‘Nog steeds weet niemand iets diepzinnigs over pindakaas te zeggen’

Een relaas over het (on)wezen van onze menselijke taal – deel 2 [i]

 

In de taalkunde gebruiken we het begrip syntax voor de taalvorm: hoe ziet het eruit? Het begrip semantiek gebruiken we als we naar de betekenis van taal kijken. Laten we eens kijken naar die betekenis. Het zelfstandig naamwoord auto, dat we in de zinnen 1) en 2) zien, zouden we de woordenboekbetekenis 3) kunnen meegeven:

1) De auto maakte een scherpe bocht.

2) De monteur repareerde de auto.

3) ‘mechanisch ding op vier wielen waarvan twee met een stuurinrichting te bedienen’ + ‘voortgedreven door een motor’ + ‘bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen’

Maar is dat de hele betekenis van het woord auto? Als wij ons een auto voor de geest halen dan is dat voertuig zoveel meer dan alleen die armzalige opsomming van 3). Auto’s die wij ooit zelf bezaten of die door onze ouders werden bestuurd toen wij nog klein waren zullen naast de betekenissen van 3) een plek krijgen in onze persoonlijke voorstelling van een auto. De betekenis van het woord auto is oneindig veel rijker dan 3). Die betekenis staat dus niet vast – al suggereert het woordenboek dat wel een beetje – en is voor iedereen verschillend. Het is zelfs zo, dat binnen zinnen woorden hun betekenis ontwikkelen. Het zelfstandig naamwoord auto heeft als onderwerp van zin 1) een andere betekenis dan als lijdend voorwerp van 2). In 1) is sprake van actie, van een gerichte handeling, die uitgaat van de auto terwijl het in 2) eerder zo is, dat de auto een actie ondergaat. Twee keer het zelfstandig naamwoord auto dus, met twee verschillende grammaticale functies en twee verschillende betekenissen.

In dit kleine voorbeeld zien we een amper te ontrafelen samenspel tussen binnen- en buitenwereld. De betekenis van het woord auto bezit een vaste kern eigenschappen – laten we zeggen de betekenissen, die in 3) worden opgesomd – maar in ons hoofd wordt die kernbetekenis verder gemodelleerd al naar gelang de omstandigheden die we in de buitenwereld aantreffen. Hoe onze geest de interne en de externe wereld met elkaar verbindt is een van de grote mysteries van onze cognitie. Er vindt in ons hoofd een complex maakproces plaats voordat een taaluiting naar buiten kan worden gebracht. Wij nemen in de buitenwereld bepaalde zaken waar en koppelen daar een begrip aan. Die begrippen krijgen een plek aan een soort mentale kapstok in het brein toegewezen. De sterke werkwoorden (lopen – liep – gelopen) aan dit haakje, de zwakke (maken – maakte – gemaakt) aan dat haakje, de zelfstandige naamwoorden op dat stapeltje daar, de bijvoeglijke naamwoorden (schoon – arm – dom – duur et cetera) op dit stapeltje hier. Et cetera. Als een kind taal leert maakt het zich deze systematiek eigen, zo krijgt het zicht op de werking van deze grammaticale categorieën en leert het ze te gebruiken. Daarnaast verwerft het een vage notie van woordbetekenissen, die al naar gelang hun positie in de zin en hun relatie met zaken die het geval zijn kunnen variëren. Het leert verschillende woordsoorten te onderscheiden en grammaticaal te bewerken. Het leert, dat het met een kleine aanpassing van een bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord gemaakt kan maken (schoon >> schoonheid, arm >> armoede). Het leert te declineren (ik, mij, mijn – wij, ons, onze) en te conjugeren (ik loop, jij loopt). Met dit abstraherend vermogen kan het kind aangeboden taaldata paradigmatisch ordenen in verschillende categorieën.

Dit is een mooi voorbeeld van de rijkdom van onze binnenwereld, vooral als we ons bedenken, dat we uit die verzameling geordende categorieën putten om er naar eigen inzicht volslagen unieke, nooit eerder geproduceerde zinnen mee te maken. Tot nog toe was onze binnenwereld dé grote vormgever van onze moedertaal. Toch is dat niet voor iedereen zo vanzelfsprekend. En daarmee zitten we midden in het nature vs. norture debat: wat maakt ons uiteindelijk tot de wezens die we zijn, onze biologie of onze omgeving? Voor behaviouristen was de binnenwereld een raadselachtige zwarte doos, die je maar beter onaangeroerd kon laten. Maar wat eruit kwam was volgens hen wél bruikbaar. Dat is niet onlogisch want zonder de buitenwereld, die het referentiekader voor onze taal levert, gaat het niet. Maar er is meer. Want zouden onze zinnen slechts herhalingen zijn van wat we ooit vanuit de buitenwereld aangereikt kregen, dan zouden wij gedoemd zijn als de nymf Echo door het leven te gaan. We zouden niets eigens kunnen produceren, iedere vorm van creativiteit zou ons vreemd zijn. We kennen allemaal de tragische helden Echo en Narcissus, door Ovidius zo rond het begin van onze jaartelling tot leven geroepen. In de Metamorfosen lezen we, dat Echo zó verliefd op Narcissus is, dat ze niets anders kan dan zijn woorden te herhalen. Zijn woorden zijn haar woorden, het liefst zou ze hem álles willen geven en álles van hem tot zich willen nemen. Voor mij heeft onze taal iets weg van de nymf Echo. De wereld, waartoe onze taal zich te verhouden heeft, heeft iets van de zelfzuchtige, door Echo beminde Narcissus. Hij geeft niet om haar en heeft aan zichzelf genoeg. Om ons het spreken mogelijk te maken heeft onze taal geen andere lotsbestemming dan de buitenwereld, zoals Echo geen andere lotsbestemming heeft dan Narcissus. Onze taal moet de buitenwereld zo dicht mogelijk op de huid zitten om ervoor te zorgen, dat woorden ook werkelijk corresponderen met de buitenwereld. Zo omarmen wij als de nymf Echo onze wereld met onze woorden en proberen we in zinnen te zeggen wat onze ogen zien of ons gemoed ons ingeeft. Bedreven rijt onze taal woorden aan elkaar tot er beeldende zinnen ontstaan, die stukjes van de werkelijkheid omarmen. Maar in plaats van samenvallen met de wereld, die zij verwoordt, verklankt onze taal in een echo wat zij in de wereld aantreft. In zo’n echo becommentarieert zij de wereld.

