Het gaat ons zoals de meeste mensen, we voelen ons verslagen door het dagelijks leven – Bodo Hell[1]
‘Ter nagedachtenis aan HvdW 🦉🦉’
In haar jonge jaren in Iran werd al snel duidelijk, dat Maryam Mirzakhani (v) over uitzonderlijke gaven beschikte, waarmee ze het nog ver zou schoppen. Een studiebeurs bracht haar al vroeg naar Harvard waar ze zich verder bekwaamde in de wiskunde. In 2014 won ze de Fields-medaille, de meest prestigieuze prijs, die er in de wiskunde te vergeven is. Na onderzoek te hebben gedaan aan diverse Amerikaanse universiteiten streek ze uiteindelijk neer in Stanford, waar ze in 2017 op veertigjarige leeftijd overleed. Toen ze in Stanford bezig was haar briljante wiskundige inzichten op papier te zetten werd borstkanker bij haar vastgesteld. Met haar overlijden ging volgens kenners een ongekend helder wiskundig talent verloren. Ik voer deze korte biografie hier op omdat ik me afvraag hoe dat wrange noodlot eruitziet, dat het leven én de veelbelovende carrière van deze jonge vrouw zo drastisch beëindigde. Het gaat me niet eens zozeer om de ziekte, die haar trof en eigenlijk ook niet om de vele talenten, die door haar vroege dood onbenut bleven. Het had ook een ander noodlottig voorval kunnen zijn. Neem nu de roman Finse Dagen van Herman Koch, waarin de jonge Herman ooggetuige is van een ongeluk in de Beethovenstraat in Amsterdam-Zuid. Een 86-jarige vrouw wordt op klaarlichte dag bij het oversteken op een zebrapad geschept door een vrachtwagen. De vlucht, die de onfortuinlijke oude vrouw door de lucht maakt, ziet Herman keer op keer voor zich. Hij begint te fantaseren over de ware toedracht van dit ongeval en stuit al snel op het toeval, dat zich hier doet gelden. ‘De vrouw had bij slagerij Hegro een halve minuut langer moeten wachten op het inpakken van haar halve pond rundergehakt. Iedereen had zijn leven gewoon kunnen voortzetten.’ Een dodelijk ongeluk als rechtstreeks gevolg van een halve minuut langer wachten op een half pond rundergehakt.
Beide voorvallen zijn even tragisch, even niets ontziend, even radicaal en even onbegrepen. Wat me bezighoudt is dit: is het tragische overlijden van Maryam Mirzakhani nu een idioot soort toeval, waarbij niet alleen een jong leven wordt weggevaagd maar ook een familie in het ongeluk wordt gestort en een academische gemeenschap het nakijken heeft, of is er meer aan de hand en heeft zo’n ingrijpende gebeurtenis – hoe gek het ook klinkt – een betekenis?
Eén vraag lijkt op ieders lippen bestorven: Waarom? Je bent hier getuige van een voorval, dat alleen maar verliezers kent. Wat heeft dit voor zin? Het antwoord is al even simpel: Geen idee! Velen van ons zullen zich afvragen waarom zoiets gebeurt als het zonneklaar is dat niemand er baat bij heeft. Voor ons gevoel moet de loop der dingen verklaarbaar zijn want verklaarbare dingen laten zich duiden en geven ons een reden zo’n voorval te accepteren. Dus ziek word je eventueel op je tachtigste, niet als je jong bent. Ook een niet meer af te wenden faillissement – om maar iets volslagen anders te noemen – dat werknemers en hun gezinnen in armoede stort, carrières knakt en schuldeisers – vaak kleine neringdoenden – met niet betaalde rekeningen laat zitten, stuit op ons onbegrip. Diep in ons hart komt hier een gevoel van onrechtvaardigheid naar boven, waar we machteloos tegenover staan. Vragen naar het waarom klinkt naïef. Voorvallen, zoals hierboven beschreven, lijken op de een of andere manier in het leven ingebakken te zitten. Ze vormen de mysteries van ons leven, die zich door onze vragen, onze woede en ons verdriet niet laten ophouden. Maar hoe aanlokkelijk zou een antwoord op dat grote Waarom zijn? In wat voor ééndimensionale, saaie wereld komen we terecht als op gezette tijden het leven ons in al zijn ondoorgrondelijkheid níet overrompelt en de dingen dus altijd precies zo gaan zoals het ons het beste uitkomt? Ons leven moet juist de dreiging van het onvoorspelbare in zich dragen, dat maakt het voor ons zo aantrekkelijk. Maar als dan volslagen onverwacht het noodlot in alle hevigheid toeslaat en ons in rep en roer achterlaat, is het ook weer niet goed. Waar zijn we getuige van als het noodlot zomaar om zich heen heeft gegrepen en zonder bijbedoelingen zijn slachtoffer heeft uitgekozen? Wat gebeurt daar? We weten ons gewoon geen raad met het toeval in ons leven. Klaarblijkelijk gebeuren de dingen buiten ons om. Degenen, die het noodlot treft, moeten het er maar mee doen. We voelen ons verslagen door het dagelijks leven, zoals Bodo Hell niet geheel ten onrechte stelt. Het is een kwestie van domme pech. Tant pis.
