Het klimaatbeleid heeft een duidelijke visie nodig. Althans, dat roepen veel politieke analisten. De doemscenario’s die wetenschappers schetsen, motiveren sommigen om de A12 te blokkeren, maar anderen overtuigen zichzelf dat zulke scenario’s slechts linkse propaganda zijn. Men wil geen toekomst waarin ze vanwege hittegolven en hoge vliegprijzen ‘s zomers niet meer op vakantie kunnen naar Italië. Men wil geen waarschuwend vingertje bij het eten van biefstuk of het kopen van kleding. Het draagvlak voor de energietransitie brokkelt af. Doembeelden leiden niet tot gedrags- en systeemverandering. Daarom, zo redeneert men, hebben we een positieve toekomstvisie nodig, een punt op de horizon, waarop we ons kunnen richten.

Zo’n visie, roept men dan, moet er een zijn waarin alle energie duurzaam en groen is. Er staan windmolens in zee en op onze daken liggen zonnepanelen. De lucht is schoon, de natuur heeft zich hersteld en kinderen spelen in het groene gras. Ons land is autonoom en welvarend, want ons geld vloeit niet langer naar buitenlandse oliesjeiks. Er is zoveel hernieuwbare energie dat de prijzen zijn gekelderd, en energiearmoede allang is vergeten en vergeven. Zo’n visie leidt tot helder beleid. En helder beleid biedt de nodige zekerheid aan het bedrijfsleven en de industrie. Zo zal de homo economicus de nodige investeringen doen die deze toekomst mogelijk maken. Menselijk handelen is verstrengeld met ‘het systeem’ en zal zeker volgen.

Deze visie is er een van overvloed. Hernieuwbare energie wordt voorgesteld als quasi-gratis, onschuldig, en onuitputtelijk. De zon schijnt altijd en de wind is van iedereen – alles wat wij als mensen moeten doen, is technologieën ontwerpen die de elementen naar onze hand zetten. Maar is het beeld van een groene hoorn des overvloeds de beste visie om ons klimaatbeleid te sturen? Ik heb mijn twijfels.

 

Niets nieuws onder de horizon

Energie-utopieën van overvloed zijn geen nieuwe uitvinding. Al sinds het begin van de negentiende eeuw droomden we over een oneindige voorraad aan steenkolen en olie. De industriële economie die toen is opgetrokken, veronderstelt groei, mede mogelijk gemaakt door onuitputtelijke natuurlijke bronnen. Toen eenmaal bleek dat deze bronnen niet onbegrensd zijn, kreeg de utopie van het overvloed een ander object: nucleaire energie. Propaganda uit 1960 kondigde aan dat elektriciteit op basis van nucleaire energie too cheap to meter zou zijn. Kostbare infrastructuur en het probleem van radioactief afval zorgen er echter voor dat dit altijd een utopie zal blijven.

Aan waterstof kleeft een soortgelijk droombeeld. Al in 1874 schreef Jules Verne in Het geheimzinnige eiland dat ‘het water eenmaal tot brandstof zal dienen, dat waterstof en zuurstof, waaruit het bestaat, alleen of verbonden, een onuitputtelijke bron van warmte en licht zullen verschaffen, van groter kracht dan steenkolen’. Waterstof wordt geproduceerd door elektriciteit te gebruiken om water (H2O) te splitsen. Zo ontstaan waterstof en zuurstof, en dat laatste is een bijproduct dat geen broeikaseffect veroorzaakt. Bovendien heeft waterstof atoomnummer 1 en is daarmee het lichtste element in de periodiek systeem. Dat spreekt tot de verbeelding. In 1995 werd de waterstofeconomie door Jeffrey Rothstein beschreven als een ‘bijna perfecte symbiose met de ritmes van aarde en zon. We zullen deel zijn van een duurzame wereldeconomie, geen machtige destructieve kracht. Als deze filosofie landt, zullen we belangrijke stappen hebben gezet naar het ideaal van Een Wereld’. Deze bijna religieuze connotatie van waterstof werd nog explicieter in het boek van Jeremy Rifkin: The hydrogen economy; the creation of the worldwide energy web and the redistribution of power on Earth (2003). Waterstof is overal, en een decentraal energiesysteem zou betekenen dat iedereen zelf waterstof kan produceren. Zo zou waterstof niet alleen bijdragen aan een schone wereld, maar ook aan de democratie en gelijkheid. Er zal niet langer sprake zijn van schaarste, en ook energiearmoede zal tot het verleden behoren. Bovendien betekent een decentraal waterstofsysteem een grondige herverdeling van macht in het energielandschap en het einde van de dominantie van de grote vervuilers.