Zoals we inmiddels weten, moeten we die wereld zien in het licht van de beroemde openingszin van Wittgenstein: Die Welt ist alles, was der Fall ist. Wij zien ons dus geplaatst tegenover een niet te behappen en niet te bevatten grote hoeveelheid dingen, gebeurtenissen, feiten, opvattingen et cetera. Om ons dat gigantische werkterrein enigszins eigen te maken, moeten we wel enige afstand bewaren en kunnen we niet als een verliefde Echo ons volledig overgeven aan de wereld of erger nog, één worden met haar. Als Echo over de wereld spreken zou betekenen, dat we onze subjectiviteit zouden verliezen. We zouden volledig opgaan in een soort nieuwe orde van de eigenlijke wereld van Heidegger, waarin ieder onderscheid tussen subject en object, tussen ons en de wereld, er niet meer toe doet, waarin de woorden de dingen zijn in plaats van ze te representeren. We zouden als Echo onze taal verliezen. Deze state of mind van Echo willen we niet bereiken, we weten hoe het haar vergaan is.

Omdat onze taal een echo is, blijft commentaar geven op de wereld een precaire aangelegenheid. Daar kan maar zo van alles misgaan. We hebben gezien, dat het abstracte karakter van onze taaluitingen een voortvloeisel is van onze biologie, ons aangeboren taalvermogen, dat het ene woord aan het ene haakje en het andere woord aan het andere hangt. Niet de buitenwereld maar de binnenwereld treedt naar voren als de grote vormgever van wie we zijn. In onze binnenwereld brengen we de tekens, die onze geest produceert, in contact met een stukje van alles, was der Fall ist. Taalkundigen hebben lang gedacht, dat niet alles wat we aan taaltekens naar buiten brengen met een buitentalige referent in verbinding te brengen is, maar zelfs een vage verzuchting als ‘Ach …..’ (opperste verbazing) of ‘Uhhh …..   ? (ontzetting) is een echo van iets, ‘was der Fall ist’. Volgens Wittgenstein ten tijde van de Tractatus[2] is onze taal een afbeelding van onze wereld. Aan de hand van twee verschillende oorsprongen van ons woordje maan kunnen we achterhalen wat Wittgenstein daarmee vermoedelijk bedoelde. In het Latijn is het luna, wat alles met licht te maken heeft. In het Grieks is het φεγγάρι (fengári), wat meten betekent. De Grieken gebruikten de maanstanden om de tijd te meten. Voor de een is de maan verbonden met licht, voor de ander is het meten van de tijd de bepalende factor. We kennen allemaal het verschijnsel, dat de Lappen in Noord-Scandinavië vele woorden hebben voor wat wij met één woord afkunnen: sneeuw. Verschillende zienswijzen van de wereld, die zich in de taal hebben verankerd en maar een boodschap lijken uit te dragen: Zoals mijn wereld is, zo is mijn taal. Dat klinkt logisch maar daar valt nogal wat tegenin te brengen. Een simpel voorbeeld: het Finse persoonlijk voornaamwoord is sekseneutraal. Wij hebben het over hij, zij of het, de Finnen slechts over hän. Hoezo, zoals de wereld is, zo is mijn taal? Doen de Finnen hier iets verkeerd of is die stelling toch niet helemaal houdbaar.

Een ander voorbeeld. De Bantoe stam Shona in Zimbabwe beschikt in zijn taal met dezelfde naam over de kleurnamen cipsuka, cicena en citema, die vanuit ons perspectief, redelijk willekeurig over het kleurenspectrum van de regenboog van rood naar violet verdeeld zijn. Hoe aannemelijk is het, dat de Shona de wereld ook alleen maar in deze drie kleuren waarnemen? Dit zou zomaar het geval kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat ze in prekoloniale tijden altijd heel geïsoleerd leefden en binnen de eigen kleine gemeenschap kinderen kregen. Mogelijk dat er hierdoor een genmutatie ontstond, die hun kleurenperceptie beïnvloedde. Als die vervolgens zijn weerslag vindt in de kleurenbenamingen van het Shona, hebben we een perfecte verklaring voor de wijze waarop de buitenwereld  onze taal bepaalt. Zoals gezegd: de wereld bepaalt hoe onze taal eruit ziet. Maar zo hoeft het bij deze Bantoe stam natuurlijk helemaal niet te zijn gegaan. Bij de Finse persoonlijke voornaamwoorden hebben we gezien, dat niet alles wat we waarnemen ook in taal wordt geconcretiseerd.

***

In ons hoofd is een systeem werkzaam, dat zinnen maakt, die we uiteindelijk de wereld in sturen. Waar in ons brein houdt dat systeem zich op, waaruit die taaluitingen spontaan naar buiten komen? Is het op meerdere plekken gelokaliseerd of wordt het vanuit onze genen aangestuurd? Tot op heden is het aangeboren taalvermogen in de hersenen nog niet gelokaliseerd. Wel heeft men het FOXP2-gen gevonden, het zogeheten taalgen, dat bij gewervelde dieren de communicatie bevordert. Als door een mutatie het gen niet goed functioneert leidt dit tot allerlei spraakstoornissen. Toch is het taalvermogen niet tot specifieke neuronenactiviteit te herleiden. Weliswaar zien we in een ECG-scan bepaalde hersendelen oplichten bij taalgebruik, maar bij nader onderzoek zul je in die hersendelen niets van dat aangeboren en universele taalvermogen aantreffen. Net zomin als dat we in het brein neuronen zullen aantreffen, die uitsluitend worden ingeschakeld om ons vermogen tot autorijden te activeren. Dit komt natuurlijk omdat autorijden of taal gebruiken niet één ding zijn maar bestaan uit een bundeling van fysieke en mentale vaardigheden. We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen, dat de meest fundamentele onderdelen van ons mens-zijn nergens te traceren zijn maar desondanks voelbaar hun werk doen. De verzameling bouwstenen, die in een hiërarchisch gevormd geheel uiteindelijk leiden tot zoiets ingewikkelds als autorijden of een taal spreken, zijn feitelijk niets anders dan minuscule netwerkjes, ook wel homunculi genoemd, die met stroomstootjes een stukje informatie doorgeven en zo de volgende in een reeks van actoren in staat stellen zijn activiteit ten dienste van het geheel uit te voeren. Zo’n minuscuul onderdeeltje van een groter hiërarchisch geheel draagt geen enkel kenmerk in zich dat zich rechtstreeks verhoudt tot het uiteindelijke resultaat: het vormen van een grammaticaal juiste zin of het terugschakelen naar een lagere versnelling als we vaart moeten minderen.

