De snobs slaan de plank mis

Over The Odyssey van Christopher Nolan (en Homerus)

 

Het is makkelijk het land te hebben aan Christopher Nolan, zeker vanuit cinefiele hoek, met zijn bombastische oppervlakkigheid, zijn gebrek aan visuele poëzie, zijn eenduidige personages, zijn onbestaande vrouwen. Maar hoewel ikzelf niet wegloop met Nolan, lijkt die karaktermoord me toch niet eerlijk, en doet die me bovendien denken aan het narratief rond Steven Spielberg, als zou die een zwaar over het paard getilde volksclown zijn. Nolan heeft wel degelijk zijn waarde, al zal hij nooit Scorsese zijn (en ook Spielberg is een veel grotere regisseur). Net als bijvoorbeeld Peter Jackson weet hij spektakelfilms te maken voor het grote publiek met flair en hartstocht – noch Interstellar, noch Inception waren perfect of geniaal, maar het blijven bijzondere prestaties. En zijn vorige worp, Oppenheimer, was misschien wel zijn meest intelligente en volwassen film tot nu toe, iets wat ik toeschreef aan het feit dat hij een boek kon volgen.

Dat kon hij met The Odyssey opnieuw. Ik stootte enkele weken geleden op een (nochtans niet achterlijk) echtpaar dat vaag vermoedde dat de nieuwste film van Nolan iets met één of ander oud boek te maken had – toen ik de naam ‘Homerus’ liet vallen, hoorden ze het donderen in Keulen. Ons onderwijssysteem heeft zo zijn gebreken (net als het menselijk geheugen). Hoe dat ook zij: ik besefte tot mijn schaamte onderhavig boek van Homerus nooit te hebben gelezen en zette me er twee weken geleden eindelijk aan, in een prozavertaling van de classicus Jan van Gelder. De waarde van De Odyssee lijkt me vooral te bestaan uit de beelden, die eeuwig zijn: de man die jarenlang rondvaart op zee, op zoek naar Ithaka, dat eiland zelf, met de moeder, de zoon en de vrijers die er als ongelikte beren elke avond een schranspartij van maken, de cycloop en zijn schapen, de halfgodin die mannen in dieren verandert, Scylla en Charibdis, de oude hond die zijn baasje na twintig jaar herkent, liggend op een hoop stront, de vereenzaamde geitenhoeder die Odysseus als enige trouw bleef, Penelope die haar vorderingen met het kleed elke nacht weer ongedaan maakt (een trucje dat aan Sheherazade doet denken), het gesprek met Achilles, Agamemnon en Tiresias in de onderwereld, Odysseus die zich laat vastbinden aan de mast voor het gezang van de Sirenen. Beelden met niet alleen een visuele, maar ook een mythopoëtische kracht. De Odyssee is een sprookje, een avonturenverhaal, een mythe; het heeft meer affiniteiten met Tolkien dan met Tolstoj.

 

De waarheid over Homerus

Ik besef dat ik met het volgende de toorn van de verzamelde classici des landen zal opwekken, maar ik begrijp volledig waarom Harold Bloom zijn westerse canon liet beginnen met Chaucer, Dante, Shakespeare en Cervantes. Niks tegen de oude Grieken en Romeinen, we zijn Homerus, Sophocles, Vergilius en Ovidius allen zeer dankbaar, maar voor werkelijke complexiteit en diepgang in de beschrijving van de menselijke psyche was het wachten op de grote sprong voorwaarts van bovenstaand viertal (plus nog een handvol anderen zoals Petrarca en Spenser). Dit alles voer ik aan ter verdediging van Nolan, die door intellectuelen en cinefielen wordt verweten een ‘complex’ verhaal te hebben gereduceerd tot een Hollywoodiaans popcornspektakel. Zo was er bijvoorbeeld een spraakmakend essay in de London Review of Books van Emily Wilson, die De Odyssee vertaalde in 2017, waarin ze Nolan met de grond gelijk maakte. Zo schreef ze: ‘Nolans Odyssee mist veel van de elementen die het gedicht zo indrukwekkend maken. De film heeft niets overtuigends te zeggen over tijd, herinnering, geschiedenis, oorlog, of over de verhouding tussen de glorieuze terugkeer van één krijger en de levens van zijn familie, tegenstanders, kameraden, vrienden en buren. De film mist psychologische, emotionele, politieke en ethische diepgang’. Nou moe. Het lijkt wel of zij een ander boek heeft gelezen dan ik. Diepgaande mijmeringen of observaties over tijd en het geheugen heb ik nergens aangetroffen.