Nu lijkt al onze hoop te zijn gevestigd op hernieuwbare energie. De zon schijnt altijd, de wind is van iedereen, en het getij rust nooit. Met de juiste technologie, zo luidt de utopie, hebben we een overvloed aan schone energie, en daarmee kunnen we blijven groeien. Deze energie-utopie is terug te vinden in de reclames van Vattenfall, overheidscampagnes, en de EU Green Deal (‘It is a new growth strategy that aims to transform the EU into a fair and prosperous society, with a modern, resource-efficient and competitive economy where there are no net emissions of greenhouse gases in 2050 and where economic growth is decoupled from resource use’). En wees eens heel eerlijk – zou jij ook niet graag willen leven in een wereld waarin je zonder schuldgevoel, zonder voetafdruk, quasi-gratis naar Mexico kan vliegen in de vakantie? Dat zou toch geweldig zijn?

 

Hoe ethisch is overvloed?

Een utopie zou geen utopie zijn als ze niet onbereikbaar en onmogelijk was. Bovendien zit er aan bijna elke utopie een dystopisch kantje, en dat geldt ook voor die van een overvloed aan hernieuwbare energie. Ik zie twee ethische bezwaren.

Ten eerste, een utopie van overvloedige hernieuwbare energie is onmogelijk. Het moderne liberalisme, inclusief het economische paradigma van de ‘groei’, ontleent zijn kracht – letterlijk – aan het idee van overvloed. En het is juist die aanname die ons zwaar in de problemen heeft gebracht. Fossiele brandstoffen zijn niet oneindig en ze hebben een bittere nasmaak. Nucleair afval kan niet genegeerd worden. Waterstof wordt nu grotendeels geproduceerd met behulp van aardgas, wat verre van schoon is. De utopie van de overvloed heeft ons al verleid diverse planetaire grenzen te overschrijden. Met hernieuwbare energie zal dit niet anders zijn. Windmolens, zonnepanelen en batterijen worden gemaakt met allerlei grondstoffen die schaars en duur zijn, zoals lithium, koper en kobalt. Bovendien heeft energie-infrastructuur een houdbaarheidsdatum en een volledig circulaire economie is in strijd met de wetten van de thermodynamica. Wanneer we streven naar een wereld waarin hernieuwbare energie overvloedig aanwezig is, riskeren we dus wederom het overschrijden van planetaire grenzen.

Het vergeten van de onmogelijkheid van de utopie is ethisch relevant, want ze kan leiden tot globale onrechtvaardigheden. In ons streven naar een overvloed aan hernieuwbare energie zijn we al te vaak geneigd om te vergeten waar technologie vandaan komt. Het mijnen van de benodigde grondstoffen laat zijn sporen achter op gemeenschappen en op de natuur. Ook zijn deze niet gelijk verdeeld over alle landen en continenten. We willen wel hernieuwbare energie, maar we zijn niet bereid om onze eigen achtertuin daarvoor op te offeren. Er zijn plannen om de Sahara vol te bouwen met zonnepanelen en waterstofcentrales, en pijpleidingen aan te leggen naar Europa. De Verenigde Staten legt soortgelijke leidingen aan, dwars door natuurreservaten en gebieden van inheemse volken, zonder hun toestemming (die volken waren er eerst!). Er worden links en rechts bilaterale contracten afgesloten rond waterstofproductie die een ‘win-win’ zouden zijn, maar er valt nog te bezien hoeveel wij winnen en hoeveel zij.

Ten tweede, een groene utopie van overvloed maakt misschien niet gelukkig. Het klinkt mooi, een wereld waarin energie vanzelfsprekend is: we hoeven niet meer op ons verbruik te letten. Maar mijn oma zegt altijd: ‘Als er “te” voor staat, is het nooit goed. Behalve tevreden’. Deze oma-wijsheid correspondeert met een intuïtie van Aristoteles, meer dan tweeduizend jaar geleden. De oude Grieken definieerden ‘het kwaad’ als ‘exces’ of ‘grenzeloosheid’. Goed handelen is daarom nooit een ‘te veel’ of een ‘te weinig’, maar een ‘precies genoeg’ van iets. De deugd, zo beschreef Aristoteles, is in het midden tussen twee kwaden. Tussen lafheid en roekeloosheid zit dapperheid. Tussen gierigheid en spilzucht zit matigheid. En tussen schaarste en overvloed zit het genoeg. Een overvloed aan energie, daar zou Aristoteles huiverig tegenover staan. Overvloed impliceert een ‘te veel’, en dat leidt alleen maar tot ondeugdzaam gedrag. Een gedachtenexperiment: als de zon schijnt en je dak is belegd met zonnepanelen, dan produceer je meer energie dan je kunt verbruiken. De energie terugsturen naar het net heeft geen zin, want het net zit helemaal vol. Zou je dan nog het licht uitdoen als je de kamer verlaat? Misschien niet, uit gewoonte – deugdzaam gedrag is immers een karaktertrek, een praktijk. Maar de situatie van overvloed stimuleert op dat moment een ondeugd, namelijk spilzucht. Het licht blijft branden, zonder enig nut. Waarom is dat een probleem? Nu, deugdzaam gedrag is een gewoonte, en leidt tot geluk (eudaimonia). Ondeugdzaam gedrag leidt tot een ondeugdzaam karakter. Een wereld waarin energie overvloedig aanwezig is, moedigt een spilzuchtig karakter aan en dat maakt niet gelukkig. Energie wordt vanzelfsprekend, we vergeten dankbaar te zijn en de afstand tussen ons en de natuur wordt groter.