Dat is een nare boodschap. Er moet toch ergens iets te vinden zijn, dat ons een verklaring geeft? Degenen, die het noodlot treft, hunkeren naar een antwoord, hoe summier ook. Al die onbeantwoorde vragen, die achter zo’n tragedie schuilgaan zijn onverteerbaar. Zoiets kan niet zomaar gebeuren is de ervaring van velen. Er moet ergens iets zijn, dat dit in gang heeft gezet. Wij mensen zijn niet opgewassen tegen de consequenties, die kleven aan het aanvaarden van het kale genadeloze toeval. Een overlevingsdrift diep in ons laat niets ongemoeid om van dat betekenisloze toeval af te komen. Wij koesteren een diep verlangen, er in al onze onwetendheid niet alleen voor te staan met al onze vragen. In het nu volgende voorval wil ik duidelijk maken hoe onontkoombaar dat verlangen is iets in handen te hebben en wat het met ons doet.
Ergens in de jaren negentig adopteert een kinderloos echtpaar een meisje uit Zuid-Amerika. Op 18-jarige leeftijd maakt hun dochter een einde aan haar leven. Deze ingrijpende gebeurtenis zet hun leven op zijn kop. Bij de begrafenis van hun dochter doet zich iets merkwaardigs voor. Tijdens de begrafenisplechtigheid staan de genodigden rondom de kist en plotseling, uit het niets komt een vlinder, een Dagpauwoog aangevlogen, cirkelt een aantal keren boven de kist en fladdert daarna weg. De moeder omschrijft zichzelf en haar man als nuchter en sociaal, met oog voor de noden in de wereld. Religie speelt geen rol van betekenis in het leven van de moeder, wel noemt zij zichzelf spiritueel. Die merkwaardige vlucht van de Dagpauwoog ziet zij als een teken. Haar dochter laat haar op deze wijze weten, dat ze er nog is. Ze roept haar ouders op niet te treuren en het leven te herpakken. Ze is er immers nog, weliswaar in een andere gedaante maar ze is niet voorgoed vertrokken, ze is nog bij hen. Jaren later zijn de dagen nog steeds gevuld met rouw en verdriet. Er zijn dagen, zo vertelt zij, die zijn zo intens grijs en naargeestig. Op deze dagen sleept ze zich voort door het leven en is haar dochter verder weg dan ooit. Het voelt dan alsof het intense grijs helemaal in haar is getrokken. Maar er zijn ook dagen, dat het haar beter gaat. Dan zijn er momenten, waarop ze meent de Dagpauwoog gewaar te worden en voelt ze de nabijheid van haar overleden kind.