Overigens heeft ze weinig recht van spreken aangezien niemand Homerus ernstiger heeft verbasterd dan zij, met haar nieuwe ‘vertaling’ van de openingsregel: ‘Muse, tell me of a complicated man.’ Het Oudgriekse ‘polytropos’ vertalen als ‘complex’ is een literair misdrijf van de eerste orde, een feministische herinterpretatie die niet deugt in wat voor een vertaling moet doorgaan. ‘Polytropos’ betekent letterlijk zoiets als ‘hij die al veel omwegen heeft moeten maken’, wat figuurlijk betekent: ‘hij die altijd een uitweg vindt’. Uit de rest van de vertelling blijkt namelijk dat Odysseus bovenal sluw en vernuftig is – al komen de meeste listen uit de koker van Pallas Athene, zijn persoonlijke beschermengel, zonder wiens hulp hij al snel zou zijn gesneuveld.

Een reductie zag ik dus niet. Nolan zag terecht dat De Odyssee vooral onsterfelijk is dankzij de beelden, en die heeft hij vertaald naar het grote scherm, voor het grootste deel overtuigend. De subtiliteit mag dan bij sommige scènes ver te zoeken zijn (vergeet uw oordoppen niet), maar als Odysseus de noodzakelijke offers heeft gebracht en honderden figuren uit de onderwereld uit de grond komen gekropen, kun je alleen maar applaudisseren voor de intense levensechtheid van het beeld. Odysseus en zijn bemanning staan aan de rand van een onmetelijke, duistere vlakte; de doden zijn verfomfaaide geesten, met een bleke teint en droevige ogen, die zich half zwevend voortbewegen. Odysseus praat met Sinon, Agamemnon en Tiresias, de blinde ziener die in zoveel verhalen opduikt.

 

Materie is goud waard

De reden waarom deze scène werkt, en dat geldt voor de film als geheel, is dat Nolan de waarde van materialiteit onderkent. Dwars tegen de heilloze omarming van en onderwerping aan technologie en computers waaraan Disney en Marvel zich bezondigen, doet Nolan een beroep op de goeie ouwe trucs van de foor, in de traditie van George Lucas (Star Wars), Steven Spielberg (in het bijzonder Jaws en Jurassic Park) en Peter Jackson (Lord of the Rings). Dat wil zeggen: Nolan gebruikt zo min mogelijk CGI (oftewel computer-generated imagery) en zoveel mogelijk echte mensen en materialen. Ook filmde hij bijna alles op locatie, in plaats van een green screen te gebruiken als goedkoop achterdoek. Als de cycloop de steen voor de ingang van zijn grot schuift of als het paard Troje wordt binnengetrokken door honderden slaven, heb je als kijker het gevoel dat er werkelijk een zwaar object in beweging is (net als het schip in Herzogs Fitzcarraldo).

De episode met de cycloop is zeer geslaagd: Nolan wijkt af van de brontekst, waarin de cycloop palavert met Odysseus en zo iets menselijks krijgt. Bij Nolan blijft hij ijzingwekkend stil als hij de grot binnenkomt en daar Odysseus en zijn bemanning aantreft; alsof het de gewoonste zaak van de wereld is grijpt hij drie Grieken bij de lurven en vreet ze op, eerst hun kop afbijtend, tot ontsteltenis van Odysseus en de zijnen. Voor het ontwerp van de cycloop lieten Nolan en zijn ploeg zich inspireren door Goya en diens beroemde schilderij Saturno devorando a su hijo. Hij is waanzinnig groot met zelfs in verhouding lange ledematen, waardoor hij zich ietwat onhandig voortbeweegt. Zijn ene oog straalt vooral mysterie uit. Hij blijft fundamenteel de Ander. Net daardoor is het verrassend als hij dan toch zijn mond openten spreekt, nadat de Grieken zijn oog hebben doorboord, een klaagzang richtend tot Poseidon, zijn ‘vader’.

Een ander visueel hoogtepunt is de passage bij Circe (Samantha Morton), de halfgodin die de bemanning van Odysseus in varkens verandert. Ze lokt de uitgehongerde mannen naar haar huis en laat ze genieten van haar stoofpotje (niemand vraagt zich af waarom ze zoveel vlees klaar heeft liggen); de mannen beginnen steeds dierlijker te schransen, hebben zichzelf niet meer in de hand, en worden uiteindelijk door Circe zelf omgekneed tot varkens, alsof ze hun lichamen tot klei herleid heeft. Opnieuw overtuigt en overrompelt Nolan met ruwe materialiteit.

