In memoriam pater Gé Pieterse SCJ (1936-2024)
Op 6 december 1967 vertrok de Nederlandse schrijver Godfried Bomans (1913-1971) vanaf de Amsterdamse luchthaven Schiphol naar Canada. Hij was door de Nederlandse gemeenschap aldaar uitgenodigd om er Sinterklaas te spelen, reden waarom hij in vol bisschoppelijk ornaat verscheen in de vertrekhal van het vliegveld. Dat Bomans hiervoor werd gevraagd was geenszins toevallig: hij had vaker Goedheiligman gespeeld, voor het eerst in 1941 in Nijmegen, waar hij van 1939 tot 1943 filosofie en psychologie studeerde aan de Katholieke Universiteit. Op 5 december 1942 gaf hij er, als Sinterklaas op het bordes voor het stadhuis, de plaatselijke jeugd de volgende dag vrij van school, ‘waardoor ik, nog omhuld door den herderlijken toga, een vreeselijke ruzie kreeg met drie (school)hoofden. Eén daarvan riep, alle eerbied voor Gods heiligen uit het oog verliezend: “Wat denkt zo’n snotjongen wel!”. Dit was overigens de laatste keer dat hij in Nijmegen werd gevraagd voor een dergelijk optreden… In later jaren ontpopte de schrijver zich in woord en geschrift als een ware voorvechter van de Sinterklaastraditie.[1] Voor zijn vertrek van Schiphol liet Bomans desgevraagd weten dat hij de net als in de Verenigde Staten ook in Canada geliefde kerstman beschouwde als ‘een bedrieger, een zakkenroller. Op ’t geestelijk vlak’. Maar mocht hij de kerstman ontmoeten, dan zou hij hem niettemin ‘minzaam tegemoet treden, hem niet onheus bejegenen, en ik hoop hem te bekeren tot het sinterklaasgeloof, dat na het concilie toch al zo is verzwakt’.[2]
‘Bij ons wordt de Kerstman niet geduld’
Deze afwijzende houding tegenover de kerstman was onder katholieken – Bomans behoorde uitdrukkelijk tot deze geloofsrichting waarover hij veelvuldig schreef, vaak met een mengeling van nostalgie en mild-kritische verwondering – bepaald niet uitzonderlijk. Zo berichtte de Gazet van Limburg[3] op 10 november 1953 over een ‘Nieuwe actie in België tegen de kerstman’, na het succes van een vergelijkbare actie in het jaar daarvoor. Het initiatief tot deze actie tegen de kerstman kwam van de Antwerpse kanunnik dr. August Croegaert (1889-1960), in samenspraak met de Katholieke Actie[4] in Vlaanderen. Doel hiervan was, volgens het bericht, ‘het Kerstfeest zijn eigenlijke en christelijke zin weer te geven’. Daarom liet Croegaert een oproep uitgaan naar de leden van de Katholieke Actie, waaruit de Gazet van Limburg uitvoerig citeert. Kanunnik Croegaert schreef: ‘De Vlaamse bevolking die in haar brede lagen zo diep christelijk is, heeft van meetaf dit verweer tegen deze immer veldwinnende verheidning begrepen en gesteund. Het [sic! HS] beseft ten volle hoe zeer deze buitenlandse import indruist tegen zijn christelijke overtuiging en gevoelt zich meer en meer in zijn christelijke gevoelens gekwetst.’[5] De kanunnik verbond hieraan de volgende ‘ordewoorden’, die onder alle leden van de Katholieke Actie werden verspreid:
- Ik zal geen postkaarten gebruiken met de Kerstman. Ik verlang ware kerstkaarten d.w.z. met de kribbe.
- Bij ons wordt de Kerstman niet geduld: noch in de kerstboom noch als speelpop voor de kinderen, noch in chocolade of suikergoed, noch in welke vorm het ook weze.
- Ik herstel in ere de Kerstkribbe die ik desnoods zelf zal vervaardigen, met het Kindje Jezus, Maria, Jozef, de herders, de wijzen, de ster enz. omgeven van licht. Daarbij zullen wij kerstliederen zingen in een gezellig familiefeest.