Het taalvermogen zit verspreid over ons hele brein. Niet willekeurig, zo zijn het centrum van Broca en het centrum van Wernicke nauw betrokken bij taalactiviteit, maar het fijne weten we er nog steeds niet van. Het geheel heeft een tamelijk diffuus karakter. Zonder ons taalvermogen zouden we nog holbewoners zijn, als we überhaupt in staat waren geweest ons te handhaven. Waarschijnlijker is, dat we in gedeeld leefgebied onder de voet waren gelopen door vraatzuchtige concurrenten, die zich beter aan de omstandigheden wisten aan te passen. Wat onze vroege voorouders heeft doen overleven is een oervorm van de taal, die wij nu spreken. Deze oervorm moet zijn ontstaan uit onze ontvankelijkheid voor tekens. Met vergaande verfijningen in zijn communicatie werd de vroege mens zijn predatoren steeds efficiënter de baas. Zo zal de vroege mens met primitieve kreten zijn groepsgenoten hebben kunnen waarschuwen voor gevaar of hebben kunnen inseinen waar voedsel te vinden is. Met zijn explosief groeiende brein wist de vroege mens dat tekensysteem, dat eerst bestond uit primitieve kreten, verder te perfectioneren. Dat ging hem klaarblijkelijk zo goed af, dat hij niet langer al zijn tijd en energie hoefde te spenderen aan zijn overleven. Hij had tijd en denkcapaciteit over om zich tot een narratief wezen te ontwikkelen. Denk daarbij aan de rotstekeningen van Lascaux of aan de prilste vormen van ons schrift. Uit die gevoeligheid voor tekens heeft de vroege mens dus veel evolutionair voordeel gehaald. Indrukwekkend is de wijze waarop hij, gewapend met de vaardigheid tekens in te zetten, zijn gebrekkige fysieke habitus heeft weten te compenseren. Die vaardigheid heeft uiteindelijk geleid tot de taal, waarover wij de nu beschikken. Toch blijft de taalsprong, die we in onze vroege ontwikkeling hebben gemaakt, voor evolutiebiologen een lastig fenomeen. Ook dieren gebruiken taal maar de taal van de mens heeft een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt en daarmee druk ik me nog voorzichtig uit. Bij de analyse van mensentaal stuiten taalkundigen al snel op de onontwarbare complexiteit ervan. Mensentaal laat zich amper beschrijven: concentreren we ons op de taalvorm dan zullen we de betekenis van taaluitingen grotendeels links moeten laten liggen. Andersom geldt dat ook. In de pragmatiek, een ander deelgebied van de taalkunde, kijkt men naar taal als praktisch hulpmiddel van de mens. Dan blijkt in een keer, dat dat wat syntactici en semantici in hun theorieën hebben verwoord, grove versimpelingen zijn van de werkelijke aard van taal. Het is bijna alsof taalkundigen gedwongen worden in een laboratorium setting, ver weg van de werkelijkheid, hun specialisme in het duister af te tasten maar er nooit toe komen de afzonderlijke onderdelen tot een geheel te smeden. En dat terwijl vorm en betekenis van taaltekens zich tot elkaar verhouden als de twee zijden van een blad papier. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wat taalkundigen doen doet me altijd denken aan de bekende radiometafoor: Een enthousiaste jonge onderzoeker demonteert een radio tot in de kleinste onderdelen en vraagt zich vervolgens af waar toch dat mannetje van de radio is, waar het hem uiteindelijk om te doen was. Hoe kan het, dat het fenomeen zelf achter de horizon verdwijnt zodra we onze aandacht richten op onderdelen van het grotere geheel? Een mogelijke verklaring voor deze spagaat van de taalkundigen is een geweldige evolutionaire toevalstreffer, die semantiek en syntax, twee neurale rekensystemen, die in onze hersenen onafhankelijk van elkaar opereren, met elkaar in verbinding heeft gebracht en zo de prille basis voor ons taalvermogen heeft gelegd.

Hoe dit gebeurde weten we niet, maar het zou maar zo kunnen zijn, dat een genetische verandering bij een kleine groep nomadisch levende mensen deze verbinding tot stand heeft gebracht. Als deze aanpassing vervolgens uitermate succesvol blijkt te zijn zal in de loop van een beperkt aantal generaties de omvang van deze subgroep explosief groeien.

Als het waar is dat deze evolutionaire toevalstreffer semantiek en syntax bij elkaar heeft gebracht, dan is het ook niet zo verwonderlijk, dat taalkundigen tot nog toe die twee vakgebieden gescheiden onderzochten. Ons wetenschappelijk handelen en daarmee nauw verbonden onze wetenschappelijke theorieën richten zich altijd maar op een stukje van de werkelijkheid en laten uit praktische overwegingen veel buiten beschouwing. Zo concentreert binnen de medische wetenschappen de oogarts zich op de aandoeningen van het oog en houdt, als het maar enigszins kan, alles wat met het hart of de longen te maken heeft buiten zijn blikveld. Dit doet hij ook al weet hij dat ogen, hart, longen en alle andere onderdelen van het menselijk lichaam één groot organisch geheel vormen. Een medisch totaaloverzicht van het menselijk lichaam is zo opgebouwd uit een grote verzameling specialismen en hun dwarsverbanden. Zo ongeveer is onze kennis in de medische wetenschappen opgebouwd. En zoals dat in de medische wetenschappen gaat, zo gaat dat ook in andere vakgebieden. Ook daar lopen specialisten rond die zich bezighouden met maar een klein gedeelte van het geheel maar daarnaast wel zicht houden op het grotere geheel. Een oogarts is begonnen met een studie medicijnen en heeft zich vanuit die algemene basiskennis verder gespecialiseerd. Hoe zit dat bij de taalwetenschap? Ik bepleit hier, dat de taalwetenschap veel minder dan andere wetenschappen in staat is ons een coherent totaalbeeld van haar onderzoeksgebied te geven. De precieze aard van de twee eenheid van het taalteken is ons nog steeds onduidelijk. We hebben al een vermoeden uitgesproken waarom dat zo is.