Een aangrijpend verhaal waar je stil van wordt. En het is zo’n bijzonder verhaal omdat het nogal indruist tegen de manier, waarop de westerse wereld doorgaans naar dit soort voorvallen kijkt. Je ziet een doodskist en een Dagpauwoog, zoals je op het gazon achter je huis een tuinstoel en een droogmolen ziet staan. Wat is nu de relatie tussen de Dagpauwoog en de doodskist? Is er een causaal verband tussen beide of is er slechts sprake van co-existentie. Een ding is zeker, tussen tuinstoel en droogmolen is dat causale verband er niet, of dat bij doodskist en Dagpauwoog evenmin het geval is, laat zich nog niet zo eenvoudig zeggen. Is dus het moment waarop de Dagpauwoog boven de kist rondfladdert een raar soort toeval of is er meer aan de hand? We gaan het zien. Als buitenstaander ben je geneigd te denken, dat we hier met een pijnlijke toevalligheid te maken hebben. Het past niet erg bij de moderne rationele mens, een rondfladderende Dagpauwoog allerlei onverklaarbare eigenschappen toe te dichten. Maar de moeder ziet dat causale verband tussen doodskist en Dagpauwoog wel degelijk, ze ervaart dat verband als levenslijn met haar overleden dochter. Het verschijnen van de Dagpauwoog geeft haar leven een zin. Dat wat op grijze dagen zo volslagen zinloos lijkt krijgt een betekenis. De definitieve breuk met haar dochter wordt geheeld, ook na haar dood gaat haar leven op de een of andere manier door.
Dit is een hele opluchting want het definitieve einde van het leven is een absoluut schrikbeeld voor ons allen. We doen er alles aan om hier niet te lang bij stil te hoeven staan. Wie toch meent, dat het afgelopen is met ons als wij de laatste adem uitblazen, zou eigenlijk in de peilloos diepe afgrond van het definitieve einde moeten staren. Althans, dat zou je verwachten maar ik heb niet de indruk, dat er volkshorden zijn, die in geestelijke nood verkeren omdat hun aardse leven geen vervolg zal vinden in het hiernamaals. Velen zullen zichzelf als agnost beschouwen en vermoeden, dat er iets moet zijn na de dood. Ik denk, dat de omstandigheden het agnosticisme van de moeder verder hebben versterkt. Ze heeft aan het (toevallige) verschijnen van de Dagpauwoog een betekenis kunnen geven en vaart daar wel bij. Wie dat niet kan of wil is niet te benijden. Hem/haar wacht de onmogelijke opgave zich hoe dan ook te verzoenen met het onvermijdelijke en absolute einde.
Het laatste levensuur moet voor ieder mens, mits nog enigszins bij zinnen, een waar horror vacui zijn. Er zijn nogal wat variaties denkbaar op dat laatste uurtje, die de tragiek van het leven nog extra accentueren. Maar ook al hebben je dierbaren zich om je bed verzameld en dept je geliefde met een vochtig waslapje je slapen en spreekt je sussend en vol liefde toe, sterven doe je alleen. Het is een daad, die jij moet verrichten, niemand anders. Sterven is een eenzaam tijdverdrijf en dat tijdverdrijf is hier letterlijk op te vatten. Hoe geruststellend is het dan te voelen, dat straks, als dit alles voorbij is, je ergens anders zult zijn, waar het oneindig veel beter is. Ieder mens – al ben je broodnuchter en rationalistisch tot op het bot – zou een recht op zo’n vorm van zinsbegoocheling moeten hebben. Maar helaas, hoe anders pakt het uit voor hen, die zeker menen te weten, dat dergelijke vergezichten op een illusie gebaseerd zijn.
Al deze overwegingen geven maar aan hoe sterk de behoefte van de mens is om het onbegrepene een naam te geven, om te vermoeden, dat er een macht boven hem gesteld is die ervoor zorgt, dat de dingen er niet zomaar zijn, al lijkt het daar vaak op. Velen spreken in dit verband van God. De dingen zijn zoals ze zijn, ze zijn geïnitieerd. En zo komt het, dat we niet in een ideale wereld leven maar wel in de best mogelijke wereld. We kennen allemaal de argumentatie: als er een betere wereld mogelijk was geweest, dan zou een boven ons gestelde macht die wel hebben gerealiseerd.
