Schets van een nieuwe dysto-utopische wereld met grote aanwezigheid van AI

Een vier-klassen samenleving

 

De enorme inzet van Artificial Intelligence (Kunstmatige Intelligentie, verder: AI) biedt economen een mogelijk unieke situatie in de laatste vijf of zes decennia. AI is een universele technologie en haar gevolgen zijn, vanuit hedendaags perspectief, heel moeilijk of zelfs onmogelijk te voorspellen. Als men zich afvraagt of er toenemende werkloosheid zal zijn door de invoering van AI, heeft het geen zin te praten met arbeidseconomen. Arbeidseconomen kunnen misschien vragen beantwoorden zoals of een specifieke technologie zou kunnen leiden tot werkloosheid of dat de verhoging van het minimumloon sommige mensen overtollig zou kunnen maken, maar zij kunnen niet ingaan op de vraag naar de gevolgen van een nieuwe, universele technologie, omdat zowel de mate van de toepassing van een dergelijke technologie als haar gevolgen voor de vraag naar arbeidskrachten eenvoudig onbekend zijn. De nieuwe universele technologie zou, zoals elektriciteit, 90% van alle activiteiten kunnen omvatten, of zij zou kunnen mislukken, en de hoop en vrees die we koesteren ten aanzien van AI zouden kunnen tegenvallen.

Dit nu vraagt niet om het zoeken naar concrete antwoorden, die, meen ik, op dit moment onmogelijk kunnen worden gegeven, maar om het opstellen van een zinvolle reeks vragen over de mogelijke gevolgen van AI, en dan de nieuwe wereld schetsen die zij zou kunnen voortbrengen.

De eerste belangrijke vraag is, of AI zal leiden tot een toename van de totale productie, of dat de totale productie min of meer hetzelfde zal blijven, maar de rol van machines (daarbij inbegrepen AI, die zelf een machine kan worden genoemd) en menselijke arbeidskracht zal herordenen. Met andere woorden, of AI een productie-verhogende technologie is, of een technologie die factoren verschuift, wat wil zeggen dat zij menselijke arbeidskracht vervangt door kapitaal maar niet leidt tot de productie van veel nieuwe diensten en goederen, of tot de groei van de productie van al bestaande diensten en goederen. Ik heb het grootste deel van deze tekst gedicteerd, ik heb niet, zoals ik doorgaans doe, in Word geschreven, noch met de hand zoals ik twintig jaar geleden gewoonlijk deed. Maar in dit voorbeeld hebben noch tekstverwerkende technologie noch een dictafoon mij meer essays doen maken. Er was misschien enige verbetering in de productie, in de zin dat een leesbaar essay in kortere tijd werd gemaakt, maar niet veel meer. Maar de universele technologie van de informatierevolutie heeft dit essay wel voor veel meer mensen toegankelijk gemaakt. In deze zin was er een toename van algemeen welzijn (aangenomen dat het lezen van deze tekst niet bij veel lezers woede en verdriet opwekt).

De tweede belangrijke vraag is of AI zal leiden tot een verhoogde productiviteit, omschreven als productie per arbeidskracht. Daarin, zoals zowel het gezond verstand en het vorige voorbeeld doen vermoeden, kunnen we tamelijk veilig aannemen dat AI de productie zou kunnen verhogen. En in sommige gevallen zelfs aanzienlijk. Om niet tot deze conclusie te komen zouden we moeten aannemen dat door de toepassing van AI de totale productie in dezelfde mate zou toenemen als waarin de inzet van arbeidskracht zou afnemen. Dit lijkt heel onrealistisch. Bijgevolg kunnen we veilig voorspellen dat de verhouding tussen volledige productie en volledige arbeidskracht zal stijgen.

