Kan kunst de Kerk redden?
Op 20 januari 2025 sprak de Vlaamse schrijver en columnist Christophe Vekeman in Hof Zevenbergen te Ranst. Hij was daar uitgenodigd als gast tijdens de Salongesprekken met als thema, Schoonheid in tijden van onzekerheid. Hem werd gevraagd een kort referaat te houden vanuit de vraag: “Kan schoonheid de wereld redden?” Dit is zijn tekst.
Mij is gevraagd om iets te zeggen rond een thema dat als volgt werd omschreven: ‘Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid’. Ik vond dat zulks bijzonder goed klonk, en meer bepaald was ik van mening dat ‘Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid’ een ronduit prachtige titel zou wezen voor een meerdelige, wat later op de avond uitgezonden televisiereeks ten behoeve van wie nog steeds soms genoemd wordt: ‘de meerwaardekijker’.
Waarover die televisiereeks inhoudelijk juist zou moeten handelen, echter, daar had ik aanvankelijk het raden naar, en daarom lijkt het mij een goed idee om allereerst eens nauwkeurig te kijken naar wat er in de titel of de zin in kwestie precies staat geschreven, en naar wat het juist betekent.
De ‘tijden van angst en onzekerheid’ vormen ook bij nader inzien geen groot probleem, het is duidelijk wat daar juist mee wordt bedoeld. Dat zijn tijden, namelijk, waartoe ook onze tijd behoort, misschien zelfs – al is er uiteraard nooit ook maar een enkele dag in de geschiedenis van de mensheid ten einde gekomen die van angst en onzekerheid vrij was – méér dan enig ander tijdperk uit het verleden. Behoren angst en onzekerheid sowieso, per definitie, onvermijdelijk bij het leven en bij de wereld, dan hoeft het geen betoog, wil ik zeggen, dat óns leven en ónze wereld er meer dan ooit door worden geplaagd.
Wat tot die vaststelling alleen maar bijdraagt, maar wat tezelfdertijd ook bijzonder bevreemdt, is dat in ons deel van de wereld ondanks die onzekerheid en ondanks die angst nog bitter weinig mensen kennelijk nog maar in overweging willen nemen om terug te grijpen naar wat vanouds nochtans wordt gezien als een klassieke angstdemper en een houvast in tijden van nood, te weten de godsdienst of het geloof. Als er één ding zeker schijnt te zijn vandaag de dag, dan wel dat godsdienst en geloof als volslagen nutteloos moeten worden bestempeld ter bestrijding van onzekerheid en angst. Zo lang als er gegolden heeft dat in tijden van oorlog de kerken vol zitten, want dat heb ik mijn moeder en mijn grootmoeder toch vaak genoeg horen beweren, zo leeg zitten de kerken, nu volgens velen toch het einde van de wereld en het einde van de mensheid in zicht zijn, zo leeg zitten de Vlaamse kerken, herhaal ik, heden ten dage.
Hoe dat mogelijk is, hoe dat zo is gekomen, lijkt mij nogal wiedes, en daaraan hoeven in deze context dan ook geen woorden te worden verspild. Hoe dat zou kunnen worden verholpen, dan weer, is een andere vraag.
Wat mij brengt bij het eerste woord van die potentiële, mijns inziens zeer geslaagde televisiereekstitel, bij het belangrijkste woord ook, het welluidendste en ook het ingewikkeldste: schoonheid.
Wat is, moeten wij ons afvragen, de eigenlijke portee van dat woord? Wie de Van Dale raadpleegt, komt eerlijk gezegd niet al te veel verder: verschillende keren valt daar het woord ‘mooi’ in de uitleg van wat ‘schoonheid’ inhoudt. Ook woorden als ‘fraai’ en ‘prettig’ zien wij daar in onze taalbijbel staan.
Mijn punt dat ik hier vanavond wil maken, is dat die klakkeloze koppeling van enerzijds ‘schoonheid’ aan anderzijds ‘mooi’, ‘fraai’, ‘prettig’ et cetera in het geheel niet terecht is, en meer bepaald afbreuk doet aan wat het verdient om ‘schoonheid’ te worden genoemd. Mijn punt is dat de genoemde koppeling ons van het vermogen berooft, ons mensen, om eigenlijke schoonheid te zien, te herkennen en te appreciëren.
