De Amerikaanse antropoloog Marshall Sahlins (1930-2021) doctoreerde in de jaren waarin de meeste koloniën zowat overal ter wereld hun onafhankelijkheid opeisten, en wilde dus afstand nemen van de eurocentrische denkpatronen en begrippen die zijn vakgebied dan al sinds enkele generaties domineerden. De etnologie was van de grond gekomen in de marge van de negentiende-eeuwse koloniale imperia en constateerde dus dikwijls, in al dan niet omfloerste termen, dat haar ‘primitieve’ volkeren de opstap naar de geschiedenis en de Vooruitgang hadden gemist en zo de gevangenen bleven van absurde religies en rudimentaire technologieën, die hun hoogstens toelieten in ellendige omstandigheden moeizaam te overleven. Met de dekolonisatie was de tijd rijp voor een minder neerbuigende insteek; het leek voortaan aangewezen de verre culturen die ze bestudeerden meer van binnenuit en vanuit hun eigen categorieën en waardeschalen te begrijpen.
Marshall Sahlins was een van die vernieuwers en werd een toonaangevende stem in dit debat met zijn Stone Age Economics (1972). Hij dacht daarbij zowel aan de eerste en langste etappe van de prehistorie als aan allerlei stammen en kleinere gemeenschappen die in diverse uithoeken van de wereld dezelfde levensstijl aanhielden; Sahlins verraste iedereen met de stelling dat die primitieven, die van jacht en pluk leefden, helemaal niet permanent aan de rand van de hongersnood zaten, maar net de eerste en misschien enige welvaartsmaatschappij ooit hadden gerealiseerd: ze moesten hoogstens enkele uren per dag werken om te verzamelen wat ze nodig hadden. Ze zouden, als ze er meer tijd aan besteedden, gemakkelijk veel meer bij elkaar kunnen sprokkelen, maar zagen daarvan het nut niet: ze konden de overschotten toch niet gebruiken en evenmin verzilveren omdat iedereen in de omgeving evengoed genoeg had en alle vormen van handel en winstbejag zo ondenkbaar bleven. De etnologen die hen daarover vertelden kregen te horen dat ze liever bij hun rustige levensstijl bleven; het leek er erg op dat ze de opstap naar de geschiedenis niet gemist hadden, maar er feestelijk voor bedankten.
Vijftig jaar na zijn bestseller was Marshall Sahlins een great old man van zijn vak, en wilde zijn oeuvre bekronen met een panoramisch essay over het wereldbeeld van de traditionele samenlevingen. Grondgedachte was, helemaal in zijn lijn, dat veel studies over ‘primitieve’ religies daarvan dikwijls een vertekend beeld schetsten: de auteurs kwamen, zelfs als ze maandenlang terreinwerk hadden gedaan, maar zelden los van de vragenlijstjes en vooronderstellingen die ze quasi instinctief meebrachten uit hun eigen thuisland. Sahlins wilde zich eerder afvragen waar de betrokken inlanders zelf belang aan hechtten.
Hij kreeg niet de tijd dat ultieme magnum opus af te ronden en moest wat toch tot stand kwam grotendeels dicteren of laten redigeren omdat zijn handen in zijn laatste levensjaren verlamd waren. The new Science of the Enchanted Universe, dat kort na zijn overlijden verscheen, bleef dus een torso, maar dan wel een heel indrukwekkende. Marshall Sahlins was dan uiteraard allang niet meer de enige die probeerde zich op het standpunt van de inlanders te stellen. Hij kon zich dus, op zijn leeftijd perfect belezen in zijn vak, baseren op vele terreinstudies van collega’s en/of leerlingen en zijn betoog zo larderen met voorbeelden die de lezer meenemen op duizelingwekkende wereldreizen van de Bosjesmannen in Zuid-Afrika naar de Inuits en van Indo- en Polynesië naar bergvolkeren in Vietnam en Indianenstammen uit het Amazonewoud.