Een derde kwestie is of AI een grote surplus bevolking zou scheppen. Ik geef er de voorkeur aan, de term surplus bevolking te gebruiken in plaats van een meer neutrale term als grotere werkloosheid omdat hij beter weerspiegelt wat de gevolgen van een universele technologie zouden kunnen zijn. Zij zou een groep mensen kunnen scheppen die in wezen niet inzetbaar zijn, wie van de vaardigheden tot een achterhaalde tijd behoren. Dit kunnen vaardigheden of kennis zijn die volledig overbodig worden door het gebruik van AI; of mensen van wie de vaardigheden vier of vijf jaar zouden moeten worden ‘omgebouwd’ vanwege de behoeften van een nieuwe economie. In beide gevallen vormen dergelijke mensen op middellange of lange termijn een surplus bevolking. Wanneer de surplus bevolking groot wordt, bijvoorbeeld oploopt tot 15 of 20% van de beroepsbevolking, zou dit politieke problemen scheppen. De vraag zal dan zijn, hoe dit politieke probleem moet worden opgelost. Het zou kunnen worden opgelost binnen het bestaande systeem van werkloosheidsuitkeringen, op voorwaarde dat in geval van de surplus bevolking de werkloosheidsuitkeringen jaren lopen, in plaats van zes of negen maanden zoals nu. Of, zoals veel mensen stellen, door een algemeen basisinkomen. Beide zouden een verandering vergen in de wijze waarop de sociale zekerheid wordt georganiseerd en betaald. We zouden de mogelijkheid moeten aanvaarden van mensen die tijdens hun leven nooit werken, of maar heel beperkte tijd werken in sommige ondergeschikte posities.

Maar enkel het herverdelen van geld lost het politieke probleem van een grote surplus bevolking niet op. Het zou naïef zijn te menen dat mensen eenvoudig geld om te overleven geven, hen gelukkig zou maken. Een surplus bevolking zou een vaste pool van ontevredenen scheppen waarmee het politiek moeilijk omgaan zou zijn, een kneedbare bevolkingsgroep die zou kunnen worden gebruikt en benut door politieke exploitanten. Alleen al de aanwezigheid van een grote groep mensen die niets omhanden heeft en veel vrije tijd om opstanden te organiseren zou op zichzelf al politiek destabiliserend zijn.

De volgende vraag is die naar winsten. Weinig mensen betwijfelen dat de totale omvang van de winsten, als AI op grote schaal wordt gebruikt, zal groeien. AI is als iedere andere vorm van kapitaal, en de mensen die AI bezitten zullen uiteraard verdienen. Zij zouden rijker worden; in sommige gevallen zullen zij buitensporig rijk worden, en grote politieke invloed verwerven. De grote rijkdom en politieke macht van weinigen, in combinatie met het bestaan van een grote surplus bevolking zou een uiterst gevaarlijke politieke cocktail kunnen scheppen. Het is niet noodzakelijk zo dat de nieuwe techno-heren altijd als een klasse zullen opereren. Sommigen zullen de ambitie hebben het leger van ontevredenen te leiden, en andere techno-heren uit hun posities te verdrijven. De val van de Romeinse republiek zou een soortgelijk historisch precedent kunnen bieden; de strijd tussen verschillende clans van oligarchen in het Rusland van na de communistisch tijd een ander.

Maar hier is mijn vraag of de winst zou toenemen of niet. De grotere omvang van de winst als gevolg van het gebruik van AI hoeft niet noodzakelijk te leiden tot een grotere omvang van de totale winst, omdat de hoeveelheid nieuw kapitaal die opgaat in AI zo groot zou kunnen zijn dat zij meer bedraagt dan de toename van de volledige winst. Met andere woorden, de verhouding tussen winst en kapitaal zou omlaag kunnen gaan. We zouden dus kunnen komen te staan tegenover een wat op het eerste gezicht paradoxale situatie lijkt: de gemiddelde winstmarge in een economie waarin AI wordt gebruikt zou kunnen dalen. Maar er zijn tegenkrachten. Een Schumpeteriaanse creatieve afleidingsmanoeuvre als gevolg van AI zou de waarde van veel kapitaal kunnen vernietigen dat niet langer bruikbaar is. AI zou hetzelfde doen voor kapitaal als het deed voor werk: een surplus kapitaal scheppen zoals het een surplus bevolking zou scheppen. Dergelijk surplus kapitaal telt niet meer mee in de berekening van de gemiddelde winstvoet; de factor kapitaal in de berekening van de winstvoet zou lager worden, en de gemiddelde winst stijgen. Maar merk op dat deze creatieve vernietiging die de winstvoet op hoog niveau houdt, groot kapitaalverlies betekent voor de mensen die ‘verkeerd’ kapitaal bezitten. Zo zouden de ontevredenen niet alleen de niet meer inzetbare arbeiders zijn, maar ook voormalige kapitalisten die nu verarmd zijn.