Ook voor de Laistrygonen heeft Nolan een sluwe oplossing gevonden, met een boogje om de voorhanden technologie lopend. Dat reuzenvolk heeft hij simpelweg laten spelen door zeer uit de kluiten gewassen stuntacteurs, gehuld in echte maliënkolders, terwijl hij de Grieken verving door nogal kleine acteurs, wat het contrast vergrootte. Het is opnieuw of je zelf in het bos voor je leven moet rennen als de helft van de bemanning van Odysseus wordt vermorzeld door de plotseling in de bossen opduikende reuzenridders. Nolan transponeert de kijker naar het scherm: meer moet je eigenlijk niet doen.

 

Spijtige casting

Waar Nolan wel fouten beging, is bij de rolverdeling. Het begint er stilaan op te lijken dat een geheime lobby in Hollywood elke regisseur verplicht om Zendaya en Tom Holland in zijn film te steken. Niet gehinderd door enig talent siert Zendaya elke prent waarin ze optreedt met haar mooie gezicht en haar volstrekt gebrek aan acteren. Pallas Athene is een grote rol, die moet worden ingevuld door iemand met aura, charisma, mysterie. Zendaya weet op geen enkel moment te overtuigen (gelukkig speelt ze een veel kleinere rol dan bij Homerus). Tom Holland is minder slecht als Telemachus, maar werkt nog steeds op de zenuwen. Hij zou zeer geschikt zijn voor de titelrol mocht iemand ooit het onzalige idee krijgen om een live action verfilming te maken van Jommeke, maar in een Grieks epos loopt hij een beetje verloren. Hij gaat niet op in zijn rol, maar is en blijft Tom Holland, een knaap uit de eenentwintigste eeuw.

Anne Hathaway is een ongelukkige keuze als Penelope. Van Penelope moet je onwillekeurig kunnen houden. Ze moet verdrietig, wijs, mooi en koppig zijn. Nolan had een gouden kans de rol aan Penelope Cruz te geven, maar liet die schieten (dit is maar half een grapje). Hathaway is net als Holland iemand die zichzelf niet goed naar de tijd van de oude Grieken weet te vertalen. Vandaar dat de eerste twintig minuten het zwakste deel van de film zijn, aangezien Nolan net als Homerus begint met Telemachus en Penelope die lijdzaam moeten toezien hoe de vrijers avond na avond hun voedsel en drank verbrassen. De dialogen tussen Holland en Hathaway zwemen naar het potsierlijke – ik dacht even een lange zit voor de boeg te hebben, maar gelukkig bracht de entree van Odysseus soelaas.

Hoe is Matt Damon in de titelrol? Heidegger zou zeggen: Damon Damont. Hij doet wat hij altijd doet: zijn job. Hij kwijt zich van zijn taak, verdwijnt min of meer in het personage. Zo draagt hij de film op zijn kloeke schouders – al bedacht ik me wel dat Odysseus expliciet als knap wordt beschreven door Homerus (vandaar ook dat zowel Circe als Calypso hem zo graag bij zich willen houden), terwijl ik Damon eerder als gemiddeld inschat. Lupita Nyong’o krijgt als Helena (en Clytaemnestra) weinig speeltijd, maar heeft het soort zeldzame, voorname schoonheid dat past bij die rol. Jon Bernthal speelt Menelaos met zijn gebruikelijke panache, als een man met een absolute leeftijd van zestien. Charlize Theron sprankelt niet als Calypso, alsof ze er weinig zin in had; de dialogen tussen Odysseus en Calypso behoren helaas niet tot de troeven van de film. John Leguizamo is sterk als de oude, blind wordende varkenshoeder (die blindheid is een toevoeging van Nolan).

Wat ons ten slotte bij Robert Pattinson brengt, die er behagen in lijkt te scheppen zijn reputatie als rare kwibus te bestendigen. Hij omarmt het cliché van Antinoös, de hoofdman van de vrijers, als malafide slechterik, schurkt tegen de camp aan, komt er ongedeerd uit. Misschien heeft het met ironie of intelligentie te maken, of acteercharisma, maar hij slaagt wat mij betreft daar waar Holland, Zendaya en Hathaway schipbreuk lijden.