- Naar voorvaderlijk gebruik en om bij te dragen tot het herstellen van de ware Kerstfeestelijke aanblik van de gemeente zal ik als christelijk winkelier aan mijn etalage een christen en feestelijk aanzien geven, met een kribbe zo mogelijk, aangepast aan de aard van mijn bedrijf. Ik weer elke reclame met de Kerstman.
- Ik zal aan de winkeliers, die mijn christelijke gevoelens huldigen mijn voorkeur geven.
- Films en televisie, die het Kerstmysterie in christelijke zin eerbiedigen, genieten mijn voorkeur.
- Zoveel mogelijk zal ik mij afzijdig houden van feestpartijen waar de Kerstman hoogtij viert.[6]
In hoeverre de actie van de kanunnik daadwerkelijk succes had, blijft onduidelijk; wel dat hij haar in de jaren vijftig bleef voortzetten, en ook naar het buitenland probeerde uit te breiden. Zo ook naar Nederland, waar in de katholieke pers nu en dan enige aandacht aan het streven van kanunnik Croegaert werd geschonken. Zo plaatse De Maasbode, destijds de grootste katholieke krant van het land, op zaterdag 24 november 1956 een uitvoerig interview met hem, waarin hij uiteenzette wat hem dreef. Hij zag de kerstman als een verschijnsel dat uit den vreemde naar onze landen was komen overwaaien, en sterk heeft bijgedragen aan de ontwijding van het kerstfeest. Daarom ijvert de kanunnik voor de herkerstening van het Kerstfeest in de openbare ruimte, onder meer door het plaatsen van kerstkribben die het centrum van allerlei activiteiten kunnen zijn, bijvoorbeeld het zingen van kerstliederen. Waar het hem om gaat is dat de religieuze betekenis van het kerstfeest, de menswording van Christus, weer centraal komt te staan – kennis daarvan lijkt in onze tijd steeds meer verloren te gaan, en niets is zo belangrijk als die kennis opnieuw te verspreiden onder brede lagen van de bevolking, aldus de kanunnik. Alles wat daarvan afleidt, zoals de kerstman – ‘dit heerschap met bontmuts en rode kozakkenkledij, met bovendien een verhitte tronie’ – moet uitdrukkelijk worden vermeden.[7] Eerder dat jaar, in oktober, had columnist Parlevink in De Volkskrant gereageerd op het initiatief van kanunnik Croegaert, wiens actie hij met enige verwondering bezag. Zo merkte hij op: ‘Het is mij waarlijk een raadsel, hoe iemand door het aanschouwen van een chocolade kerstman in zijn religieuze gevoelens geschokt kan worden en tegelijk in staat is een Heilige Familie van marsepein met devotie te bezien.’ Gaat het hierbij nog om een kwestie van smaak, de aangehaalde ‘ordewoorden’ zijn ernstiger, aldus Parlevink: ‘De rancune, die de gewijde schrijver tegen de kerstman koestert, neemt hier afmetingen aan, die tot bezorgdheid stemmen.’ Daarom besluit hij zijn column met de volgende woorden:
Ik gun u van harte uw zeer persoonlijke visie op het kerstfeest, die tot op zekere hoogte achting verdient. Ik gun u zelfs het recht uw merkwaardige gebetenheid op de kerstman, die u niets in de weg legt en aan andersdenkenden een onschuldig genoegen verschaft. Maar ik ontzeg u het recht uw zienswijze op straffe van broodroof dwingend voor te schrijven. Dit is een onchristelijke daad. Ik verzoek u van deze methode af te zien en u als kerstman te gedragen.[8]
Dijon, 23 december 1951
Of kanunnik Croegaert nu succes had met zijn aanhoudende strijd of niet, een andere actie tegen de kerstman had in binnen- en buitenland veel meer aandacht gekregen. Ook in Frankrijk bestond onder katholieken een groeiende weerstand tegen de kerstman. Zo merkte Jules-Géraud kardinaal Saliège (1870-1956)[9], aartsbisschop van Toulouse, in 1951 in de aanloop naar Kerstmis op:
Praat niet over de Kerstman, om de goede reden dat hij nooit heeft bestaan. Praat niet over de Kerstman, want de Kerstman is een verzinsel waarvan slimmeriken zich bedienen om alle godsdienstige karakter uit het Kerstfeest weg te halen. Doe gerust cadeautjes in de schoenen van uw kinderen, maar vertel niet de leugen dat de kleine Jezus door de schoorsteen naar beneden kwam om ze te brengen. Dat is niet waar. Wat men moet doen, is rondom zich de vreugde verspreiden omdat de Verlosser is geboren.[10]
Dergelijke geluiden waren in het najaar van 1951 vaker te horen, en protestante kerken in Frankrijk sloten zich – zij het wat minder openlijk en luid – aan bij de kritiek op wat men zag als het dreigende ontkerstenen van Kerstmis. Het feest leek meer en meer ten prooi te vallen aan de commercie – die, samen met de kerstman, werd gezien als een verschijnsel dat zich vanuit de Verenigde Staten opdrong.