Universeel animisme
De titel van Sahlins verwijst naar de bekende Entzauberung der Welt die Max Weber begin vorige eeuw benoemde en naar het bijna even invloedrijke standaardwerk waaraan Marcel Gauchet in 1985 die titel meegaf. Le désenchantement du monde is voor beide auteurs de meest cruciale ontwikkeling uit de wereldgeschiedenis, waarbij de (vooral) Westerse, c.q. Europese mensheid zich in een millennia omspannend proces moeizaam loszong uit de onheuglijk dwingende greep van religieuze en andere tradities en zo plaats maakte voor een ongeziene bewegingsvrijheid. De vele wetenschappers die zich door hun werk lieten inspireren onderzochten, zoals voor hand lag, vooral diverse aspecten van dat aanslepende emancipatieproces, dat onder andere uitliep op onze moderne democratische regimes en op het even moderne succesverhaal van wetenschap en technologisch kunnen. De traditionele wereld die zo verdween werd hoogstens in algemene termen beschreven en bleef as such vergaand buiten beeld.
Marshall Sahlins probeert ze dus wel in beeld te krijgen en onderstreept in zijn ondertitel licht ironisch dat hij zodoende niets meer of minder dan An Anthropology of most of Humanity ambieert: de doorbraken waarover Weber c.s. het hadden ogen in het globale bestek van de wereldgeschiedenis bepaald recent, nauwelijks een drietal millennia, en breken met een opstelling die voor zover we kunnen natrekken sinds de verste prehistorie altijd en overal de dienst uitmaakte. Sahlins ontdekt er een alomtegenwoordig animisme, dat in, achter of onder alle gebruiksvoorwerpen, dieren, planten, weerfenomenen enzovoort bezielde goddelijke krachten aan het werk ziet. Mensen weten immers dat ze zelf voortdurend keuzes maken en beslissingen nemen en vermoeden dus dat er ook een beslissing genomen wordt telkens als er iets in hun omgeving gebeurt. Bomen groeien en brengen vruchten voort omdat de geest die erin huist dat zo beschikt en op wild kan slechts met succes worden gejaagd als en omdat de genius van de soort bereid is de jagers met enkele exemplaren ter wille te zijn.
De ‘goden’ die voor al die resultaten zorgen zijn dus fundamenteel antropomorf, het zijn entiteiten die, net zoals mensen, allerlei dingen willen of niet willen, appreciëren of net versmaden en die vooral van gewone mensen verschillen omdat ze veel machtiger zijn. Mensen kunnen allerlei ondernemen, maar zijn nooit zeker van het resultaat en moeten keer op keer afwachten of alles al dan niet naar wens verloopt. Het is in die optiek, enigszins paradoxaal, een prettig idee dat de positieve of kwalijke afloop niet afhangt van het toeval, maar van tientallen goden die misschien onzichtbaar, maar evengoed bezield zijn en waarmee je dus op allerlei manieren kunt onderhandelen. Met die onzichtbaarheid valt het trouwens nogal mee: de goden melden zich geregeld in dromen, waarin ze hun wensen kenbaar maken, en er zijn ook dikwijls sjamanen die ze via een of andere vorm van trance kunnen benaderen om na te vragen hoe men hen misschien ontstemd heeft en hoe het weer goed te maken. En omdat de belangrijkste menselijke bezigheden en noden zich dag na dag plegen te herhalen ontstaan er vanzelf meer gestandaardiseerde rituelen om zich zoveel mogelijk van een goede afloop te verzekeren: men hoeft de goden niet keer op keer te consulteren omdat men sinds mensenheugenis weet hoe ze de dingen willen zien verlopen.