Wie niet kan accepteren, dat de mens voorbestemd is en wie niet vindt, dat voorbij de kilte van een tragisch ziekbed of een fataal ongeluk de mystiek een woordje meespreekt, moet zich op de wetenschap beroepen. Brengt de wetenschap hen dan een stap dichter bij een antwoord op de vraag waarom de dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan? Niet echt. Het enige waartoe de door hen zo hooggeprezen wetenschappen in staat zijn is een wereld van feiten, een van iedere zin ontblote werkelijkheid te beschrijven. Wetenschappers zijn daar zeer bedreven in en geven ons een overzichtelijk beeld van wat is voorgevallen. Dat is geen geringe prestatie. Wat de knappe koppen van de wetenschap allemaal wel niet bedenken om de wereld waarin we leven voor ons een stukje minder ingewikkeld te maken, grenst aan het ongelooflijke. Maar je blijft, als je die stroom aan gegevens overziet toch met een onbevredigend gevoel zitten. Neem nu dat ongeluk met die oude vrouw waarover we hierboven spraken. In een poging dat mysterie van het waarom op te lossen kunnen wetenschappers het gebeurde tot in detail analyseren. Zo kan men de informatie uit de tacograaf van de vrachtwagen uitlezen om te kijken of de chauffeur mogelijk te lang achter het stuur heeft gezeten. Men kan onderzoeken of de kwaliteit van het asfalt invloed heeft gehad op de remweg, die de vrachtwagen aflegde nadat de chauffeur stevig op de rem trapte. Men zal sowieso de vrachtwagen aan een grondig onderzoek onderwerpen om te kijken of daar een antwoord op het ontstane drama is te vinden. Een team van meteorologen zal worden gevraagd een diepgaande analyse van de weersomstandigheden op die dag en op die plek te geven. Het stoplicht zal onderzocht worden, de veiligheid van de kruising zal worden bediscussieerd. Medisch onderzoek zal een redelijk compleet beeld geven over de precieze doodsoorzaak van het slachtoffer. Het autopsierapport zal tot in detail beschrijven wat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. Een team van psychologen en hulpverleners zal het sociale Umfeld van de chauffeur en de oude vrouw in kaart brengen. Er ontstaan twee verhaallijnen, een van de chauffeur en een van de oude vrouw. Bij de chauffeur ging de wekker on 5.45, klein ontbijtje, met een volle oplegger op pad, eerste ritje naar Weesp, daarna naar Abcoude, het restant in Amsterdam … Bij de vrouw ging de wekker iets later, om 9.00 uur, ontbijtje, krant, met het hondje uit om 10.15, dan opnieuw de krant en daarna lunch, uurtje rusten, een afspraak met haar fysiotherapeut om 15.00 uur, daarna een kleine boodschap op de Beethovenstraat en dan naar een vriendin … Twee verhaallijnen, die elkaar treffen op dat fatale moment rond 17.00 uur.
Alles lijkt in kaart gebracht, de deskundigen hebben een vracht aan informatie tot hun beschikking, hiermee kan men verder. Het lichaam kan vrijgegeven worden, de verzekering kan aan de slag, et cetera. Maar toch, al hadden we het tienvoudige aan informatie tot onze beschikking gehad, dan nog hadden we op geen enkele wijze het mysterie van het waarom kunnen oplossen. Ik roep nog even in herinnering: wie heeft hier baat bij, waarom heeft het tot deze tragedie moeten komen, wat is de zin van dit alles? Harald Lesch, de populaire wetenschapspromotor uit Duitsland spreekt trefzeker over ‘de troosteloosheid van de natuurwetenschappen’. Zoveel overhoop gehaald en nog geen spoor, dat leidt naar de beantwoording van de meest elementaire vragen.