Het verschil tussen ‘schoon’ en ‘mooi’, om mij tot die twee woorden te beperken, is heel wat groter dan je op het eerste gezicht zou denken, en stellig heel wat groter dan dat tussen ‘schoon Vlaams’ en het mooie Nederlands in zijn wat algemenere vorm. Laat mij dat illustreren met enkele voorbeelden uit de natuur.
De schoonheid van de natuur, het natuurschoon, komt niet alleen tot uiting in wat wij bijvoorbeeld noemen ‘mooi weer’, maar evengoed in aardezwarte zware wolkenmassa’s die het zwerk bezetten en het landschap en de boer daarbij tot vernietiging dreigen te pletten. Een zomerhemeltje is mooi, mooi blauw, meer bepaald, maar de schoonheid van de natuur schuilt natuurlijk evenzeer, wie weet zelfs meer, in de storm die bij nacht de vogels uit de bomen fluit. Gruwelijk en hoe dan ook weinig mooi als het tafereel zijn mag, toch valt er schoonheid te vinden – toch brengt de natuur haar schoonheid tot expressie – op het ogenblik dat in uitzinnigheid de leeuw zijn prooi aan stukken rijt en brult.
Schoonheid is zoveel ruimer, zoveel rijker en gaat zoveel dieper dan het op uiterlijkheden gerichte, prettige, fraaie, oppervlakkige ‘mooi’. ‘Mooi’ mag dan dikwijls geruststellend bedoeld zijn, rustwekkend en sussend, maar mooi is vooral toch bedrieglijk en saai. Schoonheid, daarentegen, herbergt avontuur en staat daarom helemaal niet haaks op wat angst wekt en onzeker maakt. Schoonheid, angst en onzekerheid, zeg ik, zijn drie handen op een buik. De schoonheid van de natuur, van bergen, bijvoorbeeld, van de klotsende zee, van de gloeiende woestijnvlaktes, heeft minder met mooiheid vandoen dan dat zij wel degelijk echt angstig en onzeker maakt. Schoonheid is in wezen minder fraai, is mijn punt, dan dat zij gevaarlijk is, en voor een deel, een belangrijk deel, zelfs afstoot.
Laat ons de natuur even laten rusten en naar de cultuur overgaan, naar de kunst en meteen ook naar, in één ruk, de religie. Aan het begin van de laatste roman die hij schreef voordat hij zich definitief bekeerde tot het katholicisme, het in 1891 verschenen, vaak als ‘satanisch’ gedefinieerde Là-bas of Uit de diepte, steekt de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans zijn bewondering voor een zeker schilderij niet onder stoelen of banken. Het betreft De kruisiging van Matthias Grünewald, en zonder mijn eigen bewondering voor de vertaling door Geerten Meijsing en Kees Snel onder stoelen of banken te steken lees ik met plezier voor wat Huysmans bij monde van zijn alter ego Durtal over dit werk heeft te zeggen: ‘Ach! Voor dit met bloed bemorste en met tranen doorweekte Calvarië was men ver verwijderd van de sullige Golgotha’s die de Kerk zich sinds de Renaissance had toegeëigend! Deze stuiptrekkende Christus was niet de Christus van de rijken, de Adonis van Galilea, de welgemanierde mooie jongen, de leuke knul met zijn rossige haarlokken, splitbaard en de weke trekken van een paardenkop, die de gelovigen sinds vierhonderd jaar aanbaden. Dit was de Christus van Sint-Justinus, van Sint-Basilius, van Sint-Cyrillus, van Tertullianus, dit was de Christus van de eerste eeuwen van de Kerk, dit was de Christus die volks en lelijk was omdat hij alle zonden van de wereld op zich nam en omdat hij zich uit nederigheid in de meest afstotende vormen liet zien.’
Bedoelt Durtal hier te zeggen dat het schilderij van Matthias Grünewald een lélijk schilderij is, gespeend van elke vorm van schoonheid? Uiteraard is het tegendeel waar. De schoonheid van dit meesterwerk, beweert Durtal tussen de regels door, zit hem juist in het feit dat de gekruisigde níét ‘mooi’ en níét ‘leuk’ is, maar daarentegen op een ‘lelijke’ en ‘afstotende’ manier aan de toeschouwer wordt gepresenteerd. Het is in de lelijkheid en het afstotende dat hier de schoonheid schuilt, een lelijkheid en een afstotelijkheid die wij eveneens terugvinden kunnen in de omschrijving door de profeet Jesaja van ‘de hoogverheven dienaar van de Heer’: ‘zo mismaakt was hij, zo weinig menselijk zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens’.