Hoe tegendraads die verschillende onderzoeksgebieden van de menselijke taal zich kunnen manifesteren, zal ik aan de hand van een persoonlijke observatie uit de tijd, dat ik Duitse taal- en letterkunde studeerde, proberen uit te leggen. Het viel mij tijdens diverse colleges telkens op hoe wezensverschillend taalwetenschappers met syntax en semantiek omgingen. Je had binnen de vakgroep Algemene Taalwetenschappen specialismen als syntax, semantiek en pragmatiek. De artikelen uit deze verschillende disciplines zagen er allemaal heel anders uit, het leek wel alsof de een zich bezighield met appels en abrikozen en de ander niet met peren of met ander fruit maar met spijkers en schroeven. Syntactici stelden vooral boomstructuren op waaruit je de onderlinge relaties tussen de verschillende zinsconstituenten kon opmaken (zie figuur 4). Semantici daarentegen probeerden met hun tekensysteem betekenissen bloot te leggen. Dit waren twee los van elkaar staande onderzoeksgebieden, waartussen weinig of geen dwarsverbanden bestonden. Het zag er voor mij als student anders uit, ik zag geen overlap tussen beide vakgebieden. Syntactici en semantici hadden het over volslagen verschillende zaken. Ik vroeg mij af hoe dat in andere wetenschappen was. Zou de anorganische chemie er wezenlijk anders uitzien dan de organische chemie of maakten ze gebruik van hetzelfde begrippenapparaat en van dezelfde tekens? Tastten nieuwtestamentici in het duister bij iedere publicatie van een oudtestamenticus?  Ik kon het me maar moeilijk voorstellen. Ik vermoedde, dat dergelijke sub disciplines heel aardig op de hoogte waren van wat de ander aan het doen was en dat wetenschappers uit de verschillende disciplines elkaar papers konden lezen en becommentariëren. Bij taalwetenschappers is dat lange tijd anders geweest. Een doorsnee syntacticus had maar een vage notie van wat een semanticus voor ogen stond met de uiterst gecompliceerde Montague grammatica, die op de laatste bevindingen van de mathematische verzamelingenleer stoelde. Laat ik me hier beperken tot een wat eenvoudiger voorbeeld, dat laat zien, dat anders dan in de chemie of ieder ander vakgebied, syntax en semantiek twee los van elkaar opererende vakgebieden van de taalkunde zijn, die ieder hun eigen pad bewandelen maar verder weinig overlap hebben. Het wonderlijke is, dat ze uiteindelijk – ieder voor zich – de input leveren voor woorden en zinnen.

S = Sentence,  VP = Verb Phrase, NP = Noun Phrase, V = Verb, N = Noun

 

De syntax

Figuur 4 laat een syntactische boomstructuur zien zoals die in de taalkunde gebruikt wordt. Deze specifieke vorm heeft een lange voorgeschiedenis, die reikt tot in de oudheid, maar laten we de draad oppakken bij Immanuel Kant. De hoofdvraag van de Kritik der reinen Vernunft van Kant luidt: hoe komt de mens tot kennis? Kants antwoord daarop is: door te oordelen. En wat is een oordeel? Een oordeel bestaat uit een subject en een predikaat. In het boomdiagram van Noam Chomsky vormt de NP (noun Phrase) het subject en de VP (Verb Phrase) het predikaat. Het predikaat specificeert dat, wat er over de NP in subject positie gezegd kan worden. De relatie tussen die twee kan nieuwe kennis bevatten, zoals in De kogel is doorzichtig of bestaande kennis, zoals in De kogel is rond. In het ene geval hebben we volgens Kant te maken met synthetische oordelen, in het andere met analytische oordelen. Wat opvalt is de terminologische overeenkomst tussen de filosoof Kant en de taalkundige Chomsky [3].[3] De boomstructuur van 4) bevat een subject en een predicaat, die de dieptestructuur van de zin ‘Vader leest de krant’ representeren. De boomstructuur is naar believen nog verder te verfijnen. De NP de krant kunnen we nog verder opsplitsen in het lidwoord ‘de’ en het nomen ‘krant’. Bij het werkwoord lezen kunnen we nog onderscheiden tussen werkwoordstam en de uitgang ‘t’. Chomsky ontdekte verregaande regelmatigheden in de door hem ontwikkelde generatieve grammatica, die je uit deze boomstructuren kunt afleiden. De voorspelbaarheid van hoe een Nederlandse hoofd- of bijzin er in het systeem van Chomsky uitziet is nog steeds bijna te mooi om waar te zijn. De onderlinge syntactische verhoudingen worden perfect weergegeven. Een grammaticaal juiste zin is dus probleemloos tot een boomstructuur terug te brengen. Ook de plek waar vraagwoorden in 5) terechtkomen is in de strakke systematiek van een boomstructuur onder te brengen.

5) Vader leest ieder ochtend de krant >> Wat leest vader iedere ochtend? >> *Vader leest ieder ochtend wat?