 

Gewetenswroeging

Naar goede traditie vertelt Nolan het verhaal op gefragmenteerde wijze, lustig sprongen in de tijd makend. Nu doet Homerus dit ook: een groot deel van de avonturen Odysseus wordt niet op het moment zelf meegemaakt, maar jaren later verteld door Odysseus zelf. Op de structuur van de film en de flashbacks valt niets aan te merken. De dialogen zijn pure kitsch: dit is het soort film waarin personages de helft van de tijd half fluisterend praten en dingen zeggen als ‘I need to avenge my father’ met diepzinnige blik. Maar dat register past nu eenmaal binnen het epische genre, net zoals dat past bij Star Wars en Lord of the Rings. Je kunt erom lachen, maar het is logischer (en leuker) erin mee te gaan.

Het meeste van wat Nolan doet ligt in het verlengde van zijn brontekst, maar hij wijkt op één belangrijk punt af: bij hem wordt Odysseus geplaagd door gewetenswroeging over zijn aandeel in de verwoesting van Troje. Het beeld van Odysseus die in Troje neergehurkt en bedrukt toeziet hoe de lokale bevolking wordt afgeslacht door Agamemnon en de zijnen keert steeds opnieuw terug (een beetje zoals het idyllische beeld van de kinderen in de tuin in Inception steeds terugkeerde). Van gewetenswroeging is bij Homerus geen enkele sprake. Sterker nog: op het einde van de brontekst gaat Odysseus als een gek tekeer, alsof niets zijn bloeddorst zou kunnen stillen. Nadat hij de vrijers (met behulp van Athene) gekeeld heeft, laat hij twintig slavinnen ophangen omdat ze het bed hadden gedeeld met vrijers; als vervolgens de families en volgelingen van de vrijers wraak willen nemen, gaat hij ook hen te lijf, ook al maant Athene hem tot vrede aan. Uiteindelijk moet Athene haar goddelijke krachten aanwenden om hem tegen te houden. Aan het lot van de Trojanen wijdt Odysseus niet één gebenedijd woord.

Een verregaand revisionisme waar je vragen bij kan stellen. In commentaren heet het dat Nolan De Odyssee christelijk heeft gemaakt, met boetedoening op het einde, dat hij de westerse gewetenswroeging over de twee grote oorlogen van de twintigste eeuw naar de protagonist van Homerus heeft getransponeerd. Het is een moraliserende ingreep, die je als goedkoop kan interpreteren – een opzichtige poging van Nolan om zijn personage sympathiek te maken. Maar het is tegelijk zijn goed recht om de brontekst naar zijn hand te zetten. In elk geval verdient Nolan alvast voor de rest van de film lof, al moet hij dringend beter leren casten. En de cinefiele betweters mogen hun snobisme opbergen in hun foedraal.

 

Reageren? Mail naar: arthurhendrikx@hotmail.com

 

Arthur Hendrikx is leraar Engels in het middelbaar onderwijs en freelance journalist. Hij volgde een master Wijsbegeerte en een master Zuid-Amerikaanse studies aan de KU Leuven, waar hij zich toelegde op literatuurfilosofie en Spaanse cinema.

Van wie zijn onze dagen?
Apocalyps, wanneer?
De snobs slaan de plank mis
Bird: de urban jungle en de verdwijnende horizon...
Godland: een andere christenreis
The New Pope ofwel: Ecce Homo – Zie...
De overdreven lijdensweg van Rocco
De vele levens van Ludo Abicht
Een buitenaards geschenk: Arrival
Corpus Christi: een relaas over gebrokenheid en verzoening
Babette’s Feast en de heiliging van het leven
The Truman Show: de vrije wil opnieuw bezocht
Gitzwart en toch geestig: Memories of murder van...
Des Hommes et des Dieux: waarvan getuigen wij?
Spaceman – Op zoek naar betekenis in de...
Megalopolis: ‘The riches of an Emersonian mind’
Adam’s Apples: een absurdistisch bekeringsverhaal
De treurnis van onnodige biopics
Spaceman – Op zoek naar betekenis in de...
Small things like these: naastenliefde voorbij de vrijblijvendheid
Hoe je met grauw realisme naar het Sublieme...
The Young Pope: meer dan een studie in...
De ambivalente ruwheid van Léon Morin, prêtre
Vergeten nog voor het ooit bestond: Reflections in...
De Laatste Generatie of de Eliminerende Massa: daar...
Dune – een film die aanmoedigt om verder...
Zo interessant is The zone of interest niet
Netflix Messiah: een verrassende thriller
Een hutspot van twijfelachtige kwaliteit: Poor things van...
Napoleon – het Waterloo van Ridley Scott