Niet alleen, echter – en dat is misschien nog interessanter in dit verband – schetst Jesaja 700 jaar voordat de kruisiging van de Messias plaatsvond hoe onmenselijk slecht Jezus eraan toe was nadat hij aan het hout was genageld, en hoe onmenselijk slecht hij eruitzag, nee, even later biedt hij ons eveneens een beeld van de Gezalfde aan terwijl die in zijn dagelijkse doen is of zijn zal, zeg maar. Hoe de dienaar des Heren eruitzag volgens Jesaja, wanneer hij dus niet in doodspijn verkeerde? ‘Onopvallend was zijn uiterlijk,’ leert ons de Nieuwe Bijbelvertaling, en de Naardense Bijbel weet ons te vertellen: ‘wij zagen hem aan, maar hij had geen aanblik dat wij hem begeerd zouden hebben.’ Is of was hij volgens Jesaja dan geen ‘schone mens’, zoals wij dat zeggen? Natuurlijk wel. Alles wat Jesaja ons hier leert, is dat wij om schoonheid te vinden dienen te kijken voorbij de uiterlijkheid, voorbij de rustgevende schijn, onder de oppervlakte.
De schoonheid van Jezus Christus in het Nieuwe Testament is recht evenredig aan de walg die bij ons spontaan wordt opgeroepen door zijn zweet dat verandert in bloed, en door de mengeling van bloed en water dat aan het einde van het evangelie van Johannes uit zijn open zijwonde tevoorschijn spuit en ter aarde wordt gestort.
Eén van de vele, ontelbare dingen die de Bijbel ons leert, is dat schoonheid haar kracht dikwijls minstens ten dele puurt uit het weerzinwekkende, uit het angstwekkende, uit dat wat onze wereld, en onze kijk op die wereld, op zijn kop zet en ons bijgevolg de keel doet schrapen en hoorbaar doet slikken en ons onzeker maakt. Het is in tijden van angst en onzekerheid dat de schoonheid voor het oprapen ligt, het is in de angst en de onzekerheid zélf dat zij te vinden is, en in elk geval zijn het de angst en de onzekerheid die ons de weg erheen wijzen, de weg naar de waarheid, die schoonheid is.
Tot slot wil ik dit laatste graag nog even terugkoppelen naar wat ik zo-even zei over de Kerk, die er klaarblijkelijk ondanks alles, ondanks dus de omstandigheden die in principe gunstig zouden moeten zijn voor een opflakkering van het geloof, zacht gezegd niet goed in slaagt om op de West-Europeaan in het algemeen en op de Vlaming van vandaag in het bijzonder nog de nodige aantrekkingskracht uit te oefenen. Dat heeft als gezegd met heel veel te maken, onder andere ook, nogmaals, met heel wat voor de hand liggende zaken, maar misschien ook, durf ik hier te stellen, met het feit dat zij minder dan ooit lijkt in te zien dat het niet alleen de golfjes op het wateroppervlak zijn die de zee voor een meditatieve strandzitter aantrekkelijk maken, maar ook en vooral het vermoeden van wat zich onder die golfjes afspeelt. Dat zij, de Kerk, niet altijd even goed lijkt in te zien, als je het mij vraagt, dat het de diepte is die aantrekt, en niet zozeer dat wat die diepte bedekt en aan het zicht onttrekt. Dat zij niet altijd even goed lijkt te beseffen dat het niet het zoetsappig mooie is, dat het niet het lieflijke, het pastelkleurige, de bloem, de glimlach, de zoveelste getekende vis op de voorflap van een boek, het ‘geef elkaar een teken van vrede’ en het oeverloze terugvallen op het woord ‘zingeving’ is dat in tijden van angst en van onzekerheid aanlokkelijk is, maar misschien juist het tegendeel ervan.
Wat ik de Kerk toewens, is het besef van de wervende kracht, nog altijd, met name in tijden als deze – het besef van de wervende kracht van Joris-Karl Huysmans, Matthias Grünewald, Dostojewski, Thomas Kempis et cetera. Van de wervende kracht, wil dat zeggen, van de wanhoop, van het leed, van de verscheurdheid, de vertwijfeling en de strijd. De wervende kracht van de schoonheid, kortom.