In Frankrijk paste deze weerzin tegen de kerstman overigens in een breder verband: een cultureel antiamerikanisme. Weliswaar was Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in de laatste plaats bevrijd door militaire inspanningen van de Verenigde Staten, in cultureel opzicht was er weinig tot geen waardering voor wat er vanuit dat land over de Atlantische Oceaan kwam. De Franse schrijver en politicus André Malraux (1901-1976) ontkende in 1948 in een toespraak zelfs het bestaan van een Amerikaanse cultuur in de eigenlijke zin van het woord: ‘er is in Amerika geen cultuur die specifiek Amerikaans wil zijn’.[11] Wat Amerika wel heeft gebracht is voor de massa: de radio, de bioscoop, kranten voor een breed publiek, detectiveromans, merkt Malraux met enig dedain op. De Frans-Amerikaanse historicus Sophie Meunier spreekt in dit verband van een nostalgisch antiamerikanisme, dat stoelt op de gedachte dat Frankrijk een betere plek was om te wonen voordat allerlei elementen uit the American way of life er hun intrede hadden gedaan.[12] Dit betreft ook allerlei Amerikaanse woorden die vooral door jongere generaties werden gebruikt en, althans volgens sommigen, inmiddels de Franse taal begonnen aan te tasten. Deze vorm van antiamerikanisme was in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog breed verspreid in Frankrijk. En een symbool bij uitstek voor deze vermeend kwalijke Amerikaanse invloed was de frisdrank Coca-Cola.
Nu maakte (en maakt) Coca-Cola sinds het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw jaarlijks in reclamecampagnes in de wintermaanden gebruik van de kerstman – met veel succes, want de populariteit van het drankje werd er in eigen land en ook daarbuiten duidelijk door bevorderd. Zo overigens ook de populariteit van de kerstman – ten onrechte werd (en wordt) vaak zelfs gedacht dat het uiterlijk van de kerstman zijn oorsprong vindt in de reclamecampagnes van Coca-Cola. En juist daarom werd de kerstman in veel Europese landen beschouwd als een Amerikaanse uitvinding die zich meer en meer ontwikkelde tot een symbool bij uitstek voor de commercialisering van de kersttijd. De afkeer van de kerstman onder Franse katholieken stond zo in hun vaderland bepaald niet op zich.
