Het Amerikaanse blad The Atlantic publiceerde onlangs ‘The End of Reading is Here’, een onheilspellend artikel waarin wordt gesteld dat we momenteel een heuse ‘literaire crisis’ doormaken. Geconfronteerd met een overweldigend aanbod aan ‘onbeperkt’ amusement, zien we onze aandacht voor leesvoer met een lager fastfood-gehalte in snel tempo aftakelen. De gevolgen voor de beschaving zullen naar alle waarschijnlijkheid niet gering zijn. Een maatschappij die ‘postliterate’ is, zal immers heel andere kenmerken vertonen dan een met een florerende leescultuur. Waar men eertijds ‘lange, geordende argumentaties’ leerde waarderen, dankzij reguliere blootstelling aan de voortbrengselen van de drukkunst, zou de opkomst van visuele en elektronische media, voornamelijk in de vorm van streamingdiensten en ‘short-form video’, het brandpunt verleggen naar meer passieve, reactieve vormen van psychische betrokkenheid, waarbij het gemakkelijk herinnerbare en herhaalbare (bijvoorbeeld stereotypering, conflictueuze ad hominem argumentatie, sensatiebelust commentaar) centraal komen te staan.
Hoe overtuigend bepaalde aspecten van dit betoog ook mogen klinken – en voornoemd artikel slaagt er behoorlijk in om de verschillende tempo’s van de meest recente, vaak overlappende mediarevoluties, alsook hun consequenties, met voldoende nuance in kaart te brengen – toch dringt zich de vraag op of de overgang van ‘literate’ naar ‘postliterate’ wel zo’n drastische breuk inhoudt als soms wordt gesuggereerd. Zo verwijst het artikel ergens terloops naar een veel ouder essay uit 1900 (‘The Invasion of Journalism’, van ene Arthur Reed Kimball) dat destijds ook in The Atlantic werd gepubliceerd, waarin de schrijver waarschuwt dat allerhande grove stilismen en sensationele onderwerpen die typisch zijn voor de journalistiek, gestaag zouden binnensluipen in de algemene discursieve omgang (‘the intercourse and thinking of life’). In ‘The End of Reading is Here’ wordt dit vroegere essay aangehaald ter ondersteuning van een mogelijke tegenwerping: ziedaar, meer dan honderd jaar geleden werd al aan de alarmbel getrokken. Het zal allemaal wel zo’n vaart niet lopen. Het geschreven woord overleeft kennelijk elke aanslag. Mij lijkt eerder het tegendeel waar te zijn. Wat in dat eerdere artikel uit 1900 werd voorspeld, is zelfs te zien in ‘The End of Reading is Here’, dat, met alle respect voor de auteur, stilistisch een stuk simpeler en ‘directer’ is dan de soms gewaagde constructies waar Kimball mee durfde uitpakken.
Meer nog: als, zoals het meest recente artikel beweert, Donald Trump, met zijn karakteristieke, mnemotechnisch georiënteerde communicatiestijl, daadwerkelijk de ‘eerste postgeletterde president’ mag worden genoemd, dan stellen we vast dat hij bepaalde kenmerken die al domineerden binnen de journalistiek slechts tot in het absurde heeft geperfectioneerd. Kimball stelde al (in mijn haperende vertaling): ‘Met directheid als overheersende toon van de eeuw van de zakelijkheid, is de krant, de weerspiegeling van de eeuw, een drijvende kracht geweest bij het verdringen van retoriek door directheid, misschien zelfs eenvoud, van formulering.’ Dat net een ‘zakenman’ (bovendien eertijds een ‘show host’) zich die ‘directheid van formulering’ eigen heeft gemaakt, hoeft niet te verbazen. Verbazingwekkend is eerder dat in de eenentwintigste eeuw het lezen van de krant blijkbaar een teken van beschaving is geworden, waarmee Biden-kiezers zich enigszins konden onderscheiden van hun ‘ongeletterde’ (of juister: ‘postgeletterde’) tegenhangers.
