De mens en het dier deelden de wereld.
De mens vroeg het dier: “Waar komt de moraliteit vandaan?”
Het dier begreep de vraag niet en de mens besefte dat het een mensenkwestie was. Toch had de mens het dier nodig om zichzelf te begrijpen.
De mens versimpelde: “Hoe weet je dat een handeling goed is?”
Het dier antwoordde: “Dat weet ik gewoon. Een handeling komt in mij op, zomaar. Instinctief. Ik denk de handeling en het voelt goed. En jij?”
De mens reflecteerde, herkende zichzelf in het dier en mijmerde: “Hetzelfde. Intuïtie. Misschien is dat alles ik heb. Het eerste en enige criterium als een handeling een morele beoordeling behoeft.” De mens fronste de wenkbrauwen en schudde dan het hoofd. Dat kan niet waar zijn. De mens besloot een andere vraag te stellen: “Welke handelingen zijn dan goed?”
“Overleven!” riep het dier. “Een handeling is goed als ik erdoor overleef.”
De mens knikte: dat klonk logisch. De rede van de mens volgde zijn evolutionaire voetstappen, helemaal terug naar de oermensen in grotten. Deze blanco gedachte-experimenten fungeren vaak bewijslast. Moraliteit zal daar wel geboren zijn, peinsde de mens: moord bedreigt mijn voortbestaan en is daarom immoreel; voedsel stelen leidt tot uitsterven en is niet juist; anderen helpen is goed. Toen herinnerde de mens zich de woorden van Horatius in Oden: “Dulce et decorum est pro patria mori.” Mooi en eervol is het om te sterven voor het vaderland.
“Dier!” riep de mens. “Moraliteit en overleven zijn in oorlog! Ze zijn niet elkaars vrienden, maar elkaars vijanden, in gevecht verweven! Als ik uit jouw schoot geboren ben, dier, hoe kan de moraliteit dan zo verkreukeld zijn?” Voorbeelden schoten voorbij in het geestesoog van de mens: bedrog opbiechten tegen de echtgenoot; de onschuldige laten leven ten koste van de levens van tien schuldigen; in hongerstaking gaan.
“Dat is dom,” gnuifde het dier. “Waar komt die destructieve moraal nou vandaan?”
De mens mijmerde. “Een malin génie moet mij dit zelf-ondermijnende mechanisme gegeven hebben. Weet je, dier, als ik mij té egoïstisch gedraag, als ik slecht handel en kies voor overleven, begint er iets te knagen, dan sterft er iets diep in mij. Dat heet mijn geweten. Dan lijd ik.”
De ogen van het dier werden groot. “Slecht handelen? Dat ken ik niet. Intuïties zijn goed. Slecht handelen, dat kan ik niet identificeren. Een tweezijdige moraliteit heb ik niet.”
“Was ik maar zoals jij,” verzuchtte de mens. “Vrij van het geweten.”
“Was ik maar zoals jij,” verzuchtte het dier. “Vrij om ook het slechte te kennen en te kiezen. Vrij om instincten te negeren. Vrij om verantwoordelijkheid te kunnen nemen.”
“Moraliteit is zelf-oorlog,” knikte de mens. “Aan weerszijden van een ravijn beschieten overlevingsinstinct en morele intuïtie elkaar met pijl en boog. Goh, waar komt die afstand vandaan?”
“Jij bent vrij om hierover bewust na te denken,” betreurde het dier. “Dat kan ik niet.”
“Oh. Het bewustzijn,” zei de mens, zich verwonderend over waar dát nu weer vandaan komt.
Deze tekst verscheen eerder in De getemde mens, red. door Martin Harlaar (Gompel & Svacina 2020).