Met boomstructuren hebben taalkundigen een systeem met een grote voorspellende kracht ontwikkeld. Hoe kan het, vroeg ik mij bij de colleges taalkunde af, dat een theorie zozeer als een dekseltje op een potje past. Mij is altijd geleerd, dat de realiteit tot in zijn diepste vezels zo weerbarstig en contingent is, dat iedere poging tot theorievorming alleen al daarom een tijdelijk karakter moet hebben. Met eigen inzichten moet de volgende wetenschapper, die zich aandient, het oude herschrijven tot iets nieuws, telkens weer in een ultieme poging het te beschrijven fenomeen weer iets dichter te naderen. Zo werd aanvankelijk nog aangenomen, dat de boomstructuur van figuur 4 alleen maar syntactische informatie bevatte. Deze zienswijs is – zoals we in het begin van dit essay hebben gezien – niet helemaal juist, maar het goede van deze halve waarheid was toch, dat een heldere systematiek met een grote voorspellende kracht ons inzicht in de werking van taal verschaft. Wij weten inmiddels, dat de NP’s van 1) en 2) wel degelijk over semantische informatie beschikken. Wij buitenstaanders houden wetenschappers voor nobele lieden, die niet anders willen dan de goede zaak dienen. En dat zijn ze ook, zondermeer! Maar zoals auteur en microbioloog Marijke Schermer in haar roman In het oog stelt: ‘… bijna alle wetenschappers brengen hun meetwaarden op de een of andere manier samen met hun theorie. Ze verzinnen redenen voor afwijkingen …’

Ik was erg onder de indruk van die feilloos regelmatige patronen waarmee  de boomstructuren van Chomsky school maakten maar ik voelde ook aan, dat je met theorieën met zo’n grote voorspellende kracht voorzichtig moest zijn. Ik ben er zeker van, dat Chomsky de semantiek niet wilde veronachtzamen maar hij had er simpelweg geen plek voor in zijn theorieën en misschien voelde hij ook wel aan, dat de dwingende regelmaat, die er van zijn systeem uitging, verloren zou gaan zo gauw de semantiek haar intrede zou doen. Een voorgevoel, dat is uitgekomen. Want wat zou er gebeuren als we het onderzoeksterrein van de taalkunde echt als één eenheid zouden beschouwen; een werkwijze, die – zoals we hebben gezien – in andere takken van wetenschap heel gewoon is. Syntax en semantiek als twee min of meer gelijksoortige loten aan één stam, die beiden werken met nagenoeg dezelfde terminologie en wier onderzoeksresultaten in elkaars verlengde liggen. Het leek niet meer dan logisch dit ook voor de taalwetenschappen te bewerkstelligen. Er zijn inderdaad pogingen ondernomen in de door Chomsky ontwikkelde syntactische boomstructuren betekeniselementen aan te brengen, maar al snel lieten al die pogingen zien, dat de fascinerende regelmaat, die het systeem kenmerkte, als sneeuw voor de zon verdween. Dit leidt tot het vermoeden, dat de semantiek een van de syntax afwijkend pad volgt bij de creatie van taaluitingen. De Amerikaanse taalkundige Ray Jackendoff heeft veel onderzoek verricht om deze verwarrende relatie tussen syntax en semantiek bloot te leggen, Aan de hand van enkele voorbeelden zal ik proberen een verklaring voor dit verschijnsel te geven.

 

De semantiek

 

Laten we eens kijken naar die ogenschijnlijk minieme schakeltjes, die de relatie tussen taal en buitenwereld zo diepgaand beïnvloeden. Ze worden meestal aangeduid met de term taalpartikel. Het gaat dan om een klasse woorden, die zelf niet refereren aan de dingen in de wereld. Het partikel veel heeft geen buitentalige referent, het zelfstandig naamwoord appel heeft dat wel. Negatiepartikels als geen of slechts hebben dat ook niet, conjuncties als omdat of mits evenmin. Taalpartikels laten zich het beste beschrijven met begrippen uit de logica. Om hun werking duidelijk te maken heb ik zin 7) wat aangevuld met extra informatie. De informatie tussen haakjes staat er om de zin wat meer context te geven.

6) Veel vaders lezen de krant (op zaterdag wat uitgebreider dan op andere dagen)

Onze aandacht gaat uit naar het partikel veel. In de semantische logica noemt men zo’n partikel een determinator. Determinatoren als veel, sommig, geen of eerder zijn woorden die nadere informatie verschaffen over de hoeveelheid, de tijd of de hoedanigheid van zinsdelen. De vraag is wat er precies wordt gedetermineerd in zin 6)? Gaat het daarbij alleen om de vaders waarvan er veel zijn of heeft de determinator veel betrekking op de vaders, die op zaterdag de krant wat uitgebreider lezen dan op andere dagen? Het laatste is, dunkt me, het geval. Dat houdt dus in, dat een determinator zijn invloed uitoefent op de hele zin, niet slechts op het grammaticale subject vader. Binnen de verzameling vaders is er dus een deelverzameling van vaders, die op zaterdag de krant uitgebreider lezen dan op andere dagen. Van de leden van die deelverzameling (de vaders, die ….) zegt de determinator dat het er veel zijn. Als we zin 6) redekundig ontleden, kunnen we tot geen andere conclusie komen dan dat veel vaders het onderwerp van de zin is. Dit is een syntactische constatering. Maar vanuit semantisch oogpunt wordt er een andere leeswijze verlangd, daar is de determinator veel bovengeordend aan de hele zin. De semantiek van een taaluiting komt dus op een andere manier tot stand dan de syntax. Voor de semantiek hebben we een ander bouwwerk dan de boomstructuur van 4) nodig om de juiste verhoudingen tussen de zinsconstituenten te beschrijven. Men spreekt wel van de disparallellie tussen semantiek en syntax, die wel tot de conclusie moet leiden, dat we in taaluitingen met twee verschillende neurale systemen te maken hebben, die door toeval aan elkaar gekoppeld zijn.