Op zondag 23 december 1951 werd in Dijon deze afkeer van de kerstman omgezet in een opmerkelijke actie. Rond 15.00 uur werd een pop van de kerstman, ten overstaan van een publiek van ongeveer 250 kinderen en een aantal volwassen begeleiders, opgehangen aan de hekken voor de hoofdingang van de kathedraal van Saint-Bénigne in het historische centrum van de stad. Er werd vervolgens een symbolisch proces tegen de kerstman gevoerd, die werd beschuldigd van ketterij en van het binnendringen in en verstoren van het kerstfeest, en van pogingen dit feest te ontkerstenen en heidens te maken. De kerstman moest, zo werd aangevoerd, worden gezien als een koekoeksjong dat de rechtmatige plaats van een ander, nog wel van de Allerhoogste, probeert in te nemen. Niet heel verrassend werd de kerstman vervolgens schuldig bevonden aan wat hem ten laste was gelegd en zelfs ter dood veroordeeld, en daarna op het plein voor de kathedraal in brand gestoken. In een begeleidend schrijven werd verklaard dat het bij dit alles om een symbolische actie ging, met de bedoeling ‘de leugen en het verzinsel van de Kerstman’ te veroordelen, vanuit ‘het gevoel en de zekerheid van de waarheid’. Daarmee was de uiteindelijke boodschap eenduidig: ‘Voor ons, christenen, dient het Kerstfeest het jaarlijkse feest van de geboorte van de Verlosser te blijven’.[13]
Jaren later verklaarde Jacques Nourissat (1917-2014), destijds kapelaan in Dijon en de organisator van de actie, dat zij was voortgekomen uit zijn groeiende ergernis toen hij in een plaatselijk warenhuis de ene na de andere kerstman tegen het lijf was gelopen. Nourissat, die bekend stond als de ‘curé des clochards’ vanwege zijn inspanningen voor dak- en thuislozen en voor de armen van Dijon[14], had dit ronduit als een belediging ervaren:
Voor ons, die bijna bankroet waren, was dit een provocatie. Onze parochie was de armste. Vrouwen prostitueerden zich er om te overleven, mannen kwamen er net uit de gevangenis. Voor hen betekende God de liefde om niet, een gift, dus die [kerstman] die reclame maakte voor de commercie, dat kon gewoon niet.[15]
Was de actie van kapelaan Nourissat dus een plaatselijk en zelfs persoonlijk initiatief, zij kreeg al de volgende dag steun van het Franse episcopaat – en nogal wat aandacht in heel Frankrijk, en zelfs in buitenlandse kranten werd erover bericht.
Maar ook al de volgende dag kwam er een tegenactie in Dijon zelf. Op initiatief van burgemeester kanunnik Félix Kir (1876-1968) – verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, en als priester een uitgesproken voorvechter van een sociaal christendom –, die zich geenszins kon vinden in de actie van kapelaan Nourissat, herrees de kerstman uit de as. ’s Avonds verscheen hij op de daken van het stadhuis (– het betrof een verklede brandweerman, die op verzoek van Kir deze rol vervulde). De kerstman liet zich niet zomaar ombrengen, luidde de boodschap. Opmerkelijk genoeg is dit in Dijon uitgegroeid tot een traditie: de kerstman verschijnt er sindsdien ieder jaar op 24 december op de daken van het stadhuis, gadegeslagen door een flink publiek, dat na afloop kan genieten van een kir royal – de cocktail die zijn naam inderdaad kreeg van Félix Kir.
Polemiek
In Frankrijk waren de meningen over het ophangen en verbranden van de kerstman sterk verdeeld, ook onder katholieken zelf, getuige alleen al de reactie van Félix Kir op de actie van Jacques Nourissat. Maar er ontstond zelfs een uitgebreide polemiek over de kwestie, waarin zich auteurs van verschillende achtergrond mengden, onder wie ook de latere Franse president François Mitterrand (1916-1996), terwijl de vermaarde antropoloog Claude Lévi-Strauss (1908-2009) wat later een lange beschouwing aan de kwestie wijdde. Daarmee was de actie van Nourissat onderwerp van landelijke aandacht geworden.
Al op 24 december kwam het Franse episcopaat met een verklaring, waarin het zich schaarde achter de actie van kapelaan Nourissat; immers: ‘De Kerstman en de dennenboom werden in openbare scholen ingevoerd, ook al doen ze denken aan heidense rituelen die verbonden zijn met de aanbidding van de natuur en niets christelijks hebben, terwijl in naam van een extreem secularisme de kerstkribbe strikt uit diezelfde scholen wordt verbannen’.[16] Op Tweede Kerstdag, 26 december, bracht het weekblad Carrefour een dossier uit, waarin de schrijvers Gilbert Cesbron (1913-1979) en René Barjavel (1911-1985) op de kwestie ingingen.[17] Cesbron, overtuigd katholiek, stond achter de actie tegen de kerstman; Barjavel, ook actief als journalist en scenarioschrijver en in laatstgenoemde hoedanigheid samen met regisseur Julien Duvivier verantwoordelijk voor de reeks Don Camillo-films (1952-1965), veroordeelde haar.