Maar wat krijgen we als we dit alles bij elkaar brengen? Er zou vrijwel zeker een groei zijn in het deel van het nationale inkomen dat naar de kapitaalbezitters gaat, omdat de hoeveelheid van het gebruikte kapitaal zou zijn toegenomen, terwijl de gemiddelde winstvoet ongeveer hetzelfde zou blijven. Het aandeel van het werk zou omlaag gaan. Omdat het meeste kapitaal, zoals we weten uit empirische gegevens, in bezit is van mensen in de bovenste lagen van de inkomensverdeling, zou de toename van het aandeel van kapitaal de ongelijkheid in inkomen en rijkdom verscherpen. Ook dit is waarschijnlijk maar niet zeker. Nieuwe technologie van een dergelijke omvang zou inderdaad niet alleen aan de bovenkant het inkomen uit kapitaal kunnen laten groeien, onder de huidige kapitaalbezitters, maar ook onder degenen die in de midden sector verkeren. In dat geval wordt het minder duidelijk dat het groeiende aandeel van kapitaal noodzakelijk op zichzelf zou leiden tot grotere inkomensongelijkheid.

Maar er is een tweede element dat de ongelijkheid zeker zou doen toenemen. Dat is de surplus bevolking, waarvan de door de staat verzekerde betalingen zeker veel lager zouden zijn dan hun vroegere salarissen.

Uiteindelijk komen we uit bij de belangrijke vraag die in werkelijkheid een maatschappelijke vraag is: hoe zou de nieuwe inkomensverdeling eruit zien? Dit zou een samenleving in vieren zijn, dat wil zeggen een samenleving die uit vier klassen is samengesteld. Onderaan staat de surplus bevolking, het lompenproletariaat of de luie slaven zonder baan en met niets te doen. Zij zouden rustig moeten worden gehouden door de verspreiding van brood en spelen. In de moderne betekenis houden brood en spelen uiteraard een levenslange minimale werkeloosheidsuitkering in, en het uitzenden van goedkoop amusement, vierentwintig uur per dag.

Vervolgens zou er in de dienstverlening een verhoudingsgewijs grote werkende klasse zijn op gebieden die (vooralsnog) niet door AI kunnen worden overgenomen. Zij zouden overleven op lage of gemiddelde salarissen, en voortdurend leven onder dreiging van vervanging door AI en afzakken in het lompenproletariaat.

De derde klasse zijn mensen die, zoals zij ook nu doen, hoge inkomsten uit kapitaal combineren met hoge inkomsten uit arbeid. Dit is wat ik de homoploutische[i] klasse noem die momenteel ongeveer 3% van de Amerikaanse bevolking vertegenwoordigt: mensen die zowel behoren tot de bovenste 10% van kapitaalbezitters als tot de bovenste 10% van de salarissen. Deze specifieke groep zou in omvang kunnen toenemen. Ook als zij momenteel geen aandelen in nieuwe bedrijven hebben, maken hun hoge salarissen zo goed als hun hoge inkomsten uit kapitaal het mogelijk dat zij hun aandelenpakket uitbreiden naar de meest winstgevende sectoren, en zo niet alleen hun plaats behouden maar zelfs verbeteren, en de kring van homoplouten vergroten.

Ten slotte zouden er aan de top van de inkomenspiramide de buitengewoon rijke mensen staan die we er nu al zien. Dit hoeven niet slechts vijf of zes of tien plutocraten te zijn, maar er kunnen wellicht duizenden mensen buitengewoon rijk zijn.