De goden van het Enchanted Universe zijn dus niet transcendent: je komt ze dagelijks overal tegen. Ze behoren niet tot een ongenaakbare hogere wereld, maar richten alle reilen en zeilen in de omgeving van hun vereerders zonder ooit te verwijzen naar of één of andere bovennatuur. Marshall Sahlins spreekt dus liever van immanente goden en voegt daaraan toe dat je in de wereld waar die voortdurend aan de slag zijn niet eens kunt spreken van een ‘natuur’: dat woord verwijst, zoals wij het gebruiken, naar een Umwelt van onbezielde materie en redeloze dieren en die ontstaat pas als de goden zich terugtrekken uit de onmiddellijke omgeving van de mensen.
Het hele idee van immanente goden klinkt voor ons bijna als een oxymoron, maar dat is, als we Marshall Sahlins mogen geloven, precies een gevolg van ons spontane eurocentrisme. Het past integendeel bij een wereld waar de goden een vertrouwde nabijheid waren – en daarmee ook nauwelijks werden gevreesd. Veel etnologen constateerden met verbazing a lack of reverence and awe (blz. 164): de droomgesprekken met goden waarover hun informanten vertelden klonken dikwijls verrassend familiair en veel riten ademden geen ingetogen sfeer: er was dikwijls plaats voor uitgelaten grappen of zelfs semi-ludieke dreigementen voor het geval de gebeden niet werden verhoord. De vreze Gods en het tremendum waar Rudolf Otto ooit een basiscomponent van das Heilige in herkende waren er kennelijk minder bij.
Hiërarchie
Het enchanted Universe zit, omdat letterlijk alles er rechtstreekse goddelijke activiteit (agency) veronderstelt, vol goden: elke grot, rivier of heuvel, elk dier of elke plant en ook menselijke artefacten zoals hutten, kampvuren of vergaderplaatsen zijn bezield (enspirited) door hun eigen goden. Het is niet verwonderlijk dat Marshall Sahlins zijn langste hoofdstuk wijdt aan een typologie van die universele Aanwezigheid.
Sommige goden regeren over welbepaalde plekken of over planten of diersoorten, waarbij het soms heet dat er in elk specimen een kleine god woont en het er elders meer op lijkt dat hele soorten worden bestuurd door een archetypisch model. Beide ideeën sluiten elkaar overigens niet uit, eerder integendeel: de betrokken goden zijn nogal eens distributed persons, die tegelijk geacht worden hun soort te overkoepelen en concreet te huizen in elk apart dier of plant waarmee de jagers of plukkers te maken krijgen. Anderzijds zijn de goden ook dikwijls voorouders of overleden verwanten, die na hun dood een goddelijk statuur en dito machten krijgen en zo hun nazaten kunnen helpen of in voorkomend geval ook bestraffen. Er is ook geregeld sprake van minder collectieve betrokkenheden; de etnologen vernamen dikwijls dat elk lid van de gemeenschap die ze bestudeerden zich gecoacht wist door een onzichtbare dubbelganger of leidgeest, die hij of zij dan nogal eens ontdekte en (h)erkende in een min of meer toevallig object in de omgeving. We lezen zelfs over een Polynesiër die zich op die manier verbonden voelde met een cargo die hij in zijn jonge jaren ergens had zien rondslingeren: de etnologen mochten dan al op zoek zijn naar verre volken, ze kwamen quasi onvermijdelijk alleen in omgevingen waar het Westen niet helemaal ontbrak…
De typologie van de talloze goden ontdekt intussen veelmeer dan een amorfe massa pittoreske curiosa. Marshall Sahlins benadrukt integendeel dat er in veel pantheons plaats is voor enkele tenoren die over ruimere domeinen regeren en die op één of andere manier sturen. Et is dan bijvoorbeeld een god van de zee, één van de lucht en één van het land, die telkens cohorten meer lokale of gespecialiseerde entiteiten onder zich hebben. De precieze modaliteiten van die afhankelijkheid zijn niet altijd even duidelijk en het kan ook hier soms gaan om distributed persons, waarbij de hogere goden zich naar omstandigheden manifesteren in onderscheiden en (apart benoemde) gedaantes. In veel andere gevallen krijgen de kleinere goden hun orders van de grotere of via tussenpersonen die dan één of meerdere intermediaire echelons vormen. Ze kunnen zich dikwijls ook, zeker voor meer courante situaties, gewoon laten leiden door de onwrikbare regels, waarvan ze dan, net zoals de mensen, alleen hoeven te weten dat hun tenoren die in een grijs verleden vastlegden.