In zijn bijdrage bepleit Cesbron het afschaffen van de kerstman, eenvoudig omdat de folklore rond de kerstman een en al leugen is die afleidt van de waarheid – men ziet door de kerstbomen het bos niet meer… Voorstanders van het behoud van de kerstman beroepen zich er inderdaad op dat het om folklore gaat, maar volgens Cesbron is het handhaven van iets – of het nu de kerstman betreft of welk ander verschijnsel ook – louter en alleen omdat het folklore is geen goede reden. Wat Cesbron vooral stoort aan de folklore rond de kerstman is de nadruk op de geschenken die hij brengt. Want Kerstmis gaat niet over geschenken – Jezus werd niet voor niets geboren onder armoedige omstandigheden, in een stal, tussen de herders. ‘Vrede op aarde voor mensen van goede wil’ is de boodschap van Kerstmis, en dat is iets heel anders dan wat de kerstman uitdraagt. Het spijt Cesbron dat het afschaffen van de kerstman inhoudt dat degenen die deze rol spelen hun jaarlijkse bijverdiensten zullen moeten missen – maar het web van leugens rond de kerstman verdient hoe dan ook niet te blijven voortbestaan. Barjavel daarentegen bekijkt het vraagstuk van een heel andere kant: voor hem behoort de kerstman tot de magische wereld van de vroege kindertijd – een wereld waarin alles mogelijk is, waarin dieren kunnen praten, en waarin er een weg naar de hemel loopt. Waarom zou men kinderen deze magische wereld voortijdig ontnemen? Kan het kwaad dat kinderen in die magische wereld geloven? Dat de kerk zich in de kwestie mengt is vooral jammer, aldus Barjavel:
Vreest zij ‘concurrentie’? Dat zou grappig zijn. Heeft zijzelf niet de neiging van God zelf een vader met een baard te maken die op een wolk zit, met een adjudant van politie als dubbelganger? Er zou veel over te zeggen zijn. Blijven we bij de kerstman. Ook al valt men hem aan, hij is niet dichtbij de dood! En als hij veel plaats inneemt in de harten van kinderen, laten we er niet over klagen, want hij is een van de gezichten van de liefde.[18]
Op 28 december mengde de voormalige verzetsstrijder en politicus François Mitterand zich in de kwestie, door een bijdrage in het (inmiddels verdwenen) linkse dagblad L’Intransigeant. Hoewel het verbranden van de kerstman in zekere zin kinderspel was, en herhaling in het volwassen leven niet zal dreigen, noemt Mitterand de gang van zaken desondanks verontrustend. Juist het recente verleden heeft immers laten zien, hoe gevaarlijk het is wanneer de rechter en de beul één en dezelfde is – bepaald niet iets om kinderspel van te maken. Mitterand verwijst naar de misstanden van het nationaalsocialisme, waar tallozen het slachtoffer werden van soortgelijke manieren van denken: ‘elke regime heeft zijn orthodoxie – dood aan wie deze overtreedt’.[19] Dat geldt voor fascisme zo goed als voor communisme. Is het verstandig kinderen te betrekken in een dergelijke manier van denken en doen? Is dat niet met vuur spelen? Zou men zo kort na de Tweede Wereldoorlog niet wijzer moeten zijn?