Een dergelijke maatschappelijke piramide zou er, zowel in de scherpte waarmee inkomens stijgen naarmate we dichter bij de top komen als ook in de vlakheid van de inkomens van de velen onderaan, uitzien als de piramides in pre-industriële samenlevingen, die er niet in slaagden voldoende grote middenklassen te scheppen. De schets is uiteraard alleen van toepassing op de meer ontwikkelde en rijkere samenlevingen. Andere samenlevingen – minder ontwikkeld in termen van AI – zullen een meer vertrouwde sociale en klassenstructuur houden.

Interessant is nu dat de meer ontwikkelde en rijkere samenlevingen een middenklasse zouden ontberen, en politiek onrustiger zouden zijn dan minder ontwikkelde samenlevingen. Een van de dogma’s van de twintigste eeuw was dat ontwikkeling (met over het algemeen hogere inkomens) en opleidingsniveau een sterke middenklasse scheppen, die op haar beurt een waarborg voor politieke stabiliteit is. Maar misschien gold dat dogma alleen voor een specifiek soort geïndustrialiseerde Fordistische samenlevingen, en niet in het algemeen voor samenlevingen met over het algemeen hoge inkomens.

Wat in beginsel middenklassen zouden kunnen worden genoemd in samenlevingen met veel AI zouden mensen in de dienstverlening zijn, die niet zijn vervangen door AI. Toch kunnen zij niet volledig als middenklasse worden beschouwd, omdat hun inkomens verhoudingsgewijs laag zijn in verhouding tot de twee bovenste klassen van homoploutische individuen en techno-heren, en hun positie is hachelijk omdat zij voortdurend gevaar lopen omlaag te vallen, naar het lompenproletariaat.

Er bestaat weinig twijfel over dat een samenleving zoals ik heb geschetst veel kenmerken van een dystopie zou vertonen. De utopische belofte van machines die veel werk verrichten dat nu door mensen wordt gedaan, en het ons mogelijk maakt te genieten van vrije tijd en ontspanning, zou in werkelijkheid kunnen uitlopen op maatschappelijk uiterst ongelijke en politiek veel instabielere samenlevingen dan de hedendaagse profeten van een door AI geschapen overvloed ons willen doen geloven.

 

(vertaling: Herman Simissen)

 

Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 20 juli jl. op https://branko2f7.substack.com/p/sketching-the-new-dysto-utopian-world en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.

 

[i] Van het Griekse ‘homo’, hetzelfde, en ‘ploutia’, rijkdom. (Noot van de vertsler)

De geest van de jaren ’90 en de...
Holocaust als vrijbrief voor genocide
Schets van een nieuwe dysto-utopische wereld met grote...
Wat hadden Ulla en Stig in I970 in...
Vraag niet naar mijn winst, laten we het...
Zelfkritische tegenmacht als recept tegen een teflon overheid
‘Dit is (niet) wie we zijn’. Volgens wie?
Vier juli 2026
Hoe de ‘deugden’ van neoliberale globalisering de weg...
De Babylonische spraakverwarring tussen macht en tegenmacht
Een ander spel
WK 2026 van start
Kunstmatige intelligentie en de toekomst van het kapitalisme
Koert Debeuf over de situatie in het Midden-Oosten
Licht in het puin
Christelijk nationalisme
Inleiding: Denken als revolte in tijden van crisis...
Over rijkdom en macht in het nieuwe tijdsgewricht
Andrew Winnick over de blijvende aantrekkingskracht van Trump...
Yoeri Andropov: een man die een tweede Deng...
Verdien je vanuit moreel oogpunt wat je financieel...
Werken of niet werken
Het grote raadsel van de Grote Terreur
De politieke gevolgen op lange termijn van Poetin
Fascisme in postmoderne tijden
Hoe de kaders te schetsen van een economische...
Een korte Nieuwjaarsoverdenking
Hedendaagse overweging: autoritarisme
Rusland: een ideologie voor binnenlands, en één voor...
Opus Dei en Project 2025