Misschien hebben we toch de irrationaliteit van de Dagpauwoog nodig om dat grote waarom wat dichter te naderen. Met de ratio alleen komen we niet veel verder dan een kale opsomming van feitelijkheden. Dit brengt mij bij de begindagen van mijn studie Duitse taal- en letterkunde. Vanaf hier spreken de geesteswetenschappen tot ons. Begin september 1983 had ik het allereerste college van mijn leven. Een moment waar ik zeer naar had uitgekeken. ’s Ochtends om 10.15 uur hoorde ik het eerste academische betoog, dat zou bijdragen aan mijn intellectuele ontwikkeling. Die ochtend stak professor Walter Schönau van wal met een mooie volzin, die me altijd is bijgebleven. ‘Meine Damen und Herren, wir leben in einer entauktorialisierten Welt’. In dit eerste college literatuurtheorie wilde professor Schönau ons duidelijk maken, dat de moderne mens niet meer leeft naar goddelijke voorspraak. De godsdienst heeft voor velen van ons afgedaan, de kerken stromen leeg. God is uit het leven van de moderne mens verdwenen en er is niets voor in de plaats gekomen. We staan er alleen voor. Als het ons voor de wind gaat is dat niet zo erg en missen we die leidraad niet maar in ieders leven komen momenten voor waarop we maar wat graag zouden willen terugvallen op die voorspraak. Een troostend woord van een naaste is dan niet genoeg, die is immers net zo feilbaar als jij. Op zulke momenten mist de mens een auktor,[2] een autoriteit in wiens handen hij zijn lot kan leggen. Dit proces van Entauktorialisierung heeft zich vanaf de Verlichting aan ons voltrokken. Tijdens de colleges dat jaar zouden wij met de literaire werken van auteurs vertrouwd worden gemaakt, die dat beklemmende gevoel van verlaten zijn van zich af hadden geschreven. Lees Das Schloss van Franz Kafka en leer de entautorialisierte mens kennen en al lezende zal dat gevoel van verlaten zijn zich als vanzelf aan je opdringen. Landmeter K krijgt te horen, dat hij zich bij een uiterst vaag ambtenarenapparaat in het slot moet melden om nadere informatie over zijn werkzaamheden te vernemen. Dagelijks vervoegt hij zich bij de slotpoort maar telkens wordt hem de toegang tot het slot geweigerd – zonder opgaaf van reden. Dan keert hij om en gaat naar huis, in het ongewisse over wat de dag van morgen brengen zal. Deze eindeloze rij vruchteloze pogingen zal zich tot zijn dood voortzetten. Het is duidelijk dat er voor landmeter K geen auktor is tot wie hij zich kan wenden.
Ook wij hebben geen auktor meer, geen leidsman meer aan wie wij verantwoording schuldig zijn. In zijn essay ‘Literatuur en onttovering’ (1991) verklaart Schönau ons, dat dat gemis aan gebondenheid ons niet alleen onzeker en angstig maakt maar tevens een ‘verlies aan levensintensiteit en diepte’ met zich meebrengt. De literaire wereld van Franz Kafka is dus helemaal geen surrealistisch Gruselkabinett, het is onze dagelijkse realiteit. Toch zijn wij moderne mensen geen duplicaat van landmeter K, al dragen wij allemaal sporen van hem in ons. De diepe tragiek van K hebben wij kunnen ontlopen omdat de Verlichting met al haar nieuwe inzichten ons ook veel goeds gebracht heeft. Al ben ik me bewust van de bizarre uitwassen van een toeslagenaffaire, toch meen ik te kunnen stellen dat wij dankzij de Verlichting vrije mensen zijn, dat wij niet zomaar overgeleverd zijn aan de nukken van een abstracte ambtenarij en dat wij ons daarom niet als K onverrichter zaken naar huis hoeven te laten sturen. We zien het aan de vasthoudendheid van de commissie, die in de toeslagenaffaire de onderste steen boven wil krijgen. Anders is dan vroeger worden misstanden met dank aan de pers nu minder vaak verdoezeld, al lijkt deze openheid een einde aan de toeslagenellende nog niet te bespoedigen.
We mogen onszelf individuen noemen met een eigen autonome wil. ‘Mensch, habe den Mut dich deines eigenen Verstandes zu bedienen’ (heb het lef je verstand te gebruiken), hiertoe riep verlichtingsfilosoof Immanuel Kant ons in 1784 op. Die vaardigheid, zijn eigen verstand aan het werk te zetten en niet al te zeer te leunen op het oordeel van anderen, heeft de mens zich stukje bij beetje eigen gemaakt. En hij heeft ernaar gehandeld, met als resultaat, dat we nu naast een veelheid aan plichten ook rechten hebben, we hoeven ons niet meer te laten koeioneren door onze meerderen. We zijn vrij en redelijk welvarend, we zijn gezonder en worden ouder dan ooit tevoren dankzij een wetenschappelijke benadering van ziekte en gezondheid. Daar waar mensen zich in vroeger tijden richtten tot kruidenvrouwtjes en de Enkhuizer almanak krijgen zij heden ten dage een objectieve diagnose van een academisch geschoolde arts, gebaseerd op moderne medische inzichten.
