Vandaag is het negentig jaar geleden dat  Modern Times het licht zag, de film van en met Charlie Chaplin, waarin de effecten van de mechanisatie, en met name het ontmenselijkende karakter van de fordistische werkorganisatie op een even scherpzinnige als satirische wijze aan de kaak werden gesteld. Charlie lijkt als gevolg van zijn factory work volledig de pedalen kwijt te raken, en verlaat op een bepaald moment helemaal neurotisch zijn lopende band, om dan al ijlend de wereld in te trekken, op zoek naar terug wat meer houvast.

Ook al lijkt zo’n werkorganisatie voor veel mensen vandaag voltooid verleden tijd, toch flitst dat beeld van de ontsporende Charlie zo nu dan door mijn hoofd. Gewoon, door elke dag kleine dingen te horen, te zien, op te merken, zowel in mijn eigen omgeving als in die van anderen. Zoals het verhaal van een kennis, die onlangs in een werksituatie van de baas te horen had gekregen dat hij met data op de proppen moest komen, met harde cijfers, om te kunnen ‘aantonen’ dat een bezorgdheid waarmee hij zat met betrekking tot de sfeer op de werkvloer wel enige relevantie bezat. Helaas waren er daar geen harde cijfers voorhanden, waarna de bewuste bezorgdheid meteen ook verticaal geklasseerd werd.

Bazen – of, iets zachter tegenwoordig, leidinggevenden – zullen dikwijls niet nalaten om zelf creatief met harde cijfers om te springen. Interessant is dan om te zien hoe die cijfers precies tot stand zijn gekomen. Het tovermiddel van de datameesters om tot dergelijke schijnbaar ‘empirische’ gegevens te komen is de digitale enquête. Want meten is weten, toch? Google-, Microsoft-, en nog veel andere Forms worden op poten gezet om zo de onbetwistbare data in handen te hebben waarna er op basis van die data kan worden beslist en gehandeld. En zo ontstaat het ‘draagvlak’, dat geen kritische beoordeling meer verdraagt, omdat het wordt gelegitimeerd door die onbetwistbare data. Misschien is voor zo’n digitale enquêtering  wel een scheiding der machten nodig, waarbij de evaluatoren van de digitale enquête niet dezelfde zijn als de opstellers ervan.

De grote toename van digitale enquêtering gebeurt overigens niet enkel op de werkvloer. Op tal van plaatsen peilt men naar de mening van ‘de mensen’. Social Media polls, e-mailenquêtes, nieuws- en krantenwebsites die al snel een hard percentage kunnen geven over de vragen die ze kort daarvoor de wereld hadden ingestuurd. Waarna er weer kan worden gediscussieerd over de statistische relevantie van de verkregen cijfers. Een perfecte illustratie hiervan was onlangs op te merken bij het VRT-duidingsmagazine De Afspraak, waar de interpretatie van de relatie tussen masculien gedrag bij jongeren en de migratieachtergrond van diezelfde jongeren volgens sommigen bewust niet in de onderzoeksresultaten was verschenen, opdat een te delicaat maatschappelijk debat hierover zou kunnen worden vermeden.

Terug naar de werkvloer. Als de harde data de werkorganisatie van alledag modelleren, als de werkorganisatie wordt herleid tot Excel-tabellen en tal van digitale platformen waarbij er via het scherm wel vluchtige hypercommunicatie, ‘aansturing’, surveillance (‘bewaken’), evaluatie, maar tegelijkertijd steeds minder echte dialoog is, met oogcontact, met luisteren in plaats van aanhoren, met het kunnen beoordelen of er wederzijds vertrouwen is, tussen mensen van vlees en bloed, dreigen we dan niet steeds meer Charlies 2.0 te krijgen? De moerassen van e-mails en spreadsheets, instant messaging en SharePoint leiden tot steeds meer versplintering, fragmentering, en vooral ook een passief ondergaan van met data gevulde tabellen.

Toegegeven, misschien zoek ik, als niet-bezitter van een smartphone, zelf wel wat problemen op, doordat ik door mijn zelfgekozen digi-arm functioneren in de (werk-)wereld zo steeds moeizamer aansluiting vind bij de vanzelfsprekendheden van zo’n digitaal werkuniversum. Maar steeds meer mensen rondom mij, die van aanvang wél vlot mee op de digitale trein zijn gesprongen, geven blijk van dezelfde oranje knipperlichten: het gebrek aan overzicht van het werk, en dus ook een gebrek aan aandacht voor datzelfde werk. Ik heb al wel wat jaren milde spot aan mijn adres achter de rug, voor m’n prehistorische keuze om smartphone-loos door het leven te gaan, zoals ik ook al lang niet meer durf op te merken dat een fysieke ad valvas-communicatie – dat oude mededelingenbord aan de muur – soms zoveel efficiënter is in het overbrengen van boodschappen dan de elektronische variant.

Ik ben dan ook verbaasd dat mensen, zonder een zweem van ironie, mij mijn deeltijds offline leven steeds meer lijken te benijden. Rest nog de vraag of er datameesters zijn die mij ooit sneller zullen wantrouwen, omdat ik slechts een gebrekkige leverancier van data ben. Om hierover wat meer te weten klop ik  misschien best eens aan bij AI.

Datacratie