AI als katalysator
Sommige technologische innovaties kunnen de wereld ingrijpend veranderen. De laatste jaren is artificiële intelligentie zo’n katalysator. AI is immers niet langer een niche, maar speelt een centrale rol in de samenleving. Zo beïnvloedt ze besluitvorming, instituties, kennisdeling, zorg en hoe mensen zichzelf en anderen begrijpen. AI is daardoor niet langer enkel een hulpmiddel, maar een technologie die de context van het menselijk leven grondig hertekent. Dit heeft al heel wat debat op gang gebracht, niet alleen technisch of economisch, maar ook ethisch en politiek. Sommigen benadrukken daarbij de voordelen zoals efficiëntie en groei, terwijl anderen wijzen op risico’s zoals bias, desinformatie en surveillance. Er zijn ook meer pessimistische stemmen die waarschuwen voor bedreigingen voor de menselijke autonomie en zelfs het voortbestaan van de mens.
Wat deze visies met elkaar gemeen hebben, is dat ze vooral focussen op wat AI kan of wat er fout kan gaan. Wat echter vaak ontbreekt, is een diepere morele reflectie over hoe AI onze ideeën over het goede leven beïnvloedt, zoals hoe we precies samenleven, wat we waardevol vinden en wat betekenis geeft aan ons handelen. Nog minder of zelfs geen aandacht gaat uit naar de vraag hoe AI ingrijpt in de psychische en morele voorwaarden waaronder mensen zich tot het leven zelf verhouden. Deze vraag over hoe AI onze verhouding tot het leven verandert, is niet enkel een technologische of politieke kwestie, maar ook een door en door psychologisch vraagstuk. Daarom is een freudiaans perspectief relevant. Freud richt de aandacht immers op de verlangens en driften die mensen verbinden met de wereld en met anderen, en biedt zo een begrippenkader om te onderzoeken welke vormen van betrokkenheid AI kan versterken of juist ondermijnen.
Vanuit een freudiaans perspectief is de vraag hoe AI onze verhouding tot het leven beïnvloedt dus cruciaal. Sigmund Freud[1] (1985) begrijpt de menselijke psyche daarbij als een spanningsveld tussen twee fundamentele krachten. Enerzijds is er de Eros, de drift die gericht is op verbinding, creatie en betrokkenheid bij het leven, en anderzijds is er de Thanatos, de drift die gericht is op spanningsopheffing en ontbinding. Natuurlijk blijft het freudiaanse denken speculatief, maar het biedt minstens een vruchtbare lens om te begrijpen waarom een al te gemakkelijk vertrouwen op AI niet het actieve leven, maar eerder passiviteit, en daarmee een beweging richting dood – de terugtrekking uit het leven – kan bevorderen. Immers, wanneer Thanatos niet wordt begrepen als een individuele doodswens, maar als een drift naar een toestand zonder prikkels of weerstand, rijst de vraag of bepaalde vormen van technologische rationalisering, en in het bijzonder AI-gedreven systemen, maatschappelijke omstandigheden kunnen creëren waarin deze drift structureel wordt versterkt.
Automatisering en de verarming van Eros
Zoals gezegd staat voor Freud de Thanatos als drift in contrast met de Eros die mensen aan het leven bindt. Eros is de kracht die mensen met elkaar verbindt, en die hen hecht aan praktijken, instituties en allerhande betekenisvolle vormen van activiteit. AI‑systemen daarentegen zijn vaak ontworpen om elke vorm van frictie te verminderen, onzekerheid te minimaliseren en menselijke aanwezigheid te reduceren tot variabelen die kunnen worden voorspeld en geoptimaliseerd. Cruciaal is dat dit geen noodzakelijk kenmerk is van AI als zodanig, maar van de dominante neoliberale logica’s waarin zij vandaag grotendeels wordt ontwikkeld en ingezet.[2] In een dergelijke instrumentele logica worden mensen, objecten en praktijken steeds vaker beoordeeld op hun nut en functionaliteit. Wat niet langer nuttig is, verliest gemakkelijk zijn waarde en betekenis. Wie bijvoorbeeld zijn been gebroken heeft en een kruk nodig heeft om zich te verplaatsen, legt die aan de kant zodra hij genezen is. Wie een paraplu opent in de regen, ervaart diezelfde paraplu als een hinderlijk object wanneer de regen ophoudt. Wie in het donker een kaars aansteekt, blaast haar zonder aarzelen uit wanneer het zonlicht terugkeert. Hulpmiddelen die een bepaalde nood lenigen, worden zonder veel omhaal terzijde geschoven zodra die behoefte verdwenen is en hun functie overbodig wordt. De vraag is wat er gebeurt wanneer dezelfde instrumentele logica wordt toegepast op menselijke vermogens. Wanneer intelligentie, creativiteit, zorg of communicatie voornamelijk worden gewaardeerd om hun functionaliteit, dreigt ook de mens steeds meer als een middel te worden beschouwd. Wat gebeurt er immers wanneer AI sneller, slimmer, efficiënter, vriendelijker en gedienstiger wordt dan veel menselijke actoren? Dreigt de mens dan niet hetzelfde lot te ondergaan als de kruk, de paraplu of de kaars, namelijk: nuttig zolang nodig, maar uiteindelijk overbodig? Wat dus op het spel staat, is de – in freudiaans jargon uitgedrukt – libidineuze structuur van de menselijke betrokkenheid. Eros verliest zijn objecten in zoverre mensen niet meer zelf communiceren, niet meer zelf besluiten nemen en niet meer voor elkaar zorgen, maar deze praktijken uitbesteden aan AI-systemen. Het menselijke leven dreigt daardoor vlakker en armer te worden, en op termijn zelfs uitgegumd te raken. Het is in die affectieve verarming dat wat freudianen Thanatos noemen een voedingsbodem vindt. Kernachtig geformuleerd: wie zich op AI verlaat, staat toe dat AI het leven in zijn plaats leeft.