De geknechte middeleeuwer leefde doorgaans een kort en kommervol leven maar had één baken, waar hij aan vasthield: het hiernamaals. Met veel bidden en aflaten betalen lag die binnen handbereik. In de benarde omstandigheden waarin de middeleeuwer zijn leven sleet was dat toch een enorme troost. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om! De vanzelfsprekendheid van het hiernamaals zijn we kwijt. Meer dan ooit is de moderne mens op zoek naar iets, wat de middeleeuwer nog wel had: een simpel en overzichtelijk perspectief, dat alle aardse strubbelingen trotseert en niet als een nachtkaars uitdooft maar vol is van hoop en blijde verwachting. En wat stellen wij daar tegenover? Ons cynisme. Wij beschouwen dit verlangen als hopeloos naïef en achterhaald.
We geloven niet meer in sprookjes. De dingen gaan toch gewoon zoals ze gaan – we hebben daar een minimale invloed op. Natuurlijk zorgen we ervoor, dat we goed voorbereid en met voldoende bagage de arena betreden maar of we uiteindelijk succesvol en gelukkig zullen zijn hangt niet alleen maar af van een gezonde voeding, voldoende lichaamsbeweging of een goed diploma maar evenzeer van zaken, die buiten ons om worden afgewikkeld. Een ontspoord gen in een aminozuur of een lange wachtrij bij slagerij Hegro kunnen ons zomaar noodlottig worden en laten zien, dat ons leven grotendeels van iedere zin ontbloot is. Een verklaring daarvoor vond ik in een prachtig essay van de filosoof Karl Löwith, ‘De onttovering van de wereld door wetenschap’ geheten, dat in het Duitse cultuurtijdschrift Merkur verscheen. Löwith beargumenteert, dat Kosmos en Physos geen Logos hebben. Om het populair te zeggen: hemel en aarde hebben geen betekenis – die doen hun ding zonder enige bijbedoeling. Als op 141 lichtjaar van de aarde een ster bezig is ‘haar eigen nageslacht, planeet BD+054868Ab’ te vernietigen, zoals George van Hal het onlangs in de Volkskrant verwoordde, dan is dat alleen maar omdat de omstandigheden zich aandienden, waaronder dit proces zich voltrekt. Daar zit verder niets achter. Ook achter spontaan optredende biochemische mutaties in een aminozuur of de onverwacht lange wachtrij bij slagerij Hegro valt met geen mogelijkheid een vooropgezet plan, laat staan een goddelijke interventie te ontdekken. Wie dus zijn leven zin wil geven – en wie wil dat niet? – zal het er zelf in moeten stoppen. Met deze wijze raad van Karl Löwith leggen we ons lot in handen van … ja, van wie eigenlijk? Laten we het houden op de Dagpauwoog.
Hans Koetschruiter (*1959) studeerde van 1983 tot 1989 Duitse taal- en letterkunde in Groningen. Op dit moment doceert hij Nederlands aan Duitstalige studenten, die aan de Rijksuniversiteit Groningen een Engelstalige studie doen.
Reageren? Mail naar: mirsk1960@gmail.com
Literatuur
Geschichten aus der Mathematik, podcast Detektor.fm
Herman Koch, Finse dagen, Ambo-Anthos, Amsterdam, 2020
George van Hal, ‘Geen mens overleeft het apocalyptische geweld op deze verre planeten’, de Volkskrant, 14 februari 2025
Walter Schönau, ‘Literatuur en onttovering’, in: Rien T. Segers (red.), Visies op cultuur en literatuur, Rodopi, Amsterdam, 1991
Karl Löwith, ‘Die Entzauberung der Welt durch Wissenschaft’, Merkur-Zeitschrift 18, Berlijn, 1964
tekening Ben Middelkamp
[1] Bodo Hell, ‘Es geht uns wie den meisten Menschen, wir fühlen uns vom Alltag besiegt’, in 3 Stück Österreich, Edition Eizenberghof Salzburg, 1996.
[2] auktor – Latijn voor leidsman, autoriteit.