 

Een alternatieve toekomstvisie?

Nederland schrijft in 2024 het klimaatakkoord voor 2025-2035. Om de plannen te doen slagen, moeten burgers, bedrijven en investeerders in beweging komen. Om dat te realiseren, moet de overheid de contouren schetsen van een ideale toekomst. Ondanks de waarschuwing die de deugdethiek ons geeft, heeft de utopie van de overvloed toch een niet te onderschatten aantrekkingskracht. Nooit meer energiearmoede. Nooit meer vliegschaamte. En nooit meer een timer in de douche. Het is de wereld waarin velen willen leven en waarin men bereid is te investeren. De visie zou dus strategisch kunnen worden ingezet om de energietransitie te versnellen. De overheid roept dan op tot minder consumeren, met een utopie van overvloed op het oog – en zo vervalt ze in een paradox die slechts op temporele schaal te begrijpen is.

De vraag ‘in welke wereld wil ik leven?’ verschilt echter van de vraag ‘naar welke wereld moet ons klimaatbeleid streven?’. De wereld die ik zelf graag zou zien, is niet per se de wereld die goed is voor anderen. Kortom, de vraag naar het goede leven verschilt soms van de vraag naar rechtvaardigheid. We hebben een visie nodig, maar de utopie van overvloed – hoe aantrekkelijk ook – geeft ons een vrijbrief om ongeremd te blijven verbruiken, terwijl we hopen op een technofix. Bovendien is het precies die visie die ons deze crisis heeft gebracht. Het is tijd voor een nieuw toekomstbeeld. In plaats van streven naar overvloed, kunnen we ook streven naar een utopie van het genoeg. Omdat het nationalistisch populisme aan kracht aan het winnen is, beschrijf ik deze visie in termen die meer mensen aan zal spreken dan slechts politiek christelijk of links.

Stel je voor: en wereld waarin iedereen genoeg energie heeft. Ons land is autonoom, we wekken zelf op wat we verbruiken. Zo blijft de welvaart in ons land, en zijn we niet de speelbal van geopolitieke spelletjes. We willen niet afhankelijk zijn van schaarse materialen uit verre landen of dat ons land vol staat met windmolens, en dus hebben wel iets minder energie. Maar we verdelen die op een slimme manier. De gewone burger moet genoeg hebben om goed te leven. Laat de rijken maar inleveren en minder vliegen en meer betalen. Weg met de gevestigde macht. Electrische auto’s zijn niet langer iets van de elite, want autodelen maakt ze voor iedereen bereikbaar. Weg met energiearmoede. Beleid prioriteert het opknappen van huurhuizen en de slechtst geïsoleerde koophuizen. Iedereen heeft genoeg betaalbare energie en als je per se extra energie wil om je jacuzzi te verwarmen, moet je de hoofdprijs betalen. Weg met privéjets van de rijken. In plaats daarvan versterken we het net, zodat mensen op het platteland ook prosumer kunnen zijn zonder dat het net vol raakt. Een Robin Hood-beleid zorgt voor radicale herverdeling. Geld schuift door van zakkenvullers naar de gewone burger. Een land waarin iedereen genoeg heeft, dat zou links en rechts kunnen verenigen. Laat ons daarnaar streven.

 

 

Dit essay is geïnspireerd door een artikel (nog under peer review), geschreven met Daniel Wuebben, Giovanni Frigo, Roman Meinhold, en Lorenzo Simone.

Postpartum overpeinzingen
Aan mijn IMBY-buur: hulde!
Polarisatie/verbinding: kanttekeningen bij een populair begripskoppel
ChatGPT censureert uw teksten
Memoria technica
Wolken en wapens
Gal als remedie tegen onverschilligheid
De spiritualiteit van de sedisvacatie
Een mentale gezondheidscrisis los je niet op met...
Maart 2025: the Ides of March of der...
In het dal der sentimenten
Nooit meer energiearmoede
De afbouw van het kristalpaleis
Filosofie te koop
Grootinquisiteur of Samaritaan?
Lasagnefobie
Politiek van de liefde: blijft de plaats van...
Over straflust en de nood aan begrenzing
2024: De democratie onder druk?
Wie zuiverheid claimt, creëert onwillekeurig zondebokken
Geeft de EU om mensenrechten buiten haar grenzen?
De Koran verbranden: vrije meningsuiting of ‘hate speech’?
Ontgroeien of groene groei? Als de kat maar...
Pleidooi voor iets meer torteltuin
De anachronistische deugd gastvrijheid
Vijf maal schuldig en apetrots
Glinsteringen in het grauw
De blinde vlek der beeldenstormers
Hopeloosheid?
Mogen we nog (vergelijkend en nuancerend) denken?