Op 30 december maakte de dichter en schrijver Jean Cocteau (1889-1963) een toespeling op de kwestie, in een open brief aan de schrijver François Mauriac (1885-1970). Mauriac – een gelovige katholiek – was op uitnodiging van Cocteau op 28 december aanwezig geweest bij de première van diens toneelstuk Bacchus. Maar hij had de voorstelling voortijdig verlaten, omdat hij sommige passages had ervaren als godslasterlijk, en als een onheuse aanval op de katholieke kerk. De volgende dag zette hij zijn bezwaren tegen het toneelstuk uiteen in een artikel in Le Figaro littéraire. Maar volgens Cocteau had Mauriac niets van het stuk begrepen; hij antwoordde hem de volgende dag in een open brief in het dagblad France-Soir, die de vorm had van een reeks beschuldigingen – ‘Je t’accuse’ – aan het adres van Mauriac. Eén van deze beschuldigingen luidde:
Ik beschuldig je ervan de veroordeling van de kerstman te imiteren door mij in de publieke ruimte af te branden. De kerstman verbranden komt neer op het als ketters verbranden van kinderen die in hem geloven, en van het verbranden van hun dromen wanneer zij niet in hem geloven.[20]
De actie van Jacques Nourissat kreeg niet alleen in Frankrijk veel aandacht, ook in het buitenland werd erover bericht. De Australische Sydney Morning Herald publiceerde er al op 28 december 1951 een kort stukje over, waarin zelfs sprake was van tweeduizend aanwezige kinderen (– bijna het tienvoudige van wat in de Franse pers was vermeld); en ook in de New York Times werd erover gepubliceerd. Ook in Nederlandse bladen als De Leeuwarder Courant en De Waarheid werd melding gemaakt van de gebeurtenissen in Dijon – waarbij de redactie van de communistische krant De Waarheid niet kon nalaten als commentaar te geven: ‘Het is ons opgevallen dat hetzelfde bericht niet is verschenen in een of ander Katholiek dagblad. Zelfs De Volkskrant liet verstek gaan. […] Maar laat ons een indenken dat het in Dijon voorgevallene in bijv. een Hongaarse stad gebeurd zou zijn…’.[21]
De antropoloog Claude Lévi-Strauss publiceerde in 1952 een lange beschouwing over de kwestie, ‘Le Père Noël supplicié’[22], in het maandblad Les Temps Modernes dat in 1945 was opgericht door de filosofen Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Maurice Merleau-Ponty. Lévi-Strauss probeert de kwestie met wat meer afstand te bezien, en te analyseren wat er nu eigenlijk aan de hand was. Hij wijst erop, dat het iets paradoxaals heeft dat de kerstman in de soms verhitte debatten in de Franse pers vooral ook werd verdedigd door antiklerikalen, waarmee hij een ‘symbool van ongodsdienstigheid’ werd – en het bijgeloof zo werd verdedigd door rationalisten.[23] Precies om deze reden vermoedt Lévi-Strauss dat er onder de oppervlakte meer gaande is, en dat de voorvallen in Dijon juist daarom zorgvuldige bestudering verdienen. Het lijkt erop, stelt hij, dat we in onze tijd getuige zijn van ingrijpende en heel snelle veranderingen op het vlak van godsdienst en morele overtuigingen, niet alleen in Frankrijk, maar ook elders, en dat de discussie over de kerstman naar aanleiding van de terechtstelling in Dijon daarvan een symptoom is.
Het staat volgens Lévi-Strauss buiten kijf dat de wijze waarop het kerstfeest in Frankrijk wordt gevierd sinds de Tweede Wereldoorlog van karakter is veranderd, want ‘Amerikaanser’ geworden. Maar het volstaat niet deze veranderingen enkel en alleen toe te schrijven aan Amerikaanse invloeden – de veranderingen konden zich immers alleen maar voordoen omdat de Franse samenleving ontvankelijk bleek voor deze Amerikaanse invloeden. Daarom moeten ook andere factoren in een verklaring worden betrokken. Al voor de Tweede Wereldoorlog, deels zelfs al lang voor deze oorlog, deden zich veranderingen voor als het plaatsen van kerstbomen in huis en het geven van geschenken aan kinderen, en werd Kerstmis steeds meer van een louter religieus feest tot een feest dat ook en zelfs vooral in familiekring werd gevierd. Bij deze ontwikkelingen werd veelal teruggegrepen op allerlei tradities en gewoonten van (soms veel) vroeger – sommige gaan zelfs terug op de saturnaliën uit de Romeinse oudheid of op oud-Germaanse midwinterfeesten. Zo ook is de kerstman zoals we die nu kennen een versmelting van allerlei verschillende tradities, deels christelijke – men denke vooral aan Sint Nicolaas –, deels ook niet-christelijke. Lévi-Strauss geeft vervolgens een overzicht van allerlei elementen die in de loop van de tijd zijn versmolten tot de hedendaagse kerstman.
Hoe moet het verschijnsel kerstman nu worden geduid? Lévi-Strauss wijst erop dat het wezenlijk is voor de kerstman dat kleine kinderen in hem geloven – en ook worden aangemoedigd in hem te geloven –, terwijl dit niet geldt voor grotere kinderen en volwassenen. Dit doet vermoeden dat het verlies van het geloof in de kerstman het karakter heeft van een initiatierite: het verlies van het geloof in de kerstman markeert de overgang naar een volgende fase in de ontwikkeling van een kind.