Hier volgt het tweede argument, dat aan moet tonen, dat de syntax en de semantiek van een taaluiting onafhankelijk van elkaar tot stand komen. Een conjunctie is een taalpartikel, die twee zinnen aan elkaar verbindt. In zin 7) vervult de conjunctie tenzij die rol. Laten we proberen de betekenis van zin 7) tot ons te laten doordringen om iets te voelen van de kracht, die er uit kan gaan van een conjunctie. Vervangen we de conjunctie ‘tenzij’ door terwijl, omdat, hoewel of zodra dan zien we direct hoe bij iedere vervanging van de ene conjunctie door de andere de complete zin van betekenis verandert. Met andere woorden, iedere conjunctie in zin 7) vertolkt een andere werkelijkheid. Het naar-huis-gaan en de gezelligheid vertellen onder invloed van de conjunctie iedere keer een volslagen ander verhaal. Conjuncties drukken daardoor dat, wat wij willen zeggen, nog iets dichter aan tegen iets, was der Fall ist. Zo lijkt het of de specifieke semantiek van een conjunctie zich als een olievlek over de gehele zin uitbreidt. In zin 6) doet de determinator veel exact hetzelfde. De kracht van zo’n woord, dat zelf geen enkele directe relatie met een buiten talige referent onderhoudt en hooguit uit twee lettergrepen bestaat, is ongekend.

7) Ik ga vanavond niet zo laat naar huis, tenzij het heel gezellig is.

De semantiek heeft dankzij de logica de werking van conjuncties als tenzij, terwijl of omdat in beeld gebracht. In zin 7) hebben we gezien, dat de verhouding tussen de twee te verbinden zinnen telkens een andere betekenis krijgt, afhankelijk van de verbindende conjunctie. Dat lijkt wat aan de magere kant voor wie dacht betekenissen van Nederlandse zinnen op het spoor te zijn. Maar bedenk wel, dat de olievlek van een conjunctie zich over grote tekstgedeeltes kan uitstrekken. Zo kan het kleine woordje echter in een roman van 200 pagina’s het snijvlak zijn waarlangs het perspectief van de hoofdpersoon totaal verandert. We zouden misschien graag meer willen weten over de semantiek van de ‘echte’ zinnen, die zo’n roman vullen en minder over zo’n onooglijk woordje echter. Het is maar de vraag of ons dat ooit lukken gaat. Wat we nodig hebben is een theorie, waarin de verbindingslijnen tussen het zelfstandige naamwoord auto en de lexicale inhoud ‘mechanisch ding op vier wielen ….’ wordt beschreven. Maar we hebben gezien, dat die lexicale inhoud van de dingen in de wereld eerder een psychologische dan een taalkundige kwestie lijkt te zijn. De taalkunde en dan met name de semantiek gaat er helemaal niet over, dat de ene appel groen is en de andere geel met rode blosjes; dat een auto vier wielen heeft en een carrosserie; dat een espresso aan de Champs-Élyssées het tienvoudige kost van een espresso in het stalletje bij mij om de hoek. Toch spreken we ons over al deze zaken uit en hebben er een mening over. In al die gevallen lijkt onze taal alleen maar het voertuig te zijn, dat al die bevindingen van de een naar de ander brengt. Misschien is dat, wat wij in de taalkunde semantiek noemen inderdaad niet veel meer dan die verzameling kleine woordjes, die niet aan de wereld refereren maar haar op beslissende momenten mede vormgeven. De Amerikaanse taalkundige Barbara Partee doet althans die suggestie. Naast conjuncties, wier semantiek door logische operaties en verzamelingenleer worden bepaald zijn er woorden, die om een lexicale woordenboekinhoud vragen. Deze grote klasse van woorden noemt Partee de remainder. Deze klasse woorden beschouwt zij als linguistically unanalyzed. Voor hen ziet zij geen plaats binnen de taalkunde anders dan hun abstracte karakterisering als NP of V (Verbum). En daarmee zijn we terug bij af want NP en V zijn syntactische notaties.

Hoe ondoorgrondelijk de semantiek van lexicale begrippen is heeft taalkundige Jan Koster, hoogleraar theoretische taalkunde in Groningen, toen ik er als student nog rondliep, mooi verwoord in een interview, dat hij had met taalboekenauteur Liesbeth Koenen. ‘Nog steeds weet niemand iets diepzinnigs over pindakaas te zeggen’ is het motto, dat boven het interview staat. En zo is het. Over de chemische samenstelling van pindakaas kan een wetenschapper honderd uit vertellen. Dat is niet anders bij de voedingswaarde, de historie en de sociologie van pindakaas. Een marketeer kan ons ragfijn uitleggen hoe je pindakaas in de markt zet. En over de esthetica van de pindakaasvloer van Wim T. Schippers lopen de meningen uiteen maar we weten wat het is en wat we ervan vinden. Over de intrinsieke relatie tussen het woord pindakaas en pindakaas heerst, zo die er al is, de grootst mogelijke onduidelijkheid. Ook over de relatie van het kunstobject pindakaasvloer en pindakaas valt in de filosofie van de kunst inhoudelijk weinig te zeggen. In het denken over de betekenis van huis-tuin-en-keuken-woorden als pindakaas is volgens Koster ‘sinds de Oudheid geen enkele vooruitgang geboekt’. Theorieën zijn er te over maar we weten nog steeds niet hoe we betekenissen genereren en hoe de verbindingen tussen taal en buitenwereld verlopen.

Een mooi voorbeeld hiervoor levert ons de taalfilosoof Hilary Putnam, met wiens denkbeelden Barbara Partee mij tijdens een taalcolloquiem in 2018 liet kennismaken. Van Putnam is de beroemde uitspraak meanings are not in the head (betekenissen zitten niet in het hoofd). Putnam komt met een praktisch voorbeeld uit zijn eigen leven. Voor hem zijn een iep en een berk twee bomen, die klaarblijkelijk van elkaar verschillen. Van deze verschillen is hijzelf niet op de hoogte. Veel verder dan een vaag vermoeden dat het iets met natuur en met bomen te maken heeft rijkt zijn kennis niet. Wat er in zijn hoofd zit is dus niet de betekenis van het woord iep maar iets vaags, iets boomachtigs. Ook de medewerker van de boomkwekerij heeft volgens Putnam de betekenis van iep niet in zijn hoofd zitten, wat er in diens hoofd zit is een woordloze, mentale voorstelling van een iep.