Op het gevaar af pessimistischer te klinken dan misschien verantwoord is: een vluchtige blik op de lange termijn lijkt te suggereren dat het sneuvelen van de wijdverbreide geletterdheid slechts de laatste etappe is in een bijna stelselmatige (doch weinig doelbewuste) geneigdheid tot ‘lichtzinnigheid’ in onze geschiedenis. Met ‘lichtzinnigheid’ bedoel ik ongeveer wat Pascal divertissement of ‘verstrooiing’ noemde. Net dit – verstrooiing – zag Kimball als dé opzet bij uitstek van de journalistiek: ‘de voornaamste nadruk zou moeten worden gelegd op het vermaaksaspect waardoor de moderne krant zich onderscheidt.’ De raison d’être van de krant: ‘te schokken of te amuseren.’ Hedendaags vertier slaagt er wat dit betreft gewoon beter in ons te verstrooien dan het geschreven woord. De eindeloze ‘streams’ van audiovisuele ‘content’ die ons overspoelen op sociale media en allerhande digitale tv-platformen doen ons inderdaad nog veel gemakkelijker vergeten dat we, zoals Pascal aangeeft, nu eenmaal zijn aangewezen op de onuitroeibare beperkingen van een sterfelijk leven: ‘la mort, la misère, l’ignorance’.
De avatar van een leven van verstrooiing was voor Pascal de koning, ‘omringd door mensen die alleen bezig zijn [hem] te vermaken’. Vandaag is iedereen zo’n koning, en dient de hele wereld tot ons vermaak: ‘pour [nous] fournir des plaisirs et des jeux’. Daarbij is ook de doel-middel omkering die Pascal zag als de eigenlijke motor van de verstrooiing (‘we houden meer van de jacht dan van de vangst’) duidelijker zichtbaar dan ooit. Denk hierbij aan het wijdvertakte podcasting-ecosysteem dat, met als voorwendsel ‘toegankelijk onderricht’, het loutere verbale agiteren tot een ware kunstvorm heeft verheven. Of aan het feit dat meer en meer beroemdheden algemene (of niche-) bekendheid genieten simpelweg omwille van hun beroemd-zijn (beroemdheid wordt zelf-generatief; men is ‘famous for being famous’). Overal worden middelen losgekoppeld van hun doelen, puur voor de ‘amusementswaarde’. Grote contigenten van de online ‘manosphere’ bijvoorbeeld bedrijven de ars amatoria (als je het zo zelfs mag noemen), niet om uiteindelijk een liefdesrelatie te kunnen aanknopen, maar louter omwille van de ‘jacht’ op het ‘zwakkere geslacht’, met het oog op de eindeloze voortzetting en escalatie van het spel zelf (dermate dat ‘la conversation des femmes’, de flirterige omgang met vrouwen, waarover Pascal het al had, in het Engels nu gewoon ‘game’ wordt genoemd).
Als uitgesproken bibliofiel kan ik de huidige leesrecessie alleen maar bejammeren. Belangrijk is wel dat we de drijfveren voor die recessie erkennen voor wat ze zijn: geen plotse breuk met het verleden, maar wel een graduele ontvoogding van de intrinsiek menselijke neiging onze belangstelling te verleggen van de vangst naar de jacht, en idealiter de eigenlijke voleinding van onze activiteit almaar uit te stellen. Want dat is net het amusement in zijn puurste vorm: een soort perpetuum mobile, vandaag nog het best vertegenwoordigd door een ononderbroken ‘scrollen’, waarbij het oog telkens speurt naar nieuwe impulsen om verder te speuren. Dat we de ‘verbazingwekkende rijkdom aan informatie en wijsheid’ die ons werd nagelaten, in bewaring zullen houden, spreekt lang niet voor zich. Veel zal afhangen van de mate waarin de lichtzinnigheid zelf ondragelijk (of alleszins minder aantrekkelijk) wordt. Het meest duistere inzicht van Pascal was immers dat we een prijs betalen voor al onze verstrooiing. Zo gaat de toenemende lichtzinnigheid hand in hand met het almaar vermenigvuldigen van talloze onvoorzienbare ‘ongelukken, die het leed onvermijdelijk maken.’ Onvermijdelijk misschien, maar daarom nog niet doorslaggevend. Wie weet wat voor schouwspelen onze heerlijke nieuwe wereld nog zal voortbrengen om zich toch maar niet van het onwelgevallige te hoeven vergewissen – en in hoeveel waanzinnige avonturen zij zich nog zal storten, al was het maar ‘om te schokken of te amuseren’?