AI en het verlangen naar spanningsopheffing
Het AI-jubelkoor belooft rust in de vorm dat AI de mens zal bevrijden en verlossen van fouten, onzekerheden en conflicten. AI, zo klinkt de belofte, is er alleen maar om de mens te dienen en om hem welvaart aan te reiken. Dat klinkt goed, maar vanuit een freudiaans standpunt is die boodschap erg ambivalent. Spanningsreductie is immers ook de kern van het doodsverlangen. Karl Popper waarschuwde hier al voor in The open society and its enemies, namelijk: ‘Van alle politieke ideeën is de wens de mensen volmaakt en gelukkig te maken misschien wel de gevaarlijkste. De poging de hemel op aarde te verwezenlijken heeft altijd weer geleid tot de hel’.[3]
Wanneer maatschappelijke systemen systematisch gericht zijn op het elimineren van ambiguïteit, vertraging en frictie, en alleen maar ten dienste staan van optimalisatie en efficiëntie, wordt het leven steeds meer ervaren als iets dat soepel moet verlopen. Weerstand is dan iets wat te allen tijde moet voorkomen worden. Dit kan leiden tot een paradoxale situatie, namelijk hoe meer het leven wordt geoptimaliseerd, hoe minder het individu zich existentieel aangesproken voelt. Het verlangen verschuift dan van een ‘normaal’ leven met spanning naar een ‘artificieel’ leven zonder werkelijke investering. Het is hier waar de Thanatos zich manifesteert, niet als de destructie waarvoor het zo vaak gehouden wordt, maar als de passieve overgave aan systemen die beslissen, voorspellen en sturen en daarmee het woelige leven wegvegen. Of nog, een leven met AI is een leven waar de ontlasting, eerder dan de autonomie het hoogste goed wordt. Waar Immanuel Kant aangaf dat de Verlichting het ‘uittreden is van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid’ is,[4] zou het kunnen dat AI die Verlichting net de mond snoert.
Heeft AI zin in het leven?
In freudiaanse zin kan AI, wanneer zij wordt ingebed in logica’s van efficiëntie, controle en instrumentalisering, maatschappelijke omstandigheden creëren die dus het doodsverlangen versterken. Die Thanatos moet niet gezien worden als een uiting van een individuele pathologie, maar als collectief symptoom van een cultuur waarin het leven dan wel wordt geoptimaliseerd, maar onvoldoende individueel wordt gedragen. De vraag is dan niet enkel hoe AI veiliger of eerlijker kan worden gemaakt, maar hoe zij kan worden ingebed in sociale en institutionele praktijken die de vormen van Eros versterken. Hoe kan AI met andere woorden de menselijke betrokkenheid, zorg, betekenis en wederkerigheid bekrachtigen? Zonder een antwoord op die vraag, dreigt de oriëntatie die AI thans biedt niet zozeer het leven te vernietigen (al zit die kans er natuurlijk ook in), maar het langzaam uit te doven. Deze vraag moet mijn inziens de werkelijke inzet van het AI-debat zijn, want net omdat AI vooralsnog geen zin in het leven heeft, moeten we voorkomen dat het onze zin voor het leven ontneemt. Het is deze vraag die centraal staat in het boek dat ik samen met Tim Brys schreef.[5] Veel hangt dus af van de logica’s waarin AI wordt ingebed, en in het bijzonder in hoeverre zij is geworteld in kapitalistische en efficiëntiegerichte structuren. In bepaalde contexten kan AI menselijke betrokkenheid net versterken en dus de Eros dienstbaar zijn. AI-chatbots die sociaal contact vervangen, studenten die niet meer zelf schrijven, de zorgrobotisering en automatische besluitvorming leiden tot ontlasting, maar zijn uiteindelijk toch vooral dienstbaar aan de Thanatos. De centrale vraag is daarom niet hoeveel menselijke inspanning AI kan wegnemen, maar hoeveel menselijk leven zij nog werkelijk weet uit te lokken.
Reageren? Mail naar: francois.levrau@uantwerpen.be
François Levrau is sociaal filosoof, en verbonden aan de UAntwerpen, respectievelijk als onderwijsbegeleider bij het Centrum Pieter Gillis en als docent bij het Departement Sociologie.
Referenties
Brys, Tim en François Levrau, En toen was er AI. Hoe mens blijven te midden van machines?, Otheo Antwerpen, 2026
Freud, Sigmund, Aan gene zijde van het lustprincipe. Psychoanalytische theorie 1, Boom Meppel, Amsterdam:, pp. 93-163. (1985 [1920]).
Kant, Immanuel, Beantwoording van de vraag: Wat is Verlichting? En andere geschiedfilosofische geschriften, Boom, Amsterdam. 2021 [1784]
Popper, Karl, The open society and its enemies. The spell of Plato (vol. 1), George Routledge & Sons, London, 1945
[1] Sigmund Freud (1985).
[2] Brys en Levrau (2026).
[3] Karl Popper (1945).
[4] Immanuel Kant (2021).
[5] Brys en Levrau (2026).