***

Zo vliegen taaltheorieën alle kanten op. In het eerste taalessay sprak ik met ‘A zeggen en B bedoelen’ nog het vermoeden uit, dat betekenissen nergens anders dan diep in ons brein gelokaliseerd zijn en inmiddels, in het tweede taalessay aanbeland is het oordeel 180 graden gedraaid. Welke kant onze gedachten ook opgaan, we moeten ervan uitgaan, dat er een onverklaarbare twee-eenheid van de taal in ons hoofd actief is, waarbij twee neurale systemen los van elkaar opereren maar uiteindelijk toch één geheel vormen. Hierboven heb ik geprobeerd met een aantal taalkundige argumenten dit vermoeden te onderbouwen. Ik wil hier afsluiten met een voorbeeld uit de neurologie. Hierbij heb ik mij laten inspireren door de boeken van de neuroloog Oliver Sachs. Wie het werk van Sachs kent, komt daarin een indrukwekkende verzameling casestudies uit de eigen neurologische praktijk van Sachs tegen. In deze casestudies beschrijft Sachs patiënten met in onze ogen curieuze aandoeningen. Zo zijn er patiënten met zogeheten bewegingsblindheid, zij zien als in een tekenfilm met te weinig plaatjes schoksgewijs de ene handeling uit de andere voortkomen. Er zijn patiënten met een breed scala aan de meest uiteenlopende tics van hoofdschudden, je keel schrapen tot een niet te bedwingen drang krachttermen de wereld in te slingeren. Patiënten, die een lichaamseigen ledemaat zozeer als niet hun eigen beschouwen, dat zij een leven lang een verlangen bij zich dragen om dat lichaamsdeel te laten amputeren. Patiënten, die lijden aan een extreme vorm van kleurblindheid. Ik kan zo nog wel even doorgaan. Wie bij een boektitel als De man, die zijn vrouw voor een hoed hield denkt, dat zoiets niet bestaat komt bedrogen uit. Er is geen afwijking zo bizar of er is wel een enkeling te vinden, die eronder gebukt gaat.

Volgens Sachs worden onze gewaarwordingen en ons gedrag opgebouwd uit diverse modules. Zien wij een boom, die in bloei staat, dan krijgen modules als vorm, kleur, geur, beweging, tijd, spraak en geluid los van elkaar ergens in ons brein gestalte en worden daarna tot een complete en bewuste waarneming van die bloeiende boom samengesmeed.[4] Wat hij zag was, dat het gedrag van zijn patiënten vreemde lacunes vertoonde, vermoedelijk veroorzaakt door het ontbreken van een van de hierboven opgesomde modules. Het is dus niet zo uitzonderlijk, dat de activiteiten van de mens uit losstaande componenten blijken te zijn opgebouwd. Ik zie hier een analogie met de talige modaliteiten syntax en semantiek, die los van elkaar hun werk doen en daarna tot één taalteken samensmelten. En eenmaal samengesmolten zijn de afzonderlijke componenten niet meer te identificeren. Wat taalkundigen dus doen is een geklutst ei uit elkaar peuteren maar het eigeel en het eiwit zijn volledig in elkaar opgegaan en laten zich niet scheiden. Eender vergaat het het taalteken. Al die pogingen om aan die afzonderlijke onderdelen regels op te leggen leveren gebrekkige taaltheorieën op, die elkaar nogal eens in de weg zitten en maar een fractie laten zien van wat taal in werkelijkheid is.

Tot slot wil ik deze zienswijze nog aanvullen met een citaat van Noam Chomsky, aangehaald door Koster in zijn essay De ontsemiotisering van ons wereldbeeld:

‘Het fundamentele doel bij de linguïstische analyse van een taal L is, om de grammaticale zinnen, die zinnen van L zijn, te scheiden van de ongrammaticale zinnen, die geen zinnen van L zijn, om de structuur van de grammaticale sequentie te bestuderen’ [google translate].[5]

De zinnen 6) en 7) uit het eerste taalessay zijn overduidelijk niet-grammaticaal van aard (en behoren volgens Chomsky dus niet tot L) maar bezitten een alleszins begrijpelijke semantische inhoud. Ik denk, dat de zinnen 6) en 7) wel degelijk tot L behoren maar ze behoren niet tot de verzameling grammaticale zinnen van L omdat ze niet overeenkomstig de syntactische regels van L gevormd zijn. De fameuze onzin zin van, Chomsky Colourless green ideas sleep furiously behoort daarentegen weer wel tot de verzameling grammaticale zinnen van L hoewel een zinvolle semantische representatie hier ontbreekt. Zie hier de noodzaak om vorm en inhoud in taal los van elkaar te beoordelen.

Twee neurale systemen dus, die los van elkaar opereren maar uiteindelijk toch een eenheid vormen. Die twee-eenheid heeft zich niet alleen in ons hoofd genesteld, zij waart ook buiten ons rond (meanings are not in the head). Ze is onderdeel van de wereld. De zinnen, die ik naar buiten breng, zijn exclusief van mij. Ze zijn het product van mijn geest. Mijn gesprekspartner neemt ze tot zich en interpreteert ze. Het is niet uit te sluiten, dat de begrippen voor alles was der Fall ist niet alleen in ons beider hoofd zitten maar zich ook daarbuiten ergens moeten ophouden. Ik heb ze in bruikleen voor de duur van mijn leven, net als ieder ander. Woorden en begrippen zijn memes,[6] die van de een op de andere generatie worden overgedragen. Daarbij veranderen ze soms van klank, betekenis of vorm maar in de kern blijven ze hetzelfde. Zelfs de kronkelweg, die het appeltje uit het eerste taalessay moest afleggen van de fruitschaal naar de wens iets recht te zetten, valt onder dit regiem. Taal is overal en nergens, we kunnen ons er niet zat aan eten.

 

Hans Koetschruiter (*1959) studeerde van 1983 tot 1989 Duitse taal- en letterkunde in Groningen. Op dit moment doceert hij Nederlands aan Duitstalige studenten, die aan de Rijksuniversiteit Groningen een Engelstalige studie doen.