Aan deze uitvoerige analyse van de figuur van de kerstman en zijn mogelijke betekenis verbindt Lévi-Strauss ten slotte een tweeledige conclusie. Hij toont enerzijds begrip voor de actie van kapelaan Nourissat in Dijon:
Maar de Kerk heeft zeker geen ongelijk wanner zij het geloof in de Kerstman aan de kaak stelt, immers het sterkste bastion en een van de meest sterke brandhaarden van het heidendom onder moderne mensen.[24]
Maar anderzijds, en ten tweede, heeft de actie in Dijon het tegenovergestelde bereikt van wat werd beoogd. Immers, de aandacht werd juist gevestigd op het verschijnsel kerstman, en door de polemiek die volgde op de symbolische terechtstelling van de kerstman op het plein voor de kathedraal kwamen allerlei aspecten van deze figuur naar boven die al bijna verloren waren gegaan. Daardoor lijkt de kerstman inmiddels sterker verankerd in de Franse samenleving en cultuur dan voor de gebeurtenissen in Dijon.
Besluit
Uiteindelijk draaide de discussie over de kerstman – in België en Nederland zo goed als in Frankrijk – om de vraag wat nu eigenlijk de betekenis van het kerstfeest is. Is Kerstmis enkel en alleen een religieus feest, en dient alles wat afleidt van dit religieuze karakter strikt te worden afgewezen? Of is Kerstmis een feest van verbondenheid dat eerst en vooral in familiekring wordt gevierd, met daarbij inbegrepen geschenken voor de kinderen? De vraag is echter of de tegenstelling tussen beide visies zo scherp moet worden gesteld als in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd gedaan. Gaat Kerstmis als feest van verbondenheid, gevierd in familiekring, noodzakelijk ten koste van Kerstmis als religieus feest, zoals kanunnik Croegaert en kapelaan Nourissat vreesden?
De wijze waarop het kerstfeest werd en wordt gevierd kent een lange geschiedenis, die zich kenmerkt door tal van veranderingen. Dit geldt ook voor Kerstmis als religieus feest. Door de eerste christenen werd Kerstmis nauwelijks gevierd: voor hen was Pasen, de herdenking van de verrijzenis van Christus, het christelijke feest bij uitstek, en aan de geboorte van Jezus hechtten zij veel minder belang. ‘Christenen waren, en zijn, Paas-mensen’, zoals de Amerikaanse historisch-theoloog John Dick het verwoordt.[25] Pas rond 200 begonnen christenen het kerstfeest te vieren. Zo is het plaatsen van een kerststal in huis en in de openbare ruimte – zoals zo krachtig aanbevolen door kanunnik Croegaert – een traditie die zich nog weer later ontwikkelde, en zich vanaf de dertiende eeuw is gaan verspreiden in de christelijke wereld. Het kerstfeest is dus – zoals elk traditioneel feest, en zoals elke traditie – niet iets waarvan de invulling eens en voor altijd vastligt, maar iets dat ruimte biedt voor verandering en ontwikkeling.
Dat in tijden van ontkerkelijking en secularisering niet-religieuze gewoonten rond Kerstmis zich sterker openbaren – en de acties van kanunnik Croegaert en kapelaan Nourissat richtten zich tegen verhoudingsgewijs vroege uitingen van deze ontwikkeling – is geenszins verwonderlijk. Maar als de kerstman, om met Parlevink te spreken, ‘aan andersdenkenden een onschuldig genoegen verschaft’ – waarom niet? Het belangrijkste is dat Kerstmis wordt gevierd – als feest van hoop, als feest van verbondenheid, als verplichtende uitnodiging tot vrede. Want, in de woorden van de Engelse dichteres Ruth Padel (01946) in haar kerstgedicht Tidings (2016):
[…] Christmas
is seeing, suddenly, what’s hidden
looking for the unknown thing
which will make your life worthwhile
and not looking away from suffering.[26][…] Kerstmis is zien,
plotseling, wat verborgen is
zoekend naar het onbekende ding
dat je leven de moeite waard zal maken
en niet wegkijken van lijden.