Die regels klinken maar zelden ethisch. Er zijn er uiteraard enkele waarin je met enige goede wil een morele dimensie kan ontdekken, maar minstens evenveel andere die weinig meer dan formaliteiten zijn, waar je je kennelijk beter naar schikt als je wil dat de betrokken goden je ondernemingen zegenen, maar die intrinsiek compleet arbitrair lijken. Ze zijn gewoon de willekeurige maar evengoed imperatieve wens van tenoren die, zelfs op hun hoogste niveau, exclusief begaan zijn met de dagelijkse gang van zaken in de Umwelt van hun vereerders en nooit uitnodigen die in welke zin dan ook te overstijgen. Ook de machtigste goden van het enchanted Universe blijven door en door ‘werelds’ of, zoals Marshall Sahlins liever zegt, immanent.
Het meest verrassende is misschien nog dat die complexe hiërarchieën en de subtiele taakverdelingen die ze kunnen meebrengen dikwijls blijken te zijn bedacht in stammen, die helemaal niet gesofistikeerd en zelfs nauwelijks georganiseerd lijken. Veel ‘primitieve’ volken kennen geen centraal gezag of gevestigde of zelfs maar informele instellingen: de etnologen die erover schreven ontdekten veeleer vooral losse conglomeraten van nagenoeg autonome families, die dezelfde cultuur en dus vanzelf analoge gedragspatronen delen, maar waar alle verhoudingen verder egalitair blijven. Zoals bekend dachten veel godsdienstwetenschappers ooit graag dat het geloof in superieure goden en zeker dat in een alles overkoepelende oppergod samenhing met de doorbraak van de eerste imperia, die hun heersers immers ook hoog boven hun onderdanen uittilden. Marshall Sahlins ontdekt dat veel onvergelijkelijk eenvoudiger maatschappijen dat voorbeeld niet nodig hadden om de talloze goddelijke agencies om hen heen in een complexe hiërarchie onder te brengen.
Hij suggereert soms dat het verband mogelijk omgekeerd lag en dat maatschappelijke machtsverhoudingen slechts konden ontstaan als sommige individuen of groepen erin slaagden het prestige van de hoogste goden te capteren, c.q. voor zichzelf op te eisen. Het wordt nooit helemaal duidelijk hoe we ons zo’n usurpatie concreet moeten voorstellen: The Enchanted Universe is nu eenmaal een torso, waarin veel vragen onbeantwoord blijven…
De torso werd intussen wel een handig panorama, waar een niet-gespecialiseerde lezer kan kennismaken met enkele belangwekkende resultaten van een hele generatie etnologisch onderzoek. Wie van godsdienstwetenschap houdt kan er dan weer ontdekken – of minstens opnieuw vernemen – dat menselijke religiositeit althans historisch niet start bij afgronddiepe fascinatie door een onpeilbaar hoog of ver Mysterie, maar net met een heel nabije Agency die, al vermag ze zeker meer dan je ooit zal kunnen, toch vooral begaan is met de dagelijkse gang van zaken in de directe omgeving.
Te idyllisch moet je je die zeker niet voorstellen: de oudste goden ogen niet direct liefhebbend en lijken vooral te tillen aan een set tamelijk prozaïsche regels en regeltjes die strikt hun recht moeten krijgen. Het blijft hoe dan ook Enchantment binnen handbereik.
Marshall Sahlins, The new Science of the Enchanted Universe, Princeton, Princeton University Pres, 2022 (Fr. vert. Un univers enchanté, Parijs, Gallimard, 2026).
Literatuur
“reproduce within one’s mind the way the world is put together for other people,” https://news.uchicago.edu/story/marshall-d-sahlins-titan-anthropology-1930-2021