 

Reageren? Mail naar: mirsk1960@gmail.com

 

Geraadpleegde literatuur

Berna de Boer en Ronald Ohlsen, Nederlands op niveau, methode Nederlands voor hoogopgeleide anderstaligen, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 2015

Tom Boves en Marinel Gerritsen, Sociolinguïstiek, Aula reeks, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1995

Aifric Campbell, De logica van het moorden, De Geus, Breda, 2009

Stephen Fry, Mythos, Thomas Rap, Amsterdam, 2022

James Gleick, Informatie, De Bezige Bij, Amsterdam, 2011

Ray S. Jackendoff, Semantic interpretation in Generative Grammar, The MIT Press, Cambridge, Massachusetts, 1972

Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen (9 letters), Nijgh & van Ditmar, Amsterdam, 1990

Jan Koster, ‘De ontsemiotisering van ons wereldbeeld’, in Gramma 7, Nijmegen, 1983

Sjaak de Mey, Determiner logic or the grammar of the NP, dissertatie Rijksuniversiteit Groningen, Nederlandstalig abstract, Groningen, 1990

Barbara H. Partee, Lexical Semantics in Formal Semantics: History and Challenges, handout 39ste TABU Dag, Rijksuniversiteit Groningen, 2018

Oliver Sachs, De man die zijn vrouw voor een hoed hield, Meulenhoff Pocket Editie, Amsterdam, 1988

Marijke Schermer, In het oog, Van Oorschot, Amsterdam, 2024

Uwe Schulz, Immanuel Kant, Rororo Monographien 659 Rowohlt Verlag, Hamburg, 2003

Freek van de Velde, Wat taal verraadt, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2024

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, Edition Suhrkamp, Berlin, 1973

[1]             De titel is een motto boven een interview met taalkundige Jan Koster in ‘Het vermogen te verlangen (9 letters)’ van Liesbeth Koenen.

[2]              Het is niet onbelangrijk om dat expliciet te vermelden want de latere Wittgenstein zag taal helemaal niet meer als een op logische operatoren gebaseerd systeem maar meer als een gebruiksvoorwerp. Enigszins zoals wij hier naar taal kijken als iets, dat zich continu aanpast aan de omstandigheden, waarover het een uitspraak moet doen.

[3]              Als wij uitgaan van de ideeën van Kant over de totstandkoming van onze kennis staat natuurlijk het ideaal van Martin Heidegger, zoals we dat eerder in dit essay tegenkwamen, gelijk aan een totale implosie van de mensenwereld. We zien de mens, die volledig opgaat in zijn omgeving en zijn subjectiviteit verliest. Als wij onze Eigentlichkeit volgen en al het niet ter zake doende terzijde schuiven is er geen subject meer, dat zich tot een object verhoudt. Er is nog slechts één groot fluïdum waar wij als gelukzalige maar willoze schepsels deel van uitmaken. Precies in de extremiteit van deze visie zit volgens mij het ongemak, dat velen ervaren bij het gedweep van Heidegger met totalitaire macht.

[4]              De conclusie moet dan luiden, dat het primaire beeld, dat op ons netvlies valt, van een andere orde is dan de bewust visuele waarneming, die daaruit voortkomt. Die twee zijn niet uitwisselbaar, daar zit wat tussen, dat ik eerder in dit essay aanduidde met de zwarte doos, de zetel van ons zelf, ons ik. De zwarte doos draagt zorg voor onze subjectieve gewaarwordingen. Een rationalist zal zich niet geheel ten onrechte afvragen waar die zwarte doos dan zit. Is dat vage, ongrijpbare object, dat we geest noemen, niet gewoon het product van de complexe materie van onze hersencellen. Rationalisten kunnen niets met dat concept geest of hoe we het ook willen noemen. Daar valt in hun ogen niets aan te verklaren.

[5]              The fundamental aim in the linguistic analysis of a language L is to separate the grammatical sentences which are sentences of L from the ungrammatical sentences which are not sentences of L to study the structure of grammatical sequence.

[6]              Wat is een meme? Als we ons afvragen wat het wezen van de Matthäus Passion van J. S. Bach is en waar dat wezen zich bevindt, is het antwoord niet altijd eensluidend. J. S. Bach voltooide de passie in 1727. Er zijn enkele latere versies van de partituur bewaard gebleven. De originele Urfassung is verloren gegaan. Maar zit het wezen van de Matthäus Passion in een van deze originele versies? Het gaat toch om de muziek en de beleving en niet om een papieren versie? Zit het wezen dan in de uitvoering? Maar in welke? In iedere? En wat nu als het slotakkoord is weggestorven en er een doodse stilte neerdaalt over orkest, koor, solisten en luisteraars? Waar bevindt zich het wezen van de passie dan? Zit het wezen van de Matthäus Passion dan in de hoofden van de dirigent en de uitvoerenden? Of misschien in de hoofden van de luisteraars? Of toch maar in de groeven van een langspeelplaat, de enen en nullen van een cd opname of in de radiogolven van een live opname? De componist is al lang overleden, de originele partituur is verloren gegaan en toch is de Matthäus Passion nog steeds onder ons. Maar waar is zij? Ik denk, dat de Matthäus Passion een meme is, die in het luchtledige.

Het testament van Marshall Sahlins
‘Nog steeds weet niemand iets diepzinnigs over pindakaas...
Wat is het nut van een perfect geformuleerde...
Prof. dr. Elizabeth Allard: miskend in een mannenwereld
Hoe iets te leren over politiek van twee...
Kinderwens
De Dagpauwoog
Moet AI onttoverd worden?
Verdeel en heers
Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan
Techniek en nihilisme
Pleidooi voor een anekdotische sociologie
‘We maken dat ding gewoon even schoon’
Op de brandstapel met de kerstman!
Wim Kayzer en de kunst van het vragen...
ChatGPT in het hoger onderwijs: Een kwestie van...
De tuin der folteringen
Het einde en het begin van de geschiedenis
Als vissen in het water. Vooroordelen en discriminatie
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Sleutel tot de moderne tijd: Melvin Kranzberg en...
Een zeergeleerde duivel
Kijkdagen in Huize Semiosis
Theologie en de taal van vorig jaar
Ostinato à variations. Het ritme van katrollen, sprokkelwerk,...
Uit de hoogte
Oudheidkunde op maat
Doet de ander er nog toe? Over de...
Over de lauwe steun van de Arabische en...
De ware Jacob