žižek zich keert tegen het ‘municipal socialism’ of ‘ecosocialism’ van de Japanse denker Kohei Saito. Samen met andere critici van Saito, meent Žižek dat de doelen van het ecosocialisme niet te bereiken zijn zonder ‘sterke, gecentraliseerde en zelfs, mogelijk, dictatoriale maatregelen’. De ‘visie van lokale, coöperatieve en gemeentelijke initiatieven’ van Saito, die hij karakteriseert precies als een alternatief voor ‘kapitalisme en een centralistische staat’, zou gewoon niet opgewassen zijn tegen ‘de behendigheid van het kapitalisme’ en haar ‘shapeshifting capacities’. Žižek lijkt dus een inzicht van Friedrich Nietzsche (uit Menselijk, al te menselijk) te bevestigen, namelijk dat ‘het socialisme… de fantasierijke jongere broer [is] van het bijna afgeleefde despotisme… Want het eist een overvloed aan staatsmacht zoals alleen het despotisme ooit heeft gehad’. Nietzsche stelde bijgevolg dat ‘het [socialisme] zich slechts voor korte perioden, met behulp van het meest verregaande terrorisme, nu en dan eens [kan] vleien met de hoop te worden gerealiseerd.’ Als we de kwalificaties ‘fantasierijk’ en ‘meest verregaande’ even tussen haakjes zetten, is er, in het licht van wat we eerder al zagen, weinig bij Žižek dat dit tegenspreekt.
Waar het uiteindelijk allemaal misgaat, wordt duidelijk wanneer Žižek, nog afgezien van mogelijke bedenkingen die men kan hebben bij de praktische realisatie van de lokale politiek van Saito, de wenselijkheid van zo’n model ter discussie stelt. Saito zet zoals de meeste antieke denkers in op zelfbeheersing en ‘matigheid’ (voor een gelijkaardig pleidooi, zie ‘Nooit meer energiearmoede’ van Nynke van Uffelen in Streven,[3] waarin zij uitdrukkelijk verwijst naar de deugdethiek van Aristoteles); waar hij op aanstuurt is dus in zeker zin ‘archaïsch’. Žižek zet anderzijds, overigens net als Marx en Nietzsche, vraagtekens bij het antieke model van zelfbeperking. Volgens Žižek is het precies het eindeloze karakter van onze verlangens, dat deze verlangens typisch ‘menselijk’ maakt: ‘Ons verlangen, zelfs wanneer het verschijnt als een hunkering naar lichamelijke voldoening, is steeds doordrongen van een obscene spirituele dimensie van grenzeloze expansie, wat de reden is waarom geen fysiek object haar kan bevredigen.’ Samen met Thomas Hobbes, meent Žižek dus dat het ‘onze gerichtheid op plezier en voldoening zelf [is]… [die] ons [dwingt] voortdurend beschikbare voldoeningen op te geven in ruil voor voldoeningen die nog moeten komen’. Kapitalisme en zijn logica van onbeperktheid, zijn karakteristieke, verknechtende vermenging van ‘hedonisme en ascetisme’, worden hier afgeschilderd als onafwendbaar: ‘once we are in capitalism, there is no way back’.
Het is hier dat Žižek zich beter wat meer door Socrates had laten leiden, en de vooringenomenheden die wellicht door Lenin zijn ingefluisterd, grondiger ter discussie had moeten stellen. Groot gelijk heeft hij als hij meent dat we vandaag de dag de filosofie ‘meer dan ooit’ nodig hebben, dat we haar zelfs nodig hebben gewoon maar ‘om te overleven als mensen’. Maar het is onvoldoende de wijsgerige vraagstelling enkel tot hedendaagse concepten (zoals gelijkheid, vrijheid, mensenrechten, emancipatie, enzovoort) te beperken, zoals Žižek doet. Nog belangrijker is oude begrippen die ook bij Socrates centraal stonden, begrippen zoals deugd, waarheid en het goede, nieuw leven in te blazen en aan radicaal onderzoek te onderwerpen. Op die manier slagen we er misschien zelfs in, onszelf van de valse noodzaak van de kapitalistische logica los te wrikken, en van haar zeer bijzondere, en vaak bijzonder perverse, kijk op het menselijke verlangen. Het is slaafs en uitermate on-filosofisch, een dergelijke logica gewoonweg te aanvaarden als een correcte weerspiegeling van de menselijke natuur. Laten we Socrates dus getrouwer navolgen dan Žižek dat zelf deed, en de filosofie nogmaals volhartig bedrijven. Of we dan tot gelijkaardige conclusies zullen komen, is nog maar de vraag. Misschien was het regime van de ‘grenzeloze expansie’ altijd wel misplaatst. Misschien had Goethe het wel bij het rechte eind toen hij schreef: ‘De mens is voor een beperkte situatie geboren; eenvoudige, nabije, welbepaalde oogmerken kan hij inzien… Het is steeds zijn ongeluk, als hij er toe wordt gebracht om naar iets te streven, waarmee hij zich niet in regelmatige zelfwerkzaamheid kan verbinden.’ Misschien – maar wat heb je aan zo’n inzicht? Hoe kan men, in een wereld waar de meest verafgelegen, zelfs eschatologische, zaken doordeweekse gespreksonderwerpen zijn geworden, überhaupt zoiets als ‘regelmatige zelfwerkzaamheid’ vrijwaren? Ook dat zijn vragen voor de filosofie, waartoe Žižek, met zijn aanstekelijke bevlogenheid, ons in elk geval kan aanzetten.
Slavoj Žižek, Against Progress, Bloomsbury Academic, Londen, 2025, 136 blz., ISBN 9781350515857, € 13,60
Slavoj Žižek, Zero Point, Bloomsbury Academic, Londen, 2025, 160 blz., ISBN 9781350537842, € 13,40
Slavoj Žižek, Liberal Fascisms, Bloomsbury Academic, Londen,2026, 200 blz., .ISBN 9781350573161, € 17,60
[1] Slavoj Žižek, Liberal Fascisms, Bloomsbury Academic, London, 2026, blz. 156.
[2] Michael Weyns, ‘Op weg naar een “aantrekkelijke” politiek’, in Streven Vrijplaats, 2026, (https://streventijdschrift.be/op-weg-naar-een-aantrekkelijke-politiek/).
[3] Nynke van Uffelen, ‘Nooit meer energiearmoede’, in Streven Vrijplaats, 2024, (https://streventijdschrift.be/nooit-meer-energiearmoede/).