Kerstmis draait niet om geschenken, anders dan de kerstman lijkt uit te dragen. Maar geschenken hoeven Kerstmis niet in de weg te staan, al zeker niet wanneer zij als teken van verbondenheid worden gegeven. Het plotseling zien wat verborgen is, om met Ruth Padel te spreken, is een geschenk. En is de hoop die Kerstmis jaarlijks brengt, de terugkeer van het licht in het holst van de winter, het nieuwe leven, niet het grootste geschenk?
[1] Een aantal van zijn teksten over dit onderwerp is gebundeld in Godfried Bomans, Enige richtlijnen voor bisschoppen & andere verhalen, De Boekerij, Amsterdam,1987.
[2] Het Vrije Volk, 7 december 1967, voor het verslag van het vertrek naar Canada.
[3] De Gazet van Limburg was een provinciaal dagblad dat bestond van 1945 tot 1955, en werd uitgegeven in Maastricht.
[4] De Katholieke Actie werd als internationale lekenbeweging in 1922 opgezet op initiatief van pus Pius XI. Bedoeling van dit initiatief was de secularisering van de samenleving tegen te gaan. In die zin sloot de actie van kanunnik Croegaert volledig aan bij de doelstelling van de Katholieke Actie.
[5] De Gazet van Limburg, 10 november 1953.
[6] Idem.
[7] De Maasbode, zaterdag 24 november 1956.
[8] De Volkskrant, 10 oktober 1956. Parlevink was het pseudoniem van niemand minder dan Godfried Bomans…
[9] Saliège was een belangrijke figuur in het Franse katholieke verzet tegen het nationaalsocialisme. Vanwege deze houding werd hij in 1946 tot kardinaal benoemd; vanwege zijn inspanningen om Joden te redden van de Endlösung der Judenfrage werd hij door Yad Vashem erkend als ‘Rechtvaardige onder de volkeren’.
[10] Geciteerd uit: Le Nouvel Observateur, https://www.nouvelobs.com/actualites/20091222.BIB4648/les-pieces-du-dossier.html.
[11] André Malraux, ‘Discours adressé aux intellectuels – Salle Pleyel – 5 mars 1948’, blz. 4. https://malraux.org/wp-content/uploads/2018/07/83jg_lechevaldetroie_1948.pdf.
[12] Sophie Meunier, ‘Anti-Americanisms in France‘, in: European Studies Newsletter, XXXIV (2005), nr. 3/4, blz. 1 – 4.
[13] Zie noot 10.
[14] Nourissat was later jarenlang werkzaam in Quebec, Canada. Hij werd internationaal bekend door zijn pastorale praktijk voor gescheiden vrouwen en mannen onder katholieken, en door zijn pleidooi voor meer aandacht voor hen in de katholieke kerk.
[15] ‘Il y a 70 ans en France, le clergé brûlait le Père Noël dans la ville de Dijon’, https://www.lepoint.fr/societe/il-y-a-70-ans-en-france-le-clerge-brulait-le-pere-noel-dans-la-ville-de-dijon-17-12-2021-2457307_23.php.
[16] Zie noot 10.
[17] Carrefour, vol. 6, nr. 380, 26 december 1951.
[18] Idem.
[19] François Mitterand, ‘L’Autodafé du Père Noël’, L’Intransigeant, 28 december 1951.
[20] Jean Cocteau, ‘Je t’accuse, Lettre ouverte à François Mauriac’, France-Soir, 30 december 1951.
[21] De Waarheid, 31 december 1951.
[22] Claude Lévi-Strauss, ‘Le Père Noël supplicié’ [De terechtgestelde Kerstman], Les Temps Modernes nr. 77, 1952, blz. 1572-1590.
[23] A.w., blz. 1574.
[24] A.w., blz. 1590.
[25] John A. Dick, ‘Jesus’ Birthday’, https://foranothervoice.com/2024/12/04/jesus-birthday/, 4 december 2024.
[26] Ruth Padel, Tidings. A Christmas Journey, Chatto & Windus, Londen 2016